Concurrenten doorstaan voor het eerst de relativiteitstoets ten aanzien van de ladder voor duurzame verstedelijking

By januari 11, 2016No Comments

In de uitspraak van 9 september 2015 (nr. 201400623/1/R1) nuanceert de Afdeling haar eerder ingenomen rechtsoverweging  ten aanzien van concurrenten die een beroep doen op artikel 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening (hierna: “Bro”), ook wel “de ladder van duurzame verstedelijking” genoemd.

Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 3.1.6 lid 2 Bro bepaalt dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

  1. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
  2. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;
  3. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Concurrenten

Op voornoemde bepaling wordt – indien het nieuwe bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt – veelal een beroep gedaan door concurrerende bedrijven. Eerder heeft de Afdeling (zie uitspraak van 20 mei 2015, nr. 201403699/1/R2) nog overwogen dat deze concurrenten geen beroep kunnen doen op artikel 3.1.6 lid 2 Bro, omdat zij de relativiteitstoets van artikel 8:69a Algemene wet bestuursrecht (hierna: “Awb”) niet konden doorstaan. De reden hiervoor was dat volgens de Afdeling een concurrent die kwalificeert als belanghebbende, alleen met succes een beroep kan doen op artikel 3.1.6 lid 2 Bro, als hij feiten en omstandigheden naar voren kan brengen die het oordeel rechtvaardigen dat de voorziene ontwikkeling kan leiden tot relevante leegstand.

In de uitspraak van 9 september 2015 wordt door de Afdeling voor het eerst overwogen dat de concurrenten de (vrij zware) relativiteitstoets kunnen doorstaan.

Uitspraak van 9 september 2015

Wat was er nou gebeurd? De gemeenteraad van de gemeente Venlo heeft in de een bestemmingsplan vastgesteld dat een bouwmarkt (Bauhaus) mogelijk maakt met bijbehorend tuincentrum en drive-inn op een bedrijventerrein.

Hiertegen is beroep ingesteld door enkele andere detailhandelszaken op hetzelfde bedrijventerrein (“de concurrenten”). Zij doen onder meer een beroep op artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Volgens de appellanten voldoet de toelichting van het bestemmingsplan niet aan de vereisten die artikel 3.1.6 lid 2 Bro hieraan stelt.

De gemeenteraad stelt zich – niet onverwacht – op het standpunt dat het relativiteitsbeginsel met zich brengt dat appellanten zich niet kunnen beroepen op de rechtsregel vervat in artikel 3.1.6 lid 2 Bro, omdat deze niet strekt tot bescherming van de belangen van appellanten, zijnde concurrenten.

Één van de appellanten exploiteert een Karwei-vestiging op het bedrijventerrein. Naast de Karwei is een Praxis tuincentrum gevestigd. Partijen zijn het erover eens dat de komst van Bauhaus, met tuinmarkt, zal kunnen leiden tot de sluiting van Praxis Tuincentrum. Dit zal, naar het oordeel van de Afdeling relevant zijn voor het ondernemingsklimaat van de naastgelegen Karwei-vestiging. De Afdeling komt tot de slotsom dat de exploitant van Karwei aldus een gerechtvaardigd beroep kan doen op artikel 3.1.6 lid 2 Bro. De exploitant van de Karwei-vestiging doorstaat dus de relativiteitstoets.

Een andere concurrent van Bauhaus daarentegen ving bot bij de Afdeling. De concurrent exploiteert een Gamma op een afstand van 2,4 kilometer van het plangebied. Vanwege de geïsoleerde ligging kan in de omgeving van de Gamma geen leegstand ontstaan die relevant is voor haar ondernemingsklimaat, ten gevolge van de komst van Bauhaus. Op grond hiervan overweegt de Afdeling dat de exploitant van Gamma, gelezen artikel 8:69a Awb, géén succesvol beroep kan doen op artikel 3.1.6 lid 2 Bro.

Conclusie

Om als concurrent de relativiteitstoets te doorstaan, en derhalve een inhoudelijke beoordeling af te dwingen ten aanzien van een beroep op artikel 3.1.6 lid 2 Bro, dient men aan te kunnen tonen dat er sprake is van relevante leegstand. Zodra dit kan worden aangetoond, zal de bestuursrechter de beroepsgrond inhoudelijk beoordelen. Daarbij zal de bestuursrechter beoordelen of het bestreden besluit zodanige leegstandseffecten met zich zal brengen dat dit tot een uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare situatie zal leiden.