Stand still-termijn ook verplicht bij meervoudig onderhandse procedure?

De Aanbestedingswet rept met geen woord over het antwoord op de vraag of bij een meervoudig onderhandse procedure na gunning een opschortende termijn (“stand still-termijn”) moet worden gehanteerd voordat tot contractsluiting wordt overgegaan. Sinds een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant uit 2013 oordelen zowel de rechter als de Commissie van Aanbestedingsexperts (CvAE) echter consequent dat ook bij een meervoudig onderhandse procedure een zekere stand still-termijn in acht moet worden genomen. Het fair-playbeginsel en de (precontractuele) redelijkheid en billijkheid brengen namelijk mee dat er een voldoende effectieve rechtsbeschermingsmogelijkheid tegen de gunningsbeslissing moet bestaan.

Wat is redelijk?
De discussie over de stand still-termijn heeft zich de afgelopen jaren vooral toegespitst op de vraag hoeveel dagen de termijn minimaal moet bedragen, wil een effectieve rechtsbescherming gegarandeerd zijn. Vaststaat dat contractsluiting op dezelfde dag dat de gunning plaatsvindt de toets niet kan doorstaan (hoewel “spoed” zelfs deze termijn mogelijk kan rechtvaardigen). Het antwoord op de vraag hoe lang de stand still-termijn dient te zijn valt (nog) niet in zijn algemeenheid te geven is. Dit hangt af van alle omstandigheden van het geval (CvAE, Advies 147). De gehanteerde termijn moet in elk geval duidelijk bepaald zijn. Het is niet voldoende om “even” te wachten met contractsluiting of te volstaan met een globale planning.

Korte termijn
In een vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland medio 2016 wees, was een meervoudig onderhandse procedure aan de orde waarbij in het aanbestedingsdocument een duidelijk vermelde stand still-termijn van 5 kalenderdagen was opgenomen. Hoewel de voorzieningenrechter toegaf dat die termijn “erg kort” is, moest het voor de inschrijvers duidelijk zijn tot wanneer zij uiterlijk een kort geding aanhangig kon maken tegen de gunningsbeslissing. Door vervolgens in te schrijven op de aanbesteding hebben de inschrijvers met de korte duur van deze vervaltermijn ingestemd.

Ons advies
De voorzieningenrechter oordeelde echter ook dat als het aannemelijk is dat het voor een inschrijver in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet mogelijk is om een kort geding aanhangig te maken als gevolg van de korte termijn, de termijn van 5 kalenderdagen toch onaanvaardbaar is.

Inmiddels is het in de aanbestedingspraktijk praktijk goed gebruik om bij een meervoudig onderhandse aanbesteding een stand still-termijn van zeven dagen te hanteren. Deze termijn lijkt inderdaad “veilig”. Wij raden u dan ook aan bij onderhandse (overheids)aanbestedingen aan een stand still-termijn van minimaal 7 dagen in acht te nemen.

Meer informatie

Heeft u een vraag over aanbestedingsrechtelijke termijnen of over een ander aanbestedingsrechtelijk onderwerp? Neem dan contact op met ons team Aanbestedingsrecht, Mededingingsrecht & Staatssteun.

Mei 2017

767 
Ik help u graag verder
Louis Einig
Partner
6856 
Ik help u graag verder
Wouter Smits
Advocaat
Meest gelezen
  • ‘Kopietje paspoort’
  • ‘Oude’ pandeigenaren versus nieuw...
  • “Als lekkerste getest” niet...
  • “Detachering” leerling is verwijdering
  • “Ik bewaar uw spullen wel totdat u heeft...