Publications

Publications
Array
(
    [0] => WP_Post Object
        (
            [ID] => 1434
            [post_author] => 2
            [post_date] => 2016-01-13 12:26:44
            [post_date_gmt] => 2016-01-13 12:26:44
            [post_content] => In its decision on 27 January 2015, the Court of The Hague ruled that the municipality was in breach of its exploitation/partnership agreement with the developer. The municipality must therefore compensate damages suffered by the developer. The municipality’s defence, that it only had an obligation of best efforts and not an obligation of results, was of no avail. This verdict is important to both municipalities and developers who enter into similar agreements.

What happened, exactly? 

The municipality of Goeree Overflakkee and the project developer in question (De Eylaenden) entered into an exploitation/partnership agreement in May 2009 (“the agreement”). In short, the agreement involved De Eylaenden mostly building houses in the project area. The municipality would create the necessary spatial planning base, including the establishment of a zoning plan.

The agreement stated inter alia: "To the fullest extent possible, the municipality will facilitate the establishment of all necessary amendments to the current zoning plans and the completion of all related procedures as soon as possible."

The council then established the zoning plan and the corresponding exploitation plan. The decision establishing the zoning plan was annulled by the Administrative Division of the Council of State, as it was suspected that the local noise regulations could not be satisfied.

Amendment 

The parties were in agreement that the shortcoming in the zoning plan was easy to amend. The council would be able to establish a new zoning plan which would be approved by the Administrative Division.

The council never established the new zoning plan. Research conducted by the council revealed that the project was not exploitable.

Damages 

De Eylaenden claims to have suffered damages as a result, estimated at a total of EUR 3,000,000. In these proceedings, De Eylaenden therefore requests that the council be found accountable for failure to fulfill the agreement, or at least acted unlawfully towards De Eylaenden, and requests compensation for the damages suffered as a result.

The verdict 

The findings of the court can be summarized as follows:
  • The shortcoming in the zoning plan was easy to amend;
  • Prior to the establishment of the zoning plan, the council was already aware of the problems that could arise regarding environmental nuisance. These issues have been recognized as such by councils a long time ago;
  • Only after establishment of the zoning plan did that council release the environmental reports on which the Administrative Division partly based its decision. It would seem that the council only then realized the seriousness of the situation;
  • The council paid insufficient attention to case law and was not even alarmed by the submitted views. It could have been deduced from the views that serious environmental nuisance was to be expected.The council unsuccesfully argued that the contract only entailed an obligation of best efforts, and not an obligation of result. It is an argument often used by councils. The Court deemed this correct on its own, but the defence did not aid the council in this case. The efforts which the council had undertaken should have also been conducted with due care. The council should have not made easily avoidable mistakes, and should be held accountable for the resulting damages suffered by De Eylaenden.
  • The Court is of the opinion that the careless decision making constitutes a culpable shortcoming by the council with respect to that which it had undertaken under the agreement with De Eylaenden.
[post_title] => Municipalities, be careful when carrying out an exploitation/partnership agreement! [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => municipalities-be-careful-when-carrying-out-an-exploitationpartnership-agreement-2 [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-01-13 12:35:43 [post_modified_gmt] => 2016-01-13 12:35:43 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://31.3.97.74/~boelzander/en/?post_type=publicatie&p=1434 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [1] => WP_Post Object ( [ID] => 28267 [post_author] => 32 [post_date] => 2020-09-22 11:29:32 [post_date_gmt] => 2020-09-22 09:29:32 [post_content] => Afgelopen week stond er een artikel in krant over de Regionale Energie Strategie (RES): "In Heerlen werd dinsdag een informatiesessie voor de gemeenteraad over de Regionale Energie Strategie (RES) afgelast wegens gebrek aan belangstelling. Ten onrechte, want die RES gaat ons allemaal aan".[1] In deze blog zal worden ingegaan op het instrument van de RES en de ruimtelijke impact ervan.

Het Klimaatakkoord van Parijs

De RES houdt verband met het Klimaatakkoord van Parijs dat door Nederland op december 2015 is ondertekend. Met het tekenen van dit akkoord heeft Nederland zich verbonden aan de internationale doelstelling om de uitstoot van CO2 te reduceren.[2] Deze CO2-reductiedoelstelling komt terug in het Regeerakkoord Rutte III, waarbij het kabinet een reductiedoelstelling nastreeft van 49% in 2030 ten opzichte van 1990. Om ervoor te zorgen dat deze doelstelling kan worden bereikt is het ontwerp-Klimaatakkoord opgesteld.

Het ontwerp-Klimaatakkoord en de RES

In het ontwerp-Klimaatakkoord zijn verschillende maatregelen opgenomen om de reductiedoelstelling te kunnen behalen. Eén van die maatregelen is de RES. De RES is een regionaal instrument en richt zich in het bijzonder op het opwekken van duurzame elektriciteit, de warmtetransitie in de gebouwde omgeving en de daarvoor benodigde opslag en energie-infrastructuur. Bij dit instrument worden regionale partijen betrokken, zoals de provincie en gemeenten, maar ook netbeheerders, burgers en bedrijven. Nederland is opgesplitst in 30 RES regio's, waarbij per regio wordt onderzocht waar plek is om duurzame energie op te wekken, of er voldoende draagvlak voor het project bestaat en of het (financieel) haalbaar is. Op deze wijze kan binnen elke RES regio worden samengewerkt aan de energietransitie, waarbij eigen keuzes worden gemaakt. Participatie speelt zodoende een belangrijke rol.

Totstandkoming RES

 De gemeenteraad, de provinciale staten en het algemeen bestuur van het waterschap stellen de RES vast. De concept-RES dient op 1 oktober 2020 te worden ingediend bij het Nationaal Programma RES (NP RES). De concept-RES van elke regio wordt vervolgens geanalyseerd door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Deze analyses kunnen worden meegenomen bij het vaststellen van de RES 1.0. De RES regio's dienen in 2030 tezamen tenminste 35 TWh aan grootschalige duurzame elektriciteit op land op te wekken. Indien blijkt dat deze doelstelling niet zal worden gehaald, dienen de RES regio's met elkaar om de tafel te gaan zitten om te bespreken hoe de doelstelling wel kan worden bereikt. De definitieve RES dient op uiterlijk 1 juli 2021 te worden aangeboden aan het NP RES. De plannen en projecten van de RES worden vervolgens opgenomen in het omgevingsbeleid van de overheid, waarbij inspraakreacties kunnen worden ingediend. De plannen en projecten dienen op 1 januari 2025 over een vergunning te beschikken, zodat deze kunnen worden gerealiseerd. Op deze wijze moet worden bewerkstelligd dat de CO2-uitstoot in 2030 met de helft is verminderd.

RES regio Zuid-Limburg en concept-RES

De RES regio Zuid-Limburg heeft de concept-RES inmiddels ingediend bij het NP RES. Het PBL zal zich nu buigen over het concept en een kwalitatieve analyse uitvoeren.

Meer informatie

Heeft u vragen of wilt u meer informatie? Neemt u dan contact op met Nikki Janssen of met een van de andere advocaten van team Bestuursrecht. Wij helpen u graag! September 2020   [1] P. Bruijns, 'Energietransitie: het hele land gaat op de schop', De Limburger 18 september 2020, p 9. [2] Overigens heeft de Europese Commissie op 17 september 2020 een voorstel gepubliceerd om de Europese klimaatambities voor 2030 aan te scherpen. [post_title] => De Regionale Energie Strategie: een gebrek aan belangstelling [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => de-regionale-energie-strategie-een-gebrek-aan-belangstelling [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-09-22 11:29:32 [post_modified_gmt] => 2020-09-22 09:29:32 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=28267 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [2] => WP_Post Object ( [ID] => 28093 [post_author] => 32 [post_date] => 2020-08-13 16:06:16 [post_date_gmt] => 2020-08-13 14:06:16 [post_content] => Per 1 augustus 2020 is de gewijzigde Wet Bibob (eerste tranche) in werking getreden. Het doel van de wijziging is om de aanpak van ondermijnende criminaliteit verder te versterken. Zo is de reikwijdte van de Wet Bibob verruimd en zijn de onderzoeksmogelijkheden van de bestuursorganen en het Landelijk Bureau Bibob (LBB) uitgebreid. In deze blog worden de belangrijkste wijzigingen op een rij gezet.

Verruiming reikwijdte Wet Bibob

De eerste wijziging betreft de verruiming van de reikwijdte van de Wet Bibob. Deze verruiming ziet enerzijds op de overheidsopdracht en anderzijds op de vastgoedtransactie. Door de wetswijziging is het begrip overheidsopdracht uitgebreid, waardoor de Wet Bibob kan worden toegepast bij alle overheidsopdrachten. Voorheen kon dit enkel bij overheidsopdrachten in de sectoren bouw, milieu en ICT. Ook het begrip vastgoedtransactie is uitgebreid, waardoor niet alleen de deelname aan een rechtspersoon onder het bereik van de Wet Bibob valt, maar ook de vergroting, vermindering of beëindiging van een dergelijke deelname. Verder is het door de wetswijziging mogelijk om de Wet Bibob toe te passen, alvorens toestemming wordt verleend voor het vervreemden van erfpacht.

Uitbreiding onderzoeksmogelijkheden bestuursorganen

De tweede wijziging betreft de uitbreiding van de mogelijkheden tot het verrichten van een eigen Bibob-onderzoek door bestuursorganen. Zo krijgen bestuursorganen toegang tot meer justitiële gegevens. Zo kunnen voortaan niet uitsluitend de gegevens van de betrokkene worden geraadpleegd, maar ook die van bepaalde categorieën derden. Denk hierbij aan degene die leiding geeft of vermogen verschaft aan de betrokkene. Op deze wijze kan inzicht worden verkregen in mogelijke stromanconstructies. Aan het verrichten van een eigen Bibob-onderzoek door het bestuursorgaan hecht de wetgever veel waarde. Zo kent de gewijzigde Wet Bibob aan het LBB de bevoegdheid toe om adviesaanvragen te weigeren, indien het bestuursorgaan de resultaten van het eigen onderzoek niet aan het LBB heeft verstrekt dan wel indien het bestuursorgaan onvoldoende eigen onderzoek heeft verricht.

Uitbreiding onderzoeksmogelijkheden LBB

De derde wijziging heeft betrekking op de onderzoeksmogelijkheden van het LBB. Met de gewijzigde Wet Bibob heeft het LBB de mogelijkheid gekregen om aanvullende vragen aan de betrokkene te stellen met betrekking tot een (mogelijk) zakelijk samenwerkingsverband. Daarnaast is de lijst van (verplichte) informatieleveranciers uitgebreid met onder andere gemeenten en provincies (voor zover het bestuurlijk beboetbare overtredingen betreft).

Nieuwartikel 3a Wet Bibob

Het nieuwe artikel 3a van deze wet heeft onder andere betrekking op de feiten en omstandigheden die erop wijzen dat de betrokkene in een relatie staat tot strafbare feiten. Naast veroordelingen wegens een strafbaar feit kunnen bij de vaststelling van de mate van gevaar nu ook onherroepelijke strafbeschikkingen, voldane transacties, onherroepelijke bestuurlijke boetes en bestuurlijke boetes die in stand zijn gelaten door de bestuursrechter worden aangemerkt als feiten en omstandigheden die erop wijzen dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten. Voorts mogen nu ook sepots bij de Bibob-beoordeling worden betrokken. Dit geldt overigens expliciet niet voor strafbare feiten die tot een vrijspraak hebben geleid.

Sanctie bij niet-antwoorden op aanvullende vragen LBB

Tot slot verbindt de gewijzigde Wet Bibob een sanctie aan de weigering van de betrokkene om antwoord te geven op aanvullende vragen van het LBB. In dat geval dient het LBB namelijk te concluderen dat sprake is van een ernstig gevaar.

Conclusie

De gewijzigde Wet Bibob versterkt de aanpak van de ondermijning, met name door de verruiming van de reikwijdte van de wet alsmede door de uitbreiding van de onderzoeksbevoegdheden van bestuursorganen en het LBB. Momenteel is ook de tweede tranche van deze wet in de maak. Deze tweede tranche heeft betrekking op het verruimen van de informatie-uitwisseling tussen het LBB en bestuursorganen, en tussen bestuursorganen onderling. To be continued…

