Het komt regelmatig voor dat in de arbeidsovereenkomst een andere einddatum is genoemd dan in het pensioenreglement. Zo ook in de kwestie die aan het gerechtshof Amsterdam is voorgelegd. Het hof moest oordelen over de vraag welke datum bepalend was voor het eindigen van de arbeidsovereenkomst van werkneemster. In de arbeidsovereenkomst zijn partijen overeengekomen “de datum waarop de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt”. Werkgever was van mening dat dit de AOW-gerechtigde leeftijd was. Werkneemster vond echter dat de pensioenrichtleeftijd uit het pensioenreglement zou moeten worden aangehouden. Welk standpunt is nu juist? Deze vraag blijkt nog niet zo eenvoudig te beantwoorden.

Feiten
Werkneemster was al bijna 20 jaar in dienst bij werkgever. In haar arbeidsovereenkomst was opgenomen dat het dienstverband van rechtswege eindigt op de eerste dag van de kalendermaand volgend op de datum waarop zij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Op 23 maart 2018 heeft werkgever werkneemster een brief gestuurd, waarin stond dat de pensioenrichtleeftijd op 1 januari 2018 werd verhoogd van 67 naar 68 jaar. Hierdoor zou werkneemster pas later met pensioen gaan. Op 31 mei 2018 heeft werkgever zich echter op het standpunt gesteld dat de arbeidsovereenkomst met ingang van die datum van rechtswege is geëindigd in verband met het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd van 67 jaar op 17 mei 2018. Sindsdien heeft werkneemster dan ook niet meer voor werkgever gewerkt.

Kort geding
Werkneemster vorderde in kort geding wedertewerkstelling en doorbetaling van salaris vanaf 1 juni 2018. Zij was van mening dat in de arbeidsovereenkomst gedoeld werd op de pensioenrichtleeftijd, en niet op de AOW-leeftijd. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen, omdat dit volgens de kantonrechter niet de bedoeling van partijen zou zijn geweest.

Gerechtshof
Het hof is, evenals de kantonrechter, van mening dat de vraag welke leeftijd in de arbeidsovereenkomst bedoeld wordt, dient te worden beantwoord aan de hand van de bedoeling van partijen. Het hof komt evenwel tot een andere conclusie. Het hof oordeelt namelijk dat in de arbeidsovereenkomst op de pensioenrichtleeftijd wordt gedoeld, en niet op de AOW-leeftijd. Uit de stellingen van partijen volgt namelijk niet dat bij het tot stand komen van de arbeidsovereenkomst gesproken is over de pensioendatum. Ten tijde van het sluiten van deze arbeidsovereenkomst was de AOW-leeftijd (al 56 jaar lang) 65 jaar. Het feit dat in de arbeidsovereenkomst niet is opgenomen 65 jaar of de AOW-gerechtigde leeftijd, laat de mogelijkheid open dat partijen beoogd hebben dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege zou eindigen op een andere leeftijd dan de AOW-leeftijd. Hieruit blijkt naar het oordeel van het hof dan ook dat partijen niet hebben beoogd aan te sluiten bij de AOW-leeftijd, maar bij de datum uit het pensioenreglement. Deze was op het moment van de beëindiging vastgesteld op 68 jaar.

Conclusie
In het onderhavige geval werd rekening gehouden met de partijbedoeling voor beantwoording van de vraag welke leeftijd leidend was voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst wegens pensioen. In dit geval was aannemelijk dat in de arbeidsovereenkomst de pensioenrichtleeftijd uit het pensioenreglement werd bedoeld, en niet de AOW-leeftijd. In een andere zaak kan dit echter zomaar anders uitpakken. Het ligt er maar net aan wat partijen van elkaar mogen verwachten en wat hun bedoelingen zijn geweest bij het sluiten van de overeenkomst. Om dergelijke problemen te voorkomen, doen partijen er goed aan om duidelijke afspraken te maken over wanneer de arbeidsovereenkomst eindigt, zodat hierover op het betreffende moment geen discussie kan ontstaan.

Meer informatie
Heeft u vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met een van onze advocaten van Team Arbeidsrecht of pensioen. Wij zijn u graag van dienst. Daarnaast houden wij u op de hoogte van de laatste ontwikkelingen binnen het Arbeidsrecht op onze showcasepagina op LinkedIn.

Januari 2020