Publicaties

Publicaties
Array
(
    [0] => WP_Post Object
        (
            [ID] => 15741
            [post_author] => 2
            [post_date] => 2017-11-27 11:21:43
            [post_date_gmt] => 2017-11-27 10:21:43
            [post_content] => Op 17 november 2017 heeft de Hoge Raad een belangrijke uitspraak gedaan over het ontstaansmoment van vorderingen in de gezondheidszorg.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat indien in het kader van een geneeskundige behandeling meerdere, identificeerbare en op geld waardeerbare deelprestaties kunnen worden aangewezen, er na verrichting van elk van die deelprestaties een daarmee corresponderende vordering ontstaat, tenzij partijen anders zijn overeengekomen. Als gevolg hiervan behoort het onderhanden werk van de zorgaanbieder in beginsel tot een van de vermogensbestanddelen die tot zekerheid voor een financiering rechtsgeldig kunnen worden verpand.

De uitspraak wijkt af van de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 29 maart 2016, waarin werd geoordeeld dat voor het ontstaan van de vordering van de zorgaanbieder op de zorgverzekeraar niet beslissend is het moment waarop de zorgaanbieder een geneeskundige behandelingsovereenkomst heeft gesloten met een verzekerde cliënt of ter uitvoering daarvan geneeskundige werkzaamheden ten behoeve van de cliënt heeft verricht of gaat verrichten, maar het moment waarop de zorgaanbieder heeft voldaan aan de voorwaarden voor het kunnen declareren van een DBC-tarief (Diagnose Behandel Combinatie).

In een eerdere bijdrage hebben wij de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam reeds besproken. Hierbij is eveneens kort ingegaan op de werking van een pandrecht op vorderingsrechten. Deze publicatie kunt u hier teruglezen.

De volledige uitspraak van de Hoge Raad kunt u hier vinden. Wilt u meer weten over het verpanden van een vorderingsrecht, het ontstaansmoment van een vorderingsrecht, de werking van het DBC-systeem, of heeft u vragen over deze uitspraak? Neem dan contact op met Marc Leclair.

November 2017
            [post_title] => Pandrecht op onderhanden werk: update 17 november 2017!
            [post_excerpt] => 
            [post_status] => publish
            [comment_status] => closed
            [ping_status] => closed
            [post_password] => 
            [post_name] => pandrecht-op-onderhanden-werk-update-17-november-2017
            [to_ping] => 
            [pinged] => 
            [post_modified] => 2017-12-04 16:19:49
            [post_modified_gmt] => 2017-12-04 15:19:49
            [post_content_filtered] => 
            [post_parent] => 0
            [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=15741/
            [menu_order] => 0
            [post_type] => publication
            [post_mime_type] => 
            [comment_count] => 0
            [filter] => raw
        )

    [1] => WP_Post Object
        (
            [ID] => 14563
            [post_author] => 2
            [post_date] => 2017-09-18 12:35:23
            [post_date_gmt] => 2017-09-18 10:35:23
            [post_content] => Op 19 december 2016 heeft de onafhankelijk derivatencommissie het Uniform Herstelkader Rentederivaten definitief vastgesteld. Op basis van dit Uniform Herstelkader hebben de betrokken banken – ABN AMRO, ING, SNS, Van Lanschot, Rabobank en Deutsche Bank – zich ertoe verplicht alle dossiers die binnen de scope van het Uniform Herstelkader vallen, te toetsen aan het herstelkader. Ook als klanten reeds een compensatie aangeboden hebben gekregen of al hebben ontvangen, worden hun dossiers opnieuw getoetst.

De uitvoering door de banken heeft diverse keren vertraging opgelopen. Sommige banken zijn inmiddels gestart met het versturen van compensatievoorstellen (of voorschotten daarop) aan hun klanten. Het is van belang de compensatievoorstellen nauwkeurig te controleren; de compensatie is immers in veel gevallen niet beperkt tot de hoogte van de coulancevergoeding van maximaal EUR 100.000,-.

Heeft u vragen over de door de betrokken bank voorgestelde compensatie (of voorschotten daarop), neem dan contact op met Marc Leclair.

September 2017
            [post_title] => Uniform Herstelkader Rentederivaten: compensatievoorstellen
            [post_excerpt] => 
            [post_status] => publish
            [comment_status] => closed
            [ping_status] => closed
            [post_password] => 
            [post_name] => uniform-herstelkader-rentederivaten-compensatievoorstellen
            [to_ping] => 
            [pinged] => 
            [post_modified] => 2017-09-18 12:35:23
            [post_modified_gmt] => 2017-09-18 10:35:23
            [post_content_filtered] => 
            [post_parent] => 0
            [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=14563/
            [menu_order] => 0
            [post_type] => publication
            [post_mime_type] => 
            [comment_count] => 0
            [filter] => raw
        )

    [2] => WP_Post Object
        (
            [ID] => 13609
            [post_author] => 2
            [post_date] => 2017-07-28 11:41:05
            [post_date_gmt] => 2017-07-28 09:41:05
            [post_content] => Op 19 december 2016 heeft de onafhankelijk derivatencommissie het uniform herstelkader rentederivaten definitief vastgesteld. Op basis van dit uniform herstelkader gaan de betrokken banken – ABN AMRO, ING, SNS, Van Lanschot, Rabobank en Deutsche Bank – alle dossiers die binnen de scope van het uniform herstelkader vallen, toetsen aan het herstelkader. Ook als klanten reeds een compensatie aangeboden hebben gekregen of al hebben ontvangen, worden hun dossiers opnieuw getoetst.

De definitieve versie van het uniform herstelkader is een uitwerking van het reeds op 5 juli 2016 door de onafhankelijk derivatencommissie gepubliceerde uniform herstelkader rentederivaten voor het MKB. In een eerdere bijdrage hebben wij de toelatingseisen en de wijze van herbeoordeling van het uniform herstelkader reeds besproken. Deze publicatie kunt u hier teruglezen.

Banken betrekken rentederivaten van MKB'ers die (gedurende enige periode) tussen 1 april 2011 en 1 april 2014 'liepen' actief (dat wil zeggen zonder initiatief van de MKB'er) in de beoordeling onder het herstelkader.

Een rentederivaat waarvan de transactiedatum na 1 januari 2005 is gelegen met een initiële einddatum gelegen na 1 april 2011, welk rentederivaat vóór 1 april 2011 tussentijds is geëindigd, wordt in de beoordeling onder het herstelkader betrokken indien de MKB'er zich op eigen initiatief aanmeldt voor een beoordeling aan de hand van het herstelkader. Let op: dit aanmelden dient vóór 1 oktober 2017 plaats te vinden!

Heeft u vragen over het uniform herstelkader, over het aanmelden van uw rentederivaat of de door de bank voorgestelde compensatie c.q. voorschot, neem dan contact op met Marc Leclair.