Meer informatie

Heeft u vragen of wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Nikki Janssen of met een van de andere advocaten van team Bestuursrecht. Augustus 2020 [post_title] => Wetswijziging Bibob: versterking aanpak van ondermijnende criminaliteit [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => wetswijziging-bibob-versterking-aanpak-van-ondermijnende-criminaliteit [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-08-13 16:06:16 [post_modified_gmt] => 2020-08-13 14:06:16 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=28093 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [3] => WP_Post Object ( [ID] => 27312 [post_author] => 32 [post_date] => 2020-03-27 16:58:35 [post_date_gmt] => 2020-03-27 15:58:35 [post_content] => Op 23 maart 2020 heeft het kabinet strengere maatregelen genomen in de strijd tegen een verdere verspreiding van het Corona virus. Aanleiding voor de aanscherping van de bestaande maatregelen vormde onder meer het vrijetijdsgedrag van veel Nederlanders, dat zich afgelopen weekend uitte in overvolle stranden, parken en bouwmarkten. Op basis van nieuwe noodverordeningen worden de strengere maatregelen van het kabinet gehandhaafd. Wat opvalt is dat in de toelichting bij deze nieuwe noodverordeningen wordt vermeld dat de voorzitter van de veiligheidsregio ingevolge artikel 125 Gemeentewet jo. artikel 39 van de Wet veiligheidsregio's (Wvr) een last onder bestuursdwang of dwangsom kan opleggen. De vraag is gerechtvaardigd of dat daadwerkelijk uit die artikelen volgt. Nieuwe noodverordeningen Eerst even wat achtergrondinformatie. De aangescherpte maatregelen die het kabinet op maandagavond 23 maart heeft genomen zijn onder meer de volgende:
  • Alle bijeenkomsten (waaronder evenementen), ook met minder dan 100 personen, zijn tot 1 juni 2020 afgelast;
  • Alle (overige) samenkomsten zijn tot en met 6 april verboden. Hierop gelden enkele uitzonderingen, zoals voor begrafenissen en bruiloften;
  • Er geldt een verbod op groepsvorming in de daartoe aangewezen gebieden, inhoudende dat er geen groepsvorming mag plaatsvinden met 3 of meer mensen die niet de 1,5 meter afstand in acht nemen en die geen huishouden vormen. Dit geldt niet voor kinderen tot en met twaalf jaar;
  • Bepaalde locaties kunnen worden gesloten, zoals campings en parken;
  • Via nieuwe noodverordeningen wordt bewerkstelligd dat een en ander beter kan worden gehandhaafd.
In lijn met deze maatregelen hebben reeds enkele voorzitters van de in totaal 25 veiligheidsregio's nieuwe noodverordeningen vastgesteld. Handhaving: de last onder bestuursdwang en dwangsom Opvallend is dat de toelichting bij de nieuwe noodverordeningen – net zoals die bij de ''oude'' -  het volgende bepaalt: Ook kan de plaatsvervangend voorzitter van de veiligheidsregio een last onder bestuursdwang of dwangsom opleggen (artikelen 125 van de Gemeentewet jo. artikel 39 Wet veiligheidsregio's). Dit is opvallend omdat noodbevoegdheden tot het regime van artikel 5:23 Algemene wet bestuursrecht (Awb) behoren, waardoor artikel 125 Gemeentewet volgens diverse rechtsliteratuur eigenlijk helemaal niet van toepassing zou zijn. Noodbevoegdheden zijn immers toegekend ''ter onmiddellijke handhaving van de openbare orde''. Onder onmiddellijke handhaving wordt verstaan de feitelijke dan wel daadwerkelijke handhaving van de openbare orde door de politie onder leiding van de burgemeester, welke leiding in dit geval wel via de Wvr bij uitsluiting is toegekend aan de voorzitter van de veiligheidsregio's. De handhavingsbevoegdheid van de politie vindt dan zijn grondslag in de artikelen 3 en 7 Politiewet. Het handelen in strijd met een noodverordening is strafbaar gesteld in artikel 443 Wetboek van Strafrecht (Sr). De straf die hierop staat is een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten hoogste drie maanden. De opsporingsambtenaren kunnen een proces-verbaal opstellen voor het overtreden van dit artikel. Daarnaast is van belang dat de wettekst zelf eigenlijk geen steun biedt voor het standpunt in de toelichting (van de noodverordeningen) dat artikel 125 Gemeentewet door de voorzitter van de veiligheidsregio kan worden toegepast. Uit de artikelen 39 en 63 Wvr volgt simpelweg niet dat de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang en dwangsom door de wetgever is toegekend aan de voorzitter van de veiligheidsregio. In een eerder blog van team Bestuursrecht is aandacht besteed aan de wettelijke grondslag van de sluiting van o.a. horeca en het annuleren van alle evenementen voor meer dan 100 personen. Uit deze blog volgt dat de voorzitter van de veiligheidsregio in het kader van de bestrijding van het Corona virus op grond van artikel 39 Wvr bij uitsluiting bevoegd is om aan de artikelen 172 tot en met 177 van de Gemeentewet – met uitzondering van artikel 176, derde tot en met zesde lid – toepassing te geven. Nu de artikelen 39 en 63 Wvr de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang en dwangsom niet noemen, lijkt het er dan ook op dat de voorzitter van de veiligheidsregio die bevoegdheid strikt juridisch bezien niet heeft. Hetzelfde geldt overigens mogelijk ook voor de burgemeester, maar dan wegens een andere reden. De burgemeester kan die bevoegdheid namelijk enkel inzetten bij zijn eigen lokale noodverordeningen, en niet ter handhaving van een noodverordening die afkomstig is van de voorzitter van de veiligheidsregio, zodat de handhavingsbevoegdheid via herstelsancties mogelijk ook ontbreekt voor de burgemeester. Meer informatie Om ondernemingen en instellingen in deze roerige periode zo goed mogelijk te helpen, heeft Boels Zanders een corona-desk geopend. De Corona-desk is een telefonische advieslijn waar wij vragen van ondernemingen en instellingen beantwoorden. De Corona-desk is te bereiken via een apart telefoonnummer 088 – 30 40 200. Daarnaast kunt u ook www.boelszanders.nl/coronavirus raadplegen waarop een Q&A (veel gestelde vragen en antwoorden) is opgenomen. 27 maart 2020 [post_title] => Handhaving op grond van de nieuwe noodverordening: kan dat ook via een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => handhaving-op-grond-van-de-nieuwe-noodverordening-kan-dat-ook-via-een-last-onder-bestuursdwang-en-een-last-onder-dwangsom [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-03-27 16:58:35 [post_modified_gmt] => 2020-03-27 15:58:35 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=27312 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [4] => WP_Post Object ( [ID] => 27264 [post_author] => 32 [post_date] => 2020-03-24 14:37:51 [post_date_gmt] => 2020-03-24 13:37:51 [post_content] => De Corona crisis roept veel uiteenlopende juridische vragen op. Zo ook op het gebied van het bestuursrecht. Eén van die vragen heeft betrekking op het verstrijken van beslistermijnen en het dientengevolge ontstaan van omgevingsvergunningen van rechtswege. De maatregelen die de overheid tegen de uitbraak van het Corona virus neemt, hebben niet alleen een grote impact op werknemers en bedrijven, maar ook op de bestuurlijke besluitvormingsprocessen als zodanig. Gemeenten proberen – veelal vanuit thuis – de dagelijkse afhandeling van (omgevings)vergunningaanvragen zo goed en zo kwaad als dat kan te continueren. Denkbaar is echter dat de aanvragen niet binnen de beslistermijn kunnen worden afgehandeld en dat hierdoor omgevingsvergunning van rechtswege ontstaan. Heeft de wetgever voorzien in een oplossing voor dit probleem? Verlenging van de beslistermijn met maximaal zes weken: artikel 3.9 lid 2 Wabo Indien een aanvraag om een omgevingsvergunning met de reguliere procedure wordt voorbereid, en het bevoegd gezag niet binnen de wettelijke termijn beslist op de aanvraag, ontstaat na het verstrijken daarvan een omgevingsvergunning van rechtswege (ook wel aangeduid als de "Lex silencio positivo"). Hierbij kan worden gedacht aan het niet tijdig beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk. Op grond van artikel 3.9 lid 1 Wabo dient het bevoegd gezag binnen maximaal acht weken te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning. Het bevoegd gezag kan ingevolge artikel 3.9 lid 2 Wabo deze termijn eenmalig met maximaal zes weken verlengen. Of tot verlenging van de beslistermijn wordt overgegaan, dient binnen de aanvankelijke beslistermijn van acht weken te worden besloten. Door de beslistermijn met (maximaal) zes weken te verlengen, kan zodoende worden voorkomen dat een omgevingsvergunning van rechtswege ontstaat. Opschorten van de beslistermijn: artikel 4:15 lid 2 sub c Awb Het kan echter zo zijn dat zelfs de nadere zes weken niet voldoende ruimte biedt om op een aanvraag te beslissen. Heeft het bevoegd gezag in dat geval nog andere mogelijkheden om te voorkomen dat een omgevingsvergunning van rechtswege ontstaat? Niet alleen artikel 3.9 lid 2 Wabo, maar ook artikel 4:15 lid 2 sub c Awb biedt het bevoegd gezag de mogelijkheid om de beslistermijn te verlengen. Uit dit artikel volgt dat zolang het bevoegd gezag door overmacht niet in staat is een besluit te nemen, de beslistermijn wordt opgeschort. Het bevoegd gezag moet de opschorting van de beslistermijn wegens overmacht wel mededelen aan de aanvrager (artikel 4:15 lid 3 Awb). Indien het bestuursorgaan dit nalaat, verstrijkt de beslistermijn en zal alsnog een omgevingsvergunning van rechtswege ontstaan. Er is volgens de memorie van toelichting sprake van overmacht indien het gaat om ''een onmogelijkheid om te beslissen die veroorzaakt wordt door abnormale en onvoorziene omstandigheden buiten toedoen van het bestuursorgaan zelf en die ook buiten de risicosfeer liggen''. Het staat naar mijn oordeel buiten kijf dat de mondiale Corona crisis een dergelijke abnormale en onvoorziene omstandigheid is. Dat betekent dat het bevoegd gezag met een beroep op artikel 4:15 lid 2 sub c Awb de beslistermijnen voor lopende omgevingsvergunningaanvragen kan opschorten teneinde te voorkomen dat in deze roerige tijd onbedoeld omgevingsvergunningen van rechtswege ontstaan. Daarbij zij erop gewezen dat het bevoegd gezag de aanvrager in kwestie wel mededeling moet doen van de opschorting, alsmede binnen welke termijn de beschikking tegemoet kan worden gezien. Enige actie is dus wel vereist. Meer informatie Om ondernemingen en instellingen in deze roerige periode zo goed mogelijk te helpen, heeft Boels Zanders een corona-desk geopend. De Corona-desk is een telefonische advieslijn waar wij vragen van ondernemingen en instellingen beantwoorden. De Corona-desk is te bereiken via een apart telefoonnummer 088 – 30 40 200. Daarnaast kunt u ook www.boelszanders.nl/coronavirus raadplegen waarop een Q&A (veelgestelde vragen en antwoorden) is opgenomen. 24 maart 2020 [post_title] => Het verstrijken van beslistermijnen en de Lex silencio positivo in tijden van de Corona crisis: heeft de wetgever hierover nagedacht? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => het-verstrijken-van-beslistermijnen-en-de-lex-silencio-positivo-in-tijden-van-de-corona-crisis-heeft-de-wetgever-hierover-nagedacht [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-03-24 14:38:19 [post_modified_gmt] => 2020-03-24 13:38:19 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=27264 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [5] => WP_Post Object ( [ID] => 27182 [post_author] => 32 [post_date] => 2020-03-17 14:40:45 [post_date_gmt] => 2020-03-17 13:40:45 [post_content] => Vanwege de snelle verspreiding van het Corona virus in Nederland heeft het kabinet per 12 maart 2020 maatregelen ingevoerd om de verspreiding van het virus tegen te gaan. Één van deze maatregelen houdt in dat bijeenkomsten/evenementen met meer dan 100 personen in heel Nederland worden afgelast. Dat geldt ook publieke locaties zoals musea, concertzalen, theaters, sportclubs en sportwedstrijden. Op zondag 15 maart 2020 heeft het kabinet aanvullende maatregelen genomen in de aanpak van het Corona virus. Zo dienen o.a. scholen en kinderdagverblijven, horecagelegenheid en sport- en fitnessclubs te sluiten tot en met maandag 6 april. Bovenstaande maatregelen zijn in het licht van de actuele stand van zaken helaas noodzakelijk teneinde verdere verspreiding van het virus tegen te gaan. Tegelijk roepen de maatregelen de vraag op wat eigenlijk de wettelijke grondslag is voor het mogen nemen van dergelijke ingrijpende maatregelen. Instructiebrief Minister van Veiligheid en Justitie In een (ongedateerde) brief heeft de Minister van Veiligheid en Justitie, mede namens de Minister voor Medische Zorg en Sport, de voorzitters van alle Veiligheidsregio’s in Nederland opdracht gegeven om alle evenementen met meer dan 100 personen in de betreffende regio af te gelasten. De voorzitters dienen hun bevoegdheden op het terrein van openbare orde en veiligheid in te zetten om de verdere verspreiding van het Corona virus tegen te gaan. Deze opdracht is – aldus de instructiebrief – gebaseerd op artikel 7 van de Wet publieke gezondheid (Wpg) en met inachtneming van artikel 39 lid 1 van de Wet veiligheidsregio’s (Wvr). Artikel 7 Wpg bepaalt – kort gezegd – dat bij een epidemie van een infectieziekte behorende tot groep A (waar het Corona virus sinds 28 januari 2020 toe behoort) of een dreiging daarvan, de Minister voor Medische Zorg en Sport leiding geeft aan de bestrijding en de voorzitter van de Veiligheidsregio kan opdragen hoe de bestrijding ter hand te nemen, waaronder begrepen het opdragen tot het toepassen van de maatregelen bedoeld in hoofdstuk V Wpg. Artikel 39 lid 1 Wvr bepaalt dat in geval van een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis, of van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de voorzitter van de Veiligheidsregio ten behoeve van de rampenbestrijding en crisisbeheersing in de betrokken gemeenten bij uitsluiting bevoegd is toepassing te geven aan o.a. artikelen 172 t/m 177 Gemeentewet (m.u.v. artikel 176 lid 3 – 6 Gemeentewet). De voorzitters van de Veiligheidsregio’s zijn in wezen dus nu aan zet. Zij dienen een noodverordening op te stellen om een en ander te bewerkstelligen. Een noodverordening wordt gebaseerd op artikel 176 Gemeentewet, en mag worden vastgesteld wanneer sprake is van oproerige beweging, van andere ernstige wanordelijkheden of van rampen, dan wel van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. De noodverordening moet noodzakelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar. Op dit moment (op 17 maart 2020) hebben nog niet alle Veiligheidsregio's een noodverordening vastgesteld, althans, zijn nog niet alle noodverordeningen gepubliceerd. Een zoekopdracht op overheid.nl levert tot nog toe 4 noodverordeningen op (van Utrecht, Haaglanden, Twente en Gelderland-Zuid). Dat nog niet alle noodverordeningen voor de Veiligheidsregio's vindbaar zijn, hoeft overigens nog niets te zeggen. Een noodverordening treedt al in werking voordat deze gepubliceerd is. Het kan dus best zo zijn dat er al een noodverordening van kracht is voor een bepaalde regio. Inhoud noodverordening Wat wordt nou geregeld in zo'n noodverordening? In de noodverordening van Veiligheidsregio Utrecht wordt onder meer bepaald dat:
  • Het verboden is openbare samenkomsten en vermakelijkheden als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, samenkomsten in voor het publiek toegankelijke gebouwen en samenkomsten in besloten sfeer te laten plaatsvinden, te (laten) organiseren, te faciliteren dan wel te laten ontstaan waar meer dan honderd personen gelijktijdig samenkomen, dan wel aan dergelijke samenkomsten deel te nemen;
  • Het verboden is om, óók als het gelijktijdig aantal aanwezigen kleiner is dan 100, o.a. een horecagelegenheid, sport- en fitnessclub, zwembaden, sporthallen, sportvelden, sauna's, seksinrichtingen en coffeeshops open te houden
Bovenstaande verboden vervallen met ingang van 7 april 2020. Men doet er overigens verstandig aan om zich te houden aan de noodverordening. Tegen een overtreding van een noodverordening kan namelijk niet alleen bestuursrechtelijk (met een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom), maar óók strafrechtelijk worden opgetreden. Overtreding is namelijk strafbaar gesteld krachtens artikel 443 van het Wetboek van Strafrecht. Overtredingen kunnen worden bestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten hoogste drie maanden. Meer informatie Om ondernemingen en instellingen in deze roerige periode zo goed mogelijk te helpen, heeft Boels Zanders een corona-desk geopend. De Corona-desk is een telefonische advieslijn waar wij vragen van ondernemingen en instellingen beantwoorden. De Corona-desk is te bereiken via een apart telefoonnummer 088 – 30 40 200. Daarnaast kunt u ook www.boelszanders.nl/coronavirus raadplegen waarop een Q&A (veelgestelde vragen en antwoorden) is opgenomen. 17 maart 2020 [post_title] => Het Corona virus, de sluiting van o.a. horeca en het annuleren van alle evenementen voor meer dan 100 personen: wat is eigenlijk de wettelijk grondslag daarvan? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => het-corona-virus-de-sluiting-van-o-a-horeca-en-het-annuleren-van-alle-evenementen-voor-meer-dan-100-personen-wat-is-eigenlijk-de-wettelijk-grondslag-daarvan [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-03-17 17:12:10 [post_modified_gmt] => 2020-03-17 16:12:10 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=27182 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [6] => WP_Post Object ( [ID] => 24665 [post_author] => 2 [post_date] => 2019-06-27 12:16:35 [post_date_gmt] => 2019-06-27 10:16:35 [post_content] => Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) de langverwachte einduitspraken gedaan in een aantal beroepsprocedures aangaande het Programma Aanpak Stikstof (hierna: het PAS). In de uitspraken heeft de Afdeling een streep gezet door het PAS als toestemmingsbasis voor activiteiten. Ook de vrijstelling voor beweiden en bemesten is volgens de Afdeling in strijd met de Europese Habitatrichtlijn. Deze uitspraak heeft grote gevolgen voor veehouderijen. De uitspraken volgen op de uitspraak van het Europese Hof van Justitie (hierna: Hof) inzake het PAS, waarin het Hof een aantal gebreken aan de huidige PAS-systematiek constateerde. Met name de categorische uitzonderingen waarin het PAS voorziet, waren volgens het Hof niet zonder meer juridisch houdbaar. Eerder schreef onze sectie bestuursrecht een blog over deze uitspraak van het Hof van 7 november 2018. Wat is het PAS? Het PAS is een beoordelingskader en toestemmingsregime voor activiteiten die stikstofneerslag veroorzaken op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Het gaat daarbij overigens niet alleen om ontwikkelingen in de veehouderijsector, maar bijvoorbeeld ook om woningbouwprojecten, de aanleg van infrastructuur en de uitbreiding van industriële activiteiten. Stikstofneerslag heeft negatieve gevolgen voor de natuurwaarden die daar gevoelig voor zijn. Het PAS is ontwikkeld om maatregelen te nemen om de (gevolgen van de) stikstofneerslag af te laten nemen en tegelijk om ruimte te geven aan bestaande en nieuwe economische ontwikkelingen die stikstof veroorzaken. Het PAS loopt daarbij dus in feite vooruit op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden en geeft daarbij "vooraf" toestemming aan nieuwe activiteiten. Voorafgaand: uitspraak Hof Omdat de Afdeling tijdens de behandeling van de procedures twijfelde aan de juridische houdbaarheid van het PAS en dan met name of het PAS voldoet aan de voorwaarden van de Habitatrichtlijn, heeft zij in een eerder stadium in een tweetal uitspraken prejudiciële vragen gesteld aan het Hof. Deze vragen hebben geleid tot de bewuste uitspraak van het Hof van 7 november 2018. De eerste kwestie gaat over veehouderijen waarvoor op basis van het PAS natuurvergunningen zijn verleend. In die uitspraak wordt gevraagd of het PAS op grond van de Habitatrichtlijn mag worden gebruikt voor het verlenen van natuurvergunningen. De tweede kwestie gaat over het weiden van vee en het bemesten van gronden, waarvoor vanwege het PAS niet langer een natuurvergunning nodig is. De Afdeling heeft het Hof gevraagd of deze activiteiten op basis van de Habitatrichtlijn vergunningvrij mogen worden toegestaan. Ten aanzien van de eerste kwestie geeft het Hof aan dat een programmatische aanpak, zoals het PAS, niet in strijd hoeft te zijn met de Habitatrichtlijn. Het Hof verbindt hier echter wel een strenge voorwaarde aan: alleen wanneer een grondige en volledige toetsing van de wetenschappelijke kwaliteit van de programmatische toetsing kan worden gegarandeerd, zodat er geen redelijkerwijs géén twijfel bestaat over de schadelijkheid van plannen, is deze programmatische aanpak verenigbaar met de Habitatrichtlijn. Over de tweede kwestie stelt het Hof – in lijn met de beantwoording van de eerste vraag – vast dat de Habitatrichtlijn niet in de weg hoeft te staan aan het vergunningvrij toestaan van het weiden van vee en het bemesten van gronden. Dit is echter alleen het geval indien de beoordeling wanneer er geen vergunning vereist is, voldoet aan het criterium dat er geen redelijke wetenschappelijke twijfel bestaat over het feit dat die plannen geen schade zullen toebrengen. Resumerend is het PAS volgens het Hof alleen verenigbaar met de Habitatrichtlijn onder strenge voorwaarden, waaronder het vereiste van een wetenschappelijk kwalitatieve beoordeling. Het Hof twijfelt of het PAS aan deze strenge voorwaarden voldoet. Einduitspraken Raad van State Na het arrest van het Hof was het vervolgens aan de Afdeling om het oordeel van het Hof toe te passen in de procedures en dus om te beoordelen of het PAS volgens haar voldoet aan de strenge eisen die in het arrest uiteen zijn gezet. Hierover heeft de Afdeling in de einduitspraken van 29 mei 2019 een oordeel gegeven. De Afdeling is in haar uitspraken duidelijk en oordeelt in lijn de eerdere uitspraak van het Hof: hoewel toestemmingsverlening op basis van een programma niet in strijd is met de Habitatrichtlijn, laat een programma zoals het PAS zich moeilijk verenigen met deze richtlijn. Het PAS mag volgens de Afdeling inderdaad niet als toestemmingsbasis voor activiteiten worden gebruikt. Daarnaast heeft de Afdeling in de einduitspraken geoordeeld dat de vrijstelling van de vergunningplicht voor het weiden van vee en bemesten van gronden in strijd is met de Habitatrichtlijn, omdat niet vooraf is uitgesloten dat de betrokken stikstofdepositie niet leidt tot aantasting van de natuurgebieden. Om die reden is een vergunning noodzakelijk voor het weiden en bemesten en kunnen deze activiteiten niet vrijgesteld worden, aldus de afdeling. Gevolgen voor geldende vergunningen en lopende procedures? Belangrijk is vervolgens welke gevolgen de ingrijpende uitspraken met zich brengen. De Afdeling wijdt hier een aantal overwegingen aan in de uitspraken. De ingrijpende uitspraken hebben volgens de Afdeling géén gevolgen voor vergunningen en tracébesluiten die reeds met toepassing van het PAS zijn verleend en al onherroepelijk zijn. Bedoeld wordt hiermee de besluiten die niet meer bij de bestuursrechter kunnen worden aangevochten. De uitspraken kunnen bijvoorbeeld wél gevolgen hebben voor bestemmingsplannen waarvan de beroepsprocedure nog niet is afgerond en waarin (door degene die zich op deze bepaling kan beroepen) beroepsgronden naar voren zijn gebracht over de Wet natuurbescherming en het PAS. De Afdeling benadrukt overigens in de uitspraken dat de gevolgen die de uitspraken kunnen hebben voor verschillende soorten besluiten waarin het PAS een rol heeft gespeeld, niet uitputtend is opgesomd in de uitspraken. De invloed op de PAS-uitspraken op verschillende soorten besluiten zal dus op termijn uit andere uitspraken moeten blijken. De behandeling van (hoger) beroepsprocedures waar het PAS een rol bij speelt en die in afwachting van de uitspraken van 29 mei 2019 zijn aangehouden door de Afdeling en rechtbanken, zullen worden voortgezet. Bij de Afdeling zijn dit zo'n 180 procedures. Meer informatie Heeft u vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Nina Rijsterborgh of een van de advocaten van team Food & Agri of team Bestuursrecht. Zij zijn u graag van dienst.   Juni 2019 [post_title] => De langverwachte PAS-uitspraken: snijdt de Raad van State de wetgever de pas af? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => de-langverwachte-pas-uitspraken-snijdt-de-raad-van-state-de-wetgever-de-pas-af [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2019-06-27 12:16:35 [post_modified_gmt] => 2019-06-27 10:16:35 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=24665 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [7] => WP_Post Object ( [ID] => 24392 [post_author] => 2 [post_date] => 2019-05-16 11:02:57 [post_date_gmt] => 2019-05-16 09:02:57 [post_content] => Op 30 april 2019 heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de concept-Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (de Subsidieregeling) aan de Tweede Kamer gezonden. Eerder verscheen er op onze pagina een artikel over de warme sanering van varkenshouderijen. De Subsidieregeling is bedoeld voor varkenshouders die geuroverlast veroorzaken voor omliggende woningen en hun bedrijf willen beëindigen en is een uitwerking van het "Hoofdlijnenakkoord sanering en verduurzaming varkenshouderij" van 2018. Het kabinet wil de varkenshouderij verduurzamen en geuroverlast van varkenshouderijen in veedichte gebieden verminderen door het definitief en onherroepelijk beëindigen van varkenshouderijlocaties of - bedrijven. Al in juli 2018 is door de Minister aangekondigd dat een budget van EUR 200.000.000,- beschikbaar zal komen voor het bevorderen van verduurzaming van verschillende veehouderijsectoren. De Subsidieregeling is een van de maatregelen om dit te bereiken. Voor deze maatregel is maar liefst EUR 120.000.000,- gereserveerd. Er leven wel vragen over de Subsidieregeling. Ik zal hierna ingaan op de volgende vragen:
