Hoge Raad schept duidelijkheid over de inkomensafhankelijke combinatiekorting voor gescheiden ouders

In de zaak die voorlag bij de Hoge Raad zijn de ouders gescheiden. In het ouderschapsplan is opgenomen dat de dochter wordt ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het woonadres van de moeder. Tevens voorziet het ouderschapsplan in een omgangsregeling waarbij de dochter in een tweewekelijks schema, te starten op een maandag,  in de eerste week eerst twee dagen bij vader en dan twee dagen bij moeder verbleef en vervolgens vier dagen bij vader en zes dagen bij de moeder. De vraag is of de vader, net zoals de moeder, in zo’n geval ook aanspraak kan maken op de inkomensafhankelijke combinatiekorting op grond van deze omgangsregeling.

Op grond van artikel 8.14a van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna: “Wet IB) geldt als één van de eisen voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting dat een kind, dat de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt, gedurende ten minste zes maanden op hetzelfde adres ingeschreven dient te staan als de belastingplichtige. Dit noemt men de zogenaamde verblijfseis. Deze eis zorgt voor problemen bij gescheiden ouders, die een (grotendeels/nagenoeg) gelijke verdeling van de zorg hebben afgesproken, omdat een kind maar op één adres in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven kan staan. Artikel 44b Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 2001 bepaalt daarom voorts dat voor de toepassing van bovenstaande eis een kind wordt beschouwd toch op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige te staan ingeschreven als het kind doorgaans ten minste drie gehele dagen per week in elk van beide huishoudens verblijft.

De rechtbank was van oordeel dat de vader op grond van de letterlijke tekst van artikel 44b Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 2001 niet voldeed aan de verblijfseis. Daarnaast overwoog de rechtbank dat bij een tweewekelijks schema (14 dagen-schema) het verblijf in deze 2 weken echter gemiddeld mag worden waardoor de vader wel gebruik kon maken van de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Het hof oordeelde anders, namelijk dat een verblijf van 6 dagen per 2 weken wel leidt tot een gemiddeld verblijf van 3 dagen per week, maar niet tot een verblijf van doorgaans drie dagen per week. Conclusie: geen recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting, aldus het hof.

Aansluitend bij onder meer de parlementaire geschiedenis van artikel 8.14a Wet IB 2001 zet de Hoge Raad een streep door het oordeel van het hof. In de parlementaire geschiedenis komt namelijk naar voren dat deze bepaling juist in de wet is opgenomen om ervoor te zorgen dat in geval van co-ouderschap waarbij de zorg voor de kinderen gelijkelijk is verdeeld, maar de ouders niet samenwonen, tóch door beide gebruik kan worden gemaakt van de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Volgens eerdere rechtspraak van de Hoge Raad is aan de verblijfseis voldaan als een kind van niet samenwonende ouders behoort tot het huishouden van één van de ouders, en het kind doorgaans ten minste 3 tot 3,5 dag per week verblijft in het huishouden van de andere ouder. Dit staat er echter niet aan in de weg dat de inkomensafhankelijke combinatiekorting ook kan worden genoten door beide ouders als zij de zorg voor de kinderen gelijkelijk verdelen in een ander ritme dan doorgaans ten minste 3 dagen per week.

Kortom: de inkomensafhankelijke combinatiekorting kan door beide ouders worden genoten als zij de zorg over de kinderen gelijk verdelen in een regelmatig ritme waarbij het kind gemiddeld doorgaans ten minste 3 dagen per week bij de ouder verblijft waar het niet staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie.

Meer informatie?
Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem dan contact op met de familierechtadvocaten van ons Team Familierecht.

Maart 2020

27224 
Ik help u graag verder
Lisanne van Wijk
Advocaat
Meest gelezen
  • ‘Kopietje paspoort’
  • ‘Oude’ pandeigenaren versus nieuw...
  • ‘Recht op vergetelheid’ heeft geen...
  • “Als lekkerste getest” niet...
  • “Detachering” leerling is verwijdering