Juli 2017
            [post_title] => Uniform Herstelkader Rentederivaten: aanmeldtermijn verstrijkt 30 september 2017
            [post_excerpt] => 
            [post_status] => publish
            [comment_status] => closed
            [ping_status] => closed
            [post_password] => 
            [post_name] => uniform-herstelkader-rentederivaten-aanmeldtermijn-verstrijkt-30-september-2017
            [to_ping] => 
            [pinged] => 
            [post_modified] => 2017-07-28 11:56:02
            [post_modified_gmt] => 2017-07-28 09:56:02
            [post_content_filtered] => 
            [post_parent] => 0
            [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=13609/
            [menu_order] => 0
            [post_type] => publication
            [post_mime_type] => 
            [comment_count] => 0
            [filter] => raw
        )

    [3] => WP_Post Object
        (
            [ID] => 11729
            [post_author] => 21
            [post_date] => 2017-05-17 09:46:59
            [post_date_gmt] => 2017-05-17 07:46:59
            [post_content] => Bankgaranties nemen in het (internationaal) handelsverkeer een belangrijke plaats in als het er op aankomt handelspartners een concreet en reëel vooruitzicht te bieden op de voldoening van de door hen geleverde prestaties. Beoogd wordt die zekerheid ook te bieden wanneer de steller van de bankgarantie insolvent raakt en zelf niet meer tot voldoening in staat is. Is die zekerheid wel zo absoluut als die lijkt?

In de praktijk geniet de zogenaamde abstracte bankgarantie, ook wel genaamd "first demand guarantee" grote populariteit en wordt voor de begunstigde geacht de grootste mate van zekerheid te bieden. De reden is voor de hand liggend: wanneer de begunstigde schriftelijk aan de bank verklaart dat aan de voorwaarden voor uitkering is voldaan moet de bank tot uitkering over gaan. De bank mag niet treden in de beoordeling van de onderliggende rechtsverhouding zoals die tussen de steller van die bankgarantie en de begunstigde bestaat. De bank betaalt de schuld als haar eigen schuld. Het enige vereiste dat aan die schriftelijke verklaring gesteld mag worden is dat zij exact aan de voorheen overeengekomen voorwaarden voor uitkering voldoet. Dit wordt ook wel de leer van de strikte conformiteit genoemd. Is daaraan voldaan dan kan en moet de bank slechts uitkering weigeren wanneer zij concrete en zwaarwegende aanwijzingen voor bedrog of willekeur heeft. Het is helder dat het bevorderen van een soepel handelsverkeer en de bevorderende rol die bankgaranties daarin vervullen voorop staat. Niet enkel in het belang van de begunstigde maar juist ook in het belang van de steller. Immers, eerst wanneer wordt verklaard dat exact aan de vooraf overeengekomen voorwaarden is voldaan mag de bank uitkeren. Deze werking is talloze malen door de rechtspraak bevestigd.[1]

Twee voorbeelden uit de praktijk laten zien dat die zekerheid beperkingen kent.

Het is gebruikelijk dat de bank van de steller een contragarantie bedingt die in omvang, min of meer beantwoordt aan de bankgarantie. Komt het immers tot uitkering dan krijgt de bank zelf een vordering op de steller. Die vordering wil de bank uiteraard kunnen verhalen, ook wanneer de steller inmiddels insolvent is geworden. Omdat de bank "als eigen schuld" aan de begunstigde betaalt, staat de insolventie van de steller niet aan de betalingsverplichting van de bank in de weg. De contragarantie  komt in vele varianten voor, vaak in de vorm van een zogenaamde contractuele voorwaardelijke regresvordering[2] die (al dan niet via of samen met een financieringsfaciliteit) afgedekt wordt met rechten van pand of hypotheek. Vaak ook door een creditsaldo dat door de steller bij de bank wordt aangehouden als onderpand te laten dienen.

Van zo'n situatie is sprake in het navolgende geval.

Door de bank werd een first demand guarantee verstrekt. Als voorwaarde voor uitkering geldt dat steller middels een in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing - dat betekent een beslissing waartegen niet meer bij een hogere gerechtelijke instantie opgekomen kan worden - is veroordeeld tot betaling aan begunstigde. Tot zekerheid van diens betalingsverplichting jegens de bank voor het geval die onder de bankgarantie zou moeten uitkeren aan de begunstigde, werd op een geblokkeerde rekening van steller een creditsaldo aangehouden. Dat saldo werd bovendien aan de bank verpand.

Steller werd uitvoerbaar bij voorraad tot betaling aan begunstigde veroordeeld maar dat oordeel was nog niet in kracht van gewijsde gegaan. Uitvoerbaar bij voorraad houdt in dat onverminderd een eventueel hoger beroep, wel aan het vonnis voldaan moet worden en dus betaald moet worden. Omdat betaling uitbleef heeft begunstigde executoriaal derde beslag ten laste van steller onder de bank, op het door steller op de geblokkeerde bankrekening aangehouden creditsaldo gelegd.

