Sneller einde alimentatieplicht bij samenwonen alimentatiegerechtigde

In eerdere blogs hebben wij al gewezen op een  (voorzichtige) trend in de lagere rechtspraak : dat er sprake is van een samenwonen van de alimentatiegerechtigde met een nieuwe partner in de zin van artikel 1:160 BW, als gevolg waarvan de alimentatieplicht definitief komt te vervallen, wordt inmiddels iets sneller aangenomen.

Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft op 26 januari 2017  een beschikking afgegeven, waarin die trend wordt bevestigd.

De casus was (kort) de volgende: De vrouw was ingetrokken in een (voor bewoning geschikt gemaakte) garage in de woning die in eigendom toebehoorde aan de zoon van haar partner. Haar partner woonde ook bij zijn zoon in huis. Zij betaalde voor de bewoning van de omgebouwde garage geen huur, maar stelde dat zij die huur “verrekende” met de door haar deels betaalde/voorgeschoten verbouwingskosten van de garage. Zij voerde voorts aan dat zij de huur van haar vorige woning niet meer kon opbrengen, omdat zij geen huurtoeslag meer ontving. In de garage waren er geen eigen nutsvoorzieningen. Tijdens haar verblijf in de garage (gedurende enkele jaren) had de vrouw gebruik kunnen maken van de nutsaansluiting van de woning van de zoon. Zij gebruikte onder andere de doucheruimte, de wasmachine en wasdroger. Niet aangetoond kon worden dat zij daarvoor een vergoeding betaalde. De garage was niet als zelfstandige woning verbouwd, maar nog steeds inpandig verbonden met de woning van de zoon. Een aantal keren per week werd samen gegeten, en de vrouw en haar partner brachten ook enkele nachten per week samen door. Ook gingen ze wel eens samen op vakantie. Toen de relatie tussen de vrouw en haar partner werd verbroken, is zij kort daarna verhuisd naar een andere woning.

Die omstandigheden vormden voldoende bewijs voor de rechter om te concluderen dat er sprake was van een feitelijke samenwoning, een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging. De volgende overweging van het Hof springt hierbij nog in het oog:

Het Hof betrekt bij zijn oordeel dat het in het huidige tijdsgewricht, waarin echtelieden ook niet meer jegens elkaar verplicht zijn tot samenwoning, in het algemeen zeer wel mogelijk is dat personen die een duurzame, affectieve relatie met elkaar onderhouden en die samenleven als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW, kiezen voor een invulling van hun dagelijkse leven waarbij zij niet iedere dag en nacht met elkaar doorbrengen en waarbij zij niet alle financiële middelen met elkaar delen“.

Weer een stap in de goede richting voor alimentatieplichtigen, ook al blijft gelden: één zwaluw maakt nog geen zomer. Wat voor deze casus geldt, is niet automatisch voor andere gevallen ook van toepassing. Heeft u vragen over dit thema: wij adviseren u graag hierover.

 

Februari 2017

690 
Ik help u graag verder
Ruud Tuinstra
Partner
Meest gelezen
  • ‘Kopietje paspoort’
  • ‘Oude’ pandeigenaren versus nieuw...
  • ‘Recht op vergetelheid’ heeft geen...
  • “Als lekkerste getest” niet...
  • “Detachering” leerling is verwijdering

Website feedback

Wij stellen uw mening erg op prijs. Om uw ervaring te verbeteren vragen wij ongeveer 1 minuut van uw tijd om onze website te beoordelen.

You have Successfully Subscribed!