Verificatie van vorderingen in een faillissement: Geduld is een schone zaak!

In de meeste faillissementen vindt geen definitieve verificatie van vorderingen meer plaats tijdens de verificatievergadering. Het verificatieproces blijft steken bij de voorlopige verificatie van vorderingen voorafgaand aan de verificatievergadering, welke vergadering bijna nooit meer plaatsvindt. In deze nieuwsbrief pleit ik, onder verwijzing naar een recente uitspraak van de Hoge Raad, voor meer verificatievergaderingen. Schuldeisers hebben hier onder omstandigheden simpelweg belang bij. Eerst evenwel kort de techniek van het verificatieproces.

De verificatie van vorderingen
Het voornaamste (en verdedigbaar misschien wel enige) doel van het faillissement is om het actief van een failliet te verdelen onder de  schuldeisers. Het vorenstaande geldt zowel indien failliet een rechtspersoon (zoals bijvoorbeeld een BV of NV) is als een natuurlijk persoon. Voordat het actief kan worden verdeeld onder de schuldeisers van failliet moet worden vastgesteld wat de verschillende schuldeisers te vorderen hebben en wat de onderlinge rang is van de verschillende schuldvorderingen. Het vaststellen van de hoogte en rang van de prefaillissementsschulden (preferente, concurrente en achtergestelde) wordt gedaan tijdens de verificatievergadering. Boedelschulden komen niet aan de orde tijdens de verificatievergadering, nu deze kosten voor de afwikkeling van het faillissement eerst moeten worden voldaan voordat er wordt toegekomen aan een eventuele uitdeling aan de prefaillissementsschuldeisers. Dit laatste vormt ook de reden waarom de meeste faillissementen worden opgeheven wegens gebrek aan baten, waarop ik hierna nog nader zal ingaan.

De verificatievergadering wordt voorafgegaan door indiening van de vorderingen bij de curator. De curator toetst vervolgens de vorderingen aan de administratie van failliet en nadien kan hij de vorderingen overbrengen op de lijst van voorlopig erkende schulden of de lijst van voorlopig betwiste schulden. De voorlopige erkenning of betwisting heeft nog geen definitieve gevolgen; over de erkenning en betwisting wordt pas geoordeeld tijdens de verificatievergadering.

Zodra de datum van de verificatievergadering bekend is wordt deze medegedeeld aan de schuldeisers. De schuldeisers worden – in beginsel – uitgenodigd om deel te nemen aan een fysieke verificatievergadering. In sommige gevallen, meestal als alle vorderingen zijn erkend, kan ook worden volstaan met een pro forma verificatievergadering (dus een verificatievergadering die niet echt plaatsvindt, maar slechts op papier), waarbij alle schulden conform de voorlopige lijsten worden geverifieerd.

Tijdens de verificatievergadering worden de vorderingen definitief erkend dan wel betwist. Het betwisten van vorderingen kan door diverse partijen worden gedaan, te weten: de curator, andere schuldeisers en (de bestuurder van) failliet. De curator is tijdens de verificatievergadering bevoegd om terug te komen op eerdere voorlopige erkenningen en betwistingen. Bij betwisting door de curator of andere schuldeisers beproeft de rechter-commissaris eerst een schikking. Komt geen schikking tot stand dan verwijst de rechter-commissaris partijen door naar de Rechtbank voor een renvooiprocedure. In die renvooiprocedure wordt vervolgens beslist over de verificatie van de vordering.

Ook (de bestuurder van) failliet is bevoegd om tijdens de verificatievergadering, waarbij hij/zij verplicht aanwezig dient te zijn, vorderingen te betwisten. De betwisting door (de bestuurder van) failliet heeft niet tot gevolg dat de vordering niet in het faillissement kan worden erkend, ook is dan geen renvooiprocedure nodig. Deze betwisting wordt wel aangetekend op het proces-verbaal van de verificatievergadering.

Het gevolg van die aantekening is dat het proces-verbaal voor die vorderingen geen executoriale titel oplevert. Dit terwijl voor erkende schulden het proces-verbaal van de verificatievergadering wel een executoriale titel oplevert. Oftewel, na het faillissement kan de (restant)vordering van erkende schuldeisers op de (voormalige) failliet alsnog worden verhaald (‘geëxecuteerd’) zonder dat deze eerst door de rechter hoeft te worden vastgesteld.

Het executeren van de vordering nadat het faillissement is geëindigd is uiteraard slechts mogelijk voor zover de voormalige failliet niet is opgehouden te bestaan na het einde van het faillissement. Kort samengevat, een rechtspersoon houdt op te bestaan na het opheffen van het faillissement, maar een natuurlijk persoon niet.

Het pleidooi
Uit de cijfers van het Centraal Bureau van de Statistiek [1] blijkt dat het merendeel van de faillissementen wordt opgeheven wegens gebrek aan baten. Voorafgaand aan een dergelijke opheffing vindt meestal geen verificatievergadering plaats. Dit is begrijpelijk omdat een verificatievergadering nu eenmaal tijdrovend en dus kostbaar is, terwijl bij een opheffing wegens gebrek aan baten niet wordt toegekomen aan een uitdeling aan de prefaillissementsschuldeisers. Oftewel, waarom zou je dan alsnog overgaan tot verificatie. Hiervoor bestaat evenwel aanleiding en zeker in het faillissement van een natuurlijk persoon.[2]

Een reden om ook in het geval van een opheffing van een faillissement van een natuurlijk persoon over te gaan tot verificatie van vordering is evident. Het levert een executoriale titel op, welke titel kan worden geëxecuteerd nadat het faillissement van de natuurlijke persoon is geëindigd. Uit de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad volgt dat deze executoriale titel 20 jaar geldig blijft. Oftewel, gaat de natuurlijke persoon weer werken na zijn faillissement of wint hij de jackpot, dan kunnen de prefaillissementsschuldeisers nog steeds aanspraak maken op betaling van de prefaillissementsschulden en die betaling  afdwingen door het treffen van executiemaatregelen. Geduld is dus een schone zaak!

Ik eindig dan ook met de oproep: schuldeisers laat u horen! De verificatievergadering is in uw belang en moet niet als een vanzelfsprekendheid achterwege worden gelaten bij de opheffing van het faillissement.

Wilt u meer informatie over dit onderwerp? Neem dan contact op met ons team insolventie & herstructurering.


[1] Het Rapport dateert alweer uit 2011 en geeft de cijfers weer over de periode 2002 – 2010, maar het rapport heeft door de crisis (hoogstwaarschijnlijk) niet of nauwelijks aan relevantie ingeboet. Helaas heeft het CBS vanwege bezuinigingen na 2010 deze gegevens niet meer verzameld.

[2] Overigens zijn er ook argumenten te bedenken waarom bij de opheffing van een faillissement van een rechtspersoon een verificatievergadering toch gewenst is. Maar dat gaat het bestek van deze nieuwsbrief te buiten.

786 
Ik help u graag verder
Lodewijk Hox
Advocaat
Meest gelezen
  • ‘Kopietje paspoort’
  • ‘Oude’ pandeigenaren versus nieuw...
  • “Als lekkerste getest” niet...
  • “Detachering” leerling is verwijdering
  • (Tucht)procedures en wijziging Wet BIG: meer...