Valkuilen bij een beroep op opschorting: moet de wederpartij wel als eerste presteren?

Een overeenkomst wordt niet altijd nagekomen conform de gemaakte afspraken. De contractspartij die daarmee geconfronteerd wordt, kan in een voorkomend geval meer belang hebben bij het voortzetten van de overeenkomst, dan bij de opzegging of ontbinding ervan. Het uitoefenen van een opschortingsrecht kan voor hem dan een sterk pressiemiddel zijn om zijn onwillige of onbehoorlijk presterende wederpartij alsnog tot correcte nakoming te bewegen.

Opschorting

Omdat opschorting erop neerkomt dat de eigen verplichtingen tijdelijk niet (geheel) meer worden nagekomen, moet – uitzonderingen daargelaten – aan verschillende cumulatieve criteria worden voldaan voordat dit recht kan worden ingeroepen: (i) de vordering op de wederpartij is opeisbaar, (ii) de wederpartij komt haar verplichtingen niet na, (iii) de eigen verplichtingen staan tegenover die van de wederpartij of hebben daarmee voldoende samenhang en (iv) de omvang van de opschorting van die verplichtingen staat in een proportionele verhouding tot de vordering op de wederpartij. De beoordeling of aan alle criteria is voldaan luistert nauw en is van groot belang: zonder inroepbaar opschortingsrecht betekent de niet-nakoming door de schuldenaar in beginsel namelijk dat hij zelf tekortschiet, waardoor juist de wederpartij de overeenkomst kan ontbinden en schadevergoeding kan vorderen.

RvA Bouw 26 juni 2018

Uit een arbitraal vonnis van de Raad van Arbitrage voor de Bouw   (“RvA”) van 26 juni 2018 (spoedgeschil) blijkt andermaal hoe nauw een beroep opschorting luistert en hoe groot de gevolgen zijn als niet – of juist wel – aan alle criteria is voldaan. In die zaak was de opeisbaarheid van de vorderingen aan de orde.

Feiten

Opdrachtgevers hebben met aanneemster een aannemingsovereenkomst gesloten voor de (af)bouw van een woning. Na de oplevering d.d. 7 februari 2012 ontstaat tussen partijen verschil van mening over de vraag of de opleveringsgebreken inmiddels adequaat zijn hersteld. Opdrachtgever meent van niet en laat de laatste twee termijnfacturen van 17 april 2012 en 21 juni 2012 (ad EUR 18.000,-) daarom geheel onbetaald met een beroep op opschorting. Aanneemster meent van wel, doch stelt (uiteindelijk) toch herstel en een betalingsregeling (depot bij de notaris) voor. Nadat aanneemster in 2014 en 2015 voorbereidingen voor het herstel treft, wijzen opdrachtgevers het voorstel van aanneemster alsnog af. In 2016 en 2017 worden tot slot aanvullende (verborgen) gebreken ontdekt. Aanneemster herstelt deze deels, maar beroept zich voor het overige op opschorting vanwege de onbetaalde termijnfacturen.

Oordeel RvA

De RvA stelt vast dat beide partijen zich op een opschortingsrecht beroepen. Het is de vraag welke partij dit met recht doet. De RvA oordeelt dat het opdrachtgevers zijn die ten onrechte de termijnfacturen niet hebben betaald, omdat uit de omstandigheid dat opdrachtgevers aanneemster geen gelegenheid (meer) gaven tot herstel volgt dat zij als eerste dienden te presteren. Opdrachtgevers zijn daarom als eerste in verzuim geraakt. Verzuim van aanneemster is daardoor uitgesloten. Haar opschorting is rechtmatig.