  • Wat zijn de randvoorwaarden van de Subsidieregeling?
  • Waarvoor wordt subsidie toegekend?
  • Wat gebeurt er als het beschikbare budget niet voldoende is voor alle ingediende aanvragen?
Randvoorwaarden De Subsidieregeling is niet van toepassing op het gehele Nederlandse grondgebied, maar beperkt zich tot varkenshouders in de concentratiegebieden Zuid of Oost. Welke gemeenten zijn gelegen in de concentratiegebieden Zuid en Oost, is vastgelegd in de Meststoffenwet. Varkenshouderijen die gelegen zijn in voornoemde concentratiegebieden en hun bedrijf of een locatie van hun bedrijf willen beëindigen en die geuroverlast veroorzaken op woningen in een straal van 1.000 meter rond de varkenshouderijlocatie, komen in aanmerking voor de subsidie. Daarbij is relevant dat uitsluitend varkenshouderijen die daadwerkelijk hebben geproduceerd en in de laatste vijf jaar vóór de sluiting onafgebroken zijn gebruikt, in aanmerking komen voor de subsidie. Verder zijn deelnemers aan de zogenaamde "stoppersregeling" van het Actieplan Ammoniak, het landelijk gedoogbeleid bij het Besluit emissiearme huisvesting veehouderij, uitgesloten van de Subsidieregeling. Deze bedrijven moeten immers al gaan stoppen, zodat een subsidie niet meer aan de orde is. De varkenshouders die een subsidie ontvangen zullen overigens binnen vaste termijnen een aantal stappen moeten zetten. Het betreft deels maatregelen die direct samenhangen met de bedrijfsvoering, zijnde: (i) het afvoeren van de varkens, (ii) het leeghalen van de mestkelders en (iii) het laten doorhalen van het varkensrecht. Andere maatregelen zien op het bestendigen van de bedrijfsbeëindiging: (i) het in gang zetten van een wijziging van het bestemmingsplan, (ii) het zich contractueel verbinden aan het blijvende karakter van de sluiting van de productielocatie en (iii) het slopen van de gebouwen op de locatie. Onderdelen van de subsidie De subsidie omvat twee componenten:
  • Een marktconforme vergoeding voor het in te leveren varkensrecht;
  • Een vergoeding voor het waardeverlies van de varkensstallen.
De hoogte van de marktconforme vergoeding zal enkele dagen voorafgaande aan de openstelling van de Subsidieregeling worden vastgesteld op basis van de op dat moment geldende marktprijs. De vergoeding voor het waardeverlies van de varkenstallen is opgebouwd uit het subsidiepercentage en de gecorrigeerde vervangingswaarde. De gecorrigeerde vervangingswaarde per m2 is de nieuwbouwwaarde van een stal, gecorrigeerd met een factor wegens veroudering. De subsidiewaarde is in overleg met partijen vastgesteld op 65%. Meer aanvragen dan budget De aanvragen voor de subsidie zullen worden gerangschikt op de mate van geurbelasting op woningen in een straal van 1.000 meter rond de varkenshouderijlocatie. Dit wordt uitgedrukt in een zogenaamde geurscore. De geurscore wordt bepaald door de hoeveelheid geureenheden die een varkenshouderijlocatie uitstoot (de geuremissie), de afstand tussen de varkenshouderijlocatie en geurgevoelige object(en) en het aantal geurgevoelige objecten in een straal van 1.000 meter rond de varkenshouderijlocatie. Alleen de varkenshouderijlocaties die de geurscore van meer dan 0,4 behalen komen in aanmerking voor de subsidie. Mocht het beschikbare budget van EUR 120.000.000,- niet toereikend zijn om alle ingediende aanvragen toe te wijzen, dan komen de varkenshouderijlocaties met de hoogste geurscore als eerste in aanmerking. Met het rangschikken en selecteren op geurscore en het hanteren van een drempelwaarde wordt volgens de Minister geborgd dat de beschikbare middelen zo doelmatig en doeltreffend mogelijk worden ingezet. Doorkijk Tot en met 31 mei 2019 kan worden gereageerd op de concept-Subsidieregeling. Reageren kan via de volgende link: https://www.internetconsultatie.nl/varkenshouderij/reageren. Tegelijkertijd wordt het concept voorgelegd aan de Europese Commissie. Dit laatste is nodig in verband met een noodzakelijke staatssteuntoets. De publicatie van de definitieve Subsidieregeling is – indien de Europese Commissie ermee instemt – voorzien in juni 2019. Om varkenshouders in de gelegenheid te stellen om een goede afweging te maken over de deelname aan de Subsidieregeling, is ervoor gekozen voor een termijn van ongeveer twee maanden tussen publicatie en openstelling van de Subsidieregeling en voor een openstelling van een periode van zes weken per 15 augustus 2019. Meer informatie Heeft u vragen over de concept-Subsidieregeling? Of wilt u meer informatie over de regeling of hoe u ervoor in aanmerking komt? Neem dan contact op met Nina Rijsterborgh of een van de advocaten van team Food & Agri. Zij zijn u graag van dienst. Mei 2019 [post_title] => Exit varkenshouderijen? Concept-Subsidieregeling sanering varkenshouderijen gepubliceerd [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => exit-varkenshouderijen-concept-subsidieregeling-sanering-varkenshouderijen-gepubliceerd [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2019-05-16 11:06:19 [post_modified_gmt] => 2019-05-16 09:06:19 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=24392 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [8] => WP_Post Object ( [ID] => 21720 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-11-29 14:59:12 [post_date_gmt] => 2018-11-29 13:59:12 [post_content] => Gister heeft de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak gedaan inzake een bestemmingsplan in Eijsden waarin werd voorzien in vier woningen op het perceel van belanghebbende Het gaat hier om een ruimte-voor-ruimte project. In het verleden was op die locatie een melkveehouderij gevestigd, maar die is in 2009 verplaatst naar elders in de gemeente. Appellant exploiteert buiten het plangebied een fruitteeltbedrijf met een totaal areaal van ruim 10 hectare fruitboomgaard. Ten westen van het plangebied heeft appellant grond in eigendom met daarop fruitbomen. Het gaat met name om laagstambomen met een hoogte van ongeveer 4 meter. De afstand tussen het fruitteeltbedrijf van appellant en de voorziene woningen met bijgebouwen en tuinen bedraagt 16,5 meter, terwijl normaliter in de jurisprudentie als uitgangspunt een afstand van 50 m wordt gehanteerd tussen gevoelige objecten en terreinen waar het planologisch mogelijk is om open fruitteelten te realiseren. Vermindering van de afstand van 50 m kan aanvaardbaar zijn vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval en na afweging van alle betrokken belangen. In deze zaak heeft de Afdeling, na een aantal (aanvullende) rapporten van SPA, drie deskundigenberichten van de StAB en drie zittingen, geoordeeld dat kan worden afgeweken van die 50 m. Tussenuitspraak Eerder was al een tussenuitspraak gedaan in deze zaak (op 2 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2091). De raad van de gemeente Eijsden is toen opgedragen om binnen 26 weken de gebreken zoals omschreven in de tussenuitspraak te herstellen. De Afdeling kwam toen tot het oordeel dat de raad geen deugdelijke motivering had gegeven voor de aanzienlijke verkleining van de afstand van 50 m. Dat had onder meer te maken met de driftreductie van 97% waarvan was uitgegaan en het feit dat de op de aarden wal staande dubbele windhaag niet hoger, maar gelijk aan de hoogte van de fruitbomen was en geen sprake was van een elzenhaag (waarvan bij driftreductie van 97% wel was uitgegaan), maar van hedera. Voorts werd met de voor de bestemming Wonen opgenomen wijzigingsbevoegdheid volgens de Afdeling niet voldaan aan de voorwaarde die gedeputeerde staten van Limburg hadden gesteld dat het bestemmingsplan een maximale termijn van realisatie van woningen dient te bevatten van vijf jaar na vaststelling van het bestemmingsplan. Het besluit moest dus nader gemotiveerd worden of er kon een andere planregeling worden vastgesteld. Hierbij heeft de Afdeling opgemerkt dat de raad kan bezien of een hogere windhaag tussen de woningen met bijgebouwen en tuinen en de fruitboomgaard met mogelijk een andere samenstelling dan hedera vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is. Gewijzigd plan Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 20 februari 2018 het plan gewijzigd vastgesteld. Daarbij heeft de raad de beschermingszone tussen de voorziene woningen en het fruitteeltbedrijf van appellant aangepast. Deze dient thans te bestaan uit drie windhagen van 4 m, te weten twee elzenhagen met daartussenin een coniferenhaag, bovenop een grondwal van 1 m hoog. Hiermee is nog steeds sprake van een ook in de winter groenblijvende haag. Verder heeft de raad een voorwaardelijke verplichting in het plan opgenomen, die inhoudt dat wonen binnen de bestemming Wonen uitsluitend is toegestaan indien en voor zover de desbetreffende woning binnen 5 jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan is gerealiseerd. Beschermingszone Appellant voert onder meer aan dat de planregels, omdat die de hoogte van de hagen alleen voor de eindsituatie regelen, voor de periode daaraan voorafgaand niet voorzien in voldoende bescherming voor de toekomstige bewoners van de voorziene woningen. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing opgenomen waarin is bepaald dat het bouwen op en het gebruiken van de bestemming Wonen alleen is toegestaan als de landschappelijke inpassing, zoals aangeduid in het Landschapsplan opgesteld door bureau Pouderoyen is uitgevoerd en kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden. In het landschapsplan wordt uitgegaan van een driedubbele driftreducerende haag (coniferen- en elzenhagen). Volgens de raad is het noodzakelijk dat de hagen een aanplanthoogte van 4 m hebben. Volgens de Afdeling blijkt echter niet duidelijk uit het Landschapsplan (waarnaar in de planregels wordt verwezen) dat de hagen worden aangeplant met een beginhoogte van 4 m. De Afdeling ziet aanleiding om dit zelf voorziend aan te passen in de planregels. Voorts voert appellant aan dat, ook indien de aanplanthoogte van de hagen 4 m bedraagt, die hagen onvoldoende driftreducerende werking hebben. Hij wijst erop dat de driftreducerende werking van de hagen, met name een coniferenhaag, onvoldoende is onderzocht in het geactualiseerde onderzoek van SPA WNP ingenieurs van 8 januari 2018. Betwijfeld kan worden volgens appellant of in de praktijk sprake zal zijn van voldoende onderhoud van de hagen. En appellant kan zich niet verenigen met de gehanteerde correctiefactor van 3 vanwege het gemixt gebruiken van 7 verschillende gewasbeschermingsmiddelen. In een eerder onderzoek van SPA WNP ingenieurs werd de correctiefactor van 3 reeds gehanteerd bij een spuitmix van slechts 2 werkzame stoffen. Voorts mocht volgens appellant in het SPA WNP onderzoek geen gebruik worden gemaakt van het PRI-rapport van 2015. Ook is de raad volgens appellant ten onrechte eraan voorbijgegaan dat hij zijn laagstamfruitboomgaard kan omvormen tot een hoogstamfruitboomgaard, in welk geval er nog meer hinder ontstaat voor de toekomstige bewoners van de voorziene woningen. De Afdeling overweegt dat de raad bij het besluit heeft beoogd om klachten van de toekomstige bewoners van de in het plan voorziene woningen zo veel mogelijk te voorkomen. Daartoe is in het plan de beschermingszone tussen de voorziene woningen en het fruitteeltbedrijf van appellant aangepast, in die zin dat sprake is van een verhoogde windhaag met een andere samenstelling. Verder is het onderhoud van de in die beschermingszone te plaatsen hagen gewaarborgd in de planregels. Voorts mocht de correctiefactor 3 voor de spuitmix worden gehanteerd. Hiertoe verwijst de Afdeling naar het derde deskundigenbericht en de verwijzing daarin naar het door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden ingenomen standpunt dat het risico-effect van gecumuleerde blootstelling gering is. Voorts is volgens de Afdeling aannemelijk dat omdat hier sprake is van een driedubbele windhaag, dat een ruime driftreductie wordt bewerkstelligd. Verder merkt de Afdeling op dat dit plan en het bestemmingsplan Buitengebied dat door de gronden van de fruitboomgaard van kracht is, geen beperkingen stellen aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de fruitboomgaard. Het vervangen van laagboomfruitnomen door hoogstamfruitbomen is verder geen logische ontwikkeling. En dus is de Afdeling van oordeel dat het plan geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van appellant. Hierbij neemt de Afdeling ook in ogenschouw dat de fruitboomgaard van appellant ene relatief grote omvang heeft en dat de fruitboomgaard niet verder in de richting van de gronden in het plangebied met een woonbestemming kan worden uitgebreid, omdat de fruitboomgaard al tot de perceelsgrens reikt. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de raad bij de afweging van alle in aanmerking genomen belangen, waaronder de belangen van appellant, in redelijkheid een doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang bij woningbouw. Het was ook niet nodig om te wachten op de resultaten van het onderzoek dat thans nog door het RIVM wordt verricht naar de gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden van fruitplantages. Conclusie De Afdeling wijkt dus af van de vuistregel dat een afstand van 50 m wordt gehanteerd tussen gevoelige objecten en terreinen waar het planologisch mogelijk is om open fruitteelten te realiseren. Vermindering van de afstand van 50 m kan zoals al aangegeven aanvaardbaar zijn vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval en na afweging van alle betrokken belangen. In deze zaak heeft de raad een doorslaggevend gewicht kunnen toekennen aan het belang bij woningbouw. Hiervoor is met name van belang om over een deugdelijk locatie specifiek onderzoek te beschikken. Meer informatie Wilt u meer informatie over dit onderwerp of heeft u vragen, neem dan contact op met Janske Schrijnemaekers. U kunt uiteraard ook contact opnemen met één van de andere advocaten van ons team bestuursrecht. [post_title] => Afdeling wijkt af van vuistregel spuitzone [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => afdeling-wijkt-af-vuistregel-spuitzone [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-11-29 14:59:12 [post_modified_gmt] => 2018-11-29 13:59:12 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=21720 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [9] => WP_Post Object ( [ID] => 21621 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-11-26 14:25:22 [post_date_gmt] => 2018-11-26 13:25:22 [post_content] => Het instellen van beroep bij de bestuursrechter kan alleen door diegene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een besluit. Als correctie op dit vereiste is van belang dat de feitelijke gevolgen voor betrokkene zijn te kwalificeren als "gevolgen van enige betekenis". Op 7 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3614) heeft de Afdeling een in het oog springende uitspraak gedaan over de vraag of een groep omwonenden, die rechtstreeks zicht hebben op een vlaggenrij van 200 meter lang en 6 meter hoog, als belanghebbenden zijn aan te merken bij hun verzoek tot intrekking van de omgevingsvergunning van de betreffende vlaggenrij . Deze vraag is relevant omdat alleen belanghebbenden een verzoek kunnen doen om een besluit als bedoeld in artikel 1:3 lid 3 Awb. Kunnen zij niet als belanghebbenden worden aangemerkt in de zin van artikel 1:2 Awb dan is er geen sprake van een appellabel besluit als bedoeld in artikel 1:3 lid 2 Awb. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 23 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2271), geldt als uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Daarbij is wel van belang dat de feitelijke gevolgen die degene ondervindt zijn te kwalificeren als "gevolgen van enige betekenis". Het criterium "gevolgen van enige betekenis" dat is vermeld in de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737, dient namelijk als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. Terug naar de onderhavige casus. Appellanten wonen aan de Prins Bernhardkade te Rotterdam. De afstand van hun percelen tot aan de vlaggenrij bedraagt tussen de 130 m en 260 m. Vanaf de Prins Bernardkade bestaat over het water van de Bergse Voorplas heen alleen schuin zicht op de vlaggenrij op het perceel. Vanwege dit zicht kunnen appellanten dus rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervinden van de vlaggenrij. De Afdeling is van oordeel dat deze bewoners evenwel geen gevolgen van enige betekenis ondervinden van de vlaggenrij, omdat de gevolgen voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van deze bewoners dermate gering zijn, dat een persoonlijk belang bij het verzoek om de omgevingsvergunning voor de vlaggenrij in te trekken, ontbreekt. Hierbij betrekt de Afdeling de aard van de bebouwing, een vlaggenrij, en de omstandigheid dat het zicht op de Bergse Voorplas niet is verstoord, omdat de vlaggenrij zich aan de overzijde van deze plas bevindt en er alleen schuin zicht op is. De omstandigheid dat de bewoners van de Prins Bernhardkade, naar gesteld, de vlaggen kunnen horen wapperen als zij buiten hun woning staan, is, wat daar ook van zij, onvoldoende om hen als belanghebbenden aan te merken. Conclusie Voor de praktijk is van belang om te beoordelen of iemand die tegen een besluit opkomt (denk bijvoorbeeld aan een bouwplan) niet alleen rechtstreeks feitelijke gevolgen kan ondervinden, maar voorts ook gevolgen van enige betekenis ondervindt. Als dat namelijk niet het geval is, dan is diegene niet-ontvankelijk bij de bestuursrechter in beroep, maar ook niet in de bezwaarschriftfase bij het betreffende bestuursorgaan. Door dit al in bezwaar op te werpen kan er in een vroegtijdig stadium al een deel van appellanten tegen een voor u begunstigend besluit buiten de deur worden gehouden. Informatie Wilt u meer informatie over dit onderwerp of heeft u vragen, neem dan contact op met Roel Metsemakers. U kunt uiteraard ook contact opnemen met één van de andere advocaten van ons team Bestuursrecht. [post_title] => Belanghebbendheid en gevolgen van enige betekenis [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => belanghebbendheid-en-gevolgen-enige-betekenis [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-11-26 14:25:22 [post_modified_gmt] => 2018-11-26 13:25:22 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=21621 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [10] => WP_Post Object ( [ID] => 21619 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-11-26 14:14:14 [post_date_gmt] => 2018-11-26 13:14:14 [post_content] => Een gemeenteraad moet bij het vaststellen van een bestemmingsplan alternatieve plannen meenemen in zijn belangenafweging. In de regel zal de rechter slechts terughoudend toetsen of deze plannen in de besluitvorming zijn meegenomen. Toch betekent dit niet dat de gemeenteraad hier over volledige beleidsvrijheid beschikt. Dit blijkt maar weer uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ("de Afdeling") van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3362 ). Feiten In geding is het bestemmingsplan "Centrum Haaksbergen, partiële herziening Marktplan, deelgebied Midden". Binnen dit plangebied wenst een vastgoedondernemer ('appellant') onder meer een supermarkt te realiseren, die moet komen te liggen op een braakliggend perceel aan de markt in Haaksbergen. De gemeenteraad heeft echter voor 'variant 2' gekozen: de variant die het juist niét mogelijk maakt dat aan de markt een supermarkt wordt gerealiseerd. Volgens appellant heeft de gemeenteraad ten onrechte voor de variant zonder supermarkt gekozen. De gemeenteraad heeft volgens hem ten onrechte geconcludeerd dat de variant met supermarkt niet haalbaar is. Appellant heeft namelijk een concreet voorstel ingediend om deze variant te realiseren. Dit voorstel is later aangepast en opnieuw ingediend door appellant als het zogenaamde 'Supermarktplan'. Volgens appellant heeft de gemeenteraad echter ten onrechte het oorspronkelijk en niet het aangepaste plan bij zijn besluitvorming betrokken. Dit terwijl in de eerder verrichte haalbaarheidsstudie juist een voorkeur wordt uitgesproken voor de variant mét supermarkt. Volgens de gemeenteraad is de keuze voor de variant zonder supermarkt een beleidsmatige keuze die na een uitvoerige afweging is genomen. Volgens de gemeente raad zou de keuze voor een supermarkt leiden tot minder ruimte aan de markt voor detailhandel en andere functies. Daarnaast brengt het plan van appellant meer negatieve gevolgen voor de omgeving met zich dan andere detailhandel, door de vrachtwagens voor de bevoorrading en de grote verkeersaantrekkende werking. Verder past het Supermarktplan niet binnen de gestelde financiële kaders en vreest de gemeenteraad voor langdurige leegstand in de binnenstad. Meewegen van alternatieve plannen Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is de gemeenteraad bij het vaststellen van een bestemmingsplan gehouden om alle betrokken belangen mee te wegen. Bij het maken van deze belangenafweging heeft de gemeenteraad beleidsvrijheid: op grond van eigen inzichten kan de gemeenteraad bepalen welk planregime de voorkeur geniet. Als alternatieve planinitiatieven zijn aangedragen, dan moet de gemeenteraad wel de voor- en nadelen van deze initiatieven in zijn afweging meenemen. Daarvoor moet het alternatieve plan voldoende concreet en tijdig kenbaar zijn gemaakt. Daarnaast moet de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het alternatieve plan kunnen worden beoordeeld op basis van de ten tijde van de vaststelling van het plan bekende gegevens. Met andere woorden: de plannen moeten ten tijde van de vaststelling voldoende concreet zijn zodat de ruimtelijke gevolgen ervan kunnen worden beoordeeld Dat een gemeenteraad gehouden is alternatieve planinitiatieven mee te wegen bij het vaststellen van een bestemmingsplan, betekent nog niet dat een alternatief zonder meer kans van slagen heeft. Dikwijls zal een gemeenteraad zich erop beroepen dat aangedragen alternatieven onvoldoende concreet zijn, of dat deze alternatieven niet tot een andere afweging hebben geleid. Bovendien betekent de beleidsvrijheid van de gemeenteraad dat de rechter slechts zal toetsen of de gemeenteraad in redelijkheid voor het vastgestelde bestemmingsplan heeft kunnen kiezen. Dit alles brengt met zich mee dat in de praktijk een alternatief planinitiatief niet snel tot het voor de indiener gewenste resultaat zal leiden. Beoordeling Supermarktplan Ook in deze zaak stelt de Afdeling voorop dat de raad over beleidsvrijheid beschikt, maar tegelijkertijd alternatieve planinitiatieven moet meenemen in zijn belangenafweging. De Afdeling geeft aan dat de uitgangspunten van de haalbaarheidsstudie een ruimtelijk beleidskader vormen, waarbinnen het nieuwe planregime in beginsel moet passen. Vervolgens wordt nader ingegaan op de totstandkoming van het Supermarktplan. Zo heeft appellant het plan aangepast naar aanleiding van de hoger uitgevallen planschadekosten en kosten voor het openbaar gebied. Daarnaast is het plan getoetst aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking en zijn er diverse situatieschetsen en plattegronden overlegd. Verder heeft appellant aangegeven dat hij de kosten voor parkeervoorzieningen zelf zal dragen en bereid is een bepaald bedrag af te dragen aan planschadekosten. Volgens de Afdeling is gelet hierop sprake van een voldoende concreet en tijdig alternatief dat bij de besluitvorming moest worden betrokken. De gemeenteraad heeft ter zitting echter aangegeven dat het Supermarktplan in financieel opzicht niet beoordeeld is, terwijl aannemelijk is dat dit aangepaste plan juist aantrekkelijker is voor de raad. Ook is onvoldoende onderbouwd waarom de negatieve verkeersgevolgen van de Supermarkt minder gewenst zijn dan de centrumvoorzieningen en woningen waarin het vastgestelde plan voorziet. Bovendien staat vast dat het Supermarktplan binnen variant 1 van de haalbaarheidsstudie past. Het beroep van appellant wordt dan ook gegrond verklaard en het vaststellingsbesluit van het bestemmingsplan vernietigd. Tot slot Met de vernietiging van het bestemmingsplan is de vastgoedondernemer er nog niet. Het gebrek in de besluitvorming kan redelijk eenvoudig worden hersteld door een nieuwe, grondige belangenafweging waarbij de gemeenteraad wederom beleidsvrijheid geniet. Ook heeft de Afdeling zich niet uitgelaten over de inhoudelijke argumenten voor en tegen het Supermarktplan. Gelet op de beleidsvrijheid van de gemeenteraad zal de uitgevoerde belangenafweging bovendien slechts terughoudend worden getoetst. Toch vormt deze uitspraak een mooie illustratie van de noodzaak voor bestuursorganen om alternatieve plannen te betrekken bij het vaststellen van een bestemmingsplan. Initiatiefnemers doen er daarbij verstandig aan om hun plannen in een vroeg stadium concreet en kenbaar te maken, en ervoor te zorgen dat voldoende gegevens zijn overlegd om de ruimtelijke gevolgen van het plan te kunnen toetsen. Zo kan worden voorkomen dat nieuwe initiatieven op bepaalde locaties niet meer gerealiseerd kunnen worden vanwege een nieuw bestemmingsplan. Meer informatie Wilt u meer informatie over dit onderwerp of heeft u vragen, neem dan contact op met Jan Stoop. U kunt uiteraard ook contact opnemen met één van de andere advocaten van