Skip to main content

In deze beschikking van de Hoge Raad krijgt een failliet het deksel op de neus omdat hij de pech heeft in Limburg te wonen. Waar gaat het om?

Als een natuurlijk persoon failliet gaat, komen zijn middelen onder beheer van een curator ten behoeve van de schuldeisers. Maar zo’n failliet moet natuurlijk wel kunnen leven. De wet bepaalt daartoe dat de failliet vrijelijk mag beschikken over loon of een uitkering “indien en voor zover de rechter-commissaris zulks bepaalt” (art. 21, aanhef en onder 2 Fw). Vroeger werd daar vrij algemeen de zogenaamde beslagvrije voet gehanteerd, een ondergrens die rekening houdt met het absolute bestaansminimum. Van dat bedrag moest de failliet derhalve zien rond te komen, terwijl een overschot van zijn inkomsten dan toekwam aan zijn crediteuren en de curator. Destijds is dat ook vastgelegd door de gezamenlijke faillissementsrechters  in een ReCoFa-richtlijn. ReCoFa is het informele overlegorgaan van Rechters-Commissarissen in Faillissement.

In 1998 is echter de Wettelijke Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) ingevoerd. De WSNP beoogt mensen met problematische schulden een uitzicht op herstel te geven. Destijds werd ervan uitgegaan dat een groep van circa 250.000 personen, indien zij failliet zouden gaan, eigenlijk geen kans meer hebben om tijdens hun leven ooit nog uit de financiële problemen te raken met alle heftige sociale gevolgen van dien. Daarom werd bepaald dat iemand toegang kon krijgen tot de wettelijke schuldsanering. Daarin moest hij of zij zich weliswaar inspannen om inkomen te verwerven en overigens netjes gedragen, maar ook als dat niet lukte kon hij/zij na ommekomst van een periode van circa drie jaar de zogenaamde “schone lei” krijgen. Dat betekende in feite dat álle schulden van rechtswege kwijtgescholden werden. Op die manier werd bijvoorbeeld voorkomen dat iemand die rond zijn 20e een paar domme postorderaankopen onbetaald had gelaten, op zijn 50e nog aankeek tegen een onvoorstelbaar hoge schuldenberg door opgelopen rentes en kosten. Een kwestie van beschaving en helemaal passend in de “tweede kans”-cultuur die in Europa sinds het nieuwe millennium is ontstaan.

Omdat in de WSNP het belang van de persoon meer nadruk kreeg dan in de faillissementswet, werd aan zo’n persoon ook een iets ruimer bedrag gelaten om van te leven, ruimer in ieder geval dan het bedrag dat in faillissement wordt vrijgelaten. En ook dat ligt vast in diezelfde ReCoFa-richtlijn.

Er werden ook wel eens mensen buiten hun schuld niet toegelaten tot de WSNP (bijvoorbeeld omdat ze een onderneming hadden) en dan in een faillissement terecht kwamen. Daarom liet die richtlijn expliciet de mogelijkheid toe aan een rechter-commissaris om niet alleen in een schuldsanering, maar ook in een faillissement het hógere maandbedrag toe te kennen aan zo’n natuurlijk persoon. Maar wat een pech voor de Limburgers! Want Rechtbank Limburg besloot in weerwil van die ReCoFa-richtlijn, om in faillissement uitsluitend de lagere beslagvrije voet te hanteren: “In faillissement draait het uitsluitend om het belang van de schuldeisers”.

Deze Limburgse failliet baalde van het verschil van enige tientjes per maand, besloot het er niet bij te laten zitten en maakte bezwaar. De procedurele aspecten zijn voor de fijnproevers en kunnen hier onbesproken blijven. Voor nu is van belang dat de Hoge Raad als hoogste instantie de beslissing van de Limburgse rechter-commissaris in stand liet. De ReCoFa-richtlijnen zijn weliswaar goedgekeurd door twee commissies uit de rechtspraak (ReCoFa en ook nog het Landelijk Overleg Civiel, Kanton en Toezicht), maar dat is geen instantie die een rechter bindend kan opleggen op welke wijze hij binnen wettelijk bestaande ruimte mag beslissen. En die beslissing van de Hoge Raad is wel te begrijpen, want rechterlijke onafhankelijkheid is een groot goed.

Maar dat maakt de beslissing van de Limburgse rechter-commissaris niet plezieriger. Die had immers in zijn rechterlijke vrijheid ook kunnen besluiten de ReCoFa-richtlijn te volgen.

En zou hij de laatste niet hebben moeten laten prevaleren? Er ontstaat en bestaat nu simpelweg rechtsongelijkheid tussen een Limburger uit Weert en een Brabander die een paar kilometer verderop in Maarheeze in staat van faillissement raakt.

Het gebeurt vaker dat Rechtbank Limburg afwijkt van landelijk beleid dat andere rechtbanken wèl volgen. Zo hebben we in het achterliggende decennium in Nederland veelvuldig te maken gehad met de zogenaamde ‘stille bewindvoering‘. Daarin stonden vrijwel alle Nederlandse rechtbanken toe dat voorafgaand aan een faillissement alvast bekend werd gemaakt wie de curator zou worden, zodat die ‘stille bewindvoerder’ betrokken werd bij de voorbereiding van een faillissement. Wetenschappelijk onderzoek heeft uitgewezen dat daardoor méér banen behouden bleven bij een doorstart en ook de opbrengst voor de crediteuren aanmerkelijk hoger was.

Ook hier koos de rechtbank Limburg voor een eigen lijn, waardoor Limburgse bedrijven in moeilijkheden soms zelfs overgingen tot “forumshopping”. Bij forumshopping wordt snel de statutaire zetel verplaatst zodat een andere rechtbank bevoegd is. Hierdoor kon dan wel gebruik worden gemaakt van de “stille bewindvoering” en kon de schade van een faillissement beheerst worden.

Juist in faillissementen, waarin het gaat over pijn lijden en pijn delen, zijn de initiatieven van ReCoFa voor meer rechtseenheid veel waard. Hopelijk laat de rechtbank Limburg dat zo vaak mogelijk prevaleren.

Meer informatie

Heeft u vragen of wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Flip Schreurs of een van onze andere leden van het team Insolventie en Herstructurering van Boels Zanders Advocaten.