Skip to main content

Een uitspraak van de voorzieningenrechter van rechtbank Noord-Nederland van 11 maart 2021 leidt tot grote onzekerheid voor veehouderijen. Volgens de rechter ontbreekt de wetenschappelijke onderbouwing voor wat betreft de vastgestelde emissiefactoren van de RAV, zodat de vergunning ten behoeve van de bouw van een nieuwe emissiearme stal niet zomaar verleend kan worden. 

Wat is er gebeurd?

Gedeputeerde Staten van Fryslân (GS) hebben een vergunning ingevolge de Wet natuurbescherming (Wnb-vergunning) verleend voor het wijzigen van een melkveehouderij op basis van interne saldering. Dit in verband met de bouw van een nieuwe loopstal. De stal zou gebouwd worden met de toepassing van een emissiearm huisvestingssysteem. De emissie en depositie van stikstof zou hierdoor niet toenemen, ondanks de toename van het aantal dieren. Milieuorganisatie Mobilisation for the Environment (MOB) is het hier niet mee eens en is in beroep gegaan tegen het besluit tot verlening van de vergunning.

Argumenten MOB

MOB voert onder andere aan dat aantoonbare wetenschappelijke onzekerheid bestaat over de emissiereductie van het betreffende stalsysteem. Bij de berekening van de ammoniakemissie van een veehouderij worden de emissiefactoren toegepast die opgenomen zijn in bijlage 1 van de Regeling ammoniak en veehouderij (RAV). De RAV bevat een rekentabel aan de hand waarvan veehouderijen hun uitstoot met behulp van zogenaamde emissiefactoren kunnen berekenen. Onderzoek van onder meer het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft echter aangetoond dat er bij dit type emissiearme stallen waarschijnlijk toch meer ammoniak vrijkomt dan waar de RAV van uitgaat. Dit is volgens MOB zorgelijk, omdat in de praktijk gerekend wordt met deze tabellen en deze juist rechtszekerheid zouden moeten bieden.

Oordeel voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter volgt het argument van MOB. Weliswaar gaat het onderzoek van CBS over andere stalsystemen dan het onderhavige, maar daaruit volgt niet zonder meer dat de algemene conclusie uit het CBS-rapport dat de emissiereductie van emissiearme stalsystemen wordt overschat, voor onjuist moet worden gehouden. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de verschillen tussen de wél onderzochte stalsystemen en het onderhavige stalsysteem niet zodanig groot zijn dat reeds om die reden aan het CBS-rapport kan worden voorbij gegaan. Gelet hierop ligt in de door MOB ingebrachte grond besloten dat GS aannemelijk dienen te maken dat de gestelde emissiereductie van meer dan 50% door toepassing van het betreffende stalsysteem daadwerkelijk aan de orde is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn GS daarin in dit geval niet geslaagd. De voorzieningenrechter concludeert dat alhoewel de door MOB ingebrachte rapporten pas een eerste indicatie geven, uit die rapporten wel wetenschappelijk twijfel met betrekking tot de emissiefactoren van de RAV kan worden afgeleid.

Aangezien het in dit geval gaat over de aanvraag van een Wnb-vergunning, is het aan GS om aannemelijk te maken dat geen redelijke wetenschappelijke twijfel bestaat dat het project geen schadelijke gevolgen heeft voor de betrokken Natura 2000-gebieden. Volgens de voorzieningenrechter is het niet zonder meer zeker dat GS van de emissiefactoren uit de RAV heeft mogen uitgaan. Het gevolg daarvan is dat niet zeker is dat het vergunde project niet leidt tot meer emissie dan in de referentiesituatie was toegestaan.

Het voorgaande leidt ertoe dat de voorzieningenrechter het besluit tot verlening van de Wnb-vergunning vernietigt. Dit omdat onvoldoende zeker is dat de emissie van de veehouderij in de vergunde situatie niet zal toenemen en aan de vergunning geen passende beoordeling ten grondslag is gelegd waarbij is beoordeeld wat de werkelijke emissie zal zijn, tot welke depositie die emissie zal leiden en wat de gevolgen van die depositie zullen zijn in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden.

Vergunningverlening in de toekomst

Het gevolg van deze uitspraak is dat veel onduidelijkheid bestaat over de vergunningverlening voor de emissiearme huisvestingsystemen die in de RAV zijn opgenomen. Ook ontstaat onduidelijkheid over de vergunningen die met gebruikmaking van die rekentabellen al zijn verleend en over de vraag hoe gemeenten en provincies zullen omgaan met lopende aanvragen.

Het ligt overigens voor de hand dat GS in hoger beroep zullen gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het is dus nog afwachten of de Afdeling uiteindelijk het oordeel van de voorzieningenrechter overneemt. Voor veehouderijen met plannen om nieuwe stallen te realiseren zal het echter voorlopig van belang blijven om duidelijke afspraken te maken met leveranciers over wie het risico draagt indien de bouw niet door zal kunnen gaan.

Wilt u hierover meer informatie of heeft u daarover vragen? Neem dan contact op met Nina Rijsterborgh of een van onze andere collega’s van team Food & Agri.

Maart 2021