ons team Bestuursrecht. [post_title] => Alternatieven meewegen bij vaststellen bestemmingsplan [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => alternatieven-meewegen-vaststellen-bestemmingsplan [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-11-26 14:16:15 [post_modified_gmt] => 2018-11-26 13:16:15 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=21619 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [11] => WP_Post Object ( [ID] => 21616 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-11-26 14:02:49 [post_date_gmt] => 2018-11-26 13:02:49 [post_content] => De Rechtbank Gelderland heeft een interessante uitspraak gedaan over een besluit tot wijziging van de tenaamstelling van een vergunning op basis van de Natuurbeschermingswet (hierna: Nbw-vergunning). In de kwestie was de Wnb-vergunning op naam van een ander bedrijf gezet zonder dat de huidige vergunninghouder daarvan op de hoogte was. Situatie Op 9 december 2015 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland (hierna: GS) aan eiseres een Nbw-vergunning verleend voor het in werking hebben van een pluimveebedrijf. Dat besluit is inmiddels onherroepelijk. Een derde partij (hierna: partij X) heeft de projectlocatie van eisers in april 2016 op een executieveiling gekocht. Vervolgens heeft partij X aan GS verzocht de aan eiseres verleende Nbw-vergunning op haar naam te stellen. Bij besluit van 5 augustus 2016 hebben GS aan dit verzoek voldaan en de tenaamstelling van de aan de eiseres verleende Nbw-vergunning gewijzigd in Partij X. Eiseres was het daarmee niet eens en is tegen het besluit in bezwaar gegaan. Bij beslissing op bezwaar hebben GS het besluit met aangevulde motivering in stand gelaten. Tegen dat besluit is eiseres in beroep gegaan bij de rechtbank. Standpunten partijen GS hebben aan de beslissing op bezwaar ten grondslag gelegd dat met het verzoek tot wijziging van de tenaamstelling artikel 2.7, tweede lid, van de op 1 januari 2017 inwerking getreden Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Daarnaast zijn er geen aanwijzingen dat met de wijziging van de tenaamstelling de uitvoering van de Nbw-vergunning wordt belemmerd. Ook zijn GS van mening dat er geen andere zwaarwegende omstandigheden en belangen zijn die ertoe leiden dat geen medewerking aan het verzoek zou kunnen worden verleend. Daarbij nemen GS in aanmerking dat eiseres na de verkoop van haar pluimveebedrijf het vergunde niet meer kan realiseren op de projectlocatie. Omdat de Nbw-vergunning privaatrechtelijk niet overdraagbaar is, lijdt eiseres ook geen inkomensderving. Eiseres heeft bovendien de door haar gestelde schade niet onderbouwd, aldus GS. Eiseres heeft betoogd dat een verzoek tot wijziging van de tenaamstelling uitsluitend door de vergunninghouder zelf, dan wel met diens instemming, kan worden gedaan. Daarvan is hier geen sprake. Eiseres is wel bereid alsnog mee te werken aan een wijziging van de tenaamstelling, maar alleen tegen een financiële vergoeding. Zij betoogt dat de Nbw-vergunning voor haar een aanzienlijke vermogensrechtelijke waarde vertegenwoordigt en dat zij schade lijdt door het besluit. Zij heeft namelijk in het pluimveebedrijf moeten investeren, onder meer door de met de vergunning samenhangende rechten op te bouwen, en heeft kosten moeten maken voor het verkrijgen van de Nbw-vergunning. GS hebben volgens eiseres geen dan wel in onvoldoende mate rekening gehouden met deze (financiële) belangen door te overwegen dat zij geen financieel nadeel lijdt. Oordeel rechtbank De rechtbank stelt voorop dat Partij X aan GS heeft verzocht het besluit te nemen de vergunning op diens naam te stellen. Daarmee heeft de partij X als belanghebbende een aanvraag ingediend als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten op grond waarvan moet worden geoordeeld dat alleen de vergunninghouder een dergelijke aanvraag kan doen. Naar aanleiding van de aanvraag hebben GS de tenaamstelling van de Nbw-vergunning gewijzigd. Eiseres is daarbij belanghebbend. Zij was eigenaar van de vergunning, en door het nemen van het besluit kan zij niet meer over de vergunning beschikken. De rechtbank stelt vast dat eiseres bij de beoordeling van de aanvraag en het nemen van het besluit niet is betrokken. GS hebben vervolgens bij de beslissing op bezwaar onvoldoende rekening gehouden met de belangen van eiseres. De rechtbank acht aannemelijk dat de Nbw-vergunning voor eiseres een aanzienlijke waarde vertegenwoordigt. Eiseres heeft namelijk kosten moeten maken voorafgaand aan de aanvraag en voor het indienen ervan leges moeten betalen. De rechtbank acht het voorts aannemelijk dat de vergunning een vermogensrecht vertegenwoordigt in de zin het Burgerlijk Wetboek. Partij X heeft erkend dat zonder de Nbw-vergunning de projectlocatie niet kan worden gebruikt voor het inwerking hebben van een pluimveebedrijf. Volgens de partij X kan er wel een nieuwe vergunning worden aangevraagd, maar deze zal op grond van de huidige Wet natuurbescherming waarschijnlijk niet worden verleend. Tijdens de zitting hebben GS erkend dat inderdaad twijfelachtig is of een nieuwe vergunning kan worden verleend. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat ook voor de partij X de vergunning wel degelijk een aanzienlijke waarde vertegenwoordigt en kan GS niet worden gevolgd in het standpunt dat die waarde teniet is gegaan op het moment dat eiseres de zeggenschap over de projectlocatie heeft verloren. Dat de Nbw-vergunning niet, in elk geval niet zonder medewerking van GS, privaatrechtelijk overdraagbaar is, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiseres geen financiële schade lijdt als de tenaamstelling van de Nbw-vergunning wordt gewijzigd zonder compensatie. Door te handelen zoals GS hebben gedaan, is eiseres de beschikking en de zeggenschap over de vergunning eenzijdig ontnomen, zonder dat zij of haar belangen daarbij betrokken, laat staan gecompenseerd, zijn. De rechtbank is van oordeel dat GS daarmee onzorgvuldig hebben gehandeld. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het besluit tot wijziging van de tenaamstelling wordt herroepen en het verzoek alsnog wordt afgewezen. Daarbij is volgens de rechtbank van belang dat uit het dossier en ook tijdens zitting is gebleken dat GS de financiële belangen van eiseres nog steeds niet onderkennen, en ook partij X niet bereid is om voor de wijziging van de tenaamstelling van de vergunning te betalen. Meer informatie Wilt u meer informatie over dit onderwerp of heeft u vragen, neem dan contact op met Nina Rijsterborgh. U kunt uiteraard ook contact opnemen met één van de andere advocaten van ons team Bestuursrecht. [post_title] => Wijziging tenaamstelling Natuurbeschermingswetvergunning: hoe zit het met de belangen van de huidige vergunninghouder? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => wijziging-tenaamstelling-natuurbeschermingswetvergunning-hoe-zit-belangen-huidige-vergunninghouder [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-11-26 14:02:49 [post_modified_gmt] => 2018-11-26 13:02:49 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=21616 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [12] => WP_Post Object ( [ID] => 21614 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-11-26 13:47:43 [post_date_gmt] => 2018-11-26 12:47:43 [post_content] => In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: 'Afdeling') van 7 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3609) staat de stalderingsregeling van de provincie Noord-Brabant ter discussie. Sinds 2017 stelt de provincie Noord-Brabant extra voorwaarden aan een ontwikkeling van een veehouderij. Wanneer een veehouderij wil uitbreiden, dan moeten er op een andere plek stallen verdwijnen. De Afdeling heeft het salderen rechtmatig geacht. Volgens appellante deugt de stalderingsregeling niet. In de planregels zijn (nieuwe) beperkingen opgenomen voor uitbreiding van een intensieve veehouderij waarmee zij zich niet kan verenigen. AVV De stalderingsregeling is een algemeen verbindend voorschrift (artikel 26.1 van de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant (hierna: 'Verordening')). Hiertegen is geen beroep mogelijk, maar deze bepaling kan wel via de exceptieve toetsing in deze zaak over een bestemmingsplan door de bestuursrechter worden beoordeeld. Ruimtelijk belang Volgens appellante is de stalderingsregeling niet noodzakelijk met het oog op een goede ruimtelijke ordening als bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Zo ontbreekt een causaal verband tussen een planontwikkeling enerzijds en de in de stalderingsregeling vereiste sloop of herbestemming van een bestaande stal anderzijds, omdat de sloop of herbestemming op een geheel andere locatie mag plaatsvinden dan de planontwikkeling. Er ligt dus geen ruimtelijk belang ten grondslag aan de stalderingsregeling. De Afdeling overweegt dat in een provinciale verordening regels mogen worden gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen als provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. Daarbij kan worden bepaald dat een regel slechts geldt voor een daarbij aangegeven gedeelte van het grondgebied van de provincie. In de toelichting bij de stalderingsregeling in de Verordening is aangegeven waarom die regeling noodzakelijk is, namelijk vanwege het tegengaan van verdere regionale concentratie en het tegengaan van leegstand van stallen. De intensieve veehouderij veroorzaakt overlast voor zowel mens als natuur door de uitstoot van geur, fijnstof, geeft risico's voor de volksgezondheid, levert gevaarlijke situaties op door het zware vrachtverkeer en geeft visuele hinder. Door een toenemende regionale concentratie van vee nemen ook deze negatieve effecten toe. Voorts zijn er al veel leegstaande stallen. Kansen en mogelijkheden voor hergebruik zijn daarbij beperkt. De stalderingsregeling dient dus wel een ruimtelijk belang. Voorts is er wel een ruimtelijk verband tussen een voorgenomen ontwikkeling en de vereiste sanering, omdat beide activiteiten volgens artikel 26.1 van de Verordening in hetzelfde stalderingsgebied moeten plaatsvinden, waardoor de oppervlakte van bestaande stallen in dit gebied per saldo niet verder toeneemt. Noodzaak Daarnaast is volgens appellante ook de noodzaak van de stalderingsregeling niet onderbouwd, omdat de bestaande sectorale regelgeving voor de intensieve veehouderij afdoende is en staldering daar niets aan toevoegt. Voorafgaand aan de vaststelling van de stalderingsregeling heeft de provincie onderzoek laten doen naar het doelbereik en de effecten van de regeling, afgezet tegen de economische ontwikkeling. Hieruit blijkt dat het proces van een verlaging van de impact van de veehouderij op de omgeving wordt versneld door meer stallen op te heffen dan erbij komen. Eén van de voorwaarden van de stalderingsregeling is namelijk dat de oppervlakte van de sanering tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen. Zo zal de oppervlakte van bestaande stallen steeds enigszins afnemen. Dus de noodzaak van de stalderingsregeling is voldoende onderbouwd. Onevenredig bezwarend Voorts betoogt appellante dat de stalderingsregeling onevenredig bezwarend is, omdat deze een zware financiële wissel trekt op de door haar beoogde ontwikkeling en deze regeling veehouderijen in Noord-Brabant zonder noodzaak bedrijfseconomisch op achterstand zet ten opzichte van andere veehouderijen. Uit onderzoek van de provincie blijkt dat de kosten voor staldering niet onevenredig zijn in vergelijking met de totale investeringskosten die met de ontwikkeling van stallen zijn gemoeid. Verder wijst de provincie op het groot maatschappelijk belang dat gediend wordt met de stalderingsregeling in de specifieke overbelaste gebieden, welk belang zwaarder weegt dan de extra investering die de ondernemer moet doen. Het is niet onredelijk om bij ontwikkelingen waarvan de opbrengsten ten goede komen aan initiatiefnemers vanuit het algemeen belang een tegenprestatie te vragen die optredende negatieve effecten opheft of beperkt. Volgens de Afdeling is de stalderingsregeling dan ook niet onevenredig bezwarend. Verder heeft appellante haar stelling dat geen stalderingsmeters beschikbaar zijn niet nader onderbouwd volgens de Afdeling. Uit het provinciale onderzoek blijkt dat in ieder geval vanaf 2020, wanneer de tijdelijke regeling in het Besluit Huisvesting Veehouderij eindigt, voldoende stalderingsmeters beschikbaar zullen zijn. Stalderingsbewijs als voorwaardelijke verplichting in omgevingsvergunning Subsidiair stelt appellante voorde stalderingsregeling te koppelen als voorwaardelijke verplichting aan een omgevingsvergunning voor bouwen. Volgens appellante biedt de stalderingsregeling daarvoor de mogelijkheid. Maar volgens de Afdeling biedt de stalderingsregeling hiervoor geen ruimte. Dit komt ook overeen met de Beleidsregel staldering Noord-Brabant. Tot slot verwacht appellante financieringsproblemen met deze stalderingsregels voordat er een besluit op zijn aanvraag is genomen. De stalderingseis die nu in het bestreden bestemmingsplan is opgenomen, belemmert daardoor iedere ontwikkeling. Echter, de vermeende financieringsproblemen zijn volgens de Afdeling niet aannemelijk gemaakt. Dus de stalderingsregeling uit de Verordening Ruimte blijft overeind. Meer informatie Wilt u meer informatie over dit onderwerp of heeft u vragen, neem dan contact op met Janske Schrijnemaekers. U kunt uiteraard ook contact opnemen met één van de andere advocaten van ons team Bestuursrecht. [post_title] => Stalderingsregeling provincie Brabant [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => stalderingsregeling-provincie-brabant [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-11-26 13:47:43 [post_modified_gmt] => 2018-11-26 12:47:43 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=21614 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [13] => WP_Post Object ( [ID] => 21613 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-11-26 13:34:58 [post_date_gmt] => 2018-11-26 12:34:58 [post_content] => Het Hof van Justitie heeft op 7 november 2018 uitspraak gedaan naar aanleiding van de prejudiciële vragen van de Raad van State over het Programma Aanpak Stikstof (hierna: 'PAS'). De prejudiciële vragen hebben betrekking op de houdbaarheid van het PAS in algemene zin en op de uitzondering op de vergunningplicht voor de activiteiten beweiden en bemesten. Het Hof van Justitie is kritisch: er moet aan strikte voorwaarden worden voldaan. Naar verwachting dient het PAS in de huidige vorm aangepast of nader onderbouwd te worden. Lees meer over dit onderwerp in deze blog >>>> Meer informatie Wilt u meer informatie over dit onderwerp of heeft u vragen, neem dan contact op met Xander Wynands. U kunt uiteraard ook contact opnemen met één van de andere advocaten van ons team Bestuursrecht. [post_title] => Uitspraak Hof van Justitie inzake PAS [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => uitspraak-hof-justitie-inzake [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-11-26 16:41:49 [post_modified_gmt] => 2018-11-26 15:41:49 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=21613 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [14] => WP_Post Object ( [ID] => 21611 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-11-26 12:42:14 [post_date_gmt] => 2018-11-26 11:42:14 [post_content] => Vanaf 1 januari 2023 moeten kantoorgebouwen minimaal energielabel C hebben. Dit volgt uit een recente wijziging van het Bouwbesluit 2012. Met deze wijziging wordt het vanaf deze datum verboden om energie-onzuinige kantoren in gebruik te nemen of te gebruiken. Energieakkoord In 2013 is door de Nederlandse overheid en diverse partijen uit het bedrijfsleven en de samenleving het Energieakkoord afgesloten. In dit akkoord is de doelstelling geformuleerd om uiterlijk in 2050 te komen tot een energie-neutrale bebouwde omgeving. Om deze doelstelling te bereiken zijn in het akkoord een aantal tussenstappen opgenomen. Zo is voor kantoorgebouwen afgesproken dat zij uiterlijk in 2030 voorzien zijn van ten minste energielabel A. Om de doelstellingen uit het Energieakkoord te realiseren is in 2015 een pakket met aanvullende maatregelen vastgesteld. Een van deze maatregelen is de verplichting om alle kantoorgebouwen uiterlijk in 2023 te voorzien van minimaal energielabel C. Nieuwe verplichting voor kantoorgebouwen Het Besluit energieprestatie gebouwen verplicht de verkoper om bij de oplevering van een gebouw een geldig energielabel ter beschikking te stellen aan de koper. Dit label geeft de energie-index van een gebouw weer, oftewel de hoeveelheid energiegebruik en de mate van energiezuinigheid van het gebouw. De energie-index wordt daarbij berekend aan de hand van de Regeling energie-prestatiegebouwen. De nieuwe labelverplichting voor kantoorgebouwen is op 17 oktober 2018 vastgesteld en opgenomen in artikel 5.11 van het Bouwbesluit 2012. Dit artikel bepaalt dat het vanaf 1 januari 2023 verboden is een kantoorgebouw in gebruik te nemen of te gebruiken dat niet minimaal voorzien is van een energielabel met een energie-index van 1,3 of beter. Op grond van de eerdergenoemde regeling betekent dit dat in de praktijk kantoorgebouwen minimaal voorzien moeten zijn van energielabel C. Uitzonderingen Op de labelverplichting is in het Bouwbesluit een aantal uitzonderingen opgenomen. Zo geldt de labelverplichting niet voor kantoorgebouwen die deel uitmaken van andere gebouwen en waarbij minder dan 50% van het totale gebouw een andere gebruiksfunctie heeft. Ook kantoorgebouwen en kantoorgedeelten in gebouwen met een totale oppervlakte van 100 m2 of minder vallen niet onder de nieuwe verplichting. Daarnaast is de labelverplichting niet van toepassing op gebouwen die in artikel 2.2 van het Besluit energieprestatiegebouwen uitgezonderd zijn. Hierbij kan gedacht worden aan rijksmonumenten, kantoren in slooppanden of in panden die zullen worden getransformeerd en niet langer dan 2 jaar worden gebruikt, en gebouwen die worden onteigend. Verder is het voor het realiseren van de noodzakelijke energie-index niet nodig om maatregelen te nemen die een terugverdientijd hebben van meer dan 10 jaar. Dit kan in de praktijk tot gevolg hebben dat er ook na 1 januari 2023 nog kantoorgebouwen zullen zijn met een hogere energie-index dan toegestaan. Tot slot Hoewel de labelverplichting uit het Bouwbesluit 2012 pas vanaf 2023 gaat gelden, is het verstandig om de komende jaren al te anticiperen op de nieuwe energie-eisen voor kantoorgebouwen. Door het tijdig nemen van maatregelen kunnen kosten voor energiezuinige maatregelen worden beperkt of worden verspreid over meerdere jaren. Er bestaan daarbij diverse subsidieregelingen waarop pandeigenaren een beroep kunnen doen. Tegelijkertijd kan hiermee worden voorkomen dat de gemeente gaat handhaven en bestuursrechtelijke sancties oplegt, zoals een last onder dwangsom of zelfs het sluiten van een gebouw. Meer informatie Wilt u meer informatie over dit onderwerp of heeft u vragen, neem dan contact op met Jan Stoop. U kunt uiteraard ook contact opnemen met één van de andere advocaten van ons team Bestuursrecht. [post_title] => Verbod op energie-onzuinige kantoren vanaf 2023 [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => verbod-op-energie-onzuinige-kantoren-vanaf-2023 [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-11-26 15:57:14 [post_modified_gmt] => 2018-11-26 14:57:14 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=21611 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [15] => WP_Post Object ( [ID] => 21609 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-11-26 12:27:00 [post_date_gmt] => 2018-11-26 11:27:00 [post_content] => Op 29 oktober 2018 is de internetconsultatie voor het Invoeringsbesluit van de Omgevingswet gestart. Iedereen kan tot 21 december 2018 reageren op de inhoud van dit besluit. De consultatie is onderdeel van een participatietraject waarin het ministerie van BZK vanaf het eerste begin samen met toekomstige gebruikers de regels van het nieuwe stelsel voor de fysieke leefomgeving ontwikkelt. Het Invoeringsbesluit bouwt voort op de Invoeringswet, de Omgevingswet en de voer amvb's van de Omgevingswet. Het besluit zorgt daarmee voor een soepele overgang van de huidige regelgeving naar het nieuwe stelsel. Het maakt voor burgers, bedrijven, rechters en bestuursorganen duidelijk wat de status is van onder het 'oude recht' genomen besluiten. Duidelijkheid, rechtszekerheid en zo mi mogelijk rompslomp staan daarbij voorop. Een van de onderwerpen in het Omgevingsbesluit is de 'bruidsschat': een set regels die het Rijk overdraagt aan de decentrale overheden. Gemeenten en waterschappen kunnen regels uit de bruidsschat aanpassen, vereenvoudigen of laten vervallen als deze niet van toepassing zijn. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan het aanpassen van regels voor de verlichting van sportvelden. Naast het overgangsrecht en de bruidsschat regelt het Invoeringsbesluit nog een aantal inhoudelijke zaken. Het Digitaal Stelsel Omgevingsrecht (DSO) en nadeelcompensatie zijn hier voorbeelden van. Aanvullingswet geluid ingediend bij Tweede Kamer Op 5 oktober 2018 heeft de regering het wetsvoorstel Aanvullingswet geluid Omgevingswet ingediend bij de Tweede Kamer. De aanvullingswet geluid os één van de voer aanvullingswetten bij de Omgevingswet. De andere drie aanvullingswetten gaan over de onderwerpen bodem, grondeigendom en natuur. De aanvullingswetten zijn afzonderlijke wetten, omdat er ook nieuw beleid in staat. De aanvullingswet geluid wordt ontwikkeld door Staatssecretaris van Veldhoven van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Met dit wetsvoorstel wordt de regelgeving voor geluid afkomstig van infrastructuur (wegen en spoorwegen) en industrieterreinen ingevoegd in de Omgevingswet. De regels worden daarbij in overeenstemming gebracht met de opbouw en de doelen van die wet. Tegelijkertijd worden de regels over taken en bevoegdheden van provincies, gemeenten en waterschappen voor geluid herzien. Doel daarvan is om ook voor lokale en provinciale wegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen de geluidregelgeving duidelijker en beter te maken. Advies Raad van State over Aanvullingswet grondeigendom In augustus heeft de Afdeling advisering van de Raad van State advies uitgebracht over het voorstel voor de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet. De komende periode wordt het advies verwerkt door de regering. Daarna zal het voorstel voor de Aanvullingswet grondeigendom worden aangeboden aan de Tweede Kamer. De verwachting is dat dit begin 2019 zal gebeuren. Dan zal ook het advies van de Raad van State worden gepubliceerd, samen met de reactie van de regering (het nader rapport). Met het voorstel voor de Aanvullingswet grondeigendom worden regels toegevoegd aan de Omgevingswet voor instrumenten die ingrijpen op het eigendom van de grond. In de Aanvullingswet wordt een deel van de bestaande instrumenten voor grondbeleid samengebracht, vereenvoudigd, toegankelijk gemaakt en geharmoniseerd. Het gaat om de instrumenten die ingrijpen op het eigendom van de grond en dit eigendom reguleren: voorkeursrecht, onteigening, herverkaveling en kavelruil in landelijk gebied. Aan deze instrumenten wordt stedelijke kavelruil als nieuw instrument toegevoegd. Deze instrumenten worden toegevoegd aan de Omgevingswet. Verder wordt via de Aanvullingswet een aantal wijzigingen aangebracht in de bestaande regeling voor het kostenverhaal. Deze regeling is al in de Omgevingswet opgenomen. Het doel van de wijzigingen is om het kostenverhaal te vereenvoudigen, te verbeteren en flexibeler te maken. Er wordt overgangsrecht opgenomen in het wetsvoorstel dat bij de Tweede Kamer wordt ingediend. Meer informatie Wilt u meer informatie over dit onderwerp of heeft u vragen, neem dan contact op met Janske Schrijnemaekers. U kunt uiteraard ook contact opnemen met één van de andere advocaten van ons team Bestuursrecht. [post_title] => Invoeringsbesluit open voor consultatie [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => invoeringsbesluit-open-consultatie [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-11-26 12:27:00 [post_modified_gmt] => 2018-11-26 11:27:00 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=21609 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [16] => WP_Post Object ( [ID] => 21544 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-11-16 16:39:20 [post_date_gmt] => 2018-11-16 15:39:20 [post_content] => [post_title] => Mijnschade, de zwaluw en de zomer [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => mijnschade-zwaluw-en-zomer [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-11-16 16:39:20 [post_modified_gmt] => 2018-11-16 15:39:20 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=21544 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [17] => WP_Post Object ( [ID] => 21442 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-11-07 17:29:42 [post_date_gmt] => 2018-11-07 16:29:42 [post_content] => Het Hof van Justitie (hierna: "Hof") heeft vandaag uitspraak gedaan naar aanleiding van de prejudiciële vragen van de Raad van State over het Programma Aanpak Stikstof (hierna: "PAS"). De prejudiciële vragen hebben betrekking op de houdbaarheid van het PAS in algemene zin en op de uitzondering op de vergunningplicht voor de activiteiten beweiden en bemesten. Het Hof is kritisch: er moet aan strikte voorwaarden worden voldaan. Naar verwachting dient het PAS in de huidig vorm aangepast of nader onderbouwd te worden. Beweiden en bemesten Op dit moment bestaat de mogelijkheid om in provinciale verordeningen een uitzondering op de vergunningplicht voor de activiteiten beweiden en bemesten op te nemen. Om te beoordelen of deze uitzondering verenigbaar is met artikel 6 van de Habitatrichtlijn beantwoordt het Hof eerst de vraag of de activiteiten beweiden en bemesten moeten worden aangemerkt als een project in de zin van de Habitatrichtlijn. Deze vraag is gesteld omdat discutabel werd geacht of sprake is van een project in de zin van de MER-richtlijn, vanwege het vermeende ontbreken van een fysieke ingreep in het natuurlijk milieu. Het Hof overweegt hierover het volgende:
