Skip to main content

Inleiding
Pandrechten en hypotheekrechten zijn zekerheidsrechten die gevestigd kunnen worden op bepaalde goederen. Als de schuldenaar niet betaalt, kan de pand- of hypotheekhouder het goed onder omstandigheden uitwinnen om zo toch betaald te krijgen. Pandrechten kunnen onder meer worden gevestigd op vorderingen die de pandgever heeft op zijn schuldenaar. De pandhouder die zijn pandrecht heeft medegedeeld (openbaar pandhouder) mag zijn pandrechten onder omstandigheden uitoefenen (executeren) als de pandgever niet betaalt. De pandhouder mag de vordering van de pandgever op de schuldenaar dan innen (ex artikel 3:246 lid 1 BW). Dit betekent dat de openbaar pandhouder zich mag wenden tot de schuldenaar van de pandgever om van deze nakoming (lees: betaling) van de opeisbare vordering te eisen. In sommige gevallen is aandringen tot betaling bij een schuldenaar echter niet voldoende. Als een schuldenaar niet betaalt, wil (de druk van) een faillissementsaanvraag nog wel eens helpen. Het is echter de vraag of een openbaar pandhouder het faillissement van de schuldenaar van de pandgever mag aanvragen als deze schuldenaar weigert te betalen? Over deze vraag heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden zich op 17 maart 2016 uitgesproken. In deze bijdrage licht ik de uitspraak (ECLI:NL:GHARL:2016:2264) van het hof nader toe.

De casus
De situatie die aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden werd voorgelegd was als volgt. Diamond Invest BV verhuurde een bedrijfsruimte aan De Veenbloem. De Veenbloem was uit hoofde van deze huurverhouding huurpenningen verschuldigd aan Diamond Invest BV. De Veenbloem had een achterstand in de betaling van de huur. Diamond Invest BV had haar vordering op De Veenbloem verpand aan Megalim. Megalim deed mededeling van haar pandrecht en werd daardoor openbaar pandhouder. In schema:

Nieuwsbrief_juli_insolventie

Op enig moment voldeed Diamond Invest BV niet aan haar betalingsverplichtingen (vordering II). Megalim klopte daarom als pandhouder aan bij De Veenbloem om haar te verzoeken vordering I aan haar te betalen. De Veenbloem ging echter ook niet over tot betaling. In hoeverre mag een pandhouder (Megalim) zich zoals de pandgever (Diamond Invest BV) gedragen om de schuldenaar van de pandgever (De Veenbloem) tot betaling te dwingen?

Eerdere rechtspraak
Op 21 januari 2014 heeft de Hoge Raad in het zogenaamde Neo-River arrest een antwoord gegeven op deze vraag (ECLI:NL:HR:2014:415). De Hoge Raad maakte duidelijk dat de aan de vordering verbonden schuldeisersbevoegdheden niet zonder meer overgaan bij de vestiging van een beperkt recht (zoals een pandrecht). In hoeverre de schuldeisersbevoegdheden mee overgaan zou afhangen van de toepasselijke wettelijke regeling. Men dient dus te kijken naar het wetsartikel dat van toepassing is op de situatie. Voor het pandrecht is artikel 3:246 BW van belang. In het eerste lid van dat artikel is geregeld dat de pandhouder, nadat hij zijn pandrecht heeft medegedeeld aan de schuldenaar, bevoegd is om zowel in als buiten de rechtszaal nakoming (lees: betaling) van de vordering te eisen. De pandhouder is na de mededeling ook bevoegd tot opzegging van vordering als de vordering nog niet opeisbaar is, maar door opzegging wel opeisbaar kan worden gemaakt (artikel 3:246 lid 2 BW). De Hoge Raad benadrukte dat de wet geen andere schuldeisersbevoegdheden aan de pandhouder toekent. De overige schuldeisersbevoegdheden (zoals kwijtschelding, het treffen van afbetalingsregelingen, het omzetten van de vordering tot nakoming in een vordering tot schadevergoeding, ontbinding, beëindiging en het doen van afstand) blijven dus bij de pandgever.

Uitspraak gerechtshof
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vult het Neo-River arrest aan. In haar arrest boog het hof zich over de vraag of een pandhouder (Megalim) het faillissement mag aanvragen van de niet betalende schuldenaar (De Veenbloem) van de pandgever (Diamond Invest BV). Het antwoord is dat dit niet mag.

Onder verwijzing naar het Neo-River arrest overweegt het hof dat de bevoegdheid tot het aanvragen van het faillissement niet behoort tot de bevoegdheden van artikel 3:246 lid 1 en/of 2 BW. De bevoegdheid tot het aanvragen van het faillissement zou dan ook bij de pandgever blijven rusten. Nu Megalim als pandhouder geen schuldeiser is van de Veenbloem en zij ook op grond van haar pandrecht niet bevoegd werd geoordeeld om het faillissement aan te vragen, werd haar verzoek om De Veenbloem failliet te verklaren afgewezen.

Tegen de uitspraak van het hof is cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Het is dus mogelijk dat de Hoge Raad in de toekomst tot een ander oordeel komt. De rechtbank Den Haag heeft zich inmiddels overigens achter het hof geschaard. In haar uitspraak van 28 juni 2016 bepaalde ook de rechtbank dat de pandhouder niet het faillissement van de schuldenaar van de pandgever kan aanvragen.

Conclusie
Een pandhouder verkrijgt met haar pandrecht niet alle bevoegdheden die de pandgever in relatie met haar schuldenaar toekomen. Volgens het hof Arnhem-Leeuwarden is het voor de pandhouder niet mogelijk om het faillissement aan te vragen van een schuldenaar van de pandgever. Nu cassatie is ingesteld tegen de uitspraak van het hof, is het mogelijk dat de Hoge Raad in de toekomst tot een ander oordeel komt. Pandhouders zullen tussentijds op zoek moeten naar andere oplossingen dan het aanvragen van het faillissement van de schuldenaar van de pandgever. Uiteraard denken wij hier graag over mee.

Wilt u meer informatie over dit onderwerp of heeft u andere vragen? Neem dan contact op met de advocaten van ons team Insolventie & Herstructurering.

Publicatie uit nieuwsbrief insolventie & herstructurering juli 2016. Klik hier voor de nieuwsbrief.