NVWA deel IV: de strafrechtelijke sancties en het interventiebeleid van de NVWA

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: “NVWA”) is belast met toezicht en handhaving van wet- en regelgeving op het gebied van voedselveiligheid, dierengezondheid en dierenwelzijn bij diverse agrarische bedrijven. Hierbij vervult zij een dubbelfunctie: enerzijds voert de NVWA reguliere controles uit, anderzijds is zij belast met de opsporing van mogelijke strafbare feiten. De NVWA beschikt daarbij over een breed scala aan controle- en opsporingsbevoegdheden, evenals over diverse sanctiemogelijkheden.

In een vierdelige blogreeks zullen we de rol van de NVWA ten opzichte van agrarische bedrijven nader uiteenzetten. In het eerste deel staan de verschillende bestuursrechtelijke bevoegdheden van de NVWA als toezichthouder centraal. In het tweede deel worden de diverse strafrechtelijke bevoegdheden van de NVWA als opsporingsdienst en het gehanteerde interventiebeleid nader uiteengezet. Binnen het derde deel staan de diverse op te leggen bestuursrechtelijke sancties en de rechtsbescherming hiertegen centraal. Tot slot worden in dit vierde en laatste deel de strafrechtelijke sanctiemogelijkheden en de bijbehorende rechtsbescherming uitgewerkt, evenals het door de NVWA gehanteerde interventiebeleid.

Strafrechtelijke sancties
Indien de opsporingsdienst van de NVWA (“de NVWA-IOD”) een misdrijf of overtreding van een wettelijk voorschrift heeft geconstateerd, dan kan zij diverse vervolgstappen nemen die leiden tot strafrechtelijke sanctionering.

De meest voorkomende maatregel bij het constateren van een overtreding is het opmaken van een proces-verbaal ex artikel 153 Wetboek van Strafvordering (“Sv”). In dit proces-verbaal wordt een omschrijving van de geconstateerde overtredingen opgenomen, evenals een beschrijving van de feitelijke situatie, de overtreden wettelijke voorschriften en verklaringen van de betrokken partijen. Het proces-verbaal wordt doorgaan opgestuurd naar het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie voor verdere afhandeling. Het Functioneel Parket beslist vervolgens over het al dan niet instellen van strafrechtelijke vervolging.

De NVWA-IOD kan echter ook ingevolge artikel 257ba lid 1 Sv jo artikel 2 Richtlijn bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid milieu- en keurfeiten (hierna: “de Richtlijn”) zelf een bestuurlijke strafbeschikking opleggen. Het opleggen van een strafbeschikking vindt doorgaans plaats bij strafbare feiten van geringe ernst of eenvoudig van aard. De hoogte van de boetebedragen is per feit nader gespecificeerd in de keurlijst die als bijlage aan de Richtlijn is toegevoegd. Zo wordt het niet voldoen aan de aanwijzing van een toezichthouder ex artikel 26 Wet op de economische delicten bestraft met een boete van respectievelijk EUR. 1.000 voor natuurlijke personen en EUR. 2.500 voor rechtspersonen. De in de bijlage genoemde bedragen zijn vaste bedragen waarvan niet kan worden afgeweken; indien de bedragen in een concreet geval als niet passend worden beschouwd, dan wordt het proces-verbaal doorgestuurd naar het Functioneel Parket voor verdere afhandeling.

De Wet dieren en GWWD bevatten geen aanvullende strafrechtelijke sanctiemogelijkheden. Wel zijn diverse overtredingen van voorschriften van deze wet strafbaar gesteld en is hieraan een specifieke strafmaat gekoppeld, zoals artikel 8.11 en 8.12 Wet dieren.

Rechtsbescherming tegen strafrechtelijke opsporingsbevoegdheden en sancties
Indien een natuurlijk persoon of rechtspersoon onderwerp is van een strafrechtelijk onderzoek, dan zal deze (rechts)persoon doorgaans aan als “verdachte” ex artikel 27 Sv worden aangemerkt. Dit betekent dat een aantal opsporingsmiddelen kunnen worden aangewend. Van belang is hierbij zowel de toegepaste bevoegdheid als degene die hiervan gebruik maakt.

