Publicaties

Publicaties
Array
(
    [0] => WP_Post Object
        (
            [ID] => 27478
            [post_author] => 32
            [post_date] => 2020-04-17 16:44:26
            [post_date_gmt] => 2020-04-17 14:44:26
            [post_content] => Veel ondernemingen hebben als gevolg van de coronacrisis last van een verslechterde liquiditeitspositie of verwachten op de korte of langere termijn een liquiditeitstekort. Onder andere belastingschulden en pensioenpremies kunnen daardoor onbetaald blijven. Voor bepaalde belastingschulden en pensioenpremies geldt een meldingsregeling bij betalingsonmacht.

In een eerdere blog informeerden wij u uitgebreider over deze meldingsregeling. Hoewel de Belastingdienst inmiddels verschillende maatregelen heeft genomen om ondernemers in deze moeilijke tijd tegemoet te komen, gelden deze maatregelen niet voor uw verplichtingen jegens het bedrijfstakpensioenfonds. De door deze pensioenfondsen (eventueel) getroffen maatregelen kunnen per pensioenfonds verschillen. Het niet tijdig melden van betalingsonmacht leidt evenwel tot een persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders voor de onbetaald gebleven pensioenpremies.

Is uw onderneming aangesloten bij een bedrijfstakpensioenfonds en verwacht u de pensioenpremies niet te kunnen voldoen? Zorg dan dat u tijdig bij het pensioenfonds een melding betalingsonmacht doet. Het is daarnaast raadzaam om contact op te nemen met het bedrijfstakpensioenfonds waarbij uw onderneming is aangesloten om u te laten informeren over eventuele maatregelen.

Meer informatie
Heeft u vragen naar aanleiding van deze bijdrage of heeft u andere vragen? Neem gerust contact op met één van de advocaten van Team Pensioen. Heeft u andere corona-gerelateerde vragen? Om u zo goed mogelijk te informeren, vindt u op onze corona landingspagina een uitgebreide Q&A met veel gestelde vragen en antwoorden. Dagelijks breiden we deze kennisbank uit met actuele Q&A’s.

17 april 2020
            [post_title] => Melding betalingsonmacht aan het bedrijfstakpensioenfonds
            [post_excerpt] => 
            [post_status] => publish
            [comment_status] => closed
            [ping_status] => closed
            [post_password] => 
            [post_name] => melding-betalingsonmacht-aan-het-bedrijfstakpensioenfonds
            [to_ping] => 
            [pinged] => 
            [post_modified] => 2020-04-17 16:44:26
            [post_modified_gmt] => 2020-04-17 14:44:26
            [post_content_filtered] => 
            [post_parent] => 0
            [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=27478
            [menu_order] => 0
            [post_type] => publication
            [post_mime_type] => 
            [comment_count] => 0
            [filter] => raw
        )

    [1] => WP_Post Object
        (
            [ID] => 26980
            [post_author] => 32
            [post_date] => 2020-02-27 16:13:25
            [post_date_gmt] => 2020-02-27 15:13:25
            [post_content] => Wanneer de aan een bedrijfstakpensioenfonds verschuldigde pensioenpremies onbetaald blijven, kunnen bestuurders daarvoor worden aangesproken. Naast bestuurders kunnen echter ook andere betrokkenen bij de onderneming worden aangesproken, zoals een beleidsbepaler.

In een eerdere blog blog ben ik ingegaan op de aansprakelijkheid van bestuurders jegens een bedrijfstakpensioenfonds voor onbetaald gebleven pensioenpremies. Omdat deze aansprakelijkheidsregeling zo is ingestoken dat er voor bestuurders een wezenlijk risico op aansprakelijkheid bestaat als de regeling niet (juist) wordt nageleefd, formuleerde ik in dat blog enkele aandachtspunten.

In dit eerdere blog beschreef ik dat het bedrijfstakpensioenfonds ook andere betrokkenen bij de onderneming kan aanspreken voor de onbetaald gebleven pensioenpremies. Ondanks dat deze betrokkenen geen bestuurder (meer) zijn, lopen zij dus het risico te moeten opdraaien voor onbetaald gebleven pensioenpremies.

Eén van de betrokkenen die het bedrijfstakpensioenfonds kan aanspreken is de beleidsbepaler: een persoon die niet formeel als bestuurder is benoemd, maar zich wel als een bestuurder heeft gedragen. Of iemand als beleidsbepaler kan worden aangemerkt is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en daarmee is deze kwalificatie sterk casuïstisch van aard. In een recente uitspraak van de rechtbank Rotterdam komen we deze figuur tegen.

