Medische fout, nazorg en schadeafwikkeling: oordeel van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg

In onze nieuwsbrief van december 2017 besteedden wij aandacht aan een uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) Amsterdam inzake de plichten van een zorgverlener na het plaatsvinden van een incident. Het incident betrof in dit geval het ontstaan van een brandwond op een been van de patiënt tijdens een operatie aan zijn voet. De orthopedisch chirurg had tijdens de ingreep een door hem gebruikte zaag een poosje op het been van de patiënt gelegd. Door een mankement was de zaag oververhit geraakt. Het RTG kende in zijn beslissing veel betekenis toe aan de GOMA (Gedragscode Openheid medische incidenten; betere afwikkeling Medische Aansprakelijkheid). Het refereerde onder meer aan de verplichting om zorg te dragen voor een goede communicatie met de patiënt en trok deze lijn door naar de financiële afwikkeling van een (verwijtbaar) incident. Het RTG ging daarbij zo ver dat het op de zorgverlener de verplichting legde om zijn aansprakelijkheidsverzekeraar aan te spreken op een onzorgvuldige (te weinig voortvarende) afwikkeling van de door de patiënt gevorderde schadevergoeding. Het tuchtcollege merkte daarbij op dat deze verplichting des te meer geldt voor een zorgverlener die, zoals in dit geval de orthopedisch chirurg, deel uitmaakt van de directie van de zorgaanbieder (het ziekenhuis).

In een recente uitspraak, daterend van 8 maart 2018, heeft het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) deze beslissing van het RTG niet op alle punten gevolgd. Een punt van verschil betreft onder andere de mate waarin de zorgverlener zich volgens het CTG moet (en uit een oogpunt van deskundigheid: kán) bemoeien met de schadeafwikkeling door de aansprakelijkheidsverzekeraar.

Het CTG onderschrijft, bij wijze van uitgangspunt, volledig de zienswijze van het RTG dat veel belang toekomt aan de GOMA en de daarin neergelegde regels omtrent communicatie, persoonlijke aandacht, empathie, zorgzaamheid en correcte bejegening van de patiënt na een incident. Het sluit zich eveneens aan bij het oordeel van het RTG dat, in geval van een toekenbare tekortkoming, naast deze medische zorgplicht voor de zorgverlener óók een financiële zorgplicht bestaat die zich uitstrekt tot de afhandeling van de schade. Dat betekent, in de bewoordingen van het CTG, dat de zorgverlener – voor zover dat in zijn vermogen ligt – erop moet toezien dat een schadeclaim binnen een redelijke termijn wordt afgehandeld en dat hij alles moet doen wat daaraan kan bijdragen.

Tot de belangrijkste verplichtingen in de sfeer van de medische nazorg behoort het erkennen van fouten. Het CTG trekt hier echter, het oordeel van het RTG bijstellend, wel een grens: indien de zorgverlener, zoals in deze zaak het geval is, naar zijn zeggen gehandeld heeft overeenkomstig hetgeen in de beroepsgroep gebruikelijk is en hij er voorts vanuit gaat dat de schade mede het gevolg is van een gebrek van het gebruikte instrument, kan van hem wél worden verlangd dat hij openheid van zaken geeft, maar niet dat hij met zovele woorden erkent een fout te hebben gemaakt. De orthopedisch chirurg moet binnen zekere marges (van redelijkheid) de vrijheid hebben om het standpunt in te nemen dat van een fout geen sprake is. Het CTG neemt aan dat de chirurg in dit geval binnen die marges is gebleven; het was voor hem niet evident dat onjuist was gehandeld.

Wat betreft de inhoud/omvang van de financiële zorgplicht van de orthopedisch chirurg oordeelt het CTG dat het enkele feit dat het schadeafhandelingsproces moeizaam verliep en frustraties bij de patiënt opriep, in het kader van de tuchtrechtelijke beoordeling niet voldoende is voor een verwijt. Weliswaar dient een zorgverlener zijn aansprakelijkheidsverzekeraar deugdelijk voor te lichten en kan er bijvoorbeeld aanleiding toe bestaan om de verzekeraar in beweging te brengen of te proberen de communicatie tussen de verzekeraar en de patiënt te verbeteren, het ‘ligt niet op zijn weg om zich in het kader van de door hem te verlenen nazorg te begeven in inhoudelijke discussies over civiele aansprakelijkheid, causaliteit en schadebegroting.’ Het gaat hierbij immers om strikt juridische aangelegenheden waaromtrent van de zorgverlener geen kennis mag worden verwacht. Om die reden heeft de zorgverlener daaromtrent ook geen verplichtingen. Ten aanzien van de soms tijdrovende discussie op dit – juridische – vlak tussen de verzekeraar en de patiënt (dan wel diens belangenbehartiger(s)) past, aldus het CTG, aan de kant van de zorgverlener dus terughoudendheid.

Het CTG neemt in deze zaak – dan ook – aan dat van de orthopedisch chirurg niet meer kon worden gevergd dan dat hij (samen met zijn bij de behandeling betrokken collega’s) de verzekeraar aanspoorde om tot een afronding van de schadeafwikkeling te komen. Dat hij dit laatste had gedaan, was voldoende gebleken. In de discussie over het al dan niet bestaan van juridische aansprakelijkheid hoefde hij zich, omdat hij dit inhoudelijk gezien niet kón, niet te mengen.

Het oordeel van het CTG legt hiermee minder vérgaande verplichtingen op de zorgverlener ter zake van de schadeafwikkeling dan het RTG had gedaan, maar bevestigt dus wel het uitgangspunt van het RTG dat de zorgplicht na een incident zich behalve tot de medische en de emotionele belangen van de patiënt ook tot diens financiële belangen uitstrekt. Deze zorgplicht op het financiële vlak is niet juridisch-inhoudelijk, maar procedureel van aard. Zij houdt in dat de zorgverlener, binnen de grenzen van zijn mogelijkheden, een duidelijke vinger aan de pols van de zorgverzekeraar houdt. Tevens toont de uitspraak van het CTG – evenals de beslissing van het RTG – dat ook in de tuchtrechtspraak de nodige betekenis wordt toegekend aan de GOMA.

Voor wat betreft de civielrechtelijke rechtspraak valt voor wat betreft de betekenis van de GOMA te wijzen op een recentere uitspraak van de rechtbank Gelderland (22 juni 2017). Daarin werd met een verwijzing naar deze gedragscode een verplichting op het tot schadevergoeding aangesproken ziekenhuis gelegd om mee te werken aan een onafhankelijk deskundigenonderzoek buiten rechte.

Voor vragen of verdere informatie over de besproken uitspraak of over andere onderwerpen op het gebied van het tuchtrecht of de medische aansprakelijkheid kunt u zich wenden tot Rankie ten Hoopen en Maruca Overdijk.

Mei 2018

782 
Ik help u graag verder
Rankie ten Hoopen
Juridisch medewerker
716 
Ik help u graag verder
Maruca Overdijk
Partner
Meest gelezen
  • ‘Kopietje paspoort’
  • ‘Oude’ pandeigenaren versus nieuw...
  • ‘Recht op vergetelheid’ heeft geen...
  • “Als lekkerste getest” niet...
  • “Detachering” leerling is verwijdering