In februari 2021 heeft de Rechtbank Noord-Holland zich gebogen over de vraag of een gedwongen opgenomen cliënt kan worden verplicht een coronatest te ondergaan. In deze kwestie was de cliënte op grond van een crisismaatregel opgenomen. Tijdens haar opname is zij in direct contact gekomen met een persoon die besmet was met het coronavirus. Vervolgens is onder meer een coronatest tegen haar wil afgenomen, waarna zij is ingesloten. Nadat zij hierover geklaagd had bij de klachtencommissie en die haar klacht ongegrond heeft verklaard, heeft zij zich tot de rechtbank gewend. In dit artikel zal worden uiteengezet hoe de rechtbank heeft geoordeeld over deze kwestie. Ook zal worden ingegaan op de mogelijke wettelijke grondslagen voor verschillende coronamaatregelen.

Feiten

Cliënte was op grond van een crisismaatregel als bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) opgenomen in een zorginstelling. Een crisismaatregel is een beslissing van de burgemeester (artikel 7:1 Wvggz). Hiermee kan verplichte zorg worden toegepast in een crisissituatie waarin snel moet worden ingegrepen wegens – kort gezegd – onmiddellijk dreigend ernstig nadeel. Toen duidelijk werd dat cliënte in nauw contact was geweest met iemand die besmet was met het coronavirus, heeft de zorginstelling voorgesteld om een coronatest af te nemen of om in quarantaine te gaan. Cliënte gelooft echter niet in het coronavirus en heeft daarom het voorstel van de zorginstelling geweigerd. Na herhaling van genoemd voorstel aan cliënte werd zij dreigend en agressief, waarbij zij onder meer meubilair heeft stukgegooid en geweigerd heeft om naar haar kamer te gaan. Hierop is cliënte fysiek onder controle gebracht, is medicatie toegediend om haar tot rust te brengen en is tevens een coronatest afgenomen, waarna zij is ingesloten.

Verzoek en verweer

Cliënte was van mening dat voornoemd ingrijpen van de zorginstelling niet noodzakelijk en proportioneel was en dat haar vrijheid daardoor ernstig was ingeperkt. De zorginstelling stelde dat haar ingrijpen noodzakelijk was als gevolg van de agressiviteit van cliënte. Daarnaast achtte de zorginstelling het gedwongen afnemen van een coronatest minder ingrijpend voor cliënte dan een verplichte quarantaine van veertien dagen. De zorginstelling vond dat zij rechtmatig had gehandeld, nu zowel de medicatie en de insluiting als de coronatest volgens haar geclassificeerd konden worden als vormen van verplichte zorg als bedoeld in artikel 3:2 Wvggz. Voor het geval dat de gedwongen afname van de coronatest niet geclassificeerd kon worden onder één van de vormen van verplichte zorg, beriep de zorginstelling zich op een combinatie van deze vormen van zorg. De wetgever had bij het invoeren van de Wvggz geen rekening kunnen houden met de uitzonderlijke omstandigheden van de coronapandemie, waardoor volgens de zorginstelling de grondslag in dit geval gevonden zou moeten worden in een combinatie van de verschillende vormen van zorg als opgenomen in artikel 3.2 Wvggz.

Cliënte heeft daarop een klacht ingediend bij de klachtencommissie. Nadat deze haar klachten ongegrond had verklaard, heeft zij zich tot de rechtbank gewend, met het verzoek om haar ten laste van de zorginstelling een schadevergoeding toe te kennen wegens onrechtmatig ingrijpen van de zorginstelling.

Beoordeling

Het toedienen van de medicatie en de insluiting vallen volgens de rechtbank onder het verlenen van tijdelijke verplichte zorg in noodsituaties als bedoeld in artikel 8:11 Wvggz, nu gelet op de plotselinge escalatie bij cliënte direct ingrijpen noodzakelijk was om de veiligheid van de andere aanwezigen te verzekeren. Deze vormen van verplichte zorg voldeden aldus aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en veiligheid als bedoeld in artikel 2:1 lid 3 Wvggz.

Het afnemen van de coronatest vormt echter een ernstige inbreuk op de lichamelijk integriteit van de betrokkene, aldus de rechtbank, omdat er een voorwerp in een opening van het menselijk lichaam wordt ingebracht. Een inbreuk op de lichamelijke integriteit is in strijd met de grondrechten van de cliënte en kan daarom enkel worden ingeroepen als hiervoor een uitdrukkelijke wettelijke basis bestaat. Artikel 3:2 Wvggz biedt deze wettelijke basis niet, aldus de rechtbank.