Steller is van de veroordeling in hoger beroep gegaan maar nog voordat in hoger beroep werd beslist gebeurde achtereenvolgens het volgende:
  • Begunstigde heeft steller en de bank in kort geding gedagvaard en heeft gevorderd dat beiden worden veroordeeld om tegen teruggave van de bankgarantie (die immers niet aangesproken kon worden zolang nog een procedure bij een hogere rechter mogelijk was) tot uitbetaling onder het executoriale beslag over te gaan;
  • Nog voordat de kort geding procedure diende, heeft begunstigde de bankgarantie aan de bank geretourneerd;
  • De bank die daardoor de zekerheid had dat (i) nooit meer aanspraak op betaling onder die bankgarantie gemaakt kon worden en (ii) dat zij nooit uit hoofde van betaling onder de bankgarantie een vordering op de steller zou krijgen, gaf de contragarantie – het pandrecht op het op de geblokkeerde rekening aangehouden creditsaldo - vrij en betaalde onder het door de begunstigde gelegde beslag. De veroordeling was immers uitvoerbaar bij voorraad en het beslag executoriaal;
  • Begunstigde trekt het kort geding in;
  • Door steller wordt ten laste van begunstigde beslag gelegd maar omdat laatstgenoemde (nog) niet door een rechter tot (terug)betaling aan steller veroordeeld was – het hoger beroep waarin dit werd gevorderd, liep nog – kon dit beslag geen ander dan een conservatoir beslag zijn. Zoals het woord al zegt, een beslag dat beoogd te "conserveren" om in geval van een toekomstige veroordeling van begunstigde het verhaal van steller zeker te stellen;
  • Nog voordat de rechter in hoger beroep beslist, wordt begunstigde failliet verklaard.
Het gevolg van de faillietverklaring van begunstigde is dat alle gelegde beslagen vervallen en dat een vordering tot faillissementsvordering verwordt die ter verificatie moet worden aangemeld (en waarop al te vaak geen enkele uitkering plaats vindt). Steller wordt in het hoger beroep uiteindelijk in het gelijk gesteld maar dat blijkt een pyrrusoverwinning: begunstigde is immers gefailleerd. De positie van de steller die het instrument bankgarantie nu juist ook beoogt veilig te stellen, werd door deze bepaald ongelukkig gekozen contragarantie en een advocaat van de begunstigde die daar op uiterst slimme wijze gebruik van heeft gemaakt, volkomen ondergraven[3]. Zelfs wanneer begunstigde niet zou zijn gefailleerd zou steller wanneer die uiteindelijk in het gelijk gesteld zou zijn, nog maar hebben moeten zien dat hij zijn gelden kon recupereren. Niet ondenkbaar is immers dat die gelden na ontvangst daarvan op de bankrekening van begunstigde zouden zijn verrekend met diens bankschuld, zodat het conservatoir beslag ook dan geen doel zou hebben getroffen. Een ander geval betreft het volgende. Met betrekking tot de vergoeding van gederfde huurinkomsten wordt voor de verhuurder als begunstigde in opdracht van de huurder als steller door de bank een bankgarantie afgegeven. Ook in dat verband geldt weer dat de bank voor diens vordering op steller die ontstaat wanneer het tot uitkering komt, een contragarantie bedingt. Wanneer de steller failleert en de huurovereenkomst door de curator of de verhuurder wordt opgezegd, lijdt de verhuurder zogenaamde leegstandschade. Die schade kan de verhuurder verhalen op de bank onder de bankgarantie. Juridisch geldt echter dat opzegging overeenkomstig de mogelijkheid die de faillissementswet daarvoor biedt, een zogenaamde rechtmatige wijze van beëindiging van de huurovereenkomst is. In geval van beëindiging op rechtmatige wijze, bestaat er geen grond tot schadevergoeding. Dat betekent dat in relatie tot de faillissementsboedel leegstand schade niet voor vergoeding in aanmerking komt. Met andere woorden: van de curator kan geen leegstandschade worden gevorderd[4]. Omdat de bank door een bankgarantie voor leegstandschade, zich echter verbindt als ware zij zelf de schuldenaar, kan de begunstigde verhuurder de leegstandschade wel onder de bankgarantie op de bank verhalen. De wettelijke maximalisatie geldt immers enkel in relatie tot de faillissementsboedel c.q. de curator. De bank zal  hoe dan ook moeten uitkeren. De bank kan dan weer geen verhaal nemen onder haar contragarantie. De leegstandschade zou dan immers via de weg van de contragarantie[5] alsnog voor rekening van de faillissementsboedel komen. De bank die een bankgarantie heeft verstrekt, ziet zich dan ook geplaatst in de situatie dat zij wel aan de begunstigde moet uitkeren maar geen verhaal onder de contragarantie mag nemen, voor zover die betrekking heeft op vermogensbestanddelen van de failliet. Het moge duidelijk zijn dat de bank dat risico wenst te minimaliseren en wij zien in de praktijk 3 veelvoorkomende varianten:
  • De bank sluit de "dekking" van leegstandschade uitdrukkelijk uit in geval van faillissement van de steller. Het gevolg daarvan is dat de bankgarantie voor de verhuurder flink aan waarde inboet: de begunstigde beoogt immers juist het risico van leegstandschade in faillissement middels een bankgarantie af te dekken;
  • De bank laat niet de steller de contragarantie afgeven maar een derde, bijvoorbeeld de directeur groot aandeelhouder. Verhaal onder de contragarantie vindt dan niet plaats ten laste van de boedel van de steller. Het is duidelijk dat in zo'n geval het risico wordt verlegd van de bank naar de derde;
  • Een variant daarop is de constructie waarbij aan een groep van vennootschappen een financiering is verstrekt waarvoor die vennootschappen allemaal hoofdelijk verbonden zijn. De bank bedingt de contragarantie dan van een ander dan de steller en kan zich voor de contragarantie op alle door de naast de steller voor de financiering verbonden concernvennootschappen verstrekte zekerheden verhalen.
Wat voor een bank die een bankgarantie heeft afgegeven geldt, geldt ook voor ieder[6] ander die zich voor de schuld van steller aan begunstigde, heeft verbonden. Zoals uit het voorgaande blijkt, is ook de zekerheid die een bankgarantie biedt relatief. Waar het bij de inrichting van een bankgarantie op aankomt, is niet enkel het risico dat met die bankgarantie afgedekt wordt maar ook het beheersen van de risico's die door het stellen van een bankgarantie in het leven worden geroepen.   [1] O.a. Hoge Raad 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:600 (ABN Amro/Amstelpark) [2] O.a. Hoge Raad 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3025 (De Lage Landen/Van Logtestijn q.q.) en ECLI:NL:HR:2015:3094 (Ingwersen q.q./ING) [3] Steller heeft diens "schade" uiteindelijk op de bank kunnen verhalen. De bank had de  uit artikel 2 Algemene Bankvoorwaarden voortvloeiende verplichting om voldoende zorgvuldigheid te betrachten, geschonden door Steller onjuist te informeren. De bank had steller namelijk laten weten dat zij – tegenover het te goed stond namelijk een bankgarantie van gelijke geldelijke omvang – begunstigde in het kader van het beslag zou berichten dat zij niets aan steller verschuldigd was, ergo: dat het beslag geen doel getroffen had. De bank had begunstigde evenwel en op zich juridisch gezien juist, laten weten dat zij een schuld ter hoogte van het creditsaldo had. Dientengevolge had de bank steller de mogelijkheid ontnomen om tijdig adequaat te handelen. [4] HR 14 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO3534 (Aukema q.q./Uni-Invest) en 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1244 (Romania Beheer) [5] HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:278 (Hansteen/Verwiel q.q.) [6] Moeder-of zustervennootschappen; de directeur groot aandeelhouder; een waarborgmaatschappij etc. etc. [post_title] => De beperkte zekerheid van de bankgarantie [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => beperkte-zekerheid-bankgarantie [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-05-17 10:34:16 [post_modified_gmt] => 2017-05-17 08:34:16 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=11729/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [4] => WP_Post Object ( [ID] => 7022 [post_author] => 2 [post_date] => 2017-03-01 11:14:10 [post_date_gmt] => 2017-03-01 10:14:10 [post_content] => Goed om te weten: de Algemene Bankvoorwaarden (ABV) zijn van toepassing op alle bancaire financieringen, zowel particuliere als zakelijke. Ongeveer iedere zes jaar stellen de Nederlandse Vereniging van Banken en de Consumentenbond een nieuwe versie van de ABV op. De vorige versies uit 2002 en 2009 waren vooral kort, zakelijk en geschreven vanuit de bank. Kortom, veel vakjargon en moeilijk leesbaar. Insteek van de ABV 2017 is vooral de klant duidelijkheid geven over zijn rechten en plichten jegens de bank. Wat meteen opvalt is dat de ABV nu maar liefst 22 pagina's tellen, geschreven vanuit de bank aan de klant en in 'gewone mensentaal'. Ook bevatten veel van de artikelen ter verduidelijking voorbeelden uit de dagelijkse praktijk. Niet alleen de stijl van de ABV 2017 wijkt af, er zijn ook inhoudelijke verschillen ten opzichte van de ABV 2009. Een aantal relevante wijzigingen:
  • In het kader van de zorgplicht die op basis van art. 2 ABV op de bank rust, wordt expliciet opgemerkt dat de bank moet streven naar begrijpelijke producten en diensten. Hetzelfde geldt voor de informatie over die producten, diensten en de daaraan verbonden risico's. Wij verwachten dat dit ook invloed zal hebben op de volgende versies van de bijzondere voorwaarden die de bank hanteert, naast de ABV (hierover later meer).
  • De ABV sluiten aan bij de technologische ontwikkelingen in communicatie tussen bank en klant, bijvoorbeeld de apps voor mobiel bankieren. Ook laat de bank meer ruimte voor communicatie per internetbankieren, e-mail en/of telefoon in plaats van schriftelijke communicatie.
  • In sommige gevallen komt het tot een procedure tussen de bank en haar klant. Op basis van art. 28 lid 2 ABV 2009 kon de in het gelijk gestelde bank (binnen de grenzen van het redelijke) haar volledige proceskosten verhalen op de klant. Denk hierbij ook aan advocaatkosten. De ABV 2017 bepalen dat – wanneer een wettelijke regeling bestaat voor bijzondere kosten – deze wettelijke regeling voorgaat op de ABV. Dat is het geval voor proceskosten, vanaf 1 maart 2017 kan de bank dus alleen een forfaitaire kostenveroordeling vorderen op basis van de daarvoor geldende wettelijke regels.
Let op, bij het afsluiten van veel van haar producten verklaart een bank bijzondere voorwaarden van toepassing. Dit is ook het geval bij veelvoorkomende producten, bijvoorbeeld borgtocht, bedrijfsfinanciering, hypotheek of verpanding, rekening-courant, etc. Bent u ondernemer, gaan deze bijzondere voorwaarden steeds voor op de ABV. Hebt u de overeenkomst echter gesloten als consument, kunnen de bijzondere voorwaarden uw rechten of bescherming uit de ABV niet beperken. Grote kans dat u de ABV niet hebt gelezen bij het afsluiten van uw financieringsproduct. Bij herfinanciering van uw onderneming, bij het aantrekken van aanvullende financiering, bij beëindiging van uw financiering of wanneer uw onderneming onverhoopt in financiële problemen komt, worden ze ineens actueel. Neem contact op met één van onze advocaten van team Financiering & Zekerheden om uw rechten en plichten helder op het netvlies te krijgen. 1 maart 2017 [post_title] => Nieuwe Algemene Bankvoorwaarden met ingang van 1 maart 2017 [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => nieuwe-algemene-bankvoorwaarden-met-ingang-van-1-maart-2017 [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-03-01 11:18:37 [post_modified_gmt] => 2017-03-01 10:18:37 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=7022 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [5] => WP_Post Object ( [ID] => 6001 [post_author] => 2 [post_date] => 2016-12-19 16:06:07 [post_date_gmt] => 2016-12-19 15:06:07 [post_content] => Op 19 december 2016 heeft de onafhankelijk derivatencommissie het uniform herstelkader rentederivaten definitief vastgesteld. Op basis van dit uniform herstelkader gaan de betrokken banken – ABN AMRO, ING, SNS, Van Lanschot, Rabobank en Deutsche Bank – alle dossiers die binnen de scope van het uniform herstelkader vallen, toetsen aan het herstelkader. Ook als klanten reeds een compensatie aangeboden hebben gekregen of al hebben ontvangen, worden hun dossiers opnieuw getoetst. De definitieve versie van het uniform herstelkader is een uitwerking van het reeds op 5 juli 2016 door de onafhankelijk derivatencommissie gepubliceerde uniform herstelkader rentederivaten voor het MKB. In een eerdere bijdrage hebben wij de toelatingseisen en de wijze van herbeoordeling van het uniform herstelkader reeds besproken. Deze publicatie kunt u hier teruglezen. De betrokken banken zullen hun klanten in december 2016 en januari 2017 infomeren over het proces en de tijdslijnen. Vóór medio 2017 zal vervolgens een aanbiedingsbrief volgen. De verwachting is dat de eerste compensatievoorstellen begin 2017 zullen plaatsvinden. Heeft u vragen over de toelatingsvereisten voor het uniform herstelkader, over de te doorlopen stappen van het uniform herstelkader, de herbeoordeling die uw bank eerder heeft uitgevoerd of de regeling die u eerder met uw bank sloot ter compensatie van uw renteswap, dan kunt u contact opnemen met Yvonne Einig of Marc Leclair. 19 december 2016 [post_title] => Uniform Herstelkader Rentederivaten definitief vastgesteld! [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => uniform-herstelkader-rentederivaten-definitief-vastgesteld [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-12-19 16:06:07 [post_modified_gmt] => 2016-12-19 15:06:07 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=6001 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [6] => WP_Post Object ( [ID] => 3942 [post_author] => 21 [post_date] => 2016-07-18 08:02:44 [post_date_gmt] => 2016-07-18 08:02:44 [post_content] => Op 5 juli 2016 heeft de onafhankelijke derivatencommissie het uniform herstelkader gepresenteerd voor de herbeoordelingen door banken van rentederivaten in het MKB. Doel is om snel en zonder veel discussie tot passende oplossingen te komen voor de renteswaps die banken met name in de periode van 2005-2008 op grote schaal aan het MKB hebben aangeboden. Het uniform herstelkader is tot stand gekomen na overleg met zowel de betrokken banken als met de grootste belangenorganisaties van MKB-klanten. ABN AMRO, ING, SNS en Van Lanschot hebben zich aan het uniform herstelkader gecommitteerd. Rabobank en Deutsche Bank (nog) niet. De reden daarvoor is gelegen in het feit dat het herstelkader weinig interpretatieruimte voor banken geeft bij de uitvoering van de herbeoordeling. Om binnen het toepassingsgebied van het herstelkader te vallen dient aan 3 vereisten voldaan te worden:
  1. Temporeel