  • Het begrip 'project' in de zin van de Habitatrichtlijn is niet identiek aan het begrip 'project' in de zin van de MER-richtlijn. Om te bepalen of sprake is van een project waarvoor een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming moet worden verkregen, is daarom niet enkel van belang of sprake is van een project in de zin van de MER-richtlijn.
  • Indien de activiteit niet als een project in de zin van de MER-richtlijn kan worden aangemerkt, kan dit toch wel een project zijn in de zin van artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn. Doorslaggevend is of de activiteiten verenigbaar zijn met de instandhoudingsdoelstellingen van beschermde gebieden dan wel of ze hiervoor significante gevolgen kunnen hebben. In het verlengde hiervan staat aldus ook vast dat er projecten kunnen zijn die geen project zijn in de zin van de Habitatrichtlijn, maar die dat wel zijn in de zin van de MER-richtlijn.
  • Niet is uitgesloten dat beweiding en bemesting toch als projecten zijn in de zin van MER-richtlijn kunnen worden aangemerkt, aangezien de materiële toestand van de plaats van beweiding en bemesting erdoor verandert. De Raad van State dient dit volgens het Hof na te gaan.
Vervolgens gaat het Hof in op de volgende vraag: als het beweiden of bemesten als project kan worden aangemerkt en dit rechtmatig plaatsvond voordat artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn van toepassing werd voor een Natura 2000-gebied en dat nu nog plaatsvindt, moet dan worden geoordeeld dat sprake is van één en hetzelfde project? Het Hof overweegt hierover het volgende:
  • Het periodiek bemesten van agrarische gronden heeft als enig gemeenschappelijk doel het verbouwen van gewassen in het kader van een agrarisch bedrijf. Om die reden is sprake van één verrichting door die activiteit continu op dezelfde plaatsen en onder dezelfde voorwaarden uit te voeren. Dit betekent dat als voor die activiteit al toestemming was verleend voordat artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn van kracht werd, het voor de toepassing van Habitatrichtlijn gaat om één en hetzelfde project, zodat geen nieuwe toestemmingsprocedure behoeft te worden doorlopen. Dit neemt niet weg dat de periodieke activiteit altijd moet voldoen aan het verslechteringsverbod uit artikel 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn.
  • Als de periodieke activiteit niet voldoet aan de eisen van continuïteit en volledige overeenstemming, met name voor wat betreft plaatsen waar en voorwaarden waaronder, dan is er geen sprake is van één en dezelfde activiteit. Dit gelet op het voorzorgsbeginsel. In dat geval kan het dus gaan om een nieuw project waarvoor een nieuwe toestemmingsprocedure dient te worden doorlopen.
  • Een feit dat de stikstofdepositie door bemesting en beweiding niet over het geheel genomen is toegenomen, is niet van belang voor de vraag of een nieuw project significante gevolgen kan hebben.
Ook beantwoordt het Hof de vraag of artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn toestaat dat op grond van het PAS uitvoering wordt gegeven aan een bepaalde categorie van projecten, zoals beweiding en bemesting, zonder dat sprake is van een vergunningplicht en daarmee van een individuele passende beoordeling van de gevolgen van die projecten voor de betrokken gebieden. Het Hof overweegt hierover het volgende:
  • Artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn staat niet toe dat op grond van een nationale regeling als het PAS uitvoering wordt gegeven aan een bepaalde categorie van projecten, zoals beweiding en bemesting, zonder dat sprake is van een vergunningplicht en daarmee van een individuele passende beoordeling van de gevolgen van die projecten voor de betrokken gebieden. Dit is slechts dan anders als de nationale rechter beoordeelt dat op grond van objectieve omstandigheden met zekerheid kan worden uitgesloten dat die projecten afzonderlijk of in combinatie met andere projecten significante gevolgen kunnen hebben voor die gebieden. Het algemeen uitsluiten van een bepaalde categorie projecten van een verplichte beoordeling is dus in beginsel niet toegestaan.
  • Het Hof laat doorschemeren dat de passende beoordeling van het PAS waarschijnlijk niet alle wetenschappelijke twijfel wegneemt door de gemaakte keuze om bij die passende beoordeling uit te gaan van de verwachte omvang en intensiteit van de betrokkende agrarische activiteiten en dat de uitkomst is dat – op de schaal waarop zij ten tijde van die beoordeling werden uitgevoerd – uitgesloten is dat dergelijke activiteiten significante gevolgen hebben, en dat gemiddeld genomen een stijging van stikstofdepositie door deze activiteiten kan worden uitgesloten, terwijl deze activiteiten vervolgens wel bij categorale uitzondering zijn toegestaan ongeacht waar deze plaatsvinden en ongeacht de depositie die daardoor veroorzaakt wordt. Concreet zal de Raad van State moeten bepalen of de vrijstelling voor beweiden en bemesten, als categorieën aangewezen krachtens artikel 2.9 lid 3 van de Wet natuurbescherming, is toegekend zonder dat er nog enige redelijke wetenschappelijke twijfel ten aanzien van deze categoraal uitgezonderde projecten resteert. Het Hof laat – net als de advocaat-generaal – doorschemeren dat dit niet buiten redelijke wetenschappelijke twijfel staat. Een gemiddelde waarde kan immers in beginsel niet garanderen dat bemesting of beweiding voor geen enkel beschermd gebied significante gevolgen zal hebben, aangezien dergelijke gevolgen met name lijken af te hangen van de omvang en mogelijke intensiteit van die activiteiten, de eventuele omstandigheid dat de plaats waar de activiteiten worden verricht zich in de nabijheid van het betrokken beschermde gebied bevindt en bijzondere omstandigheden waardoor dat gebied zich mogelijk kenmerkt, bijvoorbeeld de omstandigheid dat sprake is van de combinatie met andere stikstofbronnen.
Monitoring en toezicht Vervolgens gaat het Hof in op de vraag of voldaan wordt aan artikel 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn door middel van de in het PAS opgenomen monitoring en toezicht ter zake agrarische bedrijven, welke kunnen leiden tot het opleggen van sancties. Deze vraag beantwoordt het Hof naar enigszins cryptisch. Het Hof overweegt dat een nationale regeling die slechts reactief optreden mogelijk maakt en niet tevens preventief, strijdig is met artikel 6 lid 2 Habitatrichtlijn. Vervolgens overweegt het Hof dat de maatregelen in het PAS, waaronder procedures voor monitoring van en toezicht op agrarische bedrijven waarvan de activiteiten stikstofdepositie veroorzaken en de mogelijkheid tot het opleggen van sancties, waarbij zelfs sprake kan zijn van sluiting van die bedrijven, echter wel voldoende zijn om te voldoen aan artikel 6, lid 2 Habitatrichtlijn. Passende beoordeling Aan het PAS ligt een passende beoordeling ten grondslag die wordt gebruikt om voor individuele projecten een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming te verlenen. De Raad van State heeft aan het Hof gevraagd of artikel 6 leden 2 en 3 van de Habitatrichtlijn in de weg staan aan deze passende beoordeling voor het PAS. Het Hof overweegt hierover het volgende:
  • Artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn voorziet in een beoordelingsprocedure die is bedoeld om door middel van voorafgaande controle te garanderen dat voor een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het beschermde gebied, maar dat significante gevolgen kan hebben, alleen toestemming wordt verleend voor zover de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet worden aangetast. Plannen en projecten dienen in beginsel individueel te worden beoordeeld. Echter, de passende beoordeling van gevolgen houdt ook in dat alle aspecten van het betrokken plan of project die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen brengen, moeten worden geïnventariseerd. Hierbij sluit aan een in een eerder stadium uitgevoerde integrale effectbeoordeling, zoals de effectbeoordeling die bij de vaststelling van het PAS is uitgevoerd, aangezien op die wijze naar eventuele cumulatieve gevolgen van de deposities van stikstof kan worden gekeken. Dit betekent echter niet zonder meer dat een nationale regeling als het PAS daarmee noodzakelijkerwijs voldoet aan alle eisen uit artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn. De verrichte beoordelingen mogen namelijk geen leemten vertonen en moeten volledige, nauwkeurige en definitieve constateringen en conclusies bevatten die elke wetenschappelijke twijfel wegnemen. Dit is volgens het Hof ook van belang gelet op de eis in artikel 6 lid 3 dat de tweede fase van de habitatrichtlijn-toestemming vereist dat een project eerst dan is toegelaten als het de natuurlijke kenmerken niet aantast. Ook hierin ligt het voorzorgbeginsel besloten. De nationale rechter dient een grondige en volledige toetsing van de wetenschappelijke deugdelijkheid van de passende beoordeling te verrichten, waaronder met name het gebruik van software (AERIUS). Hierbij geeft het Hof als leidraad aan de nationale rechter mee dat mogelijkheden om vergunning te verlenen in een later stadium op basis van een eerder verrichte passende beoordeling, noodzakelijkerwijs gering zijn als de staat van instandhouding van een natuurlijk habitat ongunstig is.
  • Samenvattend is een nationale regeling als het PAS, op basis waarvan in een later stadium vergunningverlening voor projecten mogelijk is op basis van een eerder verrichte passende beoordeling (waarbij een bepaalde totale hoeveelheid stikstofdepositie verenigbaar wordt geacht met de betrokken instandhoudingsdoelstellingen), verenigbaar met artikel 6 lid 3 Habitatrichtlijn, indien na een grondige en volledige toetsing van de wetenschappelijke deugdelijkheid van die beoordeling kan worden gegarandeerd dat er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat geen van de plannen of projecten schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied, hetgeen door de nationale rechter moet worden nagegaan.
Het Hof beantwoordt verder de vraag of in een passende beoordeling ook voorgesorteerd mag worden op maatregelen, zoals bijvoorbeeld maatregelen als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Habitatrichtlijn (instandhoudingsmaatregelen) en lid 2 (preventieve maatregelen), die nog niet zijn getroffen en die dus nog geen resultaat hebben gehad. Het Hof overweegt hierover het volgende:
  • Volgens het Hof zou het voorsorteren op dergelijke maatregelen in strijd zijn met de nuttige werking van artikel 6 lid 1 en 2 van de Habitatrichtlijn, tenzij de verwachte voordelen van de maatregelen daadwerkelijk vaststaan. Naar het positieve effect van de maatregelen die nog nodig zijn krachtens deze artikelleden kan dan ook in beginsel niet reeds worden verwezen ten tijde van vergunningverlening aan projecten die nadelige gevolgen kunnen hebben. In dit verband wijst het Hof ook nogmaals (want dat is ook al gebeurd in eerdere rechtspraak) op het onderscheid tussen mitigerende maatregelen (lid 3) en compenserende maatregelen (lid 4). Een mitigerende maatregel is alleen dan toegestaan als maatregel die bij de passende beoordeling in aanmerking kan worden genomen, wanneer er voldoende zekerheid is dat een maatregel daadwerkelijk zal bijdragen aan het voorkomen van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied en de garantie behelst dat er geen redelijke twijfel bestaat dat het in geding zijnde plan of project de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet zal aantasten.
  • Resumerend is het Hof van oordeel dat toekomstige maatregelen nog geen resultaat hebben gehad, zodat de effecten niet vaststaan. Hiermee mag volgens het Hof in het PAS geen rekening worden gehouden, hetgeen niet anders wordt door – zoals het PAS doet – te voorzien in een monitoringsmechanisme. Het wordt daarentegen wel anders wanneer de verwachte voordelen van maatregelen ten tijde van de passende beoordeling reeds vaststaan.
Uitzondering vergunningplicht voor projecten onder bepaalde depositiewaarde In het PAS is een uitzondering op de vergunningplicht ingevolge de Wet natuurbescherming opgenomen voor projecten die een stikstofdepositie veroorzaken die lager is dan 0,05 mol N/ha/jaar. Daarnaast is de keuze gemaakt om slechts een melding te verlangen voor projecten die een stikstofdepositie veroorzaken van minimaal 0,05 mol N/ha/jaar en maximaal 1 mol N/ha/jaar. De Raad van State heeft aan het Hof gevraagd of dit in strijd is met artikel 6 lid 2 en 3 van de Habitatrichtlijn. Het Hof overweegt hierover het volgende:
  • De uitzondering op de vergunningplicht is niet in strijd met artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn, indien en voor zover de eerder uitgevoerde passende beoordeling voor het PAS voldoet aan het criterium dat er geen redelijke wetenschappelijke twijfel bestaat dat die plannen of projecten geen schadelijke gevolgen hebben voor de natuurlijke kenmerken van de betrokken gebieden.
Conclusie Gezien het voorgaande is er een aantal gebreken aan de huidige PAS-systematiek. Met name de categorische uitzonderingen waarin het PAS voorziet, kunnen niet zonder meer door de beugel. De reden daarvoor is dat er waarschijnlijk nog enige wetenschappelijke twijfel blijft bestaan, hetgeen niet is toegestaan. Ook toekomstige maatregelen die nog geen resultaten hebben, mogen in beginsel niet meetellen, tenzij de verwachte voordelen al vaststaan ten tijde van de passende beoordeling. Hoe gaat het nu verder? Nu het Hof arrest heeft gewezen en de prejudiciële vragen van de Raad van State heeft beantwoord, is het aan de Raad van State om aan de hand van het arrest uitspraak te doen in de verschillende PAS-zaken. De Raad van State heeft vandaag aangekondigd dat ernaar wordt gestreefd om in het eerste kwartaal van 2019 een zitting te houden in de zaken waarin de vragen zijn gesteld. Andere zaken die zijn aangehouden in verband met deze vragen, zullen daarna worden afgedaan. Meer informatie Heeft u vragen naar aanleiding van dit blog? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Xander Wynands, hij is u graag van dienst. November 2018 [post_title] => Het Hof van Justitie doet uitspraak: het PAS in de huidige vorm zal naar verwachting moeten worden aangepast of nader onderbouwd [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => hof-justitie-doet-uitspraak-huidige-vorm-zal-naar-verwachting-moeten-worden-aangepast-nader-onderbouwd [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-11-07 17:29:42 [post_modified_gmt] => 2018-11-07 16:29:42 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=21442 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [18] => WP_Post Object ( [ID] => 18967 [post_author] => 17 [post_date] => 2018-07-30 12:31:50 [post_date_gmt] => 2018-07-30 10:31:50 [post_content] => Op 17 juli 2018 is door Gedeputeerde Staten van de Provincie Limburg de ontwerp-Wijzigingsverordening van de Omgevingsverordening Limburg 2014  (hierna: "de Omgevingsverordening") vastgesteld. Met de Wijzigingsverordening worden de nieuwe bestuursafspraken tussen de Provincie Limburg en de Limburgse gemeenten in paragraaf 2.4 van de Omgevingsverordening opgenomen. Deze afspraken zien op de regionale uitwerking van het Provinciale Omgevingsplan Limburg 2014 (hierna: "het POL2014") voor Noord-, Midden- en Zuid-Limburg. In de nieuwe Wijzigingsverordening wordt de Omgevingsverordening op een aantal onderdelen aangepast. In dit artikel worden de aanpassingen en de diverse bestuursafspraken nader uiteengezet. Nieuwe bestuursafspraken uitwerking POL2014 In maart en april 2018 zijn de nieuwe bestuursafspraken over de uitwerking van het POL2014 vastgelegd. Deze afspraken hebben betrekking op een aantal thema's waarbij de rol van de gemeenten aanzienlijk is. Enerzijds zijn dit stedelijke thema's zoals wonen, bedrijventerreinen, kantoren, winkels en vrijetijdseconomie, terwijl anderzijds ook landelijke thema's zoals landbouw, energie en landschap verder zijn uitgewerkt. Met het vastleggen van de bestuursafspraken in de Omgevingsverordening wordt duidelijk gemaakt in welke gevallen regionale instemming of afstemming vereist is. Daarnaast kan de Provincie tegen gemeenten die zich niet aan de gemaakte afspraken houden diverse beleidsinstrumenten inzetten, zoals een aanwijzing, een provinciaal inpassingsplan of instrumenten uit de Omgevingsverordening zelf. De wijzigingen Wonen Uitgangspunt van de nieuwe regels over wonen zijn de intergemeentelijke structuurvisies wonen voor de regio's Noord-, Midden- en Zuid-Limburg. Op grond artikel 2.4.2 Omgevingsverordening is het enkel mogelijk om via ruimtelijke plannen woningen aan de woning- en planvoorraad toe te voegen als dit in overeenstemming is met deze structuurvisies. Deze voorwaarde is niet nieuw, maar wel nieuw is de koppeling naar de structuurvisie wonen van de regio Zuid-Limburg. Een belangrijke aanpassing is gelegen in het nieuwe artikel 2.4.2 lid 4 Omgevingsverordening. Dit artikel geeft Gedeputeerde Staten een maatwerkmogelijkheid voor ruimtelijke plannen die niet voldoen aan de eerdergenoemde structuurvisies. Vereist hiervoor is dat het plan bijdraagt aan de versterking van de (boven)regionale structuur of tegemoet komt aan een regionale vraag. Deze laatste grondslag kan interessant zijn voor specifieke vormen van woningbouw zoals zorgwoningen in stads- en dorpskernen, waar in diverse regio's veel behoefte aan is. Verder wordt er in artikel 2.4.2 lid 6 Omgevingsverordening een kleine wijziging doorgevoerd. Hoewel de opgave om de planvoorraad aan woningen terug te dringen blijft bestaan, komt de focus meer te liggen op kwaliteitsverbetering van de aanwezige woningvoorraad. Detailhandel De nieuwe afspraken aangaande detailhandel zijn gebaseerd op de regionale Detailhandelvisie Noord-Limburg, het beleidskader werklocaties Midden-Limburg en de Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg. In de Detailhandelvisie Noord-Limburg is een instemmingsvoorwaarde voor regiogemeenten vastgelegd voor grote detailhandelontwikkelingen in afwijking van het bestemmingsplan. Hierbij kan worden gedacht aan een bovenregionaal verzorgend centrum of een regionaal cluster met volumineuze detailhandel. Voor middelgrote in kleinere detailhandelinitiatieven geldt respectievelijk een afstemmings- en informatieplicht richting nabijgelegen gemeenten. Het Beleidskader werklocaties Midden-Limburg bepaalt dat nieuwe plannen en uitbreidingen van meer dan 1.000 m2 bruto vloeroppervlakte regionaal worden afgestemd. Daarnaast geldt dat de planvoorraad aan winkels niet verder mag toenemen en wordt de haalbaarheid van salderingsmogelijkheden onderzocht. In de Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg is bepaald dat bestuurlijke afstemming op (sub-)regionaal niveau is vereist voor uitbreidingen van supermarkten en andere winkels. Of afstemming noodzakelijk is hangt af van de grootte van de uitbreiding en de locatie waar de winkel gelegen is. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de zogenaamde koopiconen, regionale centra en perifere concentraties. Kantoren en bedrijventerreinen Ook met betrekking tot kantoren en bedrijventerreinen wordt in de Omgevingsverordening opgenomen dat wordt uitgegaan van de nieuwe regionale bestuursafspraken. De regionale visies Kantoren en Bedrijven Noord-Limburg kennen eenzelfde systematiek als eerdergenoemde documenten. De afspraken omtrent kantoren gelden daarbij voor nieuwbouw, uitbreiding en hergebruik van kantoorruimte, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen locaties binnen en buiten concentratiegebieden. Voor bedrijventerreinen is vooral van belang of er sprake is van een (veranderde) ruimtevraag van bedrijven en op welke wijze deze vraag wordt vormgegeven. Binnen het Beleidskader Midden-Limburg is ook ten aanzien van nieuwe initiatieven van kantoren en bedrijven regionale afstemming vereist. Hierbij gaat het om initiatieven met een bruto vloeroppervlakte van respectievelijk meer dan 500 en 1.500 m2. Daarnaast geldt wederom het uitgangspunt dat een verdere groei van de planvoorraad niet wenselijk is en dat salderingsmogelijkheden moeten worden onderzocht. Binnen de Regionale Structuurvisie Ruimtelijke Economie geldt een meldings- dan wel afstemmingsregel voor kantoorinitiatieven binnen en buiten concentratie- of balansgebieden gelegen, evenals voor nieuwe bedrijven die al dan niet aansluitend of in de nabijheid van een bedrijventerrein komen te liggen. Van belang daarbij is dat voor de locaties van Chemelot, VDL-Nedcar en Maastricht Aachen Airport zelfstandige gebiedsvisies zullen worden opgesteld. Vrijetijdseconomie Ook ten aanzien van de vrijetijdseconomie is nieuw beleid geformuleerd. Dit beleid is onder meer gebaseerd op de Vitaliteitsscan Verblijfsrecreatie en het Hotelmarktonderzoek van de Provincie. Uit deze rapporten volgt dat er een overtollig aanbod is aan bungalows, campings en hotels dat bovendien niet goed aansluit op de veranderde wensen van de consument. Binnen de regio Noord-Limburg wordt ingezet op twee uitgangspunten: het toestaan van kwalitatief goede plannen en het sanering van kwalitatief slechte bedrijven. Voor nieuwe plannen geldt wederom een instemmings-, afstemmings- of informatieplicht. Voor de regio Midden-Limburg geldt het uitgangspunt dat er een regionale (markt)behoefte moet zijn voor nieuwe initiatieven. Alleen voor kleinschalige initiatieven is geen afstemming vereist. In de regio Zuid-Limburg geldt tot slot een afstemmingsverplichting voor dag- of verblijfsrecreatieve voorzieningen met zowel de regionale gemeenten als de Provincie. Overige wijzigingen Verder worden nog twee andere aanpassingen doorgevoerd. Allereerst wordt de omschrijving van het begrip "intensieve veehouderij" aangepast, zodat hier ook het bedrijfsmatig houden van geiten onder komt te vallen. Daarnaast wordt de toelichting op paragraaf 2.2 Omgevingsverordening aangepast vanwege de invoering van de nieuwe Ladder voor Duurzame Verstedelijking (hierna: "de Ladder"). De belangrijkste veranderingen van de nieuwe Ladder zijn het uitgangspunt dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied moeten worden gerealiseerd en de mogelijkheid om de Laddertoets door te schuiven naar het uitwerkings- of wijzigingsplan. De Ladder wordt toegepast bij diverse stedelijke ontwikkelingen zoals woningbouw, kantoren, bedrijven, detailhandel en andere stedelijke voorzieningen. Tot slot Met de nieuwe Wijzigingsverordening worden de gemaakte regionale bestuursafspraken stevig verankerd in de Omgevingsverordening. Hiermee wordt het voor de Provincie eenvoudiger om haar beleid ten aanzien van onder meer woningbouw, bedrijfsactiviteiten en detailhandel op lokaal en regionaal niveau vorm te geven. Tegelijkertijd dienen initiatiefnemers van middelgrote en grote projecten nog meer rekening te houden met de bestaande planvoorraad en met in- en afstemmingsmogelijkheden van omliggende gemeenten. De ontwerp-Wijzigingsverordening ligt sinds woensdag 25 juli ter inzage. Tot en met 6 september 2018 is het mogelijk om een zienswijze in te dienen tegen de voorgenomen wijzigingen. Meer informatie Heeft u vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met een van de advocaten van team Bestuursrecht . Zij zijn u graag van dienst. [post_title] => Nieuwe regionale bestuursafspraken opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => nieuwe-regionale-bestuursafspraken-opgenomen-omgevingsverordening-limburg [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-07-30 12:31:50 [post_modified_gmt] => 2018-07-30 10:31:50 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=18967 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [19] => WP_Post Object ( [ID] => 18170 [post_author] => 17 [post_date] => 2018-06-14 10:03:15 [post_date_gmt] => 2018-06-14 08:03:15 [post_content] => Op 4 mei 2018 heeft de Hoge Raad een belangrijke uitspraak gewezen over wat wordt bedoeld in het digitale tijdperk met 'de op de zaak betrekking hebbende stukken' (artikel 8:42 Awb ). Inleiding Ingevolge artikel 8.42 lid 1 Awb is een bestuursorgaan verplicht binnen vier weken na verzending van de beroepsgronden de op die zaak betrekking hebbende stukken bij de bestuursrechter in te dienen. Voor een goede beoordeling van het geschil is het immers nodig dat de bestuursrechter evenals de wederpartij een volledig dossier kan bestuderen en dat alle betrokken procespartijen van hetzelfde procesdossier uitgaan. Artikel 8:42 Awb is opgenomen in Afdeling 8.2.2 van de Awb die gaat over het Vooronderzoek. De Hoge Raad heeft zich al eerder uitgelaten over wat wordt bedoeld met de formulering 'de op de zaak betrekking hebbende stukken'. In de uitspraak van 4 mei 2018 heeft de Hoge Raad een nadere duidelijke uitleg gegeven aan dit begrip, onder meer onder verwijzing naar het arrest van 10 april 2015 (ECLI:NL:HR:2015:874). De uitspraak van 4 mei 2018 ziet op een