Beleidsbepaler
De uitspraak gaat over de aansprakelijkheid van twee broers. De jongste broer was formeel de bestuurder van de vennootschap. Hij stelt niet aansprakelijk te zijn, omdat hij de leiding, bedrijfsvoering en administratie op enig moment volledig zou hebben overgedragen aan zijn oudere broer, omdat hij als gevolg van ziekte voor langere tijd afwezig was. De oudere broer werd door zijn kinderen geholpen, die als bedrijfsleider respectievelijk hoofd administratie waren aangesteld. Een dergelijk verweer kan de jongste broer echter niet baten, nu hij als formeel bestuurder verantwoordelijk is voor het beleid en de wet in zijn aansprakelijkheid voorziet.

De oudere broer werd door het bedrijfstakpensioenfonds als beleidsbepaler aangemerkt, onder meer omdat uit de verslaglegging door de curator van de vennootschap blijkt dat de curator steeds contact had met beide broers, de administratie door beide broers werd aangeleverd en met de advocaten van beide broers schikkingsonderhandelingen werden gevoerd. Daarnaast correspondeerde het bedrijfstakpensioenfonds met de oudere broer over de onbetaald gebleven premienota's. Ten slotte heeft de oudere broer namens de vennootschap een minnelijke regeling ondertekend, waar het verrichten van een dergelijke vertegenwoordigingshandeling in beginsel een bestuursaangelegenheid is.

De oudere broer stelt dat hij uitsluitend als assistent van zijn jongste broer is opgetreden en diens beleid uitvoerde. Zijn kinderen zijn slechts aangesteld toen er behoefte was aan extra hulp. Bovendien voert hij aan dat geen sprake is geweest van een directe, actieve bemoeienis met het beleid, welk vereiste in de wettelijke omschrijving van een beleidsbepaler ligt besloten. Voor zover hij de vennootschap vertegenwoordigde, deed hij dat op basis van een volmacht. Samengevat stelt de oudere broer dus dat hij zijn broer uithielp en deed wat van hem werd gevraagd, zodat hij zich niet als een bestuurder zou hebben gedragen.

Uit de door het bedrijfstakpensioenfonds aangehaalde omstandigheden leidt de rechtbank af dat de oudere broer inderdaad als beleidsbepaler moet worden aangemerkt. De stellingen van de oudere broer zijn onvoldoende om de aanname dat hij als beleidsbepaler kwalificeert te weerleggen. Vooral de omstandigheid dat uit de faillissementsverslagen van de curator onmiskenbaar blijkt dat de oudere broer als beleidsbepaler is aan te merken, helpt het bedrijfstakpensioenfonds aan een overwinning in deze kwestie.

Voor u een risico?
Een vergelijkbare regeling geldt voor onder meer bestuurdersaansprakelijkheid bij de uitkering van dividend (art. 2:216 lid 7 BW), in faillissement (art. 2:248 lid 7 BW) en voor onbetaald gebleven belastingschulden (art. 36 IW). Vaak weet een beleidsbepaler echter niet dat hij als zodanig is aan te merken, laat staan dat hij aansprakelijk kan zijn voor bijvoorbeeld onbetaald gebleven pensioenpremies. Pas in een procedure bij de rechtbank zal dan blijken of hij aansprakelijkheid heeft te duchten.

Vooral voor (hogere) leidinggevenden of personen die 'even inspringen', zoals in de hier besproken kwestie, is deze onzekerheid onwenselijk. Een goede vastlegging van taken en bevoegdheden kan potentiële beleidsbepalers enige bescherming bieden. Met name dient u ervoor te waken dat u niet op de stoel van het bestuur gaat zitten of een plek naast het bestuur inneemt.

Meer informatie
Wilt u meer informatie over dit onderwerp of heeft u andere vragen, neem dan contact op met Jeffrey van Nuland. U kunt uiteraard ook contact opnemen met een van de andere advocaten van ons team Pensioen.

