Voor de leerling die vanwege een handicap niet zelfstandig naar school kan gaan, kunnen op aanvraag van de ouders de noodzakelijk te achten vervoerskosten naar de dichtstbijzijnde, toegankelijke school door de gemeente worden vergoed. Een vader uit Utrecht wilde dat de gemeente de kosten van het vervoer van zijn zoon naar een islamitische school in Amsterdam zou betalen. De gemeente weigerde dit, waarna partijen procedeerden over de vraag of de gemeente Utrecht de voorwaarde mocht stellen dat de vader overwegende bezwaren moet hebben tegen openbaar onderwijs of andere richtingen.

Utrechtse leerling gaat naar middelbare school in Amsterdam

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: het college) heeft bij besluit van 26 juni 2018 de aanvraag van een vader om vergoeding van de kosten voor eigen vervoer van zijn zoon naar het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam afgewezen. De zoon ging in schooljaar 2018/2019 van de basisschool naar het voortgezet onderwijs. Door een spierziekte is de zoon niet in staat om zelfstandig naar zijn nieuwe middelbare school te gaan. Vader heeft als dichtstbijzijnde, toegankelijke school voor zijn zoon het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam aangemerkt. Hij brengt zijn zoon met de auto van Utrecht naar Amsterdam, en terug. In Utrecht is geen middelbare school op Islamitische grondslag.

Gemeente Utrecht wijst verzoek om vervoersvoorziening af

Het college wijst het verzoek van vader af. Volgens het college is voldoende aangetoond dat de zoon een handicap heeft en niet zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen. Het college stelt echter dat het vervoer niet is aangevraagd voor de dichtstbijzijnde, toegankelijke school.

Vader heeft aangegeven dat hij voor het Cornelius Haga Lyceum kiest, omdat deze een islamitische grondslag heeft. De hoofdregel is dat een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school. Een uitzondering op deze hoofdregel is volgens het college mogelijk als de ouders schriftelijk verklaren dat zij overwegende bezwaren hebben (i) tegen de scholen met openbaar onderwijs of (ii) tegen de richting van het onderwijs van de bijzondere scholen, die dichterbij zijn gelegen. Het college heeft een dergelijke schriftelijke verklaring bij de aanvraag echter niet ontvangen. Bovendien heeft de zoon nooit eerder op een islamitische school gezeten, maar op een christelijke basisschool. Ook zijn broertjes en zusjes gaan niet naar islamitisch onderwijs.

Het college is daarom van oordeel dat de vader geen overwegende bezwaren heeft tegen een school van een andere godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan een islamitische richting. Het Cornelius Haga Lyceum is daarmee niet de dichtstbijzijnde, toegankelijke school. Het staat de vader uiteraard vrij om zijn zoon naar het Cornelius Haga Lyceum te laten gaan, maar de (meer)kosten van het vervoer komen dan wel voor eigen rekening, stelt het college. De rechtbank volgt deze redenering van het college en laat het besluit van 26 juni 2018 in stand.

Hoger beroep: overwegende bezwaren tegen andere richtingen niet vereist

Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) vereist artikel 4 lid 3 van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: Wvo) dat een gemeentelijke regeling omtrent een vervoersvoorziening voor leerlingen met een handicap de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders berustende schoolkeuze eerbiedigt. De schoolkeuze van de ouders op grond van godsdienst of levensbeschouwing hoeft niet te betekenen dat zij overwegende bezwaren hebben tegen een openbare school of een bijzondere school van een andere richting.

Artikel 3 lid 2 van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Utrecht, daarentegen, verbindt aan het maken van aanspraak op een vervoersvoorziening wél de eis dat ouders schriftelijk verklaren dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de woning zijn gelegen. De Afdeling oordeelt dat deze gemeentelijke bepaling in strijd is met de wet en daarom door het college niet mocht worden toegepast. Door toepassing van die gemeentelijke bepaling heeft het college de op godsdienst berustende schoolkeuze van de vader ten onrechte niet geëerbiedigd.

Ook een liberale moslim als de vader, die in zijn algemeenheid geen overwegende bezwaren heeft tegen een openbare school of een bijzondere school van een andere richting, mag er van de Afdeling voor kiezen om zijn zoon islamitisch voortgezet onderwijs te laten volgen én aanspraak maken op een gemeentelijke vervoersvoorziening van en naar de door hem voor zijn zoon gekozen school. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van vader tegen de afwijzing van 26 juni 2018.

Meer weten?

Heeft u vragen over leerlingenvervoer, neemt u dan contact op met ons team Onderwijs.

November 2020