Belangrijke uitspraak Europees Hof over branchering in detailhandel

In artikel 3.1.2 van het Besluit ruimtelijke ordening is geregeld dat een bestemmingsplan ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening regels kan bevatten met betrekking tot branches van detailhandel en horeca. Als voorbeeld gelden meubelzaken en bouwmarkten die zich, als dat in het bestemmingsplan is vastgesteld, niet in de binnenstad mogen vestigen omdat hun bezoekers veelal per auto de winkel bezoeken, voor de deur willen parkeren en vaak volumineuze producten willen kopen.

De Europese Dienstenrichtlijn regelt dat overheden geen handelsbelemmeringen mogen opwerpen. Er moet in beginsel sprake zijn van vrij verkeer van diensten. Tot voor kort gold dat de Dienstenrichtlijn geen betrekking had op detailhandel, althans bestond daarover geen duidelijkheid. In het licht hiervan heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 30 januari 2016 prejudiciële vragen gesteld aan het Europees Hof van Justitie.

Het Europees Hof heeft nu in de uitspraak van 30 januari 2018 inzake Visser Vastgoedbeleggingen BV tegen de gemeente Appingedam (HvJ EU 30 januari 2018, ECLI:EU:C:2018:44) bepaald dat detailhandel als een “dienst” moet worden gekwalificeerd. Dit betekent dat de Dienstenrichtlijn ook op detailhandel van toepassing is, zelfs al spelen alle relevante aspecten zich binnen één lidstaat af. Gevolg: overheden, bijvoorbeeld gemeenten, mogen bij de vaststelling van een bestemmingsplan geen handelsbelemmeringen voor detailhandel opnemen.

Wat betekent dit voor de regeling die branchering toestaat? Wat betekent dit voor een bestemmingsplan waarin een bepaalde vorm van branchering is vastgelegd? Zijn deze onverbindend? Kunnen deze de prullenbak in?

Neen. Het Europese Hof acht branchering toch toelaatbaar in geval van dringende redenen van algemeen belang. Een territoriale beperking is acceptabel mits de voorwaarden inzake de voorwaarden van non-discriminatie, noodzakelijkheid en evenredigheid als bedoeld in artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn vervuld zijn. Zo kan het noodzakelijk zijn tot behoud van de leefbaarheid van een stadscentrum en tot het voorkomen van leegstand in binnenstedelijke gebieden om een brancheringsregeling in het bestemmingsplan op te nemen.

Verandert er nu veel door deze uitspraak?
Vóór de uitspraak gold al op grond van bestaande wetgeving dat branchering met betrekking tot detailhandel enkel was toegelaten uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening. In geval van een goede motivering kan dus een branchering in stand blijven. Die goede motivering mag geen betrekking hebben op het reguleren van concurrentieverhoudingen.

In de praktijk zal dit niet snel met zich meebrengen dat een bestemmingsplan onverbindend wordt verklaard. Immers liggen in de norm “goede ruimtelijke ordening” grotendeels de eisen van non-discriminatie, noodzakelijkheid en evenredigheid besloten. Daarnaast zal het vaststellen van een bestemmingsplan op grond van artikel 3:47 Awb altijd met een motivering gepaard moeten gaan. Ontbreekt een deugdelijke motivering echter, dan kan dit er alsnog toe leiden dat een bestemmingsplan in strijd is met de Dienstenrichtlijn en onverbindend moet worden verklaard.

Meer informatie
Heeft u vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Herm Lamers, advocaat van het team Bestuursrecht en specialist ruimtelijke ordening. U kunt uiteraard ook contact opnemen met één van de andere advocaten van ons team Bestuursrecht.

703 
Ik help u graag verder

Meest gelezen
  • ‘Kopietje paspoort’
  • ‘Oude’ pandeigenaren versus nieuw...
  • ‘Recht op vergetelheid’ heeft geen...
  • “Als lekkerste getest” niet...
  • “Detachering” leerling is verwijdering