Ook het beroep van de zorginstelling op de uitzonderlijke omstandigheden van de coronapandemie leidde niet tot een ander oordeel. Een jaar geleden waren de gevolgen van de pandemie weliswaar moeilijk voorstelbaar, maar dit betekent volgens de rechtbank niet dat de wetgever daar geen rekening mee had kunnen houden bij het opstellen en wijzigen van de Wvggz. Uitbraken van besmettelijke infectieziekten zijn immers van alle tijden. Daar komt bij dat er al regelgeving bestaat met betrekking tot het indammen van dergelijke uitbraken, te weten de Wet publieke gezondheid (Wpg). Op grond van deze wet kan een mogelijk besmet persoon onder omstandigheden gedwongen worden opgenomen ter isolatie en onder strikte voorwaarden zelfs worden onderzocht in het lichaam.

Een dergelijke uitdrukkelijke grondslag wordt niet geboden door de Wvggz. De Wvggz is ook niet gewijzigd na de eerste golf in 2020, terwijl de wetgever wel andere wet- en regelgeving heeft ingevoerd en aangepast. Het beroep op de gecombineerde toepassing van de verschillende vormen van verplichte zorg uit artikel 3:2 lid 2 Wvggz wordt dan ook verworpen. Bovendien hadden de veiligheid en gezondheid binnen de instelling ook op minder ingrijpende wijze kunnen worden gewaarborgd. Cliënte had immers in quarantaine kunnen gaan in haar kamer of, bij weigering daarvan, in de extra beveiligde kamer geïsoleerd kunnen worden. Vervolgens had de zorginstelling cliënte gedurende de quarantaineperiode alsnog telkens de keuze kunnen bieden zich vrijwillig te laten testen.

Nu er geen grond was voor de inbreuk op de onaantastbaarheid van het lichaam van cliënte, is de gedwongen afname van de coronatest onrechtmatig. De klacht wordt gegrond verklaard en cliënte krijgt een schadevergoeding.

De wettelijk geboden ruimte voor verplichte coronamaatregelen

In de onderhavige zaak werd de verplichte zorg gebaseerd op de Wvggz. De Wvggz is toegespitst op personen die lijden aan een dusdanig ernstige psychiatrische stoornis, dat verplichte zorg als laatste redmiddel noodzakelijk is om schade voor de betrokkene zelf en diens omgeving af te wenden. Dit betekent dat de maatregelen die op grond van de Wvggz getroffen worden dit doel ook moeten dienen. Het is de vraag in hoeverre dit bij de gedwongen uitvoering van coronamaatregelen het geval is. Een coronatest ging de rechtbank in ieder geval te ver. Een andere vraag is of en in hoeverre de Wpg in dat geval kan dienen als een alternatief.

Notitie VWS coronamaatregelen

Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een notitie opgesteld voor professionals waarin de wettelijke kaders en mogelijke maatregelen van beide wetten uiteen worden gezet. Uit de notitie volgt – kort weergegeven – dat de Wvggz geen grondslag biedt voor quarantaine en medisch onderzoek bij een vermoeden van besmetting met het coronavirus, ook niet als sprake is van een ernstige psychiatrische stoornis. Voor deze typen maatregelen biedt thans enkel de Wpg een wettelijke grondslag, mits er concrete indicaties bestaan voor besmetting met het coronavirus.

Dit is anders indien het gaat om de behandeling van iemand die besmet is met het coronavirus. De Wvggz biedt wel een wettelijke basis voor de verplichte behandeling van het virus, indien het weigeren van die behandeling ernstig nadeel oplevert voor de betrokkene. Het gaat dan niet zozeer om de ernst en de besmettelijkheid van het virus in het algemeen, maar om de gevolgen van het virus voor de individuele besmette persoon. Een belangrijke grens die de wet daarbij trekt, is dat de weigering tot behandeling moet voortvloeien uit een psychiatrische stoornis. Indien dit verband tussen de stoornis en de weigering ontbreekt, mag geen dwangbehandeling op grond van de Wvggz plaatsvinden. In dat geval biedt ook de Wpg geen wettelijke basis. De Wpg is immers gericht op de bescherming van de volksgezondheid. Als de betrokkene reeds besmet is en in quarantaine is geplaatst, maar het virus niet verder kan verspreiden, is behandeling niet noodzakelijk voor de algehele volksgezondheid.

Conclusie

Hoewel de coronapandemie een zeer uitzonderlijke situatie is, leert deze uitspraak dat dit niet betekent dat zorginstellingen sneller kunnen overgaan tot het opleggen van coronagerelateerde dwangmaatregelen. Indien het onder omstandigheden noodzakelijk is om verplichte zorg te verlenen zal daar een wettelijke grondslag voor moeten zijn. Deze kan, afhankelijk van de aard van de maatregel en de aard van de te verlenen zorg, mogelijk worden gevonden in de Wvggz of in de Wpg, maar dit zal vooraf streng getoetst dienen te worden.

Wilt u meer informatie?

Heeft u vragen of wilt u meer informatie? Neem dan contact op met een van de advocaten van team Zorg.

April 2021