De Afdeling vult het criterium “gevolgen van enige betekenis” in het kader van het belanghebbendebegrip verder in

Op 23 augustus 2017 heeft de Afdeling een interessante uitspraak gedaan waarin zij het criterium “gevolgen van enige betekenis” in het kader van het belanghebbendebegrip nader invult.

Het college heeft in die kwestie een verzoek van appellant en anderen (allen omwonenden) om handhavend op te treden tegen een mestbassin, afgewezen. Naderhand heeft het college in een tweede beslissing op bezwaar bezwaarmakers die op een afstand van meer dan 250 meter van het mestbassin wonen, alsnog niet-ontvankelijk verklaard omdat deze geen belanghebbende zouden zijn.

Appellant en anderen betogen in hoger beroep bij de Afdeling dat de rechtbank heeft miskend dat het college bezwaarmakers die op een grotere afstand dan 250 meter van het mestbassin wonen ten onrechte niet als belanghebbende heeft aangemerkt. Hiertoe voeren zij aan dat alle bezwaarmakers in hun woonomgeving geuroverlast van het mestbassin ondervinden, met name als het mestbassin net gevuld is en de wind in de richting van hun woningen staat. Met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737, heeft de rechtbank eerder overwogen dat voor het zijn van belanghebbende aannemelijk moet zijn dat ter plaatse van de woning of het perceel van de betrokkene ‘gevolgen van enige betekenis’ kunnen worden ondervonden.

De Afdeling constateert vervolgens dat in de praktijk vragen zijn gerezen over de invulling van het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ en overweegt dat het uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit – zoals een bestemmingsplan of een vergunning – toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ is vervolgens een correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

Bepaalde milieugevolgen zijn genormeerd door een afstandseis, een contour of een grenswaarde. Volgens de Afdeling is deze norm niet bepalend voor de vraag of de betrokkene belanghebbende is bij het besluit. Of wordt voldaan aan bepaalde normen komt (eventueel) aan de orde bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep. De kring van belanghebbenden kan verschillen naar gelang de aard van het besluit. Zo hoeft de kring van belanghebbenden bij een handhavingsbesluit niet altijd samen te vallen met de kring van belanghebbenden bij een besluit tot vergunningverlening. Bij besluiten over activiteiten in het omgevingsrecht is het volgens de Afdeling de taak van het bestuursorgaan om de kring van belanghebbenden vast te stellen aan de hand van (onderzoek naar) de feitelijke gevolgen van het besluit. Uiteindelijk is het aan de bestuursrechter om te oordelen over de vraag wie belanghebbende bij een besluit zijn. De betrokken rechtzoekende hoeft niet zelf aan te tonen dat hij belanghebbende bij een besluit is. Slechts als tijdens de procedure de vraag aan de orde is of ‘gevolgen van enige betekenis’ ontbreken en dus de vraag of er aanleiding is de correctie toe te passen, kan en mag van de betrokkene worden gevraagd uit te leggen welke feitelijke gevolgen hij van de activiteit ondervindt of vreest te zullen ondervinden.

In dit geval oordeelde de Afdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet aannemelijk is dat de bezwaarmakers die op een afstand van meer dan 250 meter van het mestbassin wonen geurhinder van enige betekenis ondervinden van het gebruik van het mestbassin. Hoewel het mestbassin op een afstand van ongeveer 300 meter tot 600 meter van hun woningen ligt, heeft het college niet weersproken dat appellant en anderen ter plaatse van hun woningen de geur van het in gebruik zijnde mestbassin waarnemen, aldus de Afdeling.

Er zijn ter plaatse van de woningen van betrokkenen dus feitelijke milieugevolgen als gevolg van het mestbassin. Dit betekent volgens de Afdeling dat appellant en anderen belanghebbende zijn bij het besluit, tenzij geoordeeld moet worden dat ‘gevolgen van enige betekenis’ voor hen ontbreken. Met betrekking tot deze laatste vraag is van belang dat de geurhinder zich met name voordoet als het mestbassin net gevuld is en de wind in de richting van de betreffende woningen staat, dat de geurhinder niet continue maar wel regelmatig plaatsvindt en dat geur van mest doorgaans als penetrant wordt ervaren. Onder deze omstandigheden bestaat volgens de Afdeling geen grond voor het oordeel dat voor de betreffende omwonenden van het mestbassin gevolgen van enige betekenis ontbreken.

Het voorgaande betekent dat ook de op een afstand van meer dan 250 meter van het mestbassin wonende bezwaarmakers belanghebbende zijn bij het besluit. Het college heeft de door hen gemaakte bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het besluit dient in zoverre te worden vernietigd. De rechtbank heeft dat volgens de Afdeling niet onderkend.

Meer informatie
Heeft u vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Nina Rijsterborgh of een van de andere advocaten van team Bestuursrecht. Zij zijn u graag van dienst.

September 2017

723 
Ik help u graag verder
Nina Rijsterborgh
Advocaat
Meest gelezen
  • ‘Kopietje paspoort’
  • ‘Oude’ pandeigenaren versus nieuw...
  • ‘Recht op vergetelheid’ heeft geen...
  • “Als lekkerste getest” niet...
  • “Detachering” leerling is verwijdering