Skip to main content

Zijn schulden die voortvloeien uit de bestuursrechtelijke handhaving van milieuverplichtingen jegens de curator, aan te merken als boedelschulden? Op 4 juni 2021 heeft de Hoge Raad deze prejudiciële vraag van Rechtbank Rotterdam beantwoord.

Wat was er aan de hand?

In mijn vorige blog schetste ik al de gang van zaken die aanleiding gaf tot de prejudiciële vragen van de rechtbank Rotterdam. Kort samengevat speelt het volgende. Een bedrijf schendt met haar bedrijfsvoering milieuvoorschriften. Nog voordat de overheid ingrijpt, gaat het bedrijf failliet. Een curator wordt aangesteld. De overheid legt vervolgens aan de curator twee handhavingsbesluiten op:

  1. een last onder bestuursdwang ten aanzien van het vervolgonderzoek; en
  2. een last onder dwangsom in verband met het herstel van de bodemkwaliteit.

De curator laat het onderzoek niet uitvoeren en gaat ook niet over tot herstel van de bodemkwaliteit. De gemeente ziet zich vervolgens genoodzaakt om deze maatregelen zelf uit te voeren en om de kosten daarvan op de boedel te verhalen.

Tot het arrest van de Hoge Raad was het onduidelijk welke status en rangorde deze vorderingen in het faillissement hebben. De overheid stelt zich op het standpunt dat haar vorderingen als boedelschulden gelden en dat zij dus voorrang hebben op het overgrote deel van de (andere) schuldeisers van de failliet. De curator meent van niet. Partijen hebben vervolgens besloten om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen.

De Hoge Raad: ja, het zijn boedelschulden!

De Hoge Raad oordeelt dat de vorderingen zijn aan te merken zijn boedelschulden. Hoe komt de Hoge Raad tot dit oordeel? In de eerste plaats geeft de Hoge Raad – in lijn met de vaste jurisprudentie – aan dat er in ieder geval sprake is van een boedelschuld:

  1. indien dat uit de wet voortvloeit;
  2. omdat deze (boedel)schuld door de curator is aangegaan; of
  3. omdat deze (boedel)schuld het gevolg is van handelen van de curator in strijd met een op hem in zijn hoedanigheid rustende verbintenis of verplichting.

Daarnaast verwijst de Hoge Raad naar de vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechters in Nederland. Daaruit volgt dat op de curator een eigen, zelfstandige verplichting rust tot naleving van de milieuwetgeving ten aanzien van een tot de boedel behorende inrichting. Op het moment dat de curator die verplichting niet naleeft, kunnen aan hem in hoedanigheid bestuursrechtelijke lasten worden opgelegd, zoals een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom. In dit geval heeft de curator gehandeld in strijd met een op hem in zijn hoedanigheid rustende verplichting, waardoor sprake is van een boedelschuld.

Geen vuiltje (meer) aan de lucht?

De uitspraak biedt de faillissementspraktijk duidelijkheid. Als met deze uitkomst milieuschade kan worden voorkomen, dan is dat in ieders belang. Ook de overheid zal als handhaver (en schuldeiser) niet ontevreden zijn met deze kwalificatie.

Het is echter de vraag hoeveel er van curatoren verwacht kan worden. Curatoren zijn weliswaar gehouden om de milieuverplichtingen in hoedanigheid na te leven, maar zij zullen daartoe niet altijd in staat zijn. Bijvoorbeeld in geval van een lege boedel.. Worden de verplichtingen niet nageleefd, dan kunnen door het handhavend optreden van de overheid boedelschulden ontstaan. In het geval van een ‘lege boedel’ zal de curator deze schulden nog steeds niet kunnen voldoen.

Aan de andere kant is het ook denkbaar dat bij het nemen van een handhavingsbesluit een (extra) taak is weggelegd voor het bestuursorgaan. Hoewel de overheid niet vrijstaat om de handhaving van milieurechtelijke normen uit te stellen, bestaat toch enigszins een vrije bevoegdheid om te bepalen wanneer zij dit doet. Als de overheid even wacht, kan zij als het ware haar vordering ‘promoveren’ tot een boedelvordering. Maar dit is alleen zinvol als geen lege boedel wordt verwacht. Daarnaast dient de overheid alle bij een besluit betrokken belangen af te wegen. Dit brengt volgens mij ook mee dat zij rekening dient te houden met de financiële mogelijkheden van de faillissementsboedel. Heeft de curator onvoldoende financiële mogelijkheden om een last onder dwangsom te voldoen? Dan behoort deze (misschien) niet te worden opgelegd.

Hoe de curatoren en de overheid omgaan met deze ontwikkeling, is een vraag voor de toekomst. Ik houd u op de hoogte.

Meer informatie

Heeft u vragen of wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Koen Vermeulen of een van de andere advocaten van team Insolventie & Herstructurering.

 

Juni 2021