MKB-ers met een lopend contract tussen 1 april 2011 en 1 april 2014 worden actief door de bank benaderd. LET OP: MKB-ers met een renteswap met een Transactiedatum na 1 januari 2005 en een initiële contractuele einddatum gelegen na 1 april 2011, waarbij de swap voordien tussentijds is geëindigd, dienen zich op eigen initiatief aan te melden ('temporele opt-in')! Banken zullen zich niet beroepen op verjaring.

  1. Alleen niet-professionele beleggers

De criteria voor het kwalificeren als niet-professionele belegger zijn in het herstelkader nader uitgewerkt.

  1. Alleen niet-deskundige MKB-ers

De criteria voor het kwalificeren als niet deskundig zijn in herstelkader nader gespecificeerd.

Voldoet u aan de toelatingsvereisten, dan vindt de herbeoordeling in vier stappen plaats. Op hoofdlijnen zien de vier stappen er als volgt uit:
  1. Noodzakelijk substituut

Vastgesteld moet worden om welk soort rentederivaat het gaat. Bij bepaalde complexe rentederivaten dient het product voor de berekening in stap 2 (fictief) aangepast te worden naar een renteswap, een rentecap of een rentecollar met een bepaalde looptijd.

  1. Technisch herstel

Technische onvolkomenheden voor wat betreft mismatches (in rentetarief of overhedges in looptijd of omvang), margin calls, vervroegde aflossingen en bedrijfsbeëindiging dienen eveneens (fictief) gecorrigeerd te worden.

  1. Coulancevergoeding

Er zijn compensatiepercentages vastgesteld afhankelijk van de notional (omvang/afgedekte bedrag van de swap). De vergoeding ziet zowel op de in het verleden betaalde rente onder de swap als op de nog onder de lopende renteswap in de toekomst opkomende verplichtingen. De coulancevergoeding bedraagt maximaal EUR 100.000,-. Was de MKB-er verplicht om het renterisico af te dekken door middel van een renteswap, omdat de MKB-er zich vanuit het kredietbeleid van de bank geen rentestijging kon permitteren, dan geldt een uitzondering op de vergoedingsplicht.

  1. Renteopslagen

In veel gevallen hebben banken tussentijds de renteopslagen van de financiering verhoogd vanwege de dalende rente op de geldmarkt. Dit dient naar het verleden toe gecompenseerd te worden en voor de toekomst dient het oorspronkelijke rentetarief te gelden.