Februari 2020
            [post_title] => Géén bestuurder en toch aansprakelijk (voor pensioenpremies)
            [post_excerpt] => 
            [post_status] => publish
            [comment_status] => closed
            [ping_status] => closed
            [post_password] => 
            [post_name] => geen-bestuurder-en-toch-aansprakelijk-voor-pensioenpremies
            [to_ping] => 
            [pinged] => 
            [post_modified] => 2020-02-27 16:13:25
            [post_modified_gmt] => 2020-02-27 15:13:25
            [post_content_filtered] => 
            [post_parent] => 0
            [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=26980
            [menu_order] => 0
            [post_type] => publication
            [post_mime_type] => 
            [comment_count] => 0
            [filter] => raw
        )

    [2] => WP_Post Object
        (
            [ID] => 25996
            [post_author] => 32
            [post_date] => 2019-11-07 14:58:50
            [post_date_gmt] => 2019-11-07 13:58:50
            [post_content] => In juni 2019 is een langverwacht pensioenakkoord gesloten tussen het kabinet en de sociale partners. Dit akkoord bestaat echter slechts nog uit hoofdlijnen. Het kabinet moet nu aan de slag met het maken van een wetsvoorstel, waarin de details worden uitgewerkt. De verwachting is dat de nieuwe pensioenregels vanaf 1 januari 2022 zullen gaan gelden. Recentelijk heeft minister Koolmees in een Kamerbrief enig inzicht gegeven in de planning van het wetgevingsproces. Hij verwacht de Tweede Kamer medio 2020 nader te kunnen informeren over de uitkomsten van de uitwerking van het pensioenakkoord en streeft er voorts naar het wetsvoorstel begin 2021 in te dienen. Hoewel wij dus nog even moeten wachten op de concrete uitwerking, worden hierna de meest belangrijke wijzigingen besproken.

Minder snelle stijging van de AOW-leeftijd
Op dit moment stijgt de AOW-leeftijd in Nederland met één jaar voor ieder jaar dat de levensverwachting stijgt. Hier komt echter verandering in. Het kabinet is met de sociale partners overeengekomen dat de AOW-leeftijd vanaf 2020 in een vertraagd tempo zal stijgen. In 2020 en 2021 blijft deze staan op 66 jaar en 4 maanden, in 2023 wordt de leeftijd verhoogd naar 66 jaar en 7 maanden, in 2023 naar 66 jaar en 10 maanden en pas in 2024 komt deze uit op 67 jaar. Na 2024 zal de stijging weer worden gekoppeld aan de levensverwachting, echter voor ieder jaar dat de levensverwachting stijgt, zal de AOW-leeftijd (slechts) nog met acht maanden stijgen in plaats van met een heel jaar. De AOW-leeftijd blijft dus stijgen, maar minder snel dan voorheen. Het wetsvoorstel dat dit regelt is in juli 2019 aangenomen door de Eerste Kamer.

Duurzame inzetbaarheid en werknemers in zware beroepen
De bij het pensioenakkoord betrokken partijen achten van groot belang dat iedereen op een gezonde manier naar zijn/haar pensioen kan toewerken. De duurzame inzetbaarheid moet daarvoor structureel in de arbeidsmarkt worden verankert. Het kabinet en de sociale partners willen dit onder meer bereiken door mensen met zware beroepen de mogelijkheid te bieden eerder te stoppen met werken door middel van een verlofspaarregeling, dan wel door deze mensen de mogelijkheid te bieden zich te laten omscholen naar lichter werk.

Tevens komt er een tijdelijke drempelvrijstelling voor de RVU-heffing, waardoor werkgevers en werknemers samen een vervroegd pensioen regeling kunnen overeenkomen. Vanaf 2021 wordt voor een periode van vijf jaar de RVU-regeling versoepeld. Werkgevers kunnen werknemers dan drie keer EUR 19.000,00 bruto per jaar betalen als VUT-regeling, zonder over dit bedrag een RVU-heffing te hoeven betalen. Partijen mogen ook een hoger jaarbedrag overeenkomen, echter over het meerdere is dan wel een RVU-heffing verschuldigd. Daarnaast worden mogelijkheden geboden om aan werknemers, als aanvulling op de uitkering, een deel van het ouderdomspensioen eerder te laten uitkeren, zodat vervroegd pensioen financieel ook mogelijk is voor werknemers met een lager inkomen.

Flexibeler en persoonlijker pensioenstelsel
Het kabinet en de sociale partners wensen het pensioenstelsel te flexibiliseren en te personaliseren. Zo dienen werknemers een persoonlijkere pensioenregeling te krijgen, waarbij een werknemer meer keuzemogelijkheden krijgt in de verdeling van de risico's. Daarnaast krijgen deelnemers de keuzemogelijkheid om op de pensioeningangsdatum maximaal 10 procent van het opgebouwde pensioen 'ineens' als bedrag op te nemen. Het kabinet is inmiddels gestart met een wetsvoorstel om dit te regelen, gecombineerd met verschillende fiscale wijzigingen met betrekking tot de RVU-heffing en verlofsparen in het kader van een vervroegd pensioen. Het wetsvoorstel zal naar verwachting in het najaar van 2019 ter internetconsulatie worden aangeboden, waarna het streven is het wetsvoorstel in de zomer van 2020 bij de Tweede Kamer in te dienen.

Verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen
Tevens zal voor zelfstandigen de verplichting worden ingesteld om zich in de toekomst te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid. Hierdoor zijn straks alle werknemers in beginsel beschermd tegen de gevolgen van arbeidsongeschiktheid. Het kabinet heeft de Stichting van de Arbeid verzocht om in overleg met de zelfstandigenorganisaties begin 2020 met een concreet en betaalbaar voorstel te komen, zodat nog vóór de zomer van 2020 een wetsvoorstel kan worden ingediend.

Uittreden na een aantal dienstjaren
Het kabinet en de sociale partners zullen tevens onderzoeken of het mogelijk is om het moment van uittreden (onder voorwaarden) te koppelen aan het aantal dienstjaren, in plaats van de leeftijd van de werknemer. De uitkomsten van dit onderzoek worden eveneens in de loop van 2020 verwacht.

Gelijkblijvende premie
In het huidige pensioenstelsel wordt doorgaans gewerkt met doorsneepremies. Het voornemen bestaat om dit te wijzigen naar een nieuw systeem, waarin de vaste premie voor alle leeftijden gelijk blijft. Dit zal gecombineerd worden met een leeftijdsafhankelijke degressieve pensioenopbouw. Het huidige systeem sluit namelijk niet aan bij de realiteit, omdat er geen rekening wordt gehouden met het verschil in werkelijke kosten tussen de verschillende leeftijden. Hoe jonger de werknemer is, hoe goedkoper de pensioenopbouw namelijk is vergeleken met een oudere werknemer, omdat de betaalde premie van de jongere werknemer langer kan renderen.

Conclusie
Het pensioenakkoord bestaat op dit moment dus nog uit hoofdlijnen. Met de Kamerbrief van Minister Koolmees bestaat sinds kort wel meer duidelijkheid over het verwachtte tijdspad en de planning gedurende de aankomende periode. Uiteraard houden wij de belangrijkste ontwikkelingen voor u in de gaten.

Meer informatie
Heeft u zelf vragen over een pensioenkwestie? Neem dan contact op met team Arbeidsrecht of Pensioenrecht.


November 2019
            [post_title] => Pensioenakkoord 2019: op weg naar een toekomstbestendige oudedagsvoorziening
            [post_excerpt] => 
            [post_status] => publish
            [comment_status] => closed
            [ping_status] => closed
            [post_password] => 
            [post_name] => pensioenakkoord-2019-op-weg-naar-een-toekomstbestendige-oudedagsvoorziening
            [to_ping] => 
            [pinged] => 
            [post_modified] => 2019-11-07 14:58:50
            [post_modified_gmt] => 2019-11-07 13:58:50
            [post_content_filtered] => 
            [post_parent] => 0
            [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=25996
            [menu_order] => 0
            [post_type] => publication
            [post_mime_type] => 
            [comment_count] => 0
            [filter] => raw
        )

    [3] => WP_Post Object
        (
            [ID] => 24269
            [post_author] => 2
            [post_date] => 2019-05-08 09:00:36
            [post_date_gmt] => 2019-05-08 07:00:36
            [post_content] => Indien een pensioenregeling in strijd komt met de bepalingen uit de Wet Loonbelasting 1964 dan kan dit voor een werkgever nadelige financiële gevolgen hebben. Een werkgever zal een dergelijke fiscaal onzuivere pensioenregeling willen wijzigen. De vraag is, kan dat zomaar?

'Omkeerregel'
Vanuit fiscaal oogpunt is het cruciaal dat een pensioenregeling voldoet aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Wet op de Loonbelasting 1964. Alleen dan is namelijk de zogeheten omkeerregel van toepassing. Dit houdt in dat de bijdrage van de werkgever in de pensioenregeling onbelast kan plaatsvinden en dat de eigen bijdrage van de werknemer in aftrek komt op het brutoloon. De belasting wordt pas geheven op het moment dat de pensioengerechtigde de pensioenuitkering ontvangt. Bij een wijziging van fiscale wet- en regelgeving, is het echter de vraag of de pensioenregeling nog binnen de op dat moment geldende fiscale grenzen valt. Treedt de regeling buiten deze grenzen, dan wordt in het algemeen aangenomen dat de pensioenaanspraak onzuiver is. De omkeerregel is dan niet van toepassing, met het gevolg dat de pensioenpremies als loon worden belast.

