Skip to main content

Er lijkt in de lagere rechtspraak een tendens waarneembaar dat de door de Hoge Raad geformuleerde strenge, cumulatieve criteria waaraan moet worden getoetst om definitieve beëindiging van de partneralimentatieverplichting te bewerkstelligen op grond van het feit dat de alimentatiegerechtigde samenwoont met een ander als waren zij gehuwd in de praktijk soepeler worden toegepast. Een voorbeeld daarvan is de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 7 juni 2016.(Link: ECLI:NL:GHARL:2016:4501)

In die zaak stond vast dat de alimentatiegerechtigde vrouw en haar partner ieder hun eigen adres hadden, maar de vrouw meestal van donderdagavond tot dinsdagochtend bij haar partner verbleef, en de andere dagen van de week in haar eigen woning was, van waaruit zij ook een eigen onderneming dreef. Tijdens die dagen had zij haar eigen bezigheden (sport) en sociale contacten. Dat deed er volgens het Hof echter niet aan af dat het zwaartepunt van dat verblijf van de vrouw bij haar nieuwe partner lag en er dus sprake was van een samenwoning. Het Hof had de vrouw opgedragen tegenbewijs te leveren ten aanzien van het voorlopige oordeel dat er sprake was van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging, maar de vrouw slaagde daar volgens het Hof niet in. Dat had overigens vooral te maken met het feit dat de vrouw haar stellingen niet met bewijsstukken had onderbouwd. Het Hof ging er dus vanuit dat haar partner het merendeel van de kosten van de huishouding, voor de dagen dat zij bij hem verbleef, voor zijn rekening nam. Dat gold ook voor de kosten van vakanties, waarvan de vrouw ook had erkend dat haar partner de verblijfskosten voor zijn rekening nam, maar dat zij zelf de reiskosten en kosten van verteer betaalde. Maar ook dat had ze niet met bewijsstukken kunnen aantonen. Ook voor het overige had zij niet voldoende inzicht gegeven in haar financiële situatie. Voorts was komen vast te staan dat zij samen met haar partner veel gezamenlijke sociale activiteiten ondernam (onder andere feestjes, familiebezoeken, activiteiten van de voetbalclub en carnavalsvereniging).

Dat alles leidde het Hof tot het oordeel dat er sprake was van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging. Het Hof overwoog  daarbij nog expliciet dat het “in het huidige tijdsgewricht, waarin echtelieden ook niet meer jegens elkaar verplicht zijn tot samenwoning, in het algemeen zeer wel mogelijk is dat personen die een duurzame affectieve relatie met elkaar onderhouden en die samenleven als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW, kiezen voor een invulling van hun dagelijkse leven waarbij zij niet iedere dag en nacht met elkaar doorbrengen en waarbij zij niet alle financiële middelen met elkaar delen“. Dat biedt wellicht perspectief in soortgelijke zaken. Tegen deze uitspraak is geen cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

In geschillen met betrekking tot toepassing van artikel 1:160 BW komt het overigens wel vaker voor dat, mits er door de alimentatieplichtige voldoende feiten en aanknopingspunten zijn gesteld, de rechter tot het “voorlopig oordeel” komt dat er sprake is van een samenwoning in de zin van dat artikel, en de alimentatiegerechtigde dan in staat wordt gesteld daartegen voldoende tegenbewijs te leveren.

De rechtbank Overijssel ging zelfs nog een stapje verder in de uitspraak van 4 augustus 2016 (ECLI:NL:RBOVE:2016:3118) waarin zij alimentatieplichtige te hulp schoot, nu deze in “bewijsnood” verkeerde. Het ging in dit geval om een 63-jarige man, aan wie alimentatie verschuldigd was. De man was verhuisd naar Litouwen en had erkend dat hij daar een vriendin had, maar zijn stelling was dat hij niet met haar samen leefde. De verhuizing zou erop gericht zijn “om te onderzoeken of hij en zijn nieuwe vriendin wel samen verder zouden kunnen.” De man en zijn nieuwe vriendin woonden in dezelfde straat, maar elk op een ander huisnummer. De man beargumenteerde dat op de vrouw de stelplicht en bewijslast rustte van de samenwoning in de zin van artikel 1:160 BW. De rechtbank stelde echter dat niet van de vrouw kon worden verwacht dat zij in een vreemd land als Litouwen onderzoek zou moeten gaan doen naar het dagelijkse leven van de man, en keerde de bewijslast om, nu dit uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeide. De rechtbank belastte de man dus met bewijs dat hij niet samenwoonde met zijn nieuwe partner in Litouwen.

De lagere rechters lijken, zij het schoorvoetend, alimentatieplichtigen die een beroep doen op artikel 1:160 BW steeds vaker te hulp te schieten. Een ontwikkeling die (zeker in op het eerst zicht “sprekende gevallen”) op zichzelf is toe te juichen.

Indien u vragen heeft over mogelijkheden tot beëindiging van de partneralimentatieverplichting op grond van het feit dat de alimentatiegerechtigde samenwoont met een ander, verlenen de familierechtadvocaten van Boels Zanders u daarover graag nader advies.