Skip to main content

Sinds het afschaffen van het melkquotum is de melkveehouderij sterk gegroeid. Dit heeft geleid tot een toename van de productie van dierlijke mest. Om de productie van dierlijke mest te beheersen, ter bescherming van het milieu en de volksgezondheid, geldt vanaf 1 januari 2018 het fosfaatrechtenstelsel. In de praktijk is gebleken dat het fosfaatrechtenstelsel voor melkveehouders een zware (financiële) last kan opleveren.

Fosfaatrechtenstelsel
Met de invoering van het fosfaatrechtenstelsel zijn aan elke bedrijfsmatige houder van melkvee fosfaatrechten toegekend. De fosfaatrechten en fosfaatproductie worden vastgesteld en gemeten op basis van het aantal melkkoeien en de melkproductie. Bedrijfsmatig gehouden melkvee mag niet méér fosfaat produceren dan het toegekende aantal fosfaatrechten. Dit stelsel kan bij de melkveehouder voor een zware (financiële) last zorgen. Dit was bijvoorbeeld aan de orde in de recente uitspraak van 25 februari 2020 van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (“het College”) (ECLI:NL:CBB:2020:114). De melkveehouder in kwestie had zijn bedrijfsvoering vóór de invoering van de fosfaatrechten uitgebreid, daarvoor alle vergunningen verkregen, maar kreeg vervolgens niet genoeg fosfaatrechten om aan de bedrijfsuitbreiding uitvoering te geven. De vraag die rijst is hoe het fosfaatrechtenstelsel zich verhoudt tot het recht van eigendom.

In beginsel verenigbaar met het recht van eigendom
Het College oordeelde eerder al dat het fosfaatrechtstelsel op regelingsniveau in beginsel verenigbaar is met het recht op eigendom, zoals neergelegd in artikel 1 Eerste Protocol van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (“EP”), zie o.a. ECLI:NL:CBB:2018:522 en ECLI:NL:CBB:2019:1. Dat neemt niet weg dat het fosfaatrechtenstelsel in specifieke gevallen een buitensporige last voor de melkveehouder, en dus strijd met artikel 1 EP kan opleveren. Het toekennen van de fosfaatrechten of van enige vorm van compensatie kan dan uitkomst bieden. Om te beoordelen of in het individuele geval sprake is van een buitensporige last, moeten volgens het College alle betrokken belangen van het individuele geval worden afgewogen. Het gaat dan vooral om de mate waarin de melkveehouder wordt geraakt door het fosfaatrechtenstelsel. Daarbij geldt dat:

  • vermogensverlies dat ontstaat als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel niet per definitie als buitensporige last wordt aangemerkt;
  • voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het melkveebedrijf van belang is of en zo ja, op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan.

Risico’s van ondernemersbeslissingen voor ondernemer, tenzij…
Het College ziet in zijn recente overzichtsuitspraak van 25 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:114) aanleiding om dit oordeel verder te motiveren. Volgens het College staat bij de beoordeling voorop dat aan het nemen van ondernemersbeslissingen door melkveehouders risico’s kleven. Onder deze beslissingen vallen bijvoorbeeld het investeren in productiemiddelen zoals stallen, grond, melkvee en machines, om deze vervolgens te verhuren of te verkopen, of om bestaande stalruimte (nog) niet te benutten. In beginsel draagt de individuele melkveehouder zelf de gevolgen van deze risico’s, aldus het College.

Dit is echter anders als de ondernemersbeslissing van de melkveehouder gezien de gegeven omstandigheden navolgbaar is. Er dient dan gekeken te worden naar het tijdstip van de beslissing, de omstandigheden waaronder de beslissing is genomen, de mate waarin is geïnvesteerd en de reden waarom is geïnvesteerd. Bovendien moet de beslissing bekeken worden in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die als gevolg daarvan te verwachten waren. Er zal een belangenafweging volgen. Uit omstandigheden moet volgen dat de belangen van de melkveehouder prevaleren boven de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel. In de onderhavige uitspraak stelt het College onder meer vast dat de melkveehouder in een laat stadium opdracht heeft gegeven tot de uitbreiding van de stallen en komt volgens haar niet vast te staan dat de melkveehouder (in redelijkheid) geen andere keuze had dan de investeringsbeslissing te nemen. Het College is in dit geval dan ook van oordeel dat de melkveehouder zelf de nadelige gevolgen van de investeringsbeslissingen draagt.

Wat betekent dit voor de praktijk?
Ondernemersbeslissingen in de melkveesector, maar ook daarbuiten, brengen tal van risico’s met zich mee. Deze risico’s komen in beginsel ten laste van de ondernemer, tenzij het in het specifieke geval een buitensporige last oplevert: dan kan het toekennen van de fosfaatrechten of enige vorm van compensatie uitkomst bieden. Deze compensatie moet dan de buitensporige last opheffen en zorgen voor een fair balance tussen het algemeen belang en de bescherming van de fundamentele rechten van de melkveehouder.

Deze uitspraak van het College laat in ieder geval zien dat, zelfs wanneer u – op het eerste gezicht – aan alle vereisten voor de uitbreiding van uw bedrijfsvoering voldoet, het van groot belang is om van de ontwikkelingen in de relevante wet- en regelgeving op de hoogte te zijn.

Meer informatie
Heeft u vragen over dit onderwerp of wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Ralph Geelen of een van de advocaten van team Food & Agri. Zij zijn u graag van dienst. Daarnaast houden wij u op de hoogte van alle ontwikkelingen in de branche via onze Food & Agri LinkedIn pagina.

Maart 2020