Instemming van de werknemer
Een 'zuivere' pensioenregeling kan door een wijziging van fiscale wet- en regelgeving dus 'onzuiver' worden. De werkgever zal de pensioenregeling in dat geval willen wijzigen. Aangezien pensioen een arbeidsvoorwaarde is, is voor de wijziging daarvan in beginsel instemming door de werknemer noodzakelijk. Maar wat als de werknemer weigert? De werkgever zal dan tot eenzijdige wijziging van de pensioenregeling moeten overgaan. Waar mogelijk zal de werkgever daarvoor een beroep doen op een contractueel eenzijdig wijzigingsbeding. In dit blog gaan wij nader in op deze mogelijkheid. Voor de goede orde wordt nog opgemerkt dat, bij gebreke van een dergelijk beding, afhankelijk van de omstandigheden niet is uitgesloten dat wijziging mogelijk is op grond van goed werknemerschap, redelijkheid en billijkheid of onvoorziene omstandigheden.

Eenzijdig wijzigingsbeding
Een beroep door de werkgever op een eenzijdig wijzigingsbeding is niet zomaar gerechtvaardigd. Dit is slechts het geval indien de werkgever bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft, dat het belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Of dat het geval is, wordt beoordeeld aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval.

Indien een voorheen 'zuivere' pensioenregeling door een wijziging in fiscale wet- en regelgeving 'onzuiver' wordt, is het nog maar de vraag of dit voor de werkgever een voldoende zwaarwichtig belang oplevert. Wijziging van de pensioenregeling kan een werknemer bijvoorbeeld negatief raken in de hoogte van zijn beloning. Hoewel een aantal rechters eenzijdige wijziging na een fiscale wetswijziging gerechtvaardigd hebben geacht, waren daarbij telkens ook andere omstandigheden van belang. Het is overigens wel aannemelijk dat het bestaan van een zwaarwichtig belang in geval van een fiscale wetwijziging eerder wordt aangenomen. Ook helpt het indien de ondernemingsraad reeds met de voorgenomen wijziging van de pensioenregeling heeft ingestemd.

Conclusie
Kortom, de werkgever zal de pensioenregeling van een werknemer niet zomaar (eenzijdig) kunnen wijzigen. Zélfs niet indien de wijziging het gevolg is van een wijziging in fiscale wet- en regelgeving. Zijn partijen een contractueel wijzigingsbeding overeengekomen, dan zal immers alsnog een zwaarwichtige belangenafweging moeten worden gemaakt. Daarbij kan het helpen indien de werkgever aan de werknemer een zekere vorm van compensatie biedt. Pas als de belangenafweging uitvalt in het voordeel van de werkgever, zal de werknemer de wijziging van zijn pensioenregeling moeten dulden.

Meer informatie
Heeft u vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met een van de advocaten van team Pensioen. Zij zijn u graag van dienst.

Mei 2019
            [post_title] => Wat te doen bij een (fiscaal) onzuiver pensioen?
            [post_excerpt] => 
            [post_status] => publish
            [comment_status] => closed
            [ping_status] => closed
            [post_password] => 
            [post_name] => wat-te-doen-bij-een-fiscaal-onzuiver-pensioen
            [to_ping] => 
            [pinged] => 
            [post_modified] => 2019-05-06 10:27:53
            [post_modified_gmt] => 2019-05-06 08:27:53
            [post_content_filtered] => 
            [post_parent] => 0
            [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=24269
            [menu_order] => 0
            [post_type] => publication
            [post_mime_type] => 
            [comment_count] => 0
            [filter] => raw
        )

    [4] => WP_Post Object
        (
            [ID] => 24036
            [post_author] => 2
            [post_date] => 2019-04-12 09:02:37
            [post_date_gmt] => 2019-04-12 07:02:37
            [post_content] => Pensioenfondsen hebben net als de werkgever een zorgplicht jegens de werknemer/pensioendeelnemer. De zorgplicht bij pensioenfondsen heeft met name betrekking op de communicatie-uitingen (artikel 38 t/m 50 Pensioenwet). Zo moet een pensioenfonds informatie verstrekken aan zijn deelnemers. Wat als achteraf de gecommuniceerde informatie niet juist blijkt te zijn? Moet een pensioenfonds zich dan aan deze onjuiste informatie houden en heeft zij met het verstrekken van deze onjuiste informatie aan de deelnemer boven reglementaire rechten toegekend? Deze vragen kwamen aan de orde in een recent gewezen uitspraak van het Gerechtshof Den Haag. 