Tevens voorziet het herstelkader in een maximum vergoeding voor ingeschakelde deskundigen, zoals een advocaat of financieel-technisch adviseur. De herbeoordeling op basis van het uniform herstelkader door de banken wordt de eerste maanden bijgestuurd door onafhankelijke deskundigen. Tevens kunnen die deskundigen op specifieke onderwerpen en op verzoek van MKB-ers bindende adviezen geven. Verwachting is dat de herbeoordelingen op basis van het uniform herstelkader medio 2017 zijn afgewikkeld. Heeft u vragen over de toelatingsvereisten voor het uniform herstelkader, over de te doorlopen stappen van het uniform herstelkader, de herbeoordeling die uw bank eerder heeft uitgevoerd of de regeling die u eerder met uw bank sloot ter compensatie van uw renteswap, dan kunt u contact opnemen met Yvonne Einig of Marc Leclair. Update 7 juli 2016: Rabobank heeft vandaag bekend gemaakt zich te committeren aan het uniforme herstelkader rentederivaten. [post_title] => Uniform Herstelkader Rentederivaten: Dit is wat u moet weten! [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => 3942 [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-07-18 08:03:13 [post_modified_gmt] => 2016-07-18 08:03:13 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=3942 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [7] => WP_Post Object ( [ID] => 3274 [post_author] => 2 [post_date] => 2016-07-08 10:30:11 [post_date_gmt] => 2016-07-08 10:30:11 [post_content] => Op 24 maart 2016 heeft het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) de uitspraak van de Commissie van Beroep van 27 januari 2016 gepubliceerd, waarin de Commissie van Beroep een uitspraak van de Geschillencommissie van 5 november 2014 in hoger beroep ter zijde heeft geschoven. Het betrof in deze zaak een echtpaar dat een lening voor een bedrijfspand met een variabele rente bij de bank was aangegaan in combinatie met een renteswap in de vorm van een zogenaamde 'zero cost knock in collar'. In hoger beroep wordt hun vordering tot vergoeding van de schade toegewezen. De rente collar in de onderhavige zaak kenmerkte zich doordat een 'cap' (bovengrens) en een 'floor' (ondergrens) voor de (variabele) referentierente was ingebouwd met een 'knock in' (ruimte onder de floor waarbinnen de klant nog kan profiteren van een dalende referentierente) en een 'penalty' (boete) zodra de referentierente onder de knock in grens komt. Deze kenmerken brengen mee dat indien de referentierente daalt, de klant slechts profiteert van de dalende rente zolang de floor niet is bereikt. Is de floor bereikt en daalt de rente onder de knock in, dan wordt de klant geconfronteerd met een boete bovenop de rente van de floor (de ondergrens). De floor met knock in biedt aldus geen volledige bescherming tegen een rentedaling. De cap biedt daarnaast geen bescherming tegen rentestijgingen die het gevolg zijn van eenzijdige wijzigingen door de bank van de rente-opslag van de geldlening, nu de cap van de renteswap los staat van de overeenkomst van geldlening. De kenmerken van dit (in de woorden van de Commissie van Beroep) "complexe samenstel van producten" (de lening met een variabele rente in combinatie met de rente collar) kunnen voor de klant onder bepaalde marktomstandigheden financieel ernstige gevolgen hebben. Volgens de Commissie van Beroep heeft de bank als bij uitstek professionele en deskundige partij de plicht tegenover een klant als consument, die niet als professioneel of deskundig kan worden aangemerkt, voorafgaand aan de koop van dit samenstel van producten volledig en op niet mis te verstane wijze te informeren over de bijzondere kenmerken en risico’s van de producten en hun samenstel. De Commissie van Beroep sluit daarmee aan bij vaste rechtspraak van de Hoge Raad over de bijzondere zorgplicht van een bank bij het aanbieden van complexe beleggingsproducten aan consumenten binnen een beleggingsadviesrelatie. Vervolgens komt de Commissie van Beroep tot de conclusie dat de bank haar zorgplicht in het onderhavige geval heeft geschonden door niet adequaat te adviseren, informeren en waarschuwen omtrent de specifieke kenmerken en risico's van (de combinatie van) de geldlening en de rente collar. Meer in het bijzonder over het feit dat de rente-opslag niet onder de werking van de rente collar viel en wat de mogelijke gevolgen daarvan kunnen zijn, zoals de situatie dat de rente-opslag wordt verhoogd terwijl de renteswap een negatieve marktwaarde heeft, waardoor de mogelijkheid om de geldlening tussentijds boetevrij te beëindigen wordt belemmerd. De bank moet de hierdoor ontstane schade van bijna EUR 250.000,-, zijnde de betalingen door de klant die het gevolg zijn van deze renteswap, aan haar klant vergoeden. Eerder had de Geschillencommissie in het voordeel van de bank geoordeeld. Zij had de vordering van de klant afgewezen, omdat zij het verhogen van de opslag in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid daarom niet onaanvaardbaar acht. In haar ogen had de bank tegenover de klant niet onrechtmatig gehandeld door de rente-opslag te wijzigen. De volledige uitspraak kunt u hier vinden. Heeft u een geschil met uw bank over een renteswapovereenkomst, of heeft u vragen over dit onderwerp? Neem dan contact op met Marc Leclair of Yvonne Einig.   [post_title] => Hoger beroep renteswap: beroep op schending zorgplicht bij Kifid slaagt! [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => hoger-beroep-renteswap-beroep-op-schending-zorgplicht-bij-kifid-slaagt [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-07-08 12:01:15 [post_modified_gmt] => 2016-07-08 12:01:15 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://31.3.97.74/~boelzander/?post_type=publicatie&p=3274 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [8] => WP_Post Object ( [ID] => 3292 [post_author] => 2 [post_date] => 2016-07-08 12:20:50 [post_date_gmt] => 2016-07-08 12:20:50 [post_content] => Op verzoek van de Nederlandse Vereniging van Banken heeft het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) op 26 januari 2015 een commissie opgericht voor de behandeling van geschillen tussen MKB-ondernemingen en bankinstellingen over renteswapovereenkomsten. Met deze Geschillencommissie wordt beoogd MKB-ondernemingen een goedkoop en snel alternatief te bieden voor een procedure bij de civiele rechter. Om een klacht in te kunnen dienen moet onder meer aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
  • de klachtenprocedure van de betrokken bank moet zijn gevolgd;
  • de klacht moet binnen één jaar nadat zij aan de bank is voorgelegd, of, als de bank inhoudelijk gereageerd heeft, binnen drie maanden na de reactie, worden voorgelegd aan het Kifid;
  • de klacht mag niet reeds zijn voorgelegd aan de civiele rechter;
  • de onderneming heeft niet meer dan 50 werknemers in dienst;
  • de onderneming heeft een omzet of balanstotaal van maximaal EUR 10 mio.;
  • de looptijd van de renteswapovereenkomst is niet vóór 1 april 2014 geëindigd;
  • de hoofdsom van de vordering, exclusief vertragingsrente en kosten, bedraagt maximaal EUR 1 mio.;
  • de renteswapovereenkomst is afgesloten met ING Bank NV, ABN AMRO Bank NV, Coöperatieve Rabobank UA, SNS REAAL NV of Deutsche Bank Nederland NV.
Als de klacht behandelbaar is, zal de Ombudsman eerst nog beoordelen of het zinvol is om een bemiddelingspoging te ondernemen. In tien zaken heeft deze bemiddelingspoging inmiddels geresulteerd in een schikking. Wanneer een klacht geen aanleiding geeft tot bemiddeling of bemiddeling tevergeefs blijkt, verwijst de Ombudsman de klacht door naar de Geschillencommissie. De Geschillencommissie doet uitspraak over de klacht. De uitspraak heeft de vorm van een bindend advies; beide partijen zijn juridisch gebonden aan de uitspraak en een civiele rechter mag slechts toetsen of het advies juist tot stand is gekomen en of het voldoende is gemotiveerd. Zowel de MKB-onderneming als de betrokken bank kan tegen de uitspraak van de Geschillencommissie in hoger beroep gaan bij de Commissie van Beroep. De uitspraak van de Commissie van Beroep is ook bindend. Het Kifid publiceert de uitspraken van de Geschillencommissie en van de Commissie van Beroep in geanonimiseerde vorm. Uitspraken van Geschillencommissie Op 29 februari 2016 zijn de eerste drie uitspraken van de Geschillencommissie gepubliceerd. In deze procedures werd gesteld dat i) de renteswapovereenkomst tot stand was gekomen onder invloed van dwaling en ii) de betrokken bank haar (bijzondere) zorgplicht heeft geschonden, waardoor zij schadeplichtig is. De Geschillencommissie oordeelde echter in alle gevallen dat de betrokken bank de MKB-onderneming bij het tot stand komen van de renteswapovereenkomst in voldoende mate heeft geïnformeerd over de kenmerken en risico's van het product. Uit de door de banken verstrekte informatie zou immers voldoende duidelijk blijken dat met de renteswapovereenkomst de variabele rente wordt uitgeruild tegen een vaste rente en dat de opslag op de rente daar buiten blijft, dat bij voortijdige beëindiging van de lening de renteswapovereenkomst niet automatisch wordt beëindigd en dat met het voortijdig beëindigen van de rentswapovereenkomst, afhankelijk van de dan geldende rente, de MKB-onderneming een bedrag ontvangt of moet betalen. Slechts in één van de uitspraken heeft de Geschillencommissie de vordering van de MKB-onderneming (gedeeltelijk) toegewezen. De reden hiervoor was gelegen in het feit dat de bank de MKB-onderneming niet van passend advies had voorzien, omdat de renteswapovereenkomst onvoldoende samenhang vertoonde met de onderliggende leningen; terwijl de hoofdsom van de leningen terugliep, bleef de hoofdsom van de renteswap gelijk. Dit wordt ook wel een overhedge genoemd. Eerder oordeelde de civiele rechter dat een bank bij een overhedge schadeplichtig is voor de schade die het gevolg is van die overhedge. Tevens heeft de AFM de banken opgeroepen klanten in dergelijke situaties te voorzien van een passende oplossing. De volledige uitspraken kunt u hier vinden (uitspraak 1, uitspraak 2, uitspraak 3). Heeft u een geschil met uw bank over een renteswapovereenkomst, of heeft u nog vragen over dit onderwerp? Neem dan contact op met Marc Leclair of Yvonne Einig. [post_title] => Renteswapovereenkomst: Geschillencommissie Kifid [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => renteswapovereenkomst-geschillencommissie-kifid [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-07-08 12:20:50 [post_modified_gmt] => 2016-07-08 12:20:50 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://31.3.97.74/~boelzander/?post_type=publicatie&p=3292 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [9] => WP_Post Object ( [ID] => 3267 [post_author] => 21 [post_date] => 2016-07-08 08:20:45 [post_date_gmt] => 2016-07-08 08:20:45 [post_content] =>

Op 29 maart jl. heeft het gerechtshof Amsterdam een belangrijke uitspraak gedaan over het ontstaansmoment van vorderingen in de gezondheidszorg.

Anders dan de rechtbank, is het gerechtshof van oordeel dat voor het ontstaan van de vordering van de zorgverlener op de zorgverzekeraar niet beslissend is het moment waarop de zorgverlener een geneeskundige behandelingsovereenkomst heeft gesloten met een verzekerde cliënt of ter uitvoering daarvan geneeskundige werkzaamheden ten behoeve van de cliënt heeft verricht of gaat verrichten, maar het moment waarop de zorgverlener heeft voldaan aan de voorwaarden voor het kunnen declareren van een DBC-tarief (Diagnose Behandel Combinatie).

De uitspraak is van belang voor de financieringspraktijk. Het ontstaansmoment van een vorderingsrecht bepaalt immers in hoeverre een vordering in het geval van een faillissement toekomt aan de pandhouder dan wel de failliete boedel.

