OMR roept advocaat ten onrechte in, schoolbestuur moet kosten procedures betalen

Eén ouder vormde in zijn of haar eentje de oudergeleding van de medezeggenschapsraad (OMR) van een middelbare school. Deze OMR liet zich adviseren door een advocaat, die met een beroep op de Wet medezeggenschap op scholen (Wms) de school verzocht om zijn kosten te betalen. De middelbare school weigerde de gevraagde duizenden euro’s aan juridische advisering te vergoeden. Hierop maakte de OMR (uiteindelijk) de gang naar de Ondernemingskamer. De uitkomst kan onbevredigend aanvoelen.

OMR versus middelbare school
Op 9 oktober 2017 meldde de betrokken advocaat zich voor het eerst bij het schoolbestuur waar de middelbare school onder viel. De advocaat stond de uit (aanvankelijk) één ouder bestaande oudergeleding van de medezeggenschapsraad (OMR) van deze middelbare school bij. De advocaat verzocht het schoolbestuur aan hem te bevestigen dat zijn kosten voor juridische advisering door het schoolbestuur zouden worden betaald. Zijn advisering van de OMR zou betrekking hebben op een aantal onderwerpen: instemmingsrecht van de OMR ten aanzien van de schoolgids en de daarin te vermelden keuzewerktijd voor het vwo, het ontbreken van bepaalde informatie in de schoolgids, alsmede de wens van de OMR om direct met alle ouders te kunnen en mogen communiceren.

De advocaat beriep zich met het verzoek zijn kosten te voldoen op artikel 28 lid 2 Wms. Deze bepaling betreft de onderwijsrechtelijke evenknie van artikel 22 Wet op de ondernemingsraden. Artikel 28 lid 2 Wms houdt kortgezegd in dat een school een regeling moet treffen voor de redelijkerwijs noodzakelijke kosten van medezeggenschapsactiviteiten die door ouders, leerlingen en personeel moeten worden ondernomen, waaronder begrepen scholingskosten, kosten voor het inschakelen van deskundigen en kosten voor het voeren van rechtsgedingen

Het schoolbestuur weigerde tegemoet te komen aan de (financiële) wensen van de advocaat van de OMR. Het schoolbestuur stelde dat de OMR niet zelfstandig een beroep kan doen op artikel 28 lid 2 Wms, maar dat zo’n verzoek om dekking van kosten alleen door de medezeggenschapsraad als geheel kan worden gedaan. De OMR wendde zich hierop tot de Landelijke Commissie Geschillen Wms (“de commissie”). Nadat deze instantie op 26 februari 2018 de OMR in het ongelijk stelde werd het geschil in hoger beroep voorgelegd aan de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam.

Ondernemingskamer
De uitspraak van de Ondernemingskamer van 25 september 2018 bevat een aantal belangrijke inzichten voor besturen, schooldirecties en medezeggenschapsorganen in het primair en voortgezet onderwijs. Allereerst wordt door de Ondernemingskamer toegelicht welke juridische maatstaf moet worden gehanteerd bij de vraag of het in dit concrete geval voor de vervulling van de taken van de OMR redelijkerwijs noodzakelijk was om de advocaat als deskundige te raadplegen en of de kosten daarvan ten laste van het schoolbestuur komen.

Bij deze beoordeling moet “onder meer in aanmerking worden genomen het belang en de aard van het onderwerp waarover de OMR de deskundige wenst te raadplegen, de omvang van de daarmee gemoeide kosten en de draagkracht van de school. In dat kader kan tevens van belang zijn of en, zo ja, in hoeverre de OMR ook andere, minder kostbare middelen ter beschikking stonden om de door haar gewenste informatie te verkrijgen.”

Na deze maatstaf toegepast te hebben op het geschil tussen de OMR en het schoolbestuur concludeerde de Ondernemingskamer dat het schoolbestuur niet tekort was geschoten in de naleving van zijn verplichtingen op grond van artikel 28 lid 2 Wms. De Ondernemingskamer constateerde in de eerste plaats dat “voor elk van de onderwerpen waarvoor de OMR om vergoeding van deskundige bijstand heeft verzocht geldt dat navraag bij de medezeggenschapsraad en/of [het schoolbestuur] de gewenste duidelijkheid had kunnen bieden, waarna zo nodig nader overleg had kunnen volgen“. De Ondernemingskamer is het met het oordeel van de commissie eens dat de OMR zijn vragen eerst aan de orde had moeten stellen binnen de medezeggenschapsraad als geheel. Daarbij komt dat de aard van de door OMR aangekaarte onderwerpen volgens de Ondernemingskamer niet zorgde voor een noodzaak tot inhuur van bijzondere expertise in de vorm van externe juridische bijstand.

De Ondernemingskamer lichtte verder, ook in algemene zin, nog toe dat als een medezeggenschapsorgaan een deskundige wil raadplegen op kosten van het bevoegd gezag het medezeggenschapsorgaan “voldoende gegevens zal moeten aanreiken. Daarbij is in ieder geval te denken aan een concrete omschrijving van het onderwerp waarover [het medezeggenschapsorgaan] een deskundige wenst te raadplegen, een toelichting waarom het in dit geval redelijkerwijs noodzakelijk is daarover een deskundige te raadplegen en een opgave van de daaraan verbonden kosten.” In deze zaak was hier door de OMR van de middelbare school naar het oordeel van de Ondernemingskamer niet aan voldaan.