In deze uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 29 maart 2019 ging het om een werknemer (hierna: deelnemer) die met vervroegd pensioen wilde. Op verzoek van de deelnemer heeft het pensioenfonds een informatiebrief en aanvraagformulier verstuurd met informatie die betrekking had op het vervroegd met pensioen gaan. Achteraf is gebleken dat op zowel de informatiebrief als het aanvraagformulier onjuiste pensioenbedragen vermeld stonden. De deelnemer heeft toen hij uiteindelijk met vervroegd pensioen is gegaan een aantal maanden – totdat het pensioenfonds achter deze fout kwam – deze te hoge onjuiste bedragen uitgekeerd gekregen.

De kantonrechter in eerste aanleg oordeelde – in tegenstelling tot de vaste lijn in de rechtspraak op dat moment – dat het verstrekken van de onjuiste informatie van het pensioenfonds aan een deelnemer gezien moest worden als een rechtshandeling waar de deelnemer gerechtvaardigd op mocht vertrouwen. Het pensioenfonds werd dus gehouden de te hoge bedragen, zoals vermeld in de informatiebrief, uit te blijven keren aan de deelnemer.

In tegenstelling tot de kantonrechter en in lijn met de eerdere rechtspraak op dit gebied, oordeelde het gerechtshof Den Haag dat er geen sprake was van een rechtshandeling. De deelnemer mocht er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat het pensioenfonds de wil had om boven reglementaire bedragen aan deelnemer toe te kennen. Van belang hierbij was dat er in de informatiebrief een voorbehoud opgenomen was waarin stond dat de deelnemer uitsluitend rechten kon ontlenen aan de bepalingen van het pensioenreglement. Dat het pensioenfonds de bedoeling zou hebben gehad meer of andere rechten toe te kennen dan de deelnemer op grond van het pensioenreglement al had, kan de deelnemer redelijkerwijs niet uit de brief hebben afgeleid.

Een pensioenfonds kan zijn risico dus beperken door een voorbehoud in zijn informatiebrieven op te nemen waarin staat dat de deelnemer alleen maar rechten kan ontlenen aan het voor hem geldende pensioenreglement.

Let wel op: dit betekent niet dat de deelnemer het pensioenfonds niet civielrechtelijk kan aanspreken op grond van onrechtmatige daad. Wanneer de onjuiste informatie onrechtmatig is en de deelnemer leidt hierdoor schade kan zij deze schade eventueel op het pensioenfonds verhalen. Dus ook wanneer pensioenfondsen een voorbehoud hebben opgenomen moeten zij nog steeds goed opletten welke informatie zij aan haar deelnemers verstrekt om een schadeclaim te voorkomen.

Meer informatie?

Neem dan contact op met ons team Pensioen. Zij zijn u graag van dienst.

 

April 2019
            [post_title] => Leidt onjuiste informatieverstrekking door pensioenfonds tot toekenning boven reglementaire rechten?
            [post_excerpt] => 
            [post_status] => publish
            [comment_status] => closed
            [ping_status] => closed
            [post_password] => 
            [post_name] => leidt-onjuiste-informatieverstrekking-door-pensioenfonds-tot-toekenning-boven-reglementaire-rechten
            [to_ping] => 
            [pinged] => 
            [post_modified] => 2019-04-12 09:02:37
            [post_modified_gmt] => 2019-04-12 07:02:37
            [post_content_filtered] => 
            [post_parent] => 0
            [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=24036
            [menu_order] => 0
            [post_type] => publication
            [post_mime_type] => 
            [comment_count] => 0
            [filter] => raw
        )

    [5] => WP_Post Object
        (
            [ID] => 23885
            [post_author] => 15
            [post_date] => 2019-03-18 10:55:07
            [post_date_gmt] => 2019-03-18 09:55:07
            [post_content] => Veel werkgevers zijn verplicht om de werknemers aan te melden bij een wettelijk verplichte pensioenregeling van een bedrijfstakpensioenfonds. Bij welk pensioenfonds de werkgever zich dient aan te sluiten is afhankelijk van de bedrijfsactiviteiten.