Voor een goed begrip van de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam zullen wij eerst kort ingaan op de werking van een pandrecht, meer concreet een pandrecht op vorderingsrechten. Vervolgens zullen wij de onderliggende casus behandelen.

Inleiding Het pandrecht is een verhaalsrecht. Het pandrecht strekt ter zekerheidstelling van een vordering tot voldoening van een geldsom. Het is de pandgever die ten gunste van de pandhouder een pandrecht op een tot haar vermogen behorend actief laat vestigen, zoals op een vordering van de pandgever op een derde (debiteur).

Pandrecht in het algemeen Met een pandrecht krijgt de pandhouder een bevoorrechte positie ten opzichte van andere (concurrente) schuldeisers van de pandgever. Een pandhouder kan zich met voorrang boven andere schuldeisers van de pandgever op het onderpand verhalen. Bovendien heeft de pandhouder het recht van parate executie; wanneer pandgever jegens hem in verzuim is geraakt, krijgt de pandhouder, zonder dat hij conservatoir beslag hoeft te leggen en een executoriale titel nodig heeft, de bevoegdheid om door middel van verkoop (in beginsel openbaar) en levering van het verpande goed of inning van de verpande vordering zijn vordering te verhalen. Deze rechten blijven, anders dan bij beslag, tijdens het faillissement van de pandgever overeind; de pandhouder kan zijn rechten uitoefenen alsof er geen faillissement is.

Vuistpand / bezitloos (stil) pandrecht Vuistpand is een pandrecht waarbij het te verpanden goed of recht in de macht van de pandhouder of van een derde komt. Bij vuistpand wordt het verpande goed door de pandgever overgedragen aan de pandhouder of aan een derde. In de praktijk is dit moeilijk bruikbaar, omdat de pandgever dan niet meer over haar goed of recht kan beschikken.

Bij bezitloos (stil) pandrecht wordt het verpande goed niet overgedragen aan de pandhouder, maar wordt in een authentieke of geregistreerde akte opgemaakt dat er een pandrecht is gevestigd op een bepaald goed of recht.

Pandrecht op vorderingsrechten Een stil pandrecht op een vorderingsrecht kan slechts worden gevestigd mits dit vorderingsrecht op het tijdstip van de vestiging van het pandrecht reeds bestaat of rechtstreeks zal worden verkregen uit een dan reeds bestaande rechtsverhouding.

Als gevolg hiervan kan een pandgever slechts haar ten tijde van het ondertekenen van de akte van verpanding bestaande en relatief toekomstige vorderingen (vorderingen uit hoofde van een reeds bestaande rechtsverhouding) verpanden, en aldus niet haar absoluut toekomstige vorderingen (vorderingen uit hoofde van een nog niet bestaande rechtsverhouding).

Inningsbevoegdheid van vorderingsrechten De vestiging van een stil pandrecht op een vorderingsrecht brengt geen wijziging in de inningsbevoegdheid van de pandgever. Totdat het pandrecht door pandhouder openbaar wordt gemaakt, blijft de pandgever bevoegd de verpande vorderingen te innen en blijft de debiteur bevoegd haar schuld aan de pandgever te voldoen.

Indien de pandgever tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen jegens de pandhouder (of daartoe gegronde vrees bestaat), is de pandhouder bevoegd mededeling te doen van haar pandrecht aan de debiteuren van de pandgever.

Na mededeling van het pandrecht (openbaarmaking) gaat de inningsbevoegdheid over op de pandhouder. De pandhouder is dan bevoegd tot inning van de vorderingen over te gaan. In dat geval kan de debiteur van de pandgever slechts bevrijdend betalen aan de pandhouder.

Vorderingen die ná het faillissement van de pandgever ontstaan en niet voortvloeien uit een op moment van faillietverklaring bestaande rechtsverhouding, komen toe aan de failliete boedel en niet aan de pandhouder. Door het faillissement is de pandgever namelijk niet meer bevoegd tot het verpanden van vorderingen. In dat geval kan de debiteur slechts bevrijdend betalen aan de curator.

Ontstaansmoment van vorderingsrechten Een vordering bestaat in beginsel pas als een bepaalde prestatie kan worden gevorderd.

Bij het ontstaan van vorderingen dient een onderscheid te worden gemaakt tussen vorderingen die voortvloeien uit de wet en vorderingen die voortvloeien uit een overeenkomst.

Ten aanzien van vorderingen uit de wet geldt dat deze pas ontstaan indien aan alle door de wet genoemde vereisten daarvoor is voldaan. Ten aanzien van vorderingen uit een overeenkomst geldt dat partijen in beginsel zelf kunnen bepalen wanneer de uit de overeenkomst voortvloeiende vorderingen ontstaan.

Casus Better Life BV is een aanbieder van geestelijke gezondheidszorg (ggz).

Op 31 mei 2012 heeft Better Life BV een full-factoringovereenkomst gesloten met Fa-Med BV. Op grond van deze overeenkomst factureert en incasseert Fa-Med BV declaraties voor Better Life BV en voorziet zij Better Life BV van voorschotten.

Tot zekerheid voor nakoming van al hetgeen Better Life BV uit hoofde van de full-factoringovereenkomst aan Fa-Med BV is verschuldigd, heeft Better Life BV ten gunste van Fa-Med BV een pandrecht gevestigd op alle bestaande en toekomstige vorderingen die voortvloeien of zullen voortvloeien uit de uitoefening door Better Life BV van haar werkzaamheden als zorgverlener.

Bij vonnis van 12 maart 2013 is Better Life BV in staat van faillissement verklaard. Ten tijde van het intreden van het faillissement had Fa-Med BV een vordering op Better Life BV van EUR 2.383.691,-. Het onderhanden werk vertegenwoordigde een bedrag van EUR 1.265.697,03. Van dit bedrag werd EUR 885.989,- geïncasseerd nadat de door Better Life BV uitgevoerde maar nog niet in rekening gebrachte werkzaamheden administratief werden afgehandeld als diagnosebehandel-combinatie (DBC) en werden gefactureerd aan de zorgverzekeraars.

Diagnosebehandel-combinatie Een DBC komt overeen met een pakket aan activiteiten die nodig zijn om bij een cliënt een bepaalde diagnose te stellen en de cliënt aansluitend te behandelen. Een DBC in de ggz is opgebouwd uit activiteiten, verrichtingen en de daaraan bestede tijd. Aan elk DBC hangt een prijskaartje. Dit wordt gebruikt om de zorg te declareren bij de zorgverzekeraar of de cliënt. Na het afsluiten van het zorgtraject ontvangt de cliënt of de zorgverzekeraar de rekening die gebaseerd is op de DBC.

Op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) ligt de verantwoordelijkheid voor de prestatie- en tariefregulering op het gebied van de zorg bij de Nederlandse zorgautoriteit (Nza). In het verlengde geldt dit ook voor de DBC-systematiek. De Nza stelt op grond van de Wmg regels vast, inhoudende aan wie, door wie, op welke wijze, onder welke voorwaarden of met inachtneming van welke voorschriften of beperkingen een tarief in rekening wordt gebracht. Het betreft een publieke taak.

