Skip to main content

Vandaag vrijdag 6 november 2020 heeft de Hoge Raad de criteria voor de beoordeling van de vraag of een arbeidsrelatie een arbeidsovereenkomst is gewijzigd.[1]

Feiten

Een uitkeringsgerechtigde ging met behoud van haar uitkering op basis van een participatietraject onbeloond twee maal zes maanden werken in de functie van servicedeskmedewerker voor de gemeente Amsterdam. Zij stelt dat zij haar werk verrichte op basis van een arbeidsovereenkomst, omdat zij hetzelfde werk deed als de servicedeskmedewerkers in loondienst.

Kantonrechter en gerechtshof

De kantonrechter en het gerechtshof wezen de vordering van de vrouw af. Het hof overwoog dat zij niet hetzelfde takenpakket uitvoerde als haar betaalde collega’s en dat het bij de plaatsing in het participatietraject niet de bedoeling van partijen was geweest om een arbeidsovereenkomst aan te gaan. Op dit laatste punt ging mevrouw in cassatie.

De Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte de bedoeling van partijen ook van belang heeft geacht voor de vraag of tussen de gemeente en de vrouw een arbeidsovereenkomst bestaat. Volgens de Hoge Raad is de partijbedoeling niet van belang. Waar het om gaat is of in de feitelijke uitvoering aan de elementen van artikel 7:610 BW wordt voldaan (gezag, loon, gedurende zekere tijd en persoonlijk arbeid verrichten).

De Hoge Raad laat de uitspraak van het hof in stand, omdat het hof de elementen van artikel 7:610 BW wel juist heeft getoetst. De gemeente Amsterdam had mevrouw nooit loon betaald en daarmee is niet aan de elementen van artikel 7:610 BW voldaan.

Maatstaf voorheen

Voorheen werd de vraag of sprake was van een arbeidsovereenkomst beoordeeld aan de hand van de vier criteria uit artikel 7:610 BW (gezag, loon, gedurende zekere tijd en het persoonlijk verrichten van de arbeid) in combinatie met de partijbedoeling en feitelijke uitvoering. Dit op grond van het Groen/Schoevers arrest van de Hoge Raad uit 1997.

Nieuwe maatstaf

In dit arrest oordeelt de Hoge Raad dat voor de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst de bedoeling van partijen niet van belang is. Volgens de Hoge Raad gaat het er om of feitelijk aan de elementen uit artikel 7:610 BW is voldaan. Deze nieuwe maatstaf is dus een breuk met de leer die volgde uit het Groen/Schoevers arrest.

Wilt u meer informatie?

Heeft u vragen of wilt u meer informatie? Neem dan contact op met een van de advocaten van team Arbeidsrecht. Wij houden u op de hoogte van alle ontwikkelingen in het Arbeidsrecht via onze website en Arbeidsrecht LinkedIn pagina.

November 2020

[1] Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:1746.