Unieburgers en de OV-Jaarkaart

Studentmobiliteit tussen de lidstaten van de Europese Unie blijft een controversieel leerstuk, beheerst door een min of meer eigen set van regels gaandeweg ontwikkeld door het Hof van Justitie. In deze bijdrage wordt de nieuwste zaak besproken in deze saga: Zaak C-233/14, Commissie/Nederland.

Onderwijsaangelegenheden: gelijke behandeling
Om deze casus te contextualiseren kan het best een voorbeeld worden gebruikt. Een student met de Duitse nationaliteit wil graag een Master European Law volgen aan de Universiteit Maastricht. Ingevolge Artikel 18 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie heeft hij of zij in beginsel recht op gelijke behandeling met Nederlandse studenten inzake onderwijsaangelegenheden. In de rechtspraak van het Hof zijn de precieze voorwaarden daarvoor verder uitgewerkt. Zo heeft een student vanaf dag één recht op gelijke behandeling inzake collegegeld, en aanspraak op eventuele beurzen en leningen die bedoeld zijn studenten te ondersteunen in de betaling daarvan. Hier mogen geen verdere voorwaarden gesteld worden (zoals verblijf in bepaalde regio).

Studiefinanciering: uitzondering gelijke behandeling
Aanspraak op studiefinanciering mag daarentegen door de gastlidstaat (hier Nederland) worden beperkt. Ingevolge Artikel 24 lid 2 Richtlijn 2004/38 hoeft een lidstaat een student pas studiefinanciering toe te kennen indien deze een recht op permanent verblijf (normaliter na vijf jaar legaal verblijf) heeft verworven. Pas op dat moment is er sprake van een ‘werkelijke band’ die zo een toekenning rechtvaardigt. Dit is anders wanneer de student als Uniewerknemer heeft te gelden (normaal bij 8-10 uur arbeid per week); in zo een geval bestaat de aanspraak van studiefinanciering op het moment van aanvang van de arbeidsbetrekking.

Vervoerskorting Oostenrijk: onderwijsaangelegenheid
Ingevolge Zaak C-75/11, Commissie/Oostenrijk leek er nog een derde categorie voordelen te bestaan: kortingen voor studenten, bedongen door de overheid, op het gebruik van het openbaar vervoer. Oostenrijk had de aanspraak op deze kortingen afhankelijk gemaakt van de voorwaarde dat de ouders van de studenten in kwestie recht hadden op Oostenrijkse kinderbijslag. Dit werd door het Hof als indirect discriminerend naar nationaliteit betiteld: het was immers te voorzien dat studenten met de Oostenrijkse nationaliteit eerder aan zo een voorwaarde zou voldoen dan studenten met een andere EU nationaliteit.

Vervolgens probeerde Oostenrijk zich op Artikel 24 lid 2 Richtlijn 2004/38 te beroepen: er kon van studenten een werkelijke band worden verlangd voordat zij aanspraak konden maken op ‘steun voor levensonderhoud toe te kennen voor studies’. Alternatief stelde Oostenrijk dus het regime voor studiefinanciering te volgen: aanspraak pas na vijf jaar en voor die tijd enkel indien de student als Uniewerknemer gold. Het was Hof wees dit af: de voordelen konden dan wel als levensonderhoud gezien worden, maar niet als als levensonderhoud ‘in de vorm van een studiebeurs of –lening’. Uiteindelijk concludeerde het dat vervoerskortingen voor studenten naar hun ‘aard en doelstelling’ verstrekt moesten worden aan elke Unieburger die ingeschreven stond aan een (hoger) onderwijsinstelling.

Toegepast op Nederland zou dat betekenen dat de Duitse student in het voorbeeld:

  • Recht heeft op het wettelijke collegegeld, en het collegegeldkrediet (=voordeel strekkende tot betaling van het collegegeld).
  • Recht heeft op studiefinanciering na een verblijf van vijf jaar (of indien hij of zij Uniewerknemer is).
  • Recht heeft op het ‘studentenreisproduct’ (de OV-Jaarkaart) vanwege het feit dat hij of zij ingeschreven staat aan een Nederlandse universiteit.

OV-Jaarkaart Nederland: studiefinanciering
In zaak C-233/14, Commissie/Nederland ging het om het laatste: Nederland maakt de toekenning van de OV jaarkaart afhankelijk van de vraag of de student in aanmerking komt voor studiefinanciering. De Commissie stelde dat dit, in het licht van de eerder aangehaalde Commissie/Oostenrijk, in strijd was met het Unierecht.