fiscale aangelegenheid. Het is de verwachting dat deze uitspraak bepalend zal gaan zijn voor toepassing van artikel 8:42 in alle bestuursrechtelijke zaken. Dit mede door de voortschrijdende digitalisering. Belangrijkste overwegingen De Hoge Raad stelt voorop dat artikel 8:42 lid 1 Awb ertoe strekt dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het in beroep bestreden besluit van de inspecteur aan de rechter – en de wederpartij – beschikbaar worden gesteld. De in die bepaling neergelegde verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door de inspecteur genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan de inspecteur ter beschikking staan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden. Vervolgens geeft de Hoge Raad punt voor punt aan welke stukken wel of niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren: - het gaat om alle stukken die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Tot de door de inspecteur over te leggen stukken behoren niet stukken die zich bevinden onder derden (bijvoorbeeld het Openbaar Ministerie) en die niet aan hem zijn verstrekt, ook al is hij bekend met het bestaan daarvan. - stukken die pas in de loop van het beroep of hoger beroep ter beschikking van de inspecteur zijn gekomen. Indien dergelijke stukken ter beschikking van de inspecteur komen na afloop van de in artikel 8:42 Awb bedoelde termijn, dient hij deze alsnog onverwijld aan de rechter toe te zenden. - stukken die de inspecteur wel ter beschikking staan of hebben gestaan maar die hij niet heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn besluit. Stukken die de inspecteur wel heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn besluit, maar die voor de beoordeling van de zaak door de rechter niet (langer) van belang zijn, behoren niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. Dit is bijvoorbeeld het geval ten aanzien van stukken die betrekking hebben op een element van de aanslag dat in beroep niet (meer) ter discussie staat. - Als een stuk passages bevat die op de zaak betrekking hebben, is dit stuk als geheel een op de zaak betrekking hebbend stuk. De verplichting om dit stuk over te leggen, ziet daardoor niet slechts op de voor de beoordeling van de zaak relevante passages. Eem stuk als zoals bedoeld in artikel 8:42 Awb heeft niet alleen betrekking op papieren stukken, maar betreft ook in elektronische vorm vastgelegde, op de zaak betrekking hebbende gegevens. Voor gegevens die worden opgeslagen, bewerkt, verwerkt of beheerd in systematische gegevensverzamelingen (databases) heeft volgens de Hoge Raad te gelden dat zij in beginsel alleen op de zaak betrekking hebben voor zover zij van belang en raadpleegbaar zijn met het oog op de aan de orde zijnde zaak. Deze gegevens vormen het op de zaak betrekking hebbende ‘stuk’, dat in de vorm van een afdruk of op een andere geschikte wijze ter beschikking moet worden gesteld. Daarbij is niet van belang of de desbetreffende gegevens worden ‘opgehaald’ uit één bestand of uit meer bestanden. In deze zaak had de inspecteur een printscreen van een deel van een veel groter bestand bestaande uit gegevens van ongeveer 70.000 belastingplichtigen overgelegd. Indien niet aan artikel 8:42 wordt voldaan voor het bestuursorgaan dan is het aan de rechter zelf daaruit de gevolgtrekkingen te maken die hem geraden voorkomen. Meer informatie Wilt u meer informatie over dit onderwerp of heeft u vragen, neem dan contact op met Janske Schrijnemaekers. U kunt uiteraard ook contact opnemen met één van de andere advocaten van ons team bestuursrecht. [post_title] => Uitleg van het begrip 'de op de zaak betrekking hebbende stukken' [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => uitleg-begrip-op-zaak-betrekking-hebbende-stukken [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-06-14 10:11:21 [post_modified_gmt] => 2018-06-14 08:11:21 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=18170 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [20] => WP_Post Object ( [ID] => 18169 [post_author] => 17 [post_date] => 2018-06-14 10:01:08 [post_date_gmt] => 2018-06-14 08:01:08 [post_content] => Op 30 mei 2018 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: 'de Afdeling') een tussenuitspraak gedaan over de noodzaak van het borgen van onderhoud in een bestemmingsplan . Aanleiding Bij besluit van 14 maart 2017 heeft de gemeenteraad van Krimpenerwaard het bestemmingsplan 'Landgoed Middelblok en ruimte voor ruimte aan het Middelblok in Gouderak' vastgesteld. Dit bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van de gronden van een veehouderij in Gouderak. De herontwikkeling omvat onder meer de bouw van een landhuis van maximaal drie geschakelde wooneenheden en de aanleg van natuur en watergangen. Ook is voorzien in de bouw van één zelfstandige woning op enige afstand van het landhuis in het kader van een ruimte-voor-ruimte-regeling. Dit gebouw wordt aangeduid als het Poortgebouw. Appellante is woonachtig aan het Middelblok. Haar perceel grenst aan het plangebied nabij het Poortgebouw dat, gezien vanaf de weg, recht achter haar woning mag worden gebouwd, op ongeveer 124 meter van de perceelsgrens. Onderhoud Appellante richt zich onder meer tegen het plandeel met de bestemming 'Water' wat betreft de gronden gelegen achter haar woning. Hier is een watergang voorzien die aan de zuidwestelijke kant is verbonden met andere watergangen in het plangebied, maar aan de noordoostelijke kant eindigt nabij een buisleiding. Appellante stelt dat de aanleg van deze watergang ertoe leidt dat een strook gras ontstaat die moeilijk bereikbaar is en zij vreest hierdoor onkruid in haar achtertuin te krijgen. Zij wenst duidelijkheid over wie de strook gaat onderhouden. Volgens de Afdeling is dit echter niet een aspect dat in het bestemmingsplan wordt geregeld. Wel is het denkbaar dat een voorwaardelijke verplichting in een bestemmingsplan wordt opgenomen hoe een stuk grond moet worden ingericht. Zo'n voorwaardelijke verplichting geldt dan voor alle rechthebbenden. Voor het stellen van een voorwaardelijke verplichting is in ieder geval vereist dat deze noodzakelijk is uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Met de gemeenteraad ziet de Afdeling deze noodzaak in dit geval niet. De enkele vrees voor slecht onderhoud als gevolg waarvan onkruid zich kan verspreiden, is daartoe onvoldoende. Watergang en privacy Appellante betoogt ook dat de watergang de overlast van muggen bij haar woning verder vergroot. De gemeenteraad stelt dat de Krimpenerwaard een waterrijk gebied is en dat het voorkomen van de aanwezigheid van muggen niet mogelijk is. Voorts wijst de gemeenteraad erop dat de watergang op verzoek van omwonenden wordt aangelegd en heeft de gemeenteraad toegelicht dat de watergang dient voor de privacy van bestaande woningen. Aanvankelijk was de intentie de watergang verder door te trekken in noordoostelijke richting, maar vanwege de daar gelegen buisleiding is dat niet mogelijk volgens de gemeenteraad. Gelet op de verbeelding van het plan en het verhandelde ter zitting moet ervan worden uitgegaan dat het water in de watergang achter het perceel van appellante stil zal staan. Hierdoor kan niet bij voorbaat worden uitgesloten dat als gevolg van de aanleg van de watergang op het perceel van appellante hinder van muggen ontstaat. Het standpunt van de gemeenteraad komt erop neer dat aan het privacybelang van twee andere woningen in de omgeving een zwaarder gewicht moet worden toegekend. De Afdeling ziet echter niet in hoe de privacy van de twee buren gebaat zou zijn bij de verlenging van de watergang zoals die in het plan is voorzien. De watergang eindigt immers bij het perceel van appellante en strekt zich niet uit tot voorbij de percelen van de twee buren. Hierdoor blijft het mogelijk dat wandelaars op het landgoed tot bij de erfgrens komen. Ook is onduidelijk hoe het belang van de afwatering van een perceel, dat is genoemd in een van de zienswijzen, gebaat is bij de beperkte verlenging van de watergang. Om deze redenen is de Afdeling van oordeel dat er sprake is van strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Meer informatie Wilt u meer informatie over dit onderwerp of heeft u vragen, neem dan contact op met Janske Schrijnemaekers. U kunt uiteraard ook contact opnemen met één van de andere advocaten van ons team bestuursrecht. [post_title] => Noodzakelijk om onderhoud te borgen in bestemmingsplan? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => noodzakelijk-om-onderhoud-borgen-bestemmingsplan [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-06-14 15:58:10 [post_modified_gmt] => 2018-06-14 13:58:10 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=18169 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [21] => WP_Post Object ( [ID] => 18168 [post_author] => 17 [post_date] => 2018-06-14 09:57:59 [post_date_gmt] => 2018-06-14 07:57:59 [post_content] => Zoals al in een eerdere nieuwsbrief aangegeven heeft de Afdeling op 17 mei 2017 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie (hierna: ‘het Hof’) over de verenigbaarheid van het Programma Aanpak Stikstof (hierna: ‘PAS’) met de Habitatrichtlijn (hierna: ‘Habitatrichtlijn’). Op 3 mei 2018 heeft in Luxemburg de zitting van het Hof plaatsgevonden over deze prejudiciële vragen. Naar verwachting zal op 12 juli 2018 de conclusie van de advocaat-generaal (hierna: ‘de A-G’) – de adviseur van het Hof – verschijnen. Tijdens de zitting hebben alle betrokken partijen (Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en de Vereniging Leefmilieu, Stichting Werkgroep Behoud de Peel, de provincies Limburg, Gelderland en Noord-Brabant, Nederland, Denemarken en de Europese Commissie) hun standpunt kunnen toelichten. Commissie De Commissie stelt zich allereerst op het standpunt dat een algemene beoordeling als het PAS in beginsel niet in strijd hoeft te zijn met de Habitatrichtlijn. Wel mag er geen wetenschappelijke twijfel bestaan over de conclusies. En daar lijkt, zo merkte de Commissie op, de schoen te wringen. Uit de verwijzingsuitspraken leidt de Commissie namelijk af dat er sprake is van twijfel bij de verwijzende nationale rechter. Alleen in gevallen waarbij er geen redelijke wetenschappelijke twijfel bestaat dat extra depositie niet tot schade zal leiden, is het PAS in overeenstemming met de richtlijn. In alle overige gevallen is er volgens de Commissie strijd met de richtlijn. A-G De A-G heeft aan de Nederlandse regering gevraagd of zij het begrip ‘critical loads’ (kritische depositiewaarden) kent en of met het PAS wordt gewaarborgd dat deze kritische depositiewaarden niet worden overschreden. Nederland heeft aangegeven geeft aan het begrip kritische depositiewaarden (uiteraard) te kennen, maar zegt dat een overschrijding van deze kritische depositiewaarden niet automatisch leidt tot schade. De A-G concludeert dan dat deze dus worden overschreden. Het Hof heeft aan de Nederlandse regering gevraagd hoe de uitspraak van 9 maart 2018 moet worden uitgelegd. Uit de uitspraak bleek, kort samengevat, dat in enkele gevallen meer stikstofruimte was uitgegeven dan in het PAS was voorzien.  Om die reden heeft de Voorzieningenrechter een aantal natuurbeschermingsvergunningen geschorst. De reactie van de Nederlandse regering hierop is dat alleen de vergunningen die daar aan bij hebben gedragen zijn geschorst. Het betreft geen algehele schorsing van het PAS. Naar aanleiding van vragen van de A-G, stelden de provincies dat het niet logisch is om alleen bronmaatregelen aan te merken als beschermingsmaatregelen (acceptabele mitigerende maatregelen). Het doel van de Habitatrichtlijn is immers schade voorkomen. Dat doen juist uitdrukkelijk ook de in het PAS opgenomen herstelmaatregelen. Bronmaatregelen verminderen de uitstoot en herstelmaatregelen zorgen dat de overige uitstoot geen schade aanricht, aldus de provincies. De provincies op dat de Commissie een integrale aanpak – zoals het PAS – niet uitsluit. Er wordt nu gewerkt aan verwerking van de kritiek van de Afdeling op het PAS. De Afdeling zal de aanpassingen vervolgens beoordelen. De provincies hopen verder dat het Hof eveneens concludeert dat een integrale aanpak in overeenstemming met de Habitatrichtlijn is. De Commissie heeft nog een paar slotopmerkingen. Volgens de Commissie wordt onterecht vooruit gelopen op onzekere toekomstige positieve effecten. Hierbij verwijst de commissie naar het arrest Orleans/Vlaams Gewest van 21 juli 2016. De Commissie herhaalt dat herstelmaatregelen in haar ogen niet kunnen gelden als beschermingsmaatregelen als bedoeld in het arrest Briels. Vervolg Tijdens de zitting zijn de standpunten naar voren gebracht door de betrokken partijen die ten aanzien van de meeste partijen al bekend waren. De kritische houding van de Commissie viel wel op. Ook de A-G leek niet erg enthousiast over het PAS. Het wachten is dan ook op de conclusie van de A-G die op 12 juli 2018 zal verschijnen. De verwachting is dat het arrest van het Hof pas in het najaar zal volgen. Meer informatie Wilt u meer informatie over dit onderwerp of heeft u vragen, neem dan contact op met Janske Schrijnemaekers. U kunt uiteraard ook contact opnemen met één van de andere advocaten van ons team bestuursrecht. [post_title] => Update prejudiciële vragen PAS [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => update-prejudiciele-vragen [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-06-14 16:00:10 [post_modified_gmt] => 2018-06-14 14:00:10 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=18168 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [22] => WP_Post Object ( [ID] => 18167 [post_author] => 17 [post_date] => 2018-06-14 09:55:25 [post_date_gmt] => 2018-06-14 07:55:25 [post_content] => Om de leegstand van winkelruimtes tegen te gaan wordt er door ondernemers steeds vaker ingezet op nieuwe bedrijfsconcepten. Een van deze concepten is 'blurring': het combineren van verschillende gebruiksfuncties binnen één onderneming. Gedacht kan worden aan detailhandel samen met horecafuncties waaronder het schenken van alcoholhoudende dranken. Momenteel biedt de geldende wetgeving slechts beperkte mogelijkheden voor deze combinaties, maar een recent behandeld initiatiefwetsvoorstel  beoogt hierin verandering te brengen. Interessant is daarom om te bezien welke kansen deze wetgeving ondernemers biedt om te experimenteren met nieuwe mengvormen van detailhandel en horeca. Blurring en wettelijke belemmeringen De afgelopen jaren is de grens tussen detailhandel en horeca in toenemende mate vervaagd met de introductie van het concept 'blurring'. Te denken valt hierbij aan de supermarkt met restaurant, de boekenhandel met koffiecorner of de kapperszaak met wijnbar. Vanuit wettelijk oogpunt zijn er echter verschillende belemmeringen tegen deze vorm van functiemenging denkbaar. Uitgangspunt binnen het bestuursrecht is dat de op een locatie rustende bestemming leidend is voor het gebruik van die locatie. In het geldende bestemmingsplan is meestal een beschrijving opgenomen van de activiteiten die zijn toegestaan onder de betreffende bestemming. Een bestemmingsplan maakt daarbij onderscheid tussen afzonderlijke enkelbestemmingen zoals 'detailhandel' en 'horeca'. Dit betekent dat een onderneming in beginsel detailhandel- of horecafuncties kan vervullen, maar niet beide functies gelijktijdig. De gebruiker die handelt in strijd met de op een perceel rustende bestemming zal meestal met bestuursrechtelijke handhaving worden geconfronteerd. Hoewel een gemeentebestuur in bepaalde gevallen welwillend tegen een nieuw bedrijfsconcept kan staan, is zij in beginsel verplicht te handhaven indien hiertoe een verzoek wordt gedaan. Vooral voor concurrerende ondernemingen is dit een interessant middel om de bedrijfsvoering van nieuwe ondernemingen effectief te dwarsbomen. Om handhaving te voorkomen kan de ondernemer een omgevingsvergunning aanvragen of een verzoek indienen om het bestemmingsplan te wijzigen. Deze procedures duren respectievelijk 8 en 26 weken en kunnen bovendien gepaard gaan met aanvullende kosten. Wel biedt een bestemmingsplanwijziging de mogelijkheid om horeca als ongeschikte functie aan een detailhandelbestemming toe te voegen. Hiervoor is doorgaans wel vereist dat de horeca kan worden gekwalificeerd als incidenteel, voortvloeiend uit, en ondergeschikt aan de oorspronkelijke bedrijfsactiviteiten. Naast genoemde bestuursrechtelijke aandachtspunten zijn er ook vanuit het huur- en mededingingsrecht enkele belemmeringen tegen functiemenging binnen een onderneming denkbaar. De belangrijkste zien op het handelen van een huurder in strijd met de contractueel overeengekomen huurbestemming en het maken van brancheafspraken tussen huurder en verhuurder met het oog op exclusiviteit. Huidige drank- en horecawetgeving Een bijzondere positie in het wettelijk kader neemt het verstrekken van alcoholhoudende dranken in. Het verstrekken van deze dranken wordt gereguleerd via de Drank- en Horecawet (hierna: 'DHW'). Op grond van artikel 3 lid 1 DHW is het alleen toegestaan om alcoholhoudende dranken te verstrekken zonder een daartoe strekkende vergunning. Hierbij is het verstrekken van alcoholhoudende dranken voorbehouden aan horeca- en slijtersbedrijven. Dit bedrijven die bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken aan particulieren verstrekken. Bedrijven die niet als primaire bedrijfsuitoefening het verstrekken van alcoholhoudende dranken uitoefenen, worden echter niet als zodanig aangemerkt en komen dan ook niet voor een DHW-vergunning in aanmerking. Wel bestaat de mogelijkheid om ingevolge artikel 35 DHW een ontheffing aan te vragen voor het schenken van zwak-alcoholhoudende dranken, maar deze ontheffing geldt slechts voor een aaneengesloten periode van maximaal twaalf dagen. Om nieuwe initiatieven van blurring binnen de detailhandel tegemoet te komen, is eind 2015 besloten te starten met de landelijke pilot “Reguleren mengvormen winkel/horeca ”. Deze pilot zag op het combineren van detailhandel met het schenken van zwak-alcoholhoudende dranken, zonder dat hiervoor een DHW-vergunning of ontheffing moest worden aangevraagd. De rechter  heeft echter in 2016 geoordeeld dat deze pilot in strijd was met de DHW. In 2017 is vervolgens door de Tweede Kamer een motie  aangenomen die gemeenten verzoekt te handhaven op mengvormen van retail en horeca. Dit alles heeft echter niet belet dat recentelijk alsnog een initiatiefwetsvoorstel is besproken teneinde deze mengvormen te reguleren. Wetsvoorstel aanpassing DHW Het initiatiefwetsvoorstel van Tweede Kamerlid Ziengs (VVD) ziet op een aanpassing van de DHW en het vervallen van een tweetal onderliggende besluiten. Het doel van dit wetsvoorstel is enerzijds om horeca- en slijtersbedrijven meer flexibiliteit te bieden door toe te staan dat alcoholhoudende dranken ook respectievelijk voor gebruik elders of ter plaatse mogen worden geschonken. Anderzijds wordt het voor bedrijven met detailhandel mogelijk om alcoholhoudende dranken aan te bieden aan hun klanten. Deze mogelijkheid wordt gecreëerd met de introductie van het 'gemengd kleinhandelsbedrijf': een nieuw type inrichting waarin naast het verstrekken van alcoholhoudende dranken andere bedrijfsactiviteiten worden verricht. Uitgangspunt van het wetsvoorstel is dat de gemengde kleinhandelsbedrijven net als horeca- en slijtersbedrijven een DHW-vergunning kunnen aanvragen. In tegenstelling tot de 'reguliere' DHW-vergunning geldt dat aan een DHW-vergunning voor een gemengd kleinhandelsbedrijf eisen kunnen worden gesteld bij algemene maatregel van bestuur. Hierbij kan het volgens de initiatiefnemer gaan om voorschriften op basis waarvan de burgemeester een dergelijke vergunning kan verlenen. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan een verbod op het aanleggen van een terras. Aanvullend daarop kan het bevoegde college van burgemeester en wethouders nadere regels stellen in het kader van de openbare orde en veiligheid. Verder geldt dat gemengde kleinhandelsbedrijven net als horeca- en slijtersbedrijven moeten voldaan aan diverse eisen die voortvloeien uit de DHW, zoals leeftijdsgrenzen, sociale hygiëne en de aanwezigheid van leidinggevenden in de inrichting. De in het wetsvoorstel opgenomen aanpassingen maken op zichzelf mengvormen van detailhandel en horeca met het verstrekken van alcoholhoudende dranken, niet zonder meer mogelijk. Immers gelden de al genoemde belemmeringen nog steeds voor gemengde kleinhandelsbedrijven. In veel gevallen zal dan ook het geldende bestemmingsplan moeten worden gewijzigd om ondergeschikte horeca alsnog toe te staan. Of deze planwijzigingen er komen hangt hierbij af van de politieke beleidsopvattingen van de betreffende gemeenteraad. Tot slot Of detailhandel gecombineerd met het verstrekken van alcoholhoudende dranken inmiddels een stap dichterbij is gekomen valt nog te bezien, nu de Tweede en Eerste Kamer zich nog moeten buigen over het wetsvoorstel. Duidelijk is echter dat vanuit diverse ondernemers en gemeenten steeds vaker de roep komt om mengvormen van detailhandel en horeca wettelijk te reguleren. Tegelijkertijd zijn er diverse partijen die grote bezwaren hebben tegen het onderhavige wetsvoorstel, onder meer ten aanzien van de volksgezondheid en de concurrentiepositie van horeca- en slijtersbedrijven. Gelet op de toenemende behoefte van consumenten aan nieuwe winkelervaringen en de noodzaak om leeglopende stadscentra nieuw leven in te blazen, is het laatste hierover zeer zeker nog niet gezegd. Meer informatie Wilt u meer informatie over dit onderwerp of heeft u vragen, neem dan contact op met Jan Stoop. U kunt uiteraard ook contact opnemen met één van de andere advocaten van ons team bestuursrecht. [post_title] => Detailhandel met alcohol een stap dichterbij? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => detailhandel-alcohol-stap-dichterbij [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-06-14 10:22:48 [post_modified_gmt] => 2018-06-14 08:22:48 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=18167 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [23] => WP_Post Object ( [ID] => 18166 [post_author] => 17 [post_date] => 2018-06-14 09:49:59 [post_date_gmt] => 2018-06-14 07:49:59 [post_content] => Omgevingswet kan door volgens plan In de begroting van het ministerie van BZK staat dat er 90 miljoen euro beschikbaar is gemaakt voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en het digitaal stelsel. Dat betekent dat de planning op schema blijft lopen; alles blijft gericht op de inwerkingtreding en implementatie per 1 januari 2021. Dat doet BZK samen met alle decentrale overheden op basis van het 'Bestuursakkoord implementatie Omgevingswet' uit 2015 en de daarbij gemaakte financiële afspraken. Meer informatie Wilt u meer informatie over dit onderwerp of heeft u vragen, neem dan contact op met Janske Schrijnemaekers. U kunt uiteraard ook contact opnemen met één van de andere advocaten van ons team bestuursrecht. [post_title] => Ontwikkelingen Omgevingswet [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => ontwikkelingen-omgevingswet-3 [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-06-14 15:51:29 [post_modified_gmt] => 2018-06-14 13:51:29 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=18166 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [24] => WP_Post Object ( [ID] => 15271 [post_author] => 2 [post_date] => 2017-10-24 15:46:38 [post_date_gmt] => 2017-10-24 13:46:38 [post_content] => De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) heeft aan staatsraad advocaat-generaal Widdershoven een conclusie gevraagd over de bestuurlijke waarschuwing. De vraag of de schriftelijke, bestuurlijke waarschuwing een besluit is waartegen bezwaar en beroep mogelijk is, is regelmatig aan de orde bij de hoogste bestuursrechters. Ook biedt de voorzitter van de Afdeling voor het eerst iedereen de mogelijkheid om te reageren op de vragen die aan de staatsraad advocaat-generaal zijn gesteld. Daarmee wordt de figuur van de amicus curiae (meedenkers) in het bestuursrecht geïntroduceerd. Achtergrond Alleen tegen besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan bezwaar en beroep worden ingediend. Voor de vraag of er een bezwaar- en beroepsmogelijkheid is tegen een schriftelijke, bestuurlijke waarschuwing, is dus bepalend of deze waarschuwing een besluit is of niet. In de zaak die nu bij de Afdeling speelt gaat het om een waarschuwing van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan een bedrijf dat het Arbeidsomstandighedenbesluit overtreedt. Het bedrijf is eerder tegen deze waarschuwing in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland. Volgens de rechtbank is de schriftelijke waarschuwing geen besluit. Het bedrijf kon daartegen dan ook niet in beroep komen. Volgens het bedrijf heeft de waarschuwing echter wel rechtsgevolg, omdat de waarschuwing een voorwaarde is voor de minister om later een bevel te kunnen opleggen. Verzoek aan staatsraad advocaat-generaal De voorzitter van de Afdeling heeft staatsraad advocaat-generaal Widdershoven een aantal vragen voorgelegd. Zo wil de voorzitter weten welke omstandigheden van belang zijn voor de vraag of een waarschuwing een besluit is of niet. Een rol zou kunnen spelen of de waarschuwing een grondslag heeft in de wet of in een beleidsregel en of een voorafgaande waarschuwing noodzakelijk is om later verder bestuurlijk te kunnen optreden. Daarnaast vraagt de voorzitter de staatsraad advocaat-generaal bij het nemen van zijn conclusie rekening te houden met de jurisprudentie van alle hoogste bestuursrechters. De conclusie van de staatsraad advocaat-generaal geeft voorlichting aan de Afdeling, maar bindt haar niet. Met het nemen van een conclusie door de staatsraad advocaat-generaal wordt meer dan met de rechterlijke uitspraak zelf gelegenheid geboden om een rechtsvraag te plaatsen in een breder verband. De conclusie draagt bij aan de rechtseenheid en rechtsontwikkeling. Reactiemogelijkheid voor ‘meedenkers’ In deze zaak biedt de voorzitter van de Afdeling iedereen de mogelijkheid te reageren op de vragen die aan de staatsraad advocaat-generaal zijn gesteld, dus ook anderen dan partijen die direct bij deze zaak zijn betrokken. Het is de eerste keer dat de Afdeling van dit instrument gebruikmaakt. De staatsraad advocaat-generaal zal bij het nemen van de conclusie rekening houden met deze reacties. Verdere verloop van de procedure De Afdeling bestuursrechtspraak zal de zaak (nummer 201607055/1) op 10 november 2017 op een rechtszitting van een grote kamer behandelen (met 5 staatsraden). Uiterlijk zes weken daarna neemt de staatsraad advocaat-generaal de conclusie. Partijen krijgen vervolgens twee weken de tijd om daarop te reageren. Hierna doet de Afdeling uitspraak in deze zaak. Reactie Boels Zanders Het team Bestuursrecht heeft op 19 oktober 2017 een reactie gestuurd naar de Afdeling en gevraagd die bij haar uitspraak te betrekken. Daarin is allereerst de lijn in de rechtspraak van de hoogste bestuursrechters (Afdeling, Centrale Raad van Beroep en College van Beroep voor het bedrijfsleven) weergegeven. Op grond van de huidige jurisprudentie van de hoogste bestuursrechters is de lijn te herkennen dat een waarschuwing in beginsel geen Awb-besluit is, omdat een waarschuwing doorgaans niet is gericht op een rechtsgevolg. Hierop bestaan enkele uitzonderingen, zoals in het geval dat het te belastend is om een appellabel handhavingsbesluit af te wachten, de waarschuwing wordt gegeven als disciplinaire waarschuwing of een schriftelijke waarschuwing is gebaseerd op een wettelijke grondslag en een essentieel en onlosmakelijk onderdeel vormt van de gevolgen die op grond van een wettelijk voorschrift aan een bepaalde gedraging worden toegekend. Voorts hebben wij gewezen op de handhaving van het Besluit risico's en zware ongevallen (hierna: Brzo). Artikel 18 Brzo, bevat een mogelijkheid om een waarschuwing af te geven bij een herhaling van een overtreding of soortgelijke overtreding als bedoeld in artikel 28a, eerste lid, Arbeidsomstandighedenwet. Hierbij gaat het om bestuurlijk beboetbare of op grond van de Wet economische delicten, strafbaar gestelde overtredingen waarbij kan worden bevolen dat bij herhaling de werkzaamheden voor ten hoogste drie maanden kunnen worden gestaakt, dan wel niet meer worden aangevangen. Als opnieuw een overtreding als bedoeld in het Brzo wordt geconstateerd, dan geldt op grond van artikel 18, eerste lid, Brzo, het genoemde verbod. Artikel 18, tweede lid, Brzo, bepaalt daarbij dat kan worden afgezien van een in het eerste lid bedoelde waarschuwing of bevel als de aard van de overtreding of de met de overtreding samenhangende omstandigheden, dan wel de gevolgen van een stillegging van de werkzaamheden daartoe aanleiding geven. Er zijn nog geen uitspraken geweest waarin is beoordeeld of een waarschuwing ex artikel 18 Brzo kan worden aangemerkt als een besluit ex artikel 1:3 Awb. Waarschijnlijk zal Widdershoven deze waarschuwing ingevolge het Brzo betrekken in zijn conclusie. Ten aanzien van de algemene lijn in de jurisprudentie dat een waarschuwing in beginsel geen Awb-besluit is, omdat een waarschuwing doorgaans niet is gericht op rechtsgevolg, hebben wij aangegeven ons hierin te kunnen vinden. Dit is anders als een waarschuwing wordt gegeven als disciplinaire waarschuwing. In dat geval is een waarschuwing wel gericht op rechtsgevolg. Naar onze mening moet daarnaast wel een onderscheid worden gemaakt tussen gevallen waarin een schriftelijke waarschuwing een noodzakelijke voorwaarde is voor een andere bestuurlijke maatregel en gevallen waarin een schriftelijke waarschuwing geen noodzakelijke voorwaarde is voor een andere bestuurlijke maatregel. Als een schriftelijke waarschuwing een constitutief vereiste is voor het opleggen van een bestuurlijke maatregel, leidt het uitvaardigen van de waarschuwing tot een verandering in de rechtspositie van het bestuursorgaan. Dit rechtsgevolg heeft invloed op de verhouding tussen het bestuursorgaan en degene die de waarschuwing ontvangt, omdat hiermee de bevoegdheid ontstaat om bij een volgende overtreding een bestuurlijke maatregel op te leggen. Hiermee wordt voldaan aan het element 'rechtshandeling' en de overige elementen zoals opgenomen in artikel 1:3, eerste lid, Awb. Ook in het geval een schriftelijke waarschuwing een noodzakelijke voorwaarde is voor een andere bestuurlijke maatregel, is een waarschuwing naar onze mening gericht op een rechtsgevolg. Tot slot hebben wij enkele rechtsgevolgen voor de praktijk benoemd. Zo is gewezen op het rechtseconomisch argument dat een waarschuwing kan leiden tot corrigerend gedrag in een eerder stadium waarmee handhavend optreden en alle daarmee gemoeide kosten mogelijk bespaard kunnen worden aan de zijde van het bestuursorgaan. Onze conclusie dat een bestuurlijke waarschuwing in beginsel niet gekwalificeerd dient te worden als een Awb-besluit, wordt daarmee ondersteund door een rechtseconomisch argument. Voorts kan het zo zijn dat, mocht een bestuurlijke waarschuwing wel als een besluit worden gekwalificeerd, bestuursorganen mogelijk terughoudendheid zullen betrachten met het afgeven van waarschuwingen als hiertoe geen wettelijke verplichting bestaat. Dit komt de positie van belanghebbenden echter niet ten goede. Met een waarschuwing kan een juist nog een handhavingsbesluit worden afgewend. Ook dit argument ondersteunt onze conclusie dat een bestuurlijke waarschuwing in beginsel niet gekwalificeerd dient te worden als een Awb-besluit. Meer informatie Wilt u meer informatie over dit onderwerp of heeft u vragen, neem dan contact op met Janske Schrijnemaekers of Silvie Joosten. U kunt uiteraard ook contact opnemen met één van de andere advocaten van ons team Bestuursrecht. Oktober 2017 [post_title] => Boels Zanders geeft op uitnodiging van de Raad van State een reactie op karakter bestuurlijke waarschuwing [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => boels-zanders-geeft-op-uitnodiging-reactie-op-karakter-bestuurlijke-waarschuwing [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-10-24 16:34:21 [post_modified_gmt] => 2017-10-24 14:34:21 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=15271/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [25] => WP_Post Object ( [ID] => 12924 [post_author] => 21 [post_date] => 2017-06-29 09:53:07 [post_date_gmt] => 2017-06-29 07:53:07 [post_content] => Op 28 juni 2017 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) een overzichtsuitspraak gedaan over de zogenoemde 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Deze uitspraak bevat de hoofdlijnen van de jurisprudentie over de eisen waaraan een bestemmingsplan dient te voldoen, indien in het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Deze rechtspraak blijft ook van belang als op 1 juli 2017 de nieuwe ladder voor duurzame verstedelijking in werking treedt. Achtergrond De ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Hieruit volgt aan welke eisen de toelichting bij een bestemmingsplan moet voldoen als in het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt. 'Stedelijke ontwikkeling' is gedefinieerd in artikel 1.1.1, lid 1, aanhef en onder i Bro. Voorbeelden van stedelijke ontwikkelingen zijn woonwijken, ziekenhuizen, mestvergistingsinstallaties met een capaciteit van 36.000 ton mest per jaar, bedrijventerreinen, hotels en recreatieparken. Vanaf 1 juli 2017 wordt de ladder voor duurzame verstedelijking gewijzigd. Deze wijzigingen hebben blijkens de Nota van Toelichting tot doel de ladder te vereenvoudigen, maar de effectiviteit te behouden. Het doel van de regeling wordt niet gewijzigd. In onze eerdere nieuwsbrief besteden wij reeds aandacht aan de betekenis van de ladder voor duurzame verstedelijking en de wijzigingen hiervan per 1 juli 2017. Aanleiding overzichtsuitspraak De ladder voor duurzame verstedelijking werd in oktober 2012 ingevoerd en leidde vanaf die datum tot een constante stroom aan jurisprudentie. In betrekkelijk korte tijd is derhalve omvangrijke rechtspraak over de ladder ontstaan. De rechtspraak van de Afdeling heeft een belangrijke rol gespeeld bij de totstandkoming van de wijzigingen van de ladder voor duurzame verstedelijking. Een deel van deze rechtspraak blijft daarom ook na 1 juli 2017 van belang. Om de rechtspraktijk houvast te bieden heeft de Afdeling in de overzichtsuitspraak de hoofdlijnen van de omvangrijke rechtspraak weergegeven die na 1 juli 2017 van toepassing blijft. Reikwijdte van de ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is niet alleen van toepassing bij het vaststellen van een bestemmingsplan, maar dient ook bij het nemen van andere besluiten doorlopen te worden. Dit zijn de volgende besluiten:
  • Het vaststellen van een rijksinpassingsplan als bedoeld in artikel 3.28 Wet ruimtelijke ordening door een minister;
  • Het vaststellen van een provinciaal inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 Wet ruimtelijke ordening door provinciale staten;
  • Het vaststellen van een provinciale verordening die de locatie voor een stedelijke ontwikkeling aanwijst;
  • Het vaststellen van een wijzigings- of uitwerkingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling door het college van burgemeester en wethouders;
  • Het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, lid 1, onderdeel a, onder 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
De Afdeling merkt in de overzichtsuitspraak nadrukkelijk op dat hetgeen in de uitspraak wordt overwogen omtrent een door de gemeenteraad vast te stellen bestemmingsplan, in beginsel ook geldt voor voornoemde besluiten waarop artikel 3.1.6, lid 2 Bro van toepassing is. Aspecten ladder voor duurzame verstedelijking De aspecten die de Afdeling in de overzichtsuitspraak de revue laat passeren zijn op hoofdlijnen:
  • De inhoud, aard, doel en strekking van artikel 3.1.6, leden 2 en 3 Bro;
  • De hoofdlijnen van de wijziging van de regeling per 1 juli 2017;
  • De behoeftetoets buiten de ladder om;
  • De reikwijdte van artikel 3.1.6, leden 2 en 3 Bro;
  • De uitleg van het begrip 'stedelijke ontwikkeling';
  • De uitleg van het begrip 'nieuwe stedelijke ontwikkeling';
  • De reikwijdte van het onderzoek naar, het overleg over en de beschrijving van de behoefte aan een bepaalde nieuwe stedelijke ontwikkeling;
  • De eisen die worden gesteld aan de beschrijving van de behoefte van de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling;
  • De uitleg van het begrip 'bestaand stedelijk gebied';
  • De rechtelijke toetsing van de beschrijving van de behoefte;
  • De toepassing van het relativiteitsvereiste in relatie tot de ladder voor duurzame verstedelijking.
Dit blog leent zich niet voor een bespreking van de vele voornoemde onderwerpen. Daarvoor verwijzen wij graag naar de uitspraak zelf. Constateringen Op 28 september 2016 deed de Afdeling haar eerste overzichtsuitspraak over planschade, waarmee zij in de voetsporen trad van de Hoge Raad en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Door het doen van overzichtsuitspraken sluit de Afdeling aan bij hetgeen zij verneemt over onduidelijkheden in de praktijk. Het doen van overzichtsuitspraken is volgens ons een nobel initiatief, waarmee de rechtspraktijk op hoofdlijnen houvast wordt geboden.  Meer informatie Wilt u meer informatie over dit onderwerp of heeft u vragen, neem dan contact op met Silvie Joosten. U kunt uiteraard ook contact opnemen met één van de andere advocaten van ons team bestuursrecht. [post_title] => Overzichtsuitspraak ladder voor duurzame verstedelijking [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => overzichtsuitspraak-ladder-duurzame-verstedelijking [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-06-29 10:46:04 [post_modified_gmt] => 2017-06-29 08:46:04 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=12924/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [26] => WP_Post Object ( [ID] => 10783 [post_author] => 2 [post_date] => 2017-04-03 15:32:00 [post_date_gmt] => 2017-04-03 13:32:00 [post_content] => Op 27 maart 2017 is bekendgemaakt dat de Wet aanpak woonoverlast per 1 juli 2017 in werking zal treden. Door invoering van deze Wet krijgen burgemeesters meer bevoegdheden om op te treden tegen woonoverlast, zoals geluidsoverlast, blaffende honden en vervuilde portieken. Woonoverlast en het nieuwe artikel 151d Gemeentewet De overheid heeft nu twee opties om op te treden tegen woonoverlast:
  • de overlastgever een bestuurlijke (en vrijblijvende) waarschuwing geven; of
  • hem uit huis plaatsen/de woning sluiten.
De eerste optie is te licht en heeft vaak geen effect. De tweede optie wordt vaak te rigoureus bevonden en wordt streng getoetst door de rechter. Daarom vindt de wetgever een tussenvorm nodig. De overheid moet volgens de wetgever de mogelijkheid krijgen om de overlastgever een specifieke gedragsaanwijzing te geven. Een specifieke gedragsaanwijzing zou bijvoorbeeld bij een blaffende hond inhouden dat de eigenaar de hond een muilkorf moet laten dragen. Bij luidruchtige gasten kan een gedragsaanwijzing inhouden dat de overlastgever slechts een beperkt aantal bezoekers per dag mag ontvangen en na een bepaalde tijd helemaal geen bezoekers meer mag ontvangen. De wetgever wil met de nieuwe wet dus bewerkstelligen dat de overheid in specifieke gevallen maatwerk kan leveren om overlast terug te dringen. Mocht een bepaalde gedragsaanwijzing niet werken, dan kan men desgewenst alsnog overgaan tot sluiting van de woning in kwestie. De specifieke gedragsaanwijzing wordt juridisch mogelijk gemaakt door het nieuwe artikel 151d Gemeentewet: de gemeenteraad kan bij verordening de burgemeester de bevoegdheid verlenen tot oplegging van een last onder bestuursdwang aan degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, indien door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf omwonenden ernstig worden gehinderd. Het is dus niet zo dat de burgemeester deze bevoegdheid automatisch heeft. De gemeenteraad moet eerst een verordening opstellen waarin deze bevoegdheid aan de burgemeester wordt toegekend. Door deze "trapsgewijze" bevoegdheidstoedeling aan de burgemeester via de gemeenteraad, kan volgens de wetgever rekening worden gehouden met de specifieke behoeftes en omstandigheden per gemeente. De gemeenteraad kan zelf besluiten op welke wijze de bevoegdheid wordt verleend. Er zijn meerdere mogelijkheden denkbaar. Het kan voor een beperkte duur of voor een specifiek gebied. Het is mogelijk de bevoegdheid slechts eenmalig te verlenen voor een specifiek geval of om te kiezen voor een algemene bevoegdheidsverlening, waarna de burgemeester de bevoegdheid naar eigen inzicht kan gebruiken. Wanneer is het artikel van toepassing? Artikel 151d Gemeentewet bevat een aantal aspecten. Het is de vraag wanneer het artikel van toepassing is. Wanneer is bijvoorbeeld sprake van ernstige hinder? En jegens wie kan een gedragsmaatregel worden opgelegd? Met "ernstig worden gehinderd" wordt gedoeld op ernstige hinder voor omwonenden. Een vergelijking kan worden gemaakt met artikel 5:37 Burgerlijk Wetboek ("BW"), dat onrechtmatige burenhinder regelt (bijv. rumoer, trillingen, stank, rook). Het is overigens niet zo dat elke onrechtmatige burenhinder als bedoeld in artikel 5:37 BW ook direct kan worden aangemerkt als ernstige hinder als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet. De burgemeester komt beleidsvrijheid toe in de afweging of hij de hinder ernstig genoeg acht om de oplegging van een gedragsmaatregel te rechtvaardigen. Onder "degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt" wordt verstaan de gebruiker van de woning. Deze gebruiker hoeft geen huurrechtelijke of eigendomsrechtelijke relatie te hebben tot de woning en hoeft ook niet de rechtmatige bewoner te zijn. Het kan dus ook gaan om een regelmatige gast, illegale onderhuurder of kraker. Rechtsbescherming Een specifieke gedragsaanwijzing is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht ("Awb"). Dat betekent dat diegene die een gedragsaanwijzing opgelegd krijgt, bezwaar kan indienen tegen het besluit als hij het niet eens is met deze gedragsaanwijzing. Ook kan hij vervolgens in (hoger) beroep gaan tegen de opgelegde gedragsaanwijzing. Conclusie Met de inwerkingtreding van de Wet lijkt een nieuwe weg te zijn ingeslagen in de bestrijding van woonoverlast. Het is echter nog maar de vraag hoeveel gemeenten en op welke wijze gemeenten gebruik gaan maken van de geboden bevoegdheid. Dat zal blijken na 1 juli aanstaande. Meer informatie Heeft u vragen over dit onderwerp? Wil u meer informatie? Neem dan contact op met Nina Rijsterborgh of een van de andere advocaten van team bestuursrecht. Zij zijn u graag van dienst. April 2017 [post_title] => Wet aanpak woonoverlast treedt per 1 juli 2017 in werking [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => wet-aanpak-woonoverlast-treedt-per-1-juli-2017-in-werking [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-04-03 15:37:16 [post_modified_gmt] => 2017-04-03 13:37:16 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=10783 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [27] => WP_Post Object ( [ID] => 10391 [post_author] => 21 [post_date] => 2017-03-24 09:32:16 [post_date_gmt] => 2017-03-24 08:32:16 [post_content] => (ECLI:NL:CRVB:2017:371) De Centrale Raad van Beroep (hierna afgekort: de CRvB) heeft in een recente uitspraak een nieuwe lijn gehanteerd voor situaties waarin sprake is van het ten onrechte niet horen van een bezwaarmaker. Een bestuursorgaan moet, nadat er bezwaar is gemaakt tegen een besluit, belanghebbenden in de gelegenheid stellen om te worden gehoord voordat door het bestuursorgaan de beslissing op bezwaar wordt genomen. Dit volgt uit artikel 7:2 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (hierna afgekort: Awb). Daarbij moet het bestuursorgaan in ieder geval de gelegenheid om te worden gehoord bieden aan de bezwaarmaker zelf en aan andere belanghebbenden die bij de voorbereiding van het bestreden besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht. Van het horen van belanghebbenden mag het bestuursorgaan slechts in een beperkt aantal gevallen afzien. Die gevallen zijn neergelegd in artikel 7:3 Awb en betreffen de volgende situaties:
  • het bezwaar is kennelijk niet-ontvankelijk;
  • het bezwaar is kennelijk ongegrond;
  • de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord;
  • de belanghebbende heeft niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaard dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord; of
  • aan het bezwaar wordt volledig tegemoet gekomen en andere belanghebbenden worden niet in hun belangen geschaad.
Doet zich één van de bovenstaande uitzonderingsgronden niet voor, en ziet het bestuursorgaan dus ten onrechte af van het horen van een belanghebbende, dan handelt het bestuursorgaan in strijd met artikel 7:2 Awb. Dit vormde voorheen voor de CRvB altijd grond om het beroep gegrond te verklaren en tot vernietiging van de beslissing op bezwaar over te gaan, waarna werd gekeken of er aanleiding bestond de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten (als bedoeld in artikel 8:72 lid 3 Awb). Daarbij werd dan overwogen dat het ten onrechte niet horen van een bezwaarmaker niet met toepassing van artikel 6:22 Awb kan worden gepasseerd, omdat het horen volgens de wetsgeschiedenis een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure is. De CRvB lijkt met de uitspraak van 31 januari 2017 de opvatting dat het ten onrechte niet horen niet met toepassing van artikel 6:22 Awb kan worden gepasseerd, te hebben verlaten. In deze uitspraak concludeert de CRvB namelijk dat de appellant de gelegenheid heeft gehad om in beroep en hoger beroep alsnog zijn standpunten naar voren te brengen en stukken te overleggen. In dat licht ziet de CRvB aanleiding om het gebrek aan het bestreden besluit wegens het ten onrechte niet horen van de belanghebbende, met toepassing van artikel 6:22 Awb te passeren omdat aannemelijk is dat de appellant hierdoor niet is benadeeld. Meer informatie Heeft u vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Roel Metsemakers of een van de andere advocaten van team Bestuursrecht. Zij zijn u graag van dienst. [post_title] => Ten onrechte niet gehoord worden in bezwaar gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb. [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => ten-onrechte-niet-gehoord-worden-in-bezwaar-gepasseerd-met-toepassing-van-artikel-622-awb [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-03-24 10:18:48 [post_modified_gmt] => 2017-03-24 09:18:48 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=10391 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [28] => WP_Post Object ( [ID] => 6779 [post_author] => 2 [post_date] => 2017-02-14 10:58:41 [post_date_gmt] => 2017-02-14 09:58:41 [post_content] => In de uitspraak van 1 februari 2017 heeft de Afdeling de zogenoemde 'Tegelen-jurisprudentie' nader uitgewerkt (ECLI:NL:RVS:2017:247 ). Deze uitspraak is relevant voor projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan is verleend. De Afdeling legt uit wat de gevolgen voor deze omgevingsvergunning zijn, indien het daaraan ten grondslag liggende bestemmingsplan wordt vernietigd. Tegelen-jurisprudentie Met de 'Tegelen-jurisprudentie' wordt bedoeld de uitspraak van de Afdeling van 21 december 1999 (ECLI:NL:RVS:1999:AA4296 ), waarbij in onder meer de uitspraken van de Afdeling van 12 januari 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP0510 ) en 24 februari 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP6324 ) is aangesloten. In deze uitspraken is bepaald wat de rechtsgevolgen zijn voor een omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen', als het bestemmingsplan op basis waarvan die omgevingsvergunning is verleend wordt vernietigd. De Afdeling heeft in de Tegelen-jurisprudentie bepaald dat voor een onaantastbare omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen' dan een uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel die normaliter inhoudt dat de vernietiging van een besluit de vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit meebrengt. Dit laatste is bepaald in artikel 8:72 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Kortom: in de Tegelen-jurisprudentie is bepaald dat de vernietiging van een bestemmingsplan geen gevolgen heeft voor een omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen'. Nadere uitwerking Tegelen-jurisprudentie De Afdeling heeft de Tegelen-jurisprudentie steeds verder uitgewerkt. Zo oordeelde de Afdeling in de uitspraak van 21 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:92 ) dat de uitzondering op artikel 8:72, lid 2 Awb niet geldt voor de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. Dit betekent dat als een omgevingsvergunning wordt verleend als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, aanhef en onder c, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) en het daaraan ten grondslag liggende bestemmingsplan wordt vernietigd, de omgevingsvergunning ook blootstaat aan vernietiging. In de uitspraak van 8 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1131 ) oordeelde de Afdeling dat de Tegelen-jurisprudentie wel geldt voor de omgevingsvergunning voor de activiteit 'het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde', zoals opgenomen in artikel 2.1, lid 1, aanhef en onder b, Wabo. De reden hiervoor is dat voor deze omgevingsvergunning – net als voor de activiteit 'bouwen' – een limitatief-imperatief stelsel voor de vergunningverlening in de Wabo is opgenomen. Dit houdt in dat indien zich op het moment van de aanvraag of bezwaar geen strijdigheden met het bestemmingsplan voordoen, het bestuursorgaan de omgevingsvergunning niet kan weigeren. De rechtszekerheid rechtvaardigt dat bij vernietiging van het bestemmingsplan voor de omgevingsvergunning een uitzondering wordt gemaakt op artikel 8:72, lid 2 Awb. Casus In de uitspraak van 1 februari 2017 ging het om een handhavingsverzoek dat was ingediend tegen de aanwezigheid van een rijhal op een perceel, omdat hiervoor geen geldige omgevingsvergunning voor de activiteit 'afwijken van het bestemmingsplan' zou zijn. De reden hiervoor was volgens de appellant dat het bestemmingsplan dat aan de omgevingsvergunning ten grondslag lag, is vernietigd. B&w van Roermond weigerde handhavend op te treden en de rechtbank Limburg oordeelde dat het beroep ongegrond was. De uitspraak De Afdeling overweegt eerst dat de toetsing van de beslissing op bezwaar door de rechtbank wordt verricht aan de hand van de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar. Met wijzigingen in de juridische status die zich na die datum hebben voorgedaan, mocht de rechtbank dus geen rekening houden. Ook de Afdeling kan deze wijzigingen niet in haar beoordeling betrekken. De Afdeling overweegt vervolgens dat in dit geval de Tegelen-jurisprudentie niet van toepassing is. Dit betekent volgens de Afdeling echter niet dat de vernietiging van het bestemmingsplan automatisch de vernietiging van de omgevingsvergunning tot gevolg heeft gehad of tot gevolg heeft dat de omgevingsvergunning nietig is. De omgevingsvergunning wordt niet van rechtswege ongeldig als het bestemmingsplan dat eraan ten grondslag ligt wordt vernietigd. De reden daarvoor is dat de omgevingsvergunning niet als rechtsgevolg van het vernietigde bestemmingsplan kan worden aangemerkt. Vernietiging van het bestemmingsplan leidt slechts ertoe dat een omgevingsvergunning die op basis daarvan is verleend blootstaat aan vernietiging, zolang de vergunning niet onherroepelijk is. Dit betekent dat een bestuursorgaan in een bezwaarprocedure tegen een vergunning die nog niet in rechte onaantastbaar is, aan deze vergunning niet met succes het vernietigde bestemmingsplan ten grondslag kan leggen. Als de Tegelenjurisprudentie niet van toepassing is, geldt dat ook in een beroepsprocedure tegen zo een omgevingsvergunning. De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep ongegrond is, omdat de omgevingsvergunning ten tijde van de beslissing op bezwaar in de handhavingsprocedure nog in tact was. Om deze reden was er op dat moment geen sprake van een overtreding. Na de beslissing op bezwaar in de handhavingsprocedure is de omgevingsvergunning alsnog ingetrokken. Met deze omstandigheid kon de Afdeling – gelet op de ex tunc toetsing – echter geen rekening houden. Constateringen
