Skip to main content

Op grond van artikel 25 lid 1 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (hierna: Wkkgz) dient de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ) bij een binnengekomen melding over ernstig disfunctioneren van een zorgverlener onderzoek te doen. In een uitspraak van 8 april 2021 van de rechtbank Overijssel (ECLI:NL:RBOVE:2021:1479) heeft de rechter in kort geding geoordeeld dat de IGJ geen onderzoek mag verrichten naar aanleiding van een tuchtrechtelijke beslissing.

Deze uitspraak is onlangs kort belicht op onze LinkedIn pagina als “uitspraak van de week”. Dit artikel gaat in op de vraag hoe ver de onderzoeksbevoegdheid van de IGJ op grond van artikel 25 Wkkgz reikt.

Het verrichten van onderzoek door de IGJ naar aanleiding van een melding

De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit, veiligheid en toegankelijkheid van de zorg. Zo dient de IGJ meldingen van zorgaanbieders en zorgverleners over ernstig disfunctioneren van een zorgverlener alsook andere meldingen te onderzoeken. Met dit onderzoek kan de IGJ vaststellen of er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 25 lid 1 Wkkgz. Dit is een situatie “die voor de veiligheid van cliënten of de zorg een ernstige bedreiging kan betekenen of met het oog op het belang van een goede zorg anderszins noodzaakt tot nader onderzoek”. Zo zal de IGJ een onderzoek moeten instellen als zij een melding van een zorgaanbieder ontvangt over ontslag wegens ernstig disfunctioneren.

Het onderzoek

Uit dit onderzoek zal moeten blijken of, en in hoeverre, het gemelde disfunctioneren van de zorgverlener mogelijk leidt tot een aantasting van de kwaliteit van de zorg. De IGJ legt haar onderzoeksbevindingen vervolgens vast in een rapport. Als uit het rapport blijkt dat er sprake is van een artikel 25 Wkkgz-situatie, moet de IGJ de zorgverlener eerst de kans geven om een zienswijze over dit rapport kenbaar te maken. De zienswijze kan leiden tot een aanpassing van het rapport, voordat het rapport zijn definitieve versie krijgt.

25 Wkkgz-situatie

Zodra de IGJ concludeert dat er een artikel 25 Wkkgz-situatie speelt, dienen passende maatregelen genomen te worden. Zo maakt de IGJ een aantekening in het Wkkgz-register van zorgverleners ten aanzien van wie is vastgesteld dat zich een artikel 25-Wkkgz-situatie heeft voorgedaan. In deze aantekening worden de persoonsgegevens van de zorgverlener vermeld. Dit kan grote gevolgen hebben voor de zorgverlener. Elke zorgaanbieder die een zorgverlener wil inschakelen bij de zorgverlening moet namelijk eerst het arbeidsverleden van deze zorgverlener controleren. In het kader van deze vergewisplicht kan de zorgaanbieder zich onder meer tot de IGJ wenden met de vraag of er een aantekening over de desbetreffende zorgverlener in het Wkkgz-register staat. Wanneer dit het geval is, zal de zorgverlener in de regel niet in dienst worden genomen door de zorgaanbieder.

Wat speelde er in de uitspraak van 8 april 2021?

Een verpleegkundige heeft de rechter verzocht om een aantekening over haar in het Wkkgz-register ongedaan te maken. De reden daarvoor is dat de verpleegkundige door de aantekening mogelijk reputatieschade zal leiden en niet meer in haar levensonderhoud zal kunnen voorzien. Nu een zorginstelling zich kan vergewissen van zo’n aantekening en de verpleegkundige steeds op tijdelijke basis wordt gedetacheerd bij een zorginstelling, loopt zij het risico dat zorgaanbieders haar niet langer willen inschakelen.

Centraal en Regionaal Tuchtcollege

De IGJ was een onderzoek naar de verpleegkundige gestart nadat zij een afschrift van een beslissing van het Centraal Tuchtcollege (hierna: CTG) had ontvangen. Het Regionaal Tuchtcollege (hierna: RTG) had aan de verpleegkundige een tijdelijke schorsing van drie maanden van haar inschrijving in het BIG-register opgelegd. Het CTG heeft de klacht in hoger beroep echter niet-ontvankelijk verklaard, waardoor de schorsing verviel. Het gaat hier dus niet om een “reguliere” melding van een zorgaanbieder die de IGJ deed besluiten om een onderzoek in te stellen, maar om een tuchtrechtelijke beslissing, te kwalificeren als een “andere melding” als bedoeld in artikel 25 lid 1 Wkkgz.. Een interessante vraag in dit kader is dan ook: is de IGJ in dit geval bevoegd om zelf een onderzoek te verrichten?

Onderzoek Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd

De rechtbank Overijssel heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Hoewel uit artikel 25 lid 1 Wkkgz volgt dat de IGJ meldingen van zorgaanbieders en zorgverleners en ook “andere meldingen” in beginsel moet onderzoeken, is in artikel 8.26 lid 1 van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz expliciet bepaald dat dit Uitvoeringsbesluit – met daarin nadere regels over meldingen en onderzoek door de IGJ – niet van toepassing is op beslissingen van het RTG en het CTG. Tuchtuitspraken bevatten al een oordeel over het professioneel handelen van de zorgverlener. Feiten die in die uitspraken in rechte zijn komen vast te staan, worden daarom als een gegeven beschouwd. Het is dus niet noodzakelijk dat de IGJ vervolgens (weer) onderzoek doet naar die feiten.

Nu de IGJ niet bevoegd is om naar aanleiding van een tuchtrechtelijke beslissing onderzoek te doen en op basis daarvan een aantekening te maken in het Wkkgz-register, kent de rechter het verzoek van de verpleegkundige toe. De IGJ moet de aantekening in het Wkkgz-register verwijderen.

Conclusie

De IGJ treedt buiten de grenzen van haar bevoegdheid als zij naar aanleiding van een tuchtrechtelijke beslissing onderzoek doet naar het handelen van een zorgverlener. Artikel 8.26 lid 1 van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz bepaalt expliciet dat dit niet mag. Uitspraken van tuchtcolleges bevatten immers al een oordeel over het professioneel handelen van de beroepsbeoefenaar. In deze zaak is de IGJ dan ook haar boekje te buiten gegaan.

Wilt u meer informatie?

Heeft u vragen of wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Nikki Janssen of een van de andere advocaten van Team Zorg. Wij houden u op de hoogte van alle juridische ontwikkelingen in de Zorg via onze website en Zorg LinkedIn pagina.

 

 

Juli 2021