Het Hof van Justitie besliste echter anders. Zonder in te gaan of het systeem gehanteerd door Nederland al dan niet direct discriminerend is naar nationaliteit, stelt het dat de reisvoorziening binnen de werkingssfeer van Artikel 24 lid 2 Richtlijn 2004/38 valt.

Het onderscheid met Commissie/Oostenrijk was dat in die zaak de vervoerskortingen afhankelijk waren van de status van de ouders (als ontvangers van kinderbijslag). Toekenning van de reisvoorziening in Nederland was echter direct gelieerd aan het volgen van een opleiding en aanspraak op studiefinanciering. Bovendien wordt deze verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs: aanvankelijk een lening die wordt omgezet naar een gift bij het behalen van een diploma binnen tien jaar na eerste aanspraak. Daarmee, stelt het Hof, vertoont de reisvoorziening ‘(…) de kenmerken van en is zij verwant aan ofwel een studiebeurs ofwel een studielening (…).’

Het systeem gehanteerd door Nederland, dat toekenning van de reisvoorziening afhankelijk stelt van het hebben van een aanspraak op studiefinanciering, kan dus door de beugel.

Kritische reflectie recente EU-rechtspraak
De uitspraak in zaak C-233/14, Commissie/Nederland is te betreuren. Het Hof verschanst zich (zoals in veel andere recente zaken) achter een letterlijke interpretatie van de tekst van Richtlijn 2004/38 zonder deze ter discussie te stellen in het licht van artikel 18 EU-Verdrag en/of de integratiedoeleinden van de Europese Unie. In het algemeen kan men zich afvragen of van de constitutionele orde en beginselen van de EU veel overblijft als zoveel klakkeloze prioriteit wordt gegeven aan secundaire wetgeving zoals Richtlijn 2004/38.

Ook rechtstechnisch rommelt de zaak. Hoe je het ook wendt of keert zijn de Nederlandse reisvoorziening en de Oostenrijkse vervoerskorting naar hun aard en doelstellingen vergelijkbaar: beide worden aan een groep met relatief weinig middelen toegekend om hen tegemoet te komen in vervoerskosten. Beide worden uitonderhandeld door de overheid met de vervoersbedrijven. Beide voordelen zijn in eerste instantie afhankelijk van het ‘student-zijn’ (los van de precieze voorwaarden bedoeld om buitenlandse studenten buitenspel te zetten). Het verschil ligt enkel in de positie in respectievelijk Nederlandse en Oostenrijkse rechtsorde: in Nederland is het officieel onderdeel van het (systeem van de) Wet studiefinanciering 2000, in Oostenrijk niet.

Het is echter vaste rechtspraak van het Hof dat de formele plaatsing of kwalificatie in de nationale rechtsorde niet van belang is. Zaak C-357/89, Raulin/Minister van OCW, is daarvan een tekenend voorbeeld. Met betrekking tot het Nederlandse systeem stelde het Hof destijds (1992):

Studerenden uit een andere Lid-Staat hebben recht op dezelfde behandeling als studerenden die onderdaan zijn van de Lid-Staat van ontvangst, voor zover de toegekende steun bestemd is ter dekking van de kosten van inschrijving of andere aan de toegang tot het onderwijs verbonden kosten, ongeacht de wijze van berekening van de steun of de eraan ten grondslag liggende filosofie. Het staat aan de nationale rechter om te bepalen, welk gedeelte van de steun bestemd is ter dekking van de kosten van toegang tot de beroepsopleiding.

Het feit dus dat de tegemoetkoming deel uitmaakte van het studiefinancieringstelsel was niet relevant: het ging erom of het een voordeel was dat strekte tot verlichting van de kosten van inschrijving. Deze redenering lijkt het Hof achter zich te hebben gelaten. Als een lidstaat het maar ‘studiefinanciering’ noemt, kan het zich op Artikel 24 lid 2 Richtlijn 2004/38 beroepen met enkel marginale inhoudelijke toetsing door het Hof.

IMGP2185

 

 

 

 


Alexander Hoogenboom
– Gastauteur
Promovendus aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Universiteit Maastricht.

Publicatie uit nieuwsbrief onderwijs juli 2016. Klik hier voor de nieuwsbrief.

710 
Ik help u graag verder
Nicole Niessen
Partner
Meest gelezen
  • ‘Kopietje paspoort’
  • ‘Oude’ pandeigenaren versus nieuw...
  • ‘Recht op vergetelheid’ heeft geen...
  • “Als lekkerste getest” niet...
  • “Detachering” leerling is verwijdering