EUR 15.000 voor het voeren van procedures
Onderdeel van het geschil was de vraag of een onderdeel van de medezeggenschapsraad, zoals de OMR, zelfstandig aanspraak kan maken op een kostenvergoeding op grond van artikel 28 lid 2 Wms en überhaupt op grond van artikel 35 Wms zelfstandig een verzoek tot naleving van de verplichtingen uit de Wms kan doen. De Ondernemingskamer oordeelde dat dit het geval kan zijn: “het is niet uit te sluiten dat een geleding onder omstandigheden ook zelfstandig aanspraak kan maken op een kostenvergoeding ter zake van een onderwerp waarvoor de MR als geheel of twee geledingen gezamenlijk een bevoegdheid toekomt“.

Gevolg hiervan was dat het schoolbestuur veroordeeld zou kunnen worden bij te dragen aan de kosten die de OMR heeft gemaakt voor het voeren van de procedures bij de commissie en de Ondernemingskamer. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 28 lid 2 Wms volgt immers dat kosten van een nalevingsgeschil bij de commissie en de Ondernemingskamer in ieder geval zijn aan te merken als kosten die “redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de medezeggenschapsraad“.

De advocaat stelde dat zijn kosten voor de procedures bij de commissie en de Ondernemingskamer (circa) EUR 25.000 bedroegen. Mede gelet op de beperkte draagkracht van de betreffende middelbare school vond de Ondernemingskamer dit bedrag te fors. Ook achtte de Ondernemingskamer aannemelijk dat een deel van de gefactureerde bedragen betrekking hadden op advisering door de advocaat ter zake de onderliggende problematiek, welke kosten zoals hiervoor is overwogen het schoolbestuur níet diende te dragen. De Ondernemingskamer besloot daarom de kostenvergoeding te matigen. Desondanks achtte de Ondernemingskamer EUR 15.000 inclusief BTW wel redelijk. Deze kosten van de OMR – voor het voeren van de procedures bij de commissie en de Ondernemingskamer – komen dus wel ten laste van het schoolbestuur.

Conclusies
De besproken uitspraak geeft aanknopingspunten bij de vraag wanneer een schoolbestuur kosten van de inhuur van een deskundige door een (onderdeel van de) medezeggenschapsraad voor zijn rekening moet nemen. Duidelijk is dat een schoolbestuur niet zomaar mee hoeft te gaan in een verzoek bepaalde kosten te dekken. Doordat de Ondernemingskamer de criteria heeft uitgewerkt waaraan een dergelijk verzoek moet voldoen, is er meer duidelijkheid gekomen in welke gevallen zo’n verzoek wel succesvol zou moeten zijn.

De feitelijke uitkomst in deze zaak kan onbevredigend aanvoelen. De deskundige in deze casus, de advocaat, was volgens de Ondernemingskamer terecht niet betaald voor zijn advisering aan de OMR, maar wordt alsnog relatief fors in zijn kosten tegemoet gekomen omdat hij is gaan procederen bij de commissie en de Ondernemingskamer. Dat deze procedures – ook op voorhand – niet bepaald kansrijk waren maakt het feit dat het schoolbestuur EUR 15.000 moet betalen wel wrang. De wetgever heeft dit echter zo bedoeld: kosten van een nalevingsgeschil bij de commissie en de Ondernemingskamer moeten in ieder geval worden aangemerkt als redelijkerwijs noodzakelijke kosten, onafhankelijk van de vraag welke partij in het ongelijk wordt gesteld.

Meer weten?
Wilt u meer weten over de uitspraak van de Ondernemingskamer en de reikwijdte van artikel 28 lid 2 Wms, of heeft u een andere vraag over medezeggenschap in het onderwijs? Neem dan contact op met Stijn Blom of een van de andere advocaten van team Onderwijs. Zij zijn u graag van dienst.

Oktober 2018

21306 
Ik help u graag verder
Stijn Blom
Advocaat
Meest gelezen
  • ‘Kopietje paspoort’
  • ‘Oude’ pandeigenaren versus nieuw...
  • “Als lekkerste getest” niet...
  • “Detachering” leerling is verwijdering
  • (Te) creatief met dividend: omzetting in een lening

Wij gebruiken cookies om u de beste online ervaring te bieden. Door akkoord te gaan, accepteert u het gebruik van cookies in overeenstemming met ons cookiebeleid.

Privacy Settings saved!
Privacy-instellingen

Wanneer u een website bezoekt, kan het informatie in uw browser opslaan of ophalen, meestal in de vorm van cookies. Beheer hier uw persoonlijke Cookie Services.

Deze cookies zijn nodig om de website te laten functioneren en kunnen niet worden uitgeschakeld in onze systemen.

In order to use this website we use the following technically required cookies
  • wordpress_test_cookie
  • wordpress_logged_in_
  • wordpress_sec

Omwille van de prestaties gebruiken we Cloudflare als een CDN-netwerk. Hiermee wordt een cookie "__cfduid" opgeslagen om beveiligingsinstellingen per client toe te passen. Deze cookie is strikt noodzakelijk voor de beveiligingsfuncties van Cloudflare en kan niet worden uitgeschakeld.
  • __cfduid

Geen toestemming
Wel toestemming