Indien de werkgever een rechtspersoon is, lopen haar bestuurders het risico persoonlijk aansprakelijk te worden gesteld voor niet-afgedragen pensioenpremies aan het pensioenfonds. Dat betekent dat bestuurders ingeval van aansprakelijkheid de niet-afgedragen pensioenpremies uit hun eigen (privé-)vermogen moeten voldoen. Naast bestuurders kunnen onder meer ook voormalige bestuurders en beleidsbepalers door het pensioenfonds worden aangesproken.

De wettelijke regeling is zo ingestoken dat er voor bestuurders een wezenlijk risico op aansprakelijkheid bestaat als de regeling niet (juist) wordt nageleefd. Enige kennis van de werking van deze regeling kan het risico op aansprakelijkheid aanzienlijk verminderen. In deze bijdrage voorzien wij u in het kort van de belangrijkste aandachtspunten.

Welke personen kan het pensioenfonds aansprakelijk stellen?

Het pensioenfonds hoeft haar vordering niet te beperken tot de bestuurders van de rechtspersoon. Zij kan de niet-afgedragen premies óók en tegelijkertijd verhalen op:
  • voormalige bestuurders van de rechtspersoon, indien de betreffende premieschuld tijdens de bestuurstermijn van deze bestuurder is ontstaan;
  • beleidsbepalers van de rechtspersoon, waarmee wordt gedoeld op personen die weliswaar niet als bestuurder van de rechtspersoon zijn benoemd, maar zich wel als zodanig gedragen;
  • de vereffenaars van de rechtspersoon, indien deze is ontbonden (vaak zijn dit de personen die voor de ontbinding van de rechtspersoon bestuurder waren);
  • de erfgenamen van de bestuurder, indien de bestuurder voor zijn overlijden door het pensioenfonds aansprakelijk is gesteld.
De regeling is ten slotte zo ingericht dat de niet-afgedragen premies op natuurlijke personen, dus niet zijnde rechtspersonen, kan worden verhaald. Het tussenschuiven van rechtspersonen om de persoonlijke aansprakelijkheid te beperken wordt daarmee tegengegaan. Bovendien wordt het de bestuurder moeilijk gemaakt om verhaal door het pensioenfonds te verijdelen door zijn(privé-)vermogen weg te sluizen. Overeenkomsten die de bestuurder is aangegaan om het pensioenfonds haar verhaalsmogelijkheden te ontnemen, kunnen onder omstandigheden door het pensioenfonds worden vernietigd. Wanneer zijn bestuurders aansprakelijk? Bestuurders zijn verplicht om tijdig en op de juiste wijze een melding te doen aan het pensioenfonds wanneer de rechtspersoon die zij besturen niet in staat is om de verplichte bijdrage in het pensioen van de werknemers aan het pensioenfonds te voldoen. Bestuurders zijn daarnaast verplicht om het pensioenfonds inlichtingen te geven als het daar naar aanleiding van een melding om vraagt. Dit wordt de melding betalingsonmacht genoemd. Als de bestuurder niet of niet op de juiste wijze aan deze meldingsplicht voldoet, is hij in beginsel aansprakelijk voor de niet-afgedragen pensioenpremies. Zijn er meer bestuurders, dan zijn zij allemaal aansprakelijk. Voldoet de bestuurder wel tijdig en op de juiste wijze aan de meldingsplicht, dan is hij alleen aansprakelijk als hem kennelijk onbehoorlijk bestuur kan worden verweten. Dat is echter niet snel aan de orde en zal bovendien door het pensioenfonds aannemelijk moeten worden gemaakt. Een recente uitspraak (ECLI:NL:GHARL:2019:543) van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden bevestigt nog maar eens dat het belangrijk is dat de bestuurder tijdig en op de juiste wijze voldoet aan de meldingsplicht. Wanneer moeten bestuurders een melding doen? Het pensioenfonds moet op de hoogte worden gebracht als er sprake is van betalingsonmacht van de rechtspersoon. Daarvan is sprake wanneer:
  • de rechtspersoon onvoldoende liquide middelen heeft om de verschuldigde premies te voldoen;
  • tijdelijk te weinig liquide middelen heeft om de verschuldigde premies te voldoen en de redelijke verwachting bestaat dat de verplichting alsnog zal worden nagekomen;
  • voldoende liquide middelen heeft om de verschuldigde premies te voldoen, maar deze daarvoor niet worden aangewend in verband met andere opeisbare verplichtingen.