Een veelvoorkomend middel is dat de betreffende (rechts)persoon gehoord wordt. De opsporingsambtenaar is dan gehouden de verdachte erop te wijzen dat die niet tot antwoorden verplicht is. De opsporingsambtenaar kan daarnaast ervoor kiezen bepaalde voorwerpen in beslag te nemen. Hiertegen kan een klaagschriftprocedure ex artikel 552a Sv worden gevoerd. Verder kan een opsporingsambtenaar een gebouw betreden, zoekend rondkijken of overgaan tot een doorzoeking. Bij een doorzoeking is het toegestaan dat de verdachte zich door een raadsman laat vergezellen, zonder dat daarmee het onderzoek wordt opgehouden.

Het niet op een juiste wijze inzetten van opsporingsmiddelen kan leiden tot een vormverzuim, met als mogelijk gevolg strafverlaging, bewijsuitsluiting of zelfs een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. Of en welk van deze gevolgen aan een vormverzuim worden verbonden hangt af van de ernst van het betreffende verzuim.

Tegen een opgelegde strafbeschikking kan verzet worden aangetekend binnen twee weken na ontvangst. Het erkennen van een strafbeschikking heeft gevolgen voor het strafblad van de verdachte. Verzet tegen een strafbeschikking leidt alsnog tot een gerechtelijke procedure. Hierbij dient de verdachte zich te laten bijstaan door een advocaat.

Keuze bestuursrechtelijk of strafrechtelijk optreden
De vraag rijst natuurlijk of er voor de NVWA een vrije keuze bestaat voor toepassing van bestuursrechtelijke of strafrechtelijke instrumenten. Immers vervult de NVWA een dubbelfunctie als toezichthouder en bijzondere opsporingsdienst.

De keuze tussen het inzetten van bestuursrechtelijke of strafrechtelijke bevoegdheden is grotendeels afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Doorslaggevend is echter in veel gevallen het te bereiken doel met het optreden. Gaat het om een reguliere controle, dan zal in de regel gekozen worden voor bestuursrechtelijke bevoegdheden. Is er daarentegen sprake van een (concrete) verdenking van het plegen van strafbare feiten, dan ligt toepassing van strafrechtelijke bevoegdheden voor de hand.

De NVWA geeft in de richtlijn “Algemeen interventiebeleid NVWA” aan dat in beginsel gekozen wordt voor bestuursrechtelijk handhaven indien dit volgt uit de geldende wettelijke bepalingen of beleidsregels. Slechts indien dit optreden niet het gewenste effect biedt wordt er gekozen voor strafrechtelijk optreden. Beide wettelijke regimes kunnen ook met elkaar worden gecombineerd. Indien de wet zowel de toepassing van bestuursrechtelijke als strafrechtelijke bevoegdheden mogelijk maakt, dan wordt door de NVWA een richtsnoer gehanteerd om te bepalen welk type bevoegdheid dient te worden ingezet. Relevante factoren hierbij zijn de gevolgen van de overtreding, de omstandigheden waaronder deze is begaan, het gedrag van de overtreder, diens voorgeschiedenis en de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Aan de hand van deze factoren weegt de NVWA vervolgens per geval af welke bevoegdheden zij zal inzetten.

Keuze op te leggen maatregelen
Naast de keuze tussen bestuursrechtelijk en strafrechtelijk optreden wordt in het Algemeen Interventiebeleid van de NVWA ook bepaald welk type maatregel moet worden opgelegd. Of een overtreding resulteert in een boete of kan worden afgedaan met een waarschuwing hangt af van het type overtreding en de sector waarin de overtreding is gepleegd. Het interventiebeleid van de NVWA is gemêleerd van aard, nu het een combinatie van bestuursrechtelijke en strafrechtelijke maatregelen mogelijk maakt.