  • Een bestuursorgaan kan bij een aanvraag of bezwaarprocedure voor een omgevingsvergunning - gelet op de ex-nunc toetsing – niet met succes een vernietigt bestemmingsplan aan de omgevingsvergunning ten grondslag leggen.
  • Voor de fase van beroep geldt – gelet op de ex tunc toetsing – dat voor een omgevingsvergunning voor de activiteiten 'bouwen' of 'het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde', wel een vernietigt bestemmingsplan aan de omgevingsvergunning ten grondslag kan liggen. Het bestemmingsplan dient dan hangende het beroep vernietigd te zijn.
  • Voor de omgevingsvergunning voor de activiteit 'het afwijken van het bestemmingsplan' geldt dat ook in de fase van beroep niet een vernietigt bestemmingsplan aan de vergunningverlening ten grondslag kan liggen. Indien dit onterecht wel zo is, dient door partijen op deze grond een beroep te worden gedaan.
  • Indien een omgevingsvergunning voor de activiteit 'het afwijken van het bestemmingsplan' onherroepelijk is, kan vernietiging van het bestemmingsplan niet ertoe leiden dat de omgevingsvergunning aan vernietiging blootstaat.
Meer informatie Heeft u vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Silvie Joosten of een van de andere advocaten van team bestuursrecht. Zij zijn u graag van dienst. 15 februari 2017 . [post_title] => De Afdeling geeft een nadere uitwerking van de 'Tegelen-jurisprudentie' (ECLI:NL:RVS:2017:247). [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => de-afdeling-geeft-een-nadere-uitwerking-van-de-tegelen-jurisprudentie [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-02-14 13:00:50 [post_modified_gmt] => 2017-02-14 12:00:50 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=6779 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [29] => WP_Post Object ( [ID] => 6488 [post_author] => 21 [post_date] => 2017-02-02 12:03:20 [post_date_gmt] => 2017-02-02 11:03:20 [post_content] => Driekwart van de Brabantse chemiebedrijven heeft de veiligheid niet op orde, hetgeen zou blijken uit inspectierapporten van 2015 en 2016 die Omroep Brabant in handen heeft. Zodoende zou het slechts een kwestie van tijd zijn voordat een (volgende) ramp zich aandient. In de Tweede Kamer zijn inmiddels vragen gesteld en wordt gepleit voor een strengere aanpak van bedrijven die in de fout gaan. Reden waarom we in deze nieuwsbrief aandacht besteden aan enkele ontwikkelingen ter zake het Brzo 2015 en ingaan op de bestuurlijke handhavingsmiddelen waar bedrijven mee te maken kunnen krijgen. Achtergrond Bedrijven waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn boven een bepaalde drempelwaarde, vallen onder de werking van het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015). Het Brzo 2015 is de opvolger van het Brzo 1999 en integreert wet- en regelgeving op het gebied van arbeidsveiligheid, omgevingsveiligheid en rampbestrijding in één juridisch kader. Het Brzo vindt zijn oorsprong in de Europese Seveso richtlijn. De aanleiding voor deze richtlijn is een ramp in 1976 in het Noord-Italiaanse stadje Seveso. Bij dit ongeluk kwam een giftig gas vrij waardoor een groot aantal personen ernstig verminkt werd. De Europese Gemeenschap werkte na dit ongeval wetgeving uit. Doelstelling is het voorkomen en beheersen van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Het Brzo 2015 stelt niet alleen eisen aan de meest risicovolle bedrijven in Nederland maar het regelt ook de wijze waarop de overheid daarop moet toezien. In Nederland zijn er ruim 400 bedrijven die onder de Brzo regelgeving vallen, variërend van complexe chemische industrie tot relatief eenvoudige opslagbedrijven voor bepaalde typen gevaarlijke stoffen. Of een bedrijf valt onder de Brzo wetgeving is afhankelijk van de hoeveelheid en aard van de gevaarlijke stoffen die binnen het bedrijf aanwezig zijn. Het Brzo onderscheidt twee typen bedrijven: het Pbzo-bedrijf en VR-bedrijf. Het onderscheid is afhankelijk van het overschrijden van een lage of hoge drempelwaarde van gevaarlijke stoffen. Bedrijven die de hoge drempelwaarde overschrijden worden aangemerkt als VR-bedrijf (ook wel hogedrempelinrichting genoemd), bedrijven die de lage drempelwaarde overschrijden zijn een Pbzo-bedrijf (ook wel lagedrempelinrichting genoemd). In de Regeling risico's zware ongevallen 2015 (Rrzo 2015) wordt de inhoud van het besluit verder uitgewerkt. Indienen VR In het Brzo 2015 staat dat de VR-inrichtingen vóór 1 juni 2016 een veiligheidsrapport (VR) hadden moeten indienen dat aan de eisen van het Brzo 2015 voldoet. Omdat die termijn problematisch bleek in de praktijk hebben de Brzo-omgevingsdiensten aan de inrichtingen waarop het Brzo 1999 al van toepassing was (bestaande inrichtingen) laten weten dat bij niet tijdige indiening van het VR wel sprake is van een overtreding, maar dat er een begunstigingstermijn zal worden geboden tot en met 1 januari 2017 om te voldoen aan het Brzo 2015. Ontwikkelingen PGS-richtlijnen In Nederland zijn voor de omgang met gevaarlijke stoffen de PGS-richtlijnen voorhanden. PGS staat voor Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen. Deze geven voor specifieke situaties een beschrijving van de stand der techniek. Daarbij wordt teruggegrepen op (inter)nationaal beschikbare normen. PGS-richtlijnen zijn aangewezen als Nederlands informatiedocument over BBT in de bijlage bij de Regeling omgevingsrecht (Mor). Dat betekent dat het bevoegd gezag bij de vergunningverlening rekening moet houden met de PGS-richtlijnen bij de bepaling van beste beschikbare technieken. Op 15 juli 2016 is PGS 29:2016 Richtlijn voor bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks gepubliceerd. Op 24 december 2016 is de verbeterde versie PGS 29:2016 versie 1.1. gepubliceerd. Deze richtlijn betreft een volledige revisie van de voorgaande PGS 29:2008. Aanleiding voor de publicatie uit 2008 was een grote brand eind 2005 op de Buncefield olieterminal in Engeland. Bij de implementatie van PGS 29:2008 ontstonden echter in veel bestaande situaties onduidelijkheden. De richtlijn uit 2008 is daarom volledig opnieuw tegen het licht gehouden. Tevens zijn tussen partijen implementatietermijnen voor de bestaande installaties afgesproken. Het Wabo-bevoegde gezag en de Brzo-toezichthouders passen PGS 29:2016 reeds toe bij de uitvoering van hun VTH-taken, in samenhang met de in een brief van de staatssecretaris genoemde implementatietermijnen. Van de bedrijven wordt een actieve implementatie van PGS 29:2016 verwacht, in samenhang met de in de brief van de staatssecretaris genoemde implementatietermijnen. In afwijking van de brief van de staatssecretaris moeten bedrijven vóór 1 april 2017 een implementatieplan ter bestrijding van plasbranden in een tankput indienen bij het bevoegd gezag. Voor wat betreft de Wabo wordt dit in de vergunningen geïmplementeerd. De Inspectie SZW zal PGS 29:2016 en de implementatietermijnen bij het toezicht op de arbeidsomstandighedenwetgeving toepassen. Het maatregelenpakket tegen overvullen (paragraaf 3.3.4 van PGS29:2016) voor bestaande situaties is al op basis van een risicobenadering tot stand gekomen. Hetgeen betekent dat dit maatregelenpakket toekomstbestendig is in relatie tot de PGS Nieuwe Stijl. In 2016 is de PGS beheerorganisatie gestart met PGS Nieuwe Stijl met het oog op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In PGS Nieuwe Stijl wordt uitgegaan van een risicobenadering met heldere doelen en daarbij behorende maatregelen. Ook PGS 29 Nieuwe Stijl zal tijdig voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet gereed zijn. In november 2016 is de nieuwe PGS 6-richtlijn gepubliceerd. Hierin staan zoals al aangegeven aanwijzingen voor implementatie van het Brzo 2015. Op 23 november 2016 is een nieuw handreiking voor bedrijven en overheden gepubliceerd. De PGS 6:2016 is bedoeld om de regels toe te lichten, die in het Brzo 2015 en de Rrzo 2015 staan en betrekking hebben op de verplichtingen voor bedrijven. De handreiking gaat in op bijvoorbeeld het veiligheidsrapport en het veiligheidsmanagementsysteem. In vergelijking met de oude versie bevat de nieuwe handreiking 6 nieuwe bijlagen. In december 2016 is de PGS15 inzake de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen gereviseerd. De reden van deze actualisatie is dat PGS 15:2011 maar gedeeltelijk was geactualiseerd. Daarnaast is er ervaring opgedaan met het gebruik van PGS 15:2011 en er zijn verdere ontwikkelingen in de stand der techniek. Handhaving Brzo 2015 Bedrijven kunnen wat betreft de bestuurlijke handhaving van het Brzo 2015 te maken krijgen met de Inspectie SZW, het milieubevoegd gezag (via de (Brzo)-omgevingsdienst, dat zijn er inmiddels 6) en de Veiligheidsregio's. In artikel 4 Brzo 2015 is bepaald dat het milieubevoegd gezag als coördinerend gezag wordt aangewezen, maar dat ziet vooral op eenduidig optreden richting de drijver van de inrichting. Krachtens de Arbowet is de bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen bij niet-naleving van het (mede) onder de Arbowet hangende Brzo 2015, neergelegd bij de Inspectie SZW. Zo is het niet tijdig indienen van het gewijzigde veiligheidsrapport direct bestuurlijk beboetbaar (dat wil zeggen zonder waarschuwing), waarbij een boetenormbedrag geldt van EUR 25.000,-. Beleid is dat een ingediend veiligheidsrapport dat niet volledig aan de inhoudelijk eisen voldoet, pas bestuurlijk beboetbaar is indien er een hersteltermijn is gegeven en de overtreding binnen de hersteltermijn niet ongedaan is gemaakt. Daarnaast kan via het opleggen van een herstelsanctie, zoals een last onder dwangsom, worden afgedwongen dat de bepalingen van het Brzo 2015 worden nageleefd. Een herstelsanctie kan worden opgelegd door het milieubevoegd gezag. Sinds 1 januari 2016 is dat voor alle Brzo-bedrijven het college van Gedeputeerde Staten van de provincies. De directeuren van de Brzo-omgevingsdiensten zijn via mandatering door het college van Gedeputeerde Staten bevoegd handhavend op te treden. Daarnaast kan een herstelsanctie ook worden opgelegd door het bestuur van de Veiligheidsregio en de Inspectie SZW. Tot slot kan het niet voldoen aan het Brzo 2015 via het strafrecht (op grond van de Wet op de economische delicten) worden gesanctioneerd. Overigens is in het Brzo 2015 aangegeven dat de toezichthouder binnen zes maanden na de eerste constatering een inspectie kan uitvoeren. Dit moet om na te gaan of het tekort is opgeheven en/of het gevaar is geweken. Ontwikkelingen in toezicht In het Brzo 2015 is veroudering en corrosie ('ageing') als aandachtspunt opgenomen. Vanaf 2017 gaan de BRZO+ inspecteurs door het gebruiken van een nieuw inspectie instrument hierop controleren. Het gaat hierbij om het effect waarbij een component lijdt aan één of meer vormen van materiaal verslechtering en beschadiging, waardoor de kans op het falen toeneemt. In een vervolgfase zal door toezichthouders de focus worden gelegd op specifieke verouderingsproblemen, zoals verouderingsproblemen van elektronische systemen en software, verouderde technieken, verouderde procedures en het wegvloeien van kennis. Sinds 1 mei 2014 wordt van iedere Brzo-inspectie een openbare samenvatting gepubliceerd. Constateringen bij Brabantse chemiebedrijven Alhoewel in juli 2016 uit de resultaten van het rapport 'De Staat van de Veiligheid majeure risicobedrijven 2015' net zoals het jaar daarvoor het beeld naar voren kwam dat er verbetering is in de veiligheidscultuur bij VR-bedrijven, kwam afgelopen week in het nieuws dat driekwart van de Brabantse chemiebedrijven de veiligheid niet op orde heeft omdat tijdens de inspecties tenminste één overtreding zou zijn geconstateerd. Drie bedrijven moesten tijdens een inspectie zelfs compleet worden stilgelegd omdat de situatie te gevaarlijk was. Dat zou blijken uit inspectierapporten van 2015 en 2016 die Omroep Brabant in handen heeft. Tweede kamerlid Eric Smaling van de SP heeft hierover vragen gesteld aan de staatssecretaris en pleit voor een strengere aanpak van bedrijven die in de fout gaan. Reden waarom het verstandig is de interne procedures goed te laten checken. Meer informatie Heeft u vragen over dit onderwerp, bent u geconfronteerd met een inspectie en eventueel daaruit voortvloeiende handhavingscorrespondentie of wilt u de interne procedures laten checken? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Janske Schrijnemaekers of een van de andere advocaten van team bestuursrecht. Zij zijn u graag van dienst.   Februari 2017 [post_title] => Veiligheid BRZO-Bedrijven niet op orde [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => veiligheid-brzo-bedrijven-niet-op-orde [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-02-02 12:14:05 [post_modified_gmt] => 2017-02-02 11:14:05 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=6488 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [30] => WP_Post Object ( [ID] => 6310 [post_author] => 2 [post_date] => 2017-01-13 11:56:56 [post_date_gmt] => 2017-01-13 10:56:56 [post_content] => In drie uitspraken van 28 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3451, ECLI:NL:RVS:2016:3453 en ECLI:NL:RVS:2016:3454) heeft de Afdeling voor het eerst de werking van het relativiteitsvereiste gecorrigeerd met toepassing van de 'correctie Widdershoven' vanwege strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel. Achtergrond In deze kwestie draait het om een drietal supermarktexploitanten in de gemeenten Schijndel, Sint-Oedenrode en Someren. De supermarktexploitanten hebben in hetzelfde pand als in de supermarkt in een afzonderlijke ruimte een borrelshop gevestigd zonder de aanwezigheid van een leidinggevende. De slijterij en de supermarkt zijn door middel van een zogenoemde 'verbindingslokaliteit' met elkaar verbonden. De Slijtersunie heeft de burgemeesters van de drie gemeenten verzocht om handhavend op te treden tegen een in hun gemeente gevestigde supermarktexploitant, omdat er tijdens openingstijden niet permanent een leidinggevende aanwezig is in de slijterijen, terwijl (artikel 24 van) de Drank- en horecawet (Dhw) daartoe volgens hen wel verplicht. De burgemeesters hebben de verzoeken van de Slijtersunie afgewezen, omdat volgens hen de supermarkt en de slijterij samen de 'inrichting' vormen. De rechtbank Oost-Brabant oordeelde eerder in drie afzonderlijke uitspraken dat de Dhw wel is overtreden. Tegen die uitspraken gingen de burgemeesters, de supermarkten en het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel in hoger beroep bij de Afdeling. Kern Het begrip 'inrichting' staat centraal in deze zaken. Ingevolge de Dhw moet in een inrichting tijdens openingstijden een leidinggevende aanwezig zijn. Appellanten betogen dat voldoende is dat een leidinggevende in de supermarkt aanwezig is en deze hoeft niet permanent aanwezig te zijn in de slijterij zelf. Daarbij gaan appellanten ervan uit dat de supermarkt ook deel uitmaakt van de inrichting. Dat is echter naar het oordeel van de Afdeling niet het geval. Volgens de Afdeling volgt uit de wet en de wetsgeschiedenis dat een inrichting niet bestaat uit het gehele pand, waarin zowel de supermarkt als de slijterij zijn gevestigd. De inrichting bestaat slechts uit de daarin gesitueerde besloten ruimte waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend. Naast de slijterij zelf kunnen bijvoorbeeld ook een kantoor en voorraadruimte deel uitmaken van de inrichting, maar deze ruimten moeten dan wel direct in de buurt liggen van de slijterij en direct zicht bieden op de slijterij, zo oordeelt de Afdeling. Dat betekent dat altijd een leidinggevende aanwezig moet zijn in de slijterij in een supermarkt of in de ruimten die daarbij horen. Daarmee wordt aan een slijterij in een supermarkt dezelfde verplichting opgelegd als aan een zelfstandige slijterij. Relativiteitsvereiste Het relativiteitsvereiste zou normaliter meebrengen dat de Slijtersunie niet met succes een beroep kan doen op artikel 24 Dhw. Deze bepaling strekt volgens de Afdeling namelijk tot de bescherming van het belang van de volksgezondheid en niet tot het concurrentiebelang van slijterijen zoals het belang van de Slijtersunie. Echter, strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel is voor de Afdeling de aanleiding om de werking van het relativiteitvereiste in deze zaken te corrigeren. Om deze reden kon de Slijtersunie in deze zaken wel met succes een beroep doen op artikel 24 Dhw. Indien het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet zou slagen zou immers worden toegestaan dat in slijterijen in supermarkten geen leidinggevende aanwezig is, terwijl dit niet is toegestaan bij zelfstandige slijterijen die niet zijn gevestigd in een supermarkt. Zelfstandige slijterijen moeten de kosten van permanente aanwezigheid van een leidinggevende volledig zelf dragen, terwijl bij een slijterij in een supermarkt deze kosten gedeeltelijk of zelfs helemaal voor rekening komen van de supermarkt. Dat is in strijd met het gelijkheidsbeginsel en rechtvaardigt naar het oordeel van de Afdeling een correctie op het relativiteitsvereiste. Eerder heeft de Afdeling in haar uitspraak van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:732 , bepaald dat zo'n correctie mogelijk is, nadat staatsraad advocaat-generaal Widdershoven hierover een conclusie had uitgebracht. Deze correctie wordt sindsdien de 'correctie Widdershoven' genoemd. Hiermee wordt het bestuursrechtelijke relativiteitsvereiste gecorrigeerd in die zin dat een partij het relativiteitsvereiste niet tegengeworpen kan krijgen wanneer zij een geslaagd beroep weet te doen op het vertrouwensbeginsel of het gelijkheidsbeginsel. In de uitspraak van 16 maart 2016 was volgens de Afdeling echter geen sprake van een schending van het vertrouwens- of gelijkheidsbeginsel, zodat zij ook niet toekwam aan het terzijde schuiven van het relativiteitsvereiste.  Opmerkingen Deze uitspraken zijn van belang voor de bestuursrechtelijke rechtsontwikkeling. Een beroep op het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel slaagt niet snel. Derhalve was de aanvankelijke gedachte dat de correctie Widdershoven alleen in theorie de mogelijkheid zou bieden om de werking van het relativiteitsvereiste te ontlopen, maar nu blijkt dat de correctie in de praktijk ook van betekenis is. Dat is positief! De bestuursrechter toetst de toepasselijkheid van de relativiteitseis ambtshalve. Er is geen reden om aan te nemen dat dat niet tevens geldt voor de vraag of de relativiteitseis dient te worden gecorrigeerd. Uit de uitspraak volgt niet dat de Slijtersunie een expliciet beroep heeft gedaan op de correctie Widdershoven. Telkens zal dan ook beoordeeld worden of toepassing van het relativiteitsbeginsel strijd met het gelijkheids- of vertrouwensbeginsel oplevert en gecorrigeerd moet worden. Ons advies Wij adviseren partijen om te anticiperen op de vraag of de correctie Widdershoven van toepassing is door aan te tonen dat op grond van het gelijkheidsbeginsel nadeel is geleden en sprake is van gelijke gevallen, ook al steunt het oordeel van de Afdeling dat sprake is van gelijke gevallen op een feitelijke toepassing. Deze uitspraken zijn de eerste uitspraken waarin de Afdeling de werking van het relativiteitsvereiste heeft gecorrigeerd met toepassing van de correctie Widdershoven, maar dan alleen voor wat betreft het gelijkheidsbeginsel. De vraag is nu hoe de Afdeling omgaat met het vertrouwensbeginsel. Meer informatie Heeft u vragen over dit onderwerp? WIlt u meer informatie? Neem dan contact op met Anique van de Kerkhof of een van de andere advocaten van team bestuursrecht. Zij zijn u graag van dienst. 13 januari 2017 [post_title] => Eerste succesvolle toepassing correctie Widdershoven is een feit [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => eerste-succesvolle-toepassing-correctie-widdershoven-is-een-feit [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-01-23 15:09:33 [post_modified_gmt] => 2017-01-23 14:09:33 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=6310 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [31] => WP_Post Object ( [ID] => 814 [post_author] => 2 [post_date] => 2015-11-27 15:54:40 [post_date_gmt] => 2015-11-27 15:54:40 [post_content] => Wetswijziging Door een wetswijziging die op 29 november 2014 in werking is getreden, moeten parkeernormen in het vervolg in het bestemmingsplan worden genomen. Voorheen werden deze parkeerregels nog veelal opgenomen in de gemeentelijke bouwverordening. Echter, door invoering van de Reparatiewet BZK is de wettelijke grondslag voor het kunnen vaststellen van voorschriften van stedenbouwkundige aard - waaronder parkeernormen - in de gemeentelijke bouwverordening vervallen. Deze wettelijke grondslag was opgenomen in artikel 8 lid 5 Woningwet, dat bepaalde dat de bouwverordening voorschriften kan bevatten van stedenbouwkundige aard. Het is de bedoeling dat in de toekomst parkeernormen in het voor dat gebied geldende bestemmingsplan worden vastgelegd. Tevens is artikel 3.1.2 Besluit ruimtelijke ordening (hierna: "Bro") aangepast. In artikel 3.1.2 lid 2 onder a Bro wordt geregeld dat ten behoeve van de goede ruimtelijke ordening een bestemmingsplan regels kan bevatten, waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. Door deze wijziging van artikel 3.1.2 Bro wordt het mogelijk gemaakt om een regeling voor het parkeren op te nemen in het bestemmingsplan, zonder parkeernormen concreet vast te leggen dan wel integraal op te nemen in het bestemmingsplan. In het beleid kan de regeling dan nader worden uitgewerkt. Wat betekent dit concreet voor bestemmingsplannen? Het nieuwe artikel 133 Woningwet regelt het overgangsrecht. Voor bestaande bestemmingsplannen geldt een overgangstermijn tot 1 juli 2018. Na 1 juli 2018 vervallen de stedenbouwkundige bepalingen in de gemeentelijke bouwverordening. Voor die bestemmingsplannen dient dus tijdig, dat wil zeggen vóór 1 juli 2018 een zogenaamd "paraplubestemmingsplan" te worden vastgesteld. Een paraplubestemmingsplan is een bestemmingsplan dat alle in werking zijnde bestemmingsplannen herziet op het gebied van parkeren. Voor nieuwe bestemmingsplannen, die na 29 november 2014 zijn vastgesteld, vervalt de parkeerbepaling uit de bouwverordening direct. In deze bestemmingsplannen moet een regeling zijn opgenomen ten aanzien van parkeren. Is een dergelijke regeling niet opgenomen, dan kan bij een aanvraag om omgevingsvergunning niet worden getoetst aan parkeernormen. Wat moet in de nieuwe bestemmingsplannen worden geregeld? Het is niet zo dat in de bestemmingsplannen de parkeernormen integraal dienen opgenomen te worden. Het volstaat dat er in de planregels wordt opgenomen dat er voldoende parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd ten behoeve van de nieuwe bestemming/functie. Wat onder "voldoende" dient te worden verstaan kan nader worden ingevuld door middel van beleidsregels. Het is dan wel belangrijk dat de gemeente een beleidsregel met betrekking tot parkeren heeft (bijvoorbeeld een "Nota Parkeerbeleid"), welke in voorkomend geval kan worden toegepast. Ook kan worden gekozen om te verwijzen naar de CROW-normen, hoewel deze minder rechtszekerheid bieden. Conclusie Het is voor gemeenten van belang om na te gaan of in bestemmingsplannen die zij op dit moment aan het voorbereiden zijn een parkeerregeling is opgenomen. Voor bestaande bestemmingsplannen welke vóór 1 juli 2018 nog niet hoeven te worden geactualiseerd en die geen parkeernormen bevatten, dient door de gemeenteraad tijdig - dus vóór 1 juli 2018 - een paraplubestemmingsplan te worden vastgesteld.   [post_title] => Parkeerregels moeten in het vervolg in het bestemmingsplan worden opgenomen [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => parkeerregels-moeten-in-het-vervolg-in-het-bestemmingsplan-worden-opgenomen [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-07-14 20:54:56 [post_modified_gmt] => 2016-07-14 20:54:56 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://31.3.97.74/~boelzander/?post_type=publicatie&p=814 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) )
< 1234 >

Website feedback

Wij stellen uw mening erg op prijs. Om uw ervaring te verbeteren vragen wij ongeveer 1 minuut van uw tijd om onze website te beoordelen.

You have Successfully Subscribed!