Skip to main content

De Gemeentewet verplicht lokale overheden tot transparante besluitvorming. Zo zijn vergaderingen in beginsel openbaar en worden besluitenlijsten van besloten vergaderingen gepubliceerd. Deze besluitenlijsten bevatten met enige regelmaat persoonlijke gegevens van betrokken burgers en instanties. De bescherming van deze persoonsgegevens kan daarbij op gespannen voet staan met de publicatieplicht uit de Gemeentewet. In een uitspraak van 7 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:702) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“de Afdeling”) uiteengezet hoe deze publicatieplicht zich verhoudt tot de bescherming van persoonsgegevens. De Afdeling maakt duidelijk dat er veel belang wordt gehecht aan de publicatieplicht van de openbare besluitenlijst.

Aanleiding
Een inwoner van de gemeente Zundert (“appellant”) heeft bij de gemeente een aantal loonstaten en salarisstroken opgevraagd. Dit verzoek moet worden gekwalificeerd als een informatieverzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur. Het verzoek is doorgeleid naar het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert (“het college”), dat in een besloten vergadering hierover een besluit heeft genomen. Dit besluit wordt gepubliceerd in een openbare besluitenlijst op de gemeentelijke website, onder vermelding van de initialen, achternaam, straat, huisnummer en woonplaats van appellant.

Appellant is het niet eens met deze publicatie en verzoekt het college om zijn personalia uit de besluitenlijst te verwijderen. Het college geeft geen gehoor aan dit verzoek. Zowel in de daaropvolgende bezwaar- als in de beroepsprocedure wordt appellant in het ongelijk gesteld.

Publicatieplicht Gemeentewet
Artikel 60, derde lid, Gemeentewet bepaalt dat het college de besluitenlijst openbaar maakt op de in de betreffende gemeente gebruikelijke wijze. Ratio achter deze bepaling is dat dit de transparantie van besluitvorming verbetert, nu de vergaderingen van het college ingevolge artikel 54, eerste lid, Gemeentewet doorgaans achter gesloten deuren plaatsvinden. Een openbaarmaking op de “gebruikelijke wijze” geschiedt in veel gevallen door het plaatsen van de besluitenlijst op de gemeentelijke website. Een uitzondering op deze bepalingen zijn aangelegenheden waarvoor krachtens artikel 55 Gemeentewet geheimhouding is opgelegd of waarvan openbaarmaking in strijd is met het algemeen belang.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij toepassing van bovenvermelde bepaling zeer terughoudend moet worden omgegaan met het anonimiseren van gegevens. Dit maakt dat voor gegevens die niet voor geheimhouding in aanmerking komen of vallen onder het openbaar belang, doorgaans geen belemmering voor publicatie bestaat. Het college stelt zich dan ook op het standpunt dat de besluitenlijst op grond van artikel 60, derde lid, Gemeentewet terecht is gepubliceerd en er geen reden tot verwijdering van de persoonsgegevens bestaat.

Bescherming van persoonsgegevens
De persoon wiens persoonsgegevens worden verwerkt kan zich op grond van artikel 36 Wet bescherming persoonsgegevens (“Wbp”) een verzoek indienen bij het verantwoordelijke bestuursorgaan om deze gegevens te verwijderen. Grondslag voor deze verwijdering is dat de betreffende persoonsgegevens feitelijk onjuist zijn, onvolledig of niet ter zake dienend zijn voor het doel of de doeleinden van de verwerking of dat er anderszins sprake is van overtreding van een wettelijk voorschrift.

In hoger beroep betoogt appellant dat het openbaar maken van zijn personalia in strijd is met artikel 36 Wbp.

Oordeel Afdeling
De Afdeling stelt voorop dat het verzoek van appellant tot verwijdering van zijn personalia moet worden gekwalificeerd als een verzoek ex artikel 36 Wbp. Nu van feitelijk onjuiste gegevens of van overtreding van een wettelijk voorschrift geen sprake is, kan verwijdering enkel geschieden indien de gegevens onvolledig of niet ter zake dienend zijn voor het doel of de doeleinden van de verwerking.