De NVWA hanteert bij het bepalen van de op te leggen maatregel een klassenindeling. Onderscheid wordt gemaakt tussen een viertal categorieën, te weten categorie A tot en met D. Klasse A- en B-overtredingen (of misdrijven) vormen de zwaarste categorieën omdat zij ingrijpende gevolgen hebben ten aanzien van de natuur, het milieu, de veiligheid van mensen, de menselijke gezondheid of het dierenwelzijn. Er moet daarbij daadwerkelijk sprake zijn van ernstige gevolgen of een aannemelijk risico dat met de overtreding de ernstige gevolgen zich voortdoen. Het verschil tussen beide categorieën is dat klasse A-overtredingen vormen van (complexe) fraude inhouden die de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden door de NVWA-IOD vereisen terwijl bij klasse B-overtredingen de keuze bestaat tussen bestuursrechtelijk of strafrechtelijk optreden. De minder zware overtredingen zijn gecategoriseerd in klasse C en klasse D. Klasse C-overtredingen zijn dusdanig ongewenst dat na een officiële waarschuwing alsnog corrigerend optreden kan volgen. Bij klasse D-overtredingen wordt in beginsel enkel een mededeling ter plekke gedaan; bij herhaling of voortduring van de geconstateerde overtreding kan een aanpak conform klasse C-overtredingen (en dus een waarschuwing met eventueel corrigerend optreden) volgen.[1]

De NVWA heeft haar interventiebeleid op diverse onderdelen nader gespecificeerd in het zogenaamde Specifiek Interventiebeleid. Dit zijn diverse beleidsdocumenten van de NVWA waarin het Algemeen Interventiebeleid per sector nader wordt geconcretiseerd. Dit Specifiek Interventiebeleid is op verschillende onderdelen relevant voor agrarische bedrijven. Ten aanzien van de dierengezondheid geldt dat de Algemene Inspectiedienst (hierna: “AID”) belast is met het toezicht en de opsporing van strafbare feiten, waarbij zij aan de hand van bovenstaande indeling optreedt. De Voedsel- en Warenautoriteit houdt daarnaast nog (reactief) toezicht.[2] Voor wat betreft de preventie van dierenziekten geldt dat een last onder dwangsom kan worden opgelegd, naargelang de ernst van de overtreding, of gekozen kan worden voor schorsing dan wel intrekking van de erkenning. Dit laatste heeft als gevolg dat de betrokkenen gedwongen wordt (tijdelijk) te stoppen met zijn werkzaamheden. Andere mogelijke maatregelen zijn extra bezetting of toezicht op bepaalde werkzaamheden. Bij het interventiebeleid ten aanzien van dierentransport bestaan zowel bestuursrechtelijke als strafrechtelijke sanctiemogelijkheden, waarbij een voorkeur voor het bestuursrecht geldt. Hierbij kan gekozen worden voor diverse maatregelen, waaronder een bestuurlijke boete die hoger wordt naargelang de ernst en frequentie van de overtredingen.[3]

Hoewel het bovenvermelde interventiebeleid in de regel zal worden toegepast, is het in bepaalde omstandigheden mogelijk om van dit beleid af te wijken. Dit kan echter alleen indien de wet dit voorschrijft, het Openbaar Ministerie hiertoe beslist of de NVWA, gelet op de specifieke feiten en omstandigheden, zich hiertoe genoodzaakt acht. Daarnaast is het interventiebeleid ook bij ernstige incidenten of crises dan wel agressie of geweld tegen NVWA-medewerkers onverminderd van kracht, hoewel deze omstandigheden soms tot afwijking kunnen nopen.[4]

Tot slot
Al met al is het interventiebeleid van de NVWA in hoge mate gespecificeerd. De daadwerkelijke toepassing van bestuursrechtelijke of strafrechtelijke bevoegdheden verschilt hierdoor van geval tot geval, afhankelijk van het specifieke beleidsterrein waarop de NVWA actief is. Bij deze interventie is het geldende Specifiek Interventiebeleid leidend, waarbij bij het ontbreken van specifiek beleid kan worden teruggevallen op het Algemeen Interventiebeleid.

 

[1] Algemeen Interventiebeleid NVWA, p. 6-9.
[2] Interventiebeleid diergezondheid en dierenziekten NVWA, p. 3.
[3] Interventiebeleid diertransport NVWA, p. 5-8.
[4] Algemeen Interventiebeleid NVWA, p. 11.

752 
Ik help u graag verder
Xander Wynands
Partner
Meest gelezen
  • ‘Kopietje paspoort’
  • ‘Oude’ pandeigenaren versus nieuw...
  • ‘Recht op vergetelheid’ heeft geen...
  • “Als lekkerste getest” niet...
  • “Detachering” leerling is verwijdering