Als eerste presteren

Bij aanneming van werk is de gewoonlijke volgorde van presteren: eerst uitvoering van de (deel)werkzaamheden, dan (deel)betaling. De vordering tot uitvoering van de werkzaamheden is daarom eerst opeisbaar, pas daarna is betaling opeisbaar. Indien een aannemer niet (volledig) correct presteert en herstel nodig is, zal daarom in de regel aan opdrachtgever een opschortingsrecht toekomen en niet aan aannemer. In dat licht is het oordeel van de RvA opmerkelijk, omdat de RvA juist aan de gebrekkig presterende aanneemster een opschortingsrecht toekent en oordeelt dat opdrachtgevers ten onrechte niet hebben betaald. De RvA verduidelijkt echter dat dit volgt uit het feit dat opdrachtgevers het aanneemster hebben belet diens prestatie (herstel) te verrichten, waarmee hij doelt op het intreden van schuldeisersverzuim bij opdrachtgeefster (artikel 6:58 BW). Het gevolg hiervan is enerzijds dat het uitblijven van herstelwerkzaamheden aan aanneemster niet kan worden toegerekend en dat zij (dus) niet in verzuim kan geraken, terwijl anderzijds aanneemster van opdrachtgeefster wel nakoming van betaling kan vorderen (artikel 3:296 BW). Het feit dat de prestatie van aanneemster wordt belet leidt er volgens de RvA dus toe dat van de gebruikelijke volgorde van presteren moet worden afgeweken. Het is daardoor niet de vordering van opdrachtgeefster, maar de vordering van aanneemster die opeisbaar is zodat het opschortingsrecht aan aanneemster toekomt.

Conclusie en aanbevelingen voor de praktijk

De beoordeling van de inroepbaarheid van een opschortingsrecht luistert nauw. Aan verschillende cumulatieve criteria moet worden voldaan en de gevolgen van onterechte opschorting zijn groot. Eén van de criteria is (normaliter) opeisbaarheid van de vordering op de wederpartij, waarvan sprake kan zijn als op de wederpartij volgens de gewoonte de plicht rust om als eerste te presteren. Het in dit artikel behandelde vonnis van de RvA illustreert dat de opeisbaarheid ook dan echter alsnog kan ontbreken, indien het verrichten van die prestatie door de schuldeiser wordt belet of indien daaraan onvoldoende medewerking wordt verleend.

Het oordeel van arbiter dat juist aanneemster terecht had opgeschort leidde uiteindelijk tot de integrale afwijzing van alle (herstel)vorderingen van opdrachtgevers en veroordeling van opdrachtgevers in de proceskosten. Ook de gevolgen van die terechte opschorting zijn dus groot. Wij bevelen aan om, voorafgaand aan het eventuele inroepen van een opschortingsrecht, zorgvuldig na te gaan welke partij als eerste dient te presteren en te verifiëren of voldoende medewerking wordt verleend aan die prestatie. Daarnaast moet nog worden nagegaan of ook aan de overige criteria is voldaan. Onze specialisten zijn u hierbij graag van dienst.

Contact

Neem voor vragen over opschorting of andere verbintenissenrechtelijke kwesties contact op met Wouter Smits of één van onze andere advocaten van de specialisatie Vastgoedrecht. Zij kunnen u van advies voorzien en in een eventuele (arbitrale) procedure bijstaan.

6856 
Ik help u graag verder
Wouter Smits
Advocaat
Meest gelezen
  • ‘Kopietje paspoort’
  • ‘Oude’ pandeigenaren versus nieuw...
  • “Als lekkerste getest” niet...
  • “Detachering” leerling is verwijdering
  • (Tucht)procedures en wijziging Wet BIG: meer...

Wij gebruiken cookies om u de beste online ervaring te bieden. Door akkoord te gaan, accepteert u het gebruik van cookies in overeenstemming met ons cookiebeleid.

Privacy Settings saved!
Privacy-instellingen

Wanneer u een website bezoekt, kan het informatie in uw browser opslaan of ophalen, meestal in de vorm van cookies. Beheer hier uw persoonlijke Cookie Services.

Deze cookies zijn nodig om de website te laten functioneren en kunnen niet worden uitgeschakeld in onze systemen.

In order to use this website we use the following technically required cookies
  • wordpress_test_cookie
  • wordpress_logged_in_
  • wordpress_sec

Omwille van de prestaties gebruiken we Cloudflare als een CDN-netwerk. Hiermee wordt een cookie "__cfduid" opgeslagen om beveiligingsinstellingen per client toe te passen. Deze cookie is strikt noodzakelijk voor de beveiligingsfuncties van Cloudflare en kan niet worden uitgeschakeld.
  • __cfduid

Geen toestemming
Wel toestemming