Tegelijkertijd bestaat voor het college de verplichting op grond van artikel 60, derde lid, Gemeentewet om de besluitenlijst te publiceren. De Afdeling wijst in deze erop dat op grond van de parlementaire geschiedenis zeer terughoudend moet worden omgegaan met het anonimiseren van de betreffende gegevens. Nu geheimhouding in het onderhavige geval niet aan de orde is, oordeelt de Afdeling dat de verwerking van de personalia van appellant door het publiceren van de besluitenlijst in beginsel ter zake dienend is als bedoeld in artikel 36 Wbp.

De vervolgvraag die rijst is in hoeverre de publicatie van de gegevens achterwege kon blijven op grond van het openbaar belang. De Afdeling erkent, onder verwijzing naar een eerdere uitspraak dat de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kan worden geschaard onder de reikwijdte van het begrip “openbaar belang”. Dit betekent dat het verwerken van persoonsgegevens onder bepaalde omstandigheden in strijd kan zijn met artikel 60, derde lid, Gemeentewet en daarmee in aanmerking komt voor verwijdering ingevolge artikel 36 Wbp. Vereist hiervoor is dat in het concrete geval de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het belang van publicatie. Bij deze afweging dienen in ieder geval te worden betrokken de aard van het besluit en de met openbaarmaking gaande risico’s, aldus de Afdeling.

De Afdeling is desondanks van mening dat appellant onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zijn persoonlijke levenssfeer door de publicatie zou zijn aangetast. Bij het merendeel van de gepubliceerde personalia acht de Afdeling het belang van publicatie zwaarder wegen dan de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van appellant. Uitzondering hierop vormt de publicatie van het adres van appellant, nu het college geen argumenten heeft om deze gegevens te publiceren. Gelet op de in de Richtsnoeren aangevoerde risico’s acht de Afdeling publicatie van straat en huisnummer wel in strijd met het openbaar belang en dient het college deze gegevens te verwijderen. De Afdeling verklaart het beroep op dit onderdeel derhalve gegrond en voorziet na vernietiging van het besluit zelf in de zaak.

Beoordeling uitspraak
Deze uitspraak is om een aantal redenen opmerkelijk. Allereerst maakt de Afdeling duidelijk dat de publicatieplicht van artikel 60, derde lid, Gemeentewet een grote betekenis toekomt. Bovendien mag hierbij niet snel worden overgegaan tot het anonimiseren van gegevens. Tegelijkertijd kan de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, gelet op de bijzondere risico’s die gepaard gaan met de publicatie van gegevens, alsnog leiden tot verwijdering van bepaalde gegevens. De Afdeling benadrukt dat bij iedere publicatie een afweging moet worden gemaakt tussen het belang van publicatie en eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Deze verplichting blijft onverkort gelden met de inwerkingtreding van de AVG.

Opmerkelijk is dat de Afdeling bepaalt dat enkel gegevens als een straatnaam en huisnummer voor verwijdering in aanmerking komen, terwijl volgens de Richtsnoeren ook de publicatie van de overige persoonsgegevens ernstige risico’s met zich kan meebrengen. Hiermee lijkt de Afdeling op een andere lijn te zitten dan de Autoriteit Persoonsgegevens. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft eerder aangegeven dat vermelding van personalia in openbare stukken niet noodzakelijk is ter vervulling van publicatieverplichtingen op grond van de Gemeentewet.

Voor bestuursorganen betekent de uitspraak dat zij bij de publicatie van gegevens van derden rekening moeten houden met eventuele risico’s die publicatie met zich kan meebrengen. Dit geldt niet alleen wat betreft besluitenlijsten, maar ook ten aanzien van raadsstukken, vergunningaanvragen en bezwaarschriften. Bij iedere publicatie zal het bevoegde bestuursorgaan moeten bepalen of publicatie van bepaalde persoonsgegevens noodzakelijk is met het oog op de risico’s van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene.

Meer informatie
Heeft u vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Roel Metsemakers of een van de andere advocaten van team Bestuursrecht. Zij zijn u graag van dienst.