Onder liquide middelen wordt in dit verband verstaan de kasmiddelen, waaronder de banktegoeden, en de direct opneembare kredietruimte van de rechtspersoon. Wat wordt er van bestuurders verwacht? Alle bestuurders zijn zelfstandig bevoegd om een melding te doen. Vermeld daarbij altijd de gegevens van de betreffende premienota('s) waarvoor de betalingsonmacht geldt. De betalingsonmacht moet schriftelijk en uiterlijk binnen veertien kalenderdagen nadat de wettelijke betalingstermijn voor de verschuldigde premies is verstreken. Bij de melding moet ook een toelichting gegeven worden over de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de rechtspersoon de verplichte bijdrage niet kan voldoen. Nadat u deze mededeling met toelichting heeft gedaan, kan het pensioenfonds om nadere informatie of stukken vragen. De reactie op een dergelijk verzoek maakt onderdeel uit van de meldingsplicht. Het pensioenfonds bepaalt de wijze waarop en de termijn waarbinnen de gevraagde gegevens moeten worden verstrekt. Van de bestuurder wordt verwacht dat de gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud worden verstrekt. Het niet of niet op de juiste wijze voldoen aan het informatieverzoek wordt beschouwd als het niet voldoen aan de meldingsplicht. Het is ten slotte goed om te weten dat een verzoek om uitstel van betaling aan het pensioenfonds niet (zonder meer) óók als een melding betalingsonmacht wordt opgevat. Wilt u meer informatie over dit onderwerp of heeft u andere vragen, neem dan contact op met Jeffrey van Nuland. U kunt uiteraard ook contact opnemen met een van de andere advocaten van ons team Pensioen.  Maart, 2019   [post_title] => Pensioenpremies, melding betalingsonmacht en bestuurdersaansprakelijkheid [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => pensioenpremies-melding-betalingsonmacht-en-bestuurdersaansprakelijkheid [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2019-03-18 11:43:00 [post_modified_gmt] => 2019-03-18 10:43:00 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=23885 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [6] => WP_Post Object ( [ID] => 18391 [post_author] => 17 [post_date] => 2018-07-23 11:59:46 [post_date_gmt] => 2018-07-23 09:59:46 [post_content] => Tijdens huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken dienen naar Nederlands recht te worden verevend in geval van echtscheiding, ongeacht het geldende huwelijksvermogensregime, mits daarop Nederlands recht van toepassing is. Het doel van de Wvps (Wet verevening pensioenrechten bij scheiding) is om ex-echtgenoten de oudedagsvoorzieningen die zij tijdens hun huwelijk door gezamenlijke inspanning hebben opgebouwd, te laten delen, zodat ieder van hen na pensionering een met die opbouw corresponderend inkomen wordt verschaft. Ook in het buitenland opgebouwd pensioen moet worden verevend; artikel 1 lid 8 Wvps bepaalt: "Indien op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten Nederlands recht van toepassing is, is de wet voorts van toepassing op pensioenen ingevolge een buitenlandse pensioenregeling die niet is een pensioenregeling als bedoeld in het vierde, vijfde of zesde lid met dien verstande dat een recht op uitbetaling als bedoeld in artikel 2 slechts bestaat jegens de andere echtgenoot." Voor de toepassing van de Wvps dient een buitenlandse pensioenregeling die gelijkwaardig is aan een Nederlandse pensioenregeling zoveel mogelijk op dezelfde wijze te worden behandeld. Beslissend daarbij is of de buitenlandse pensioenregeling in de context van het maatschappelijke leven in het desbetreffende land een functie vervult die in voldoende mate overeenstemt met de functie van de Nederlandse pensioenregelingen waarop de Wvps van toepassing is, te weten: oudedagsvoorziening. De buitenlandse pensioenregeling hoeft dus niet in alle opzichten te voldoen aan de eisen, voortvloeiend uit de in artikel 1 leden 4-6 Wvps genoemde wettelijke regelingen. Daarom dient ook het pensioen ingevolge het 401-(k) plan te worden verevend. Heeft u vragen over pensioen in het kader van echtscheiding? Ons team familierecht adviseert u graag. [post_title] => Hoge Raad doet uitspraak over toepasselijkheid Wvps op buitenlands pensioen (Amerikaanse 401(k)-plans) [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => hoge-raad-doet-uitspraak-toepasselijkheid-wvps-op-buitenlands-pensioen-amerikaanse-401k-plans [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-07-23 12:24:10 [post_modified_gmt] => 2018-07-23 10:24:10 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=18391 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) )
< 1 >

Website feedback

Wij stellen uw mening erg op prijs. Om uw ervaring te verbeteren vragen wij ongeveer 1 minuut van uw tijd om onze website te beoordelen.

You have Successfully Subscribed!