Oordeel rechtbank De rechtbank heeft tot uitgangspunt genomen dat het publiekrechtelijke DBC-systeem geen zelfstandig recht op betaling in het leven roept voor een prestatie door de zorgverlener.

De rechtbank is van oordeel dat de declaraties en facturering feitelijke handelingen zijn die zelf geen betalingsverplichting in het leven roepen; de vordering op de zorgverzekeraars ontstaat volgens de rechtbank dan ook door het sluiten van een geneeskundige behandelingsovereenkomst tussen de zorgverlener en de cliënt, althans wanneer ter uitvoering van die behandelingsovereenkomst een medische behandeling werd verricht.

Oordeel gerechtshof Met de rechtbank is het gerechtshof van oordeel dat het publiekrechtelijke DBC-systeem zelf geen zelfstandige vorderingen in het leven roept voor de prestaties van een zorgverlener.

Het gerechtshof is echter van mening dat Fa-Med BV onvoldoende concreet aan de hand van de inhoud en strekking van geneeskundige behandelingsovereenkomsten heeft gesteld dat Better Life BV ter zake het onderhanden werk ten tijde van het faillissement iets te vorderen had van de zorgverzekeraars.

Het gerechtshof is van oordeel dat voor het ontstaan van een vordering op een zorgverzekeraar niet beslissend is het moment waarop de zorgverlener een geneeskundige behandelingsovereenkomst heeft gesloten met een verzekerde cliënt of ter uitvoering daarvan geneeskundige werkzaamheden ten behoeve van de cliënt heeft verricht of gaat verrichten, maar het moment waarop de zorgverlener heeft voldaan aan de voorwaarden voor het kunnen declareren van een DBC-tarief. Aanspraak op dit tarief ontstaat pas na afronding van de werkzaamheden en afsluiting van de DBC. Dit doet de vordering ontstaan. Uit niets blijkt dat Better Life BV vóór het moment dat aan deze voorwaarden was voldaan reeds een prestatie van de zorgverzekeraar kon vorderen.

Het gerechtshof heeft dan ook geconcludeerd dat de vorderingen niet aan Fa-Med BV zijn verpand, waardoor de curator van Better Life BV gerechtigd is over te gaan tot het incasseren van de vorderingen op de zorgverzekeraars ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers van Better Life BV.

Conclusie Bij het verpanden van toekomstige vorderingsrechten is het ontstaansmoment van de vorderingsrechten essentieel. Het ontstaansmoment bepaalt immers in hoeverre de vorderingsrechten – in het geval van faillissement – aan de faillissementsboedel of de pandhouder toekomen.

Bij vorderingsrechten die voortvloeien uit een overeenkomst geldt dat pandgever en zijn klanten in beginsel zelf kunnen bepalen wanneer de vorderingsrechten ontstaan. Dit leidt tot onzekerheid voor de pandhouder; op het moment van de vestiging van het pandrecht is hij immers onbekend met de inhoud van de overeenkomsten tussen de pandgever en zijn klanten.

De volledige uitspraak kunt u hier vinden. Wilt u meer weten over het verpanden van vorderingsrechten, het ontstaansmoment van een vorderingsrecht, de werking van het DBC-systeem, of heeft u vragen over deze uitspraak? Neem dan contact op met Josanne Cox-Brinkman of Marc Leclair. [post_title] => Pandrecht op onderhanden werk [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => pandrecht-op-onderhanden-werk [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-07-14 22:04:07 [post_modified_gmt] => 2016-07-14 22:04:07 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://31.3.97.74/~boelzander/?post_type=publicatie&p=3267 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [10] => WP_Post Object ( [ID] => 3293 [post_author] => 2 [post_date] => 2016-07-08 12:28:52 [post_date_gmt] => 2016-07-08 12:28:52 [post_content] => Het aangaan van een overbruggingskrediet behoort niet tot de rechtshandelingen die in de normale uitoefening van het bedrijf plegen te worden verricht, waardoor de borgstelling mede door de echtgenoot moet worden ondertekend. Althans dit lijkt te volgen uit een arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015. Inleiding Slechts in de uitzonderlijke gevallen als genoemd in artikel 1:88 BW heeft een echtgenoot de toestemming nodig van zijn wederhelft voor het aangaan van een rechtshandeling. Deze regeling beoogt de echtgenoten, in het belang van het gezin, tegen elkaar te beschermen voor het verrichten van rechtshandelingen die gezien het voorwerp van de rechtshandeling (woning) of de aard daarvan (giften, zekerheidsstelling ten behoeve van derden en koop op afbetaling) benadelend zijn of een financieel risico meebrengen. Zo behoeft een echtgenoot de toestemming van de andere echtgenoot voor het sluiten van overeenkomsten die ertoe strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt, of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van de derde verbindt (artikel 1:88 lid 1 sub c BW). Deze toestemming is niet vereist, indien de rechtshandeling wordt verricht door een directeur-grootaandeelhouder en mits de rechtshandeling waarvoor de echtgenoot zich verbindt, geschiedt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf (artikel 1:88 lid 5 BW). Een in strijd met artikel 1:88 BW verrichte rechtshandeling is vernietigbaar door de andere echtgenoot (artikel 1:89 lid 1 BW). Door vernietiging van een borgtochtovereenkomst kan de schuldeiser voor zijn vordering op de hoofdschuldenaar geen verhaal halen op de borg. Casus Eiser is bestuurder en meerderheidsaandeelhouder van een vennootschap die zich met haar dochtervennootschap hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld jegens de bank voor een aan deze vennootschappen verstrekte financiering. Eiser heeft zich borg gesteld voor de verplichtingen van de vennootschappen jegens de bank. Wegens negatieve resultaten was de bank in 2011 voornemens om de financiering te beëindigen. Omdat een partij wenste te participeren in de vennootschappen, had de bank de financiering voortgezet en de vennootschappen van een overbruggingskrediet voorzien. Eiser heeft zich daarbij (aanvullend) borg gesteld. Nadat de participatie van de baan was, heeft de bank de financiering opgezegd en haar vordering opgeëist. Vervolgens heeft zij eiser op zijn verplichting uit de borgtochtovereenkomst aangesproken. De echtgenote van eiser heeft de borgtochtovereenkomst voorts vernietigd ex artikel 1:89 lid 1 BW. De rechtbank en het gerechtshof zijn van mening dat de borgtochtovereenkomst is aangegaan ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening. De Hoge Raad oordeelt dat de toestemming van de andere echtgenoot alleen dan niet is vereist, indien de rechtshandeling waarvoor de in artikel 1:88 lid 1 sub c BW bedoelde zekerheid wordt verstrekt, zelf behoort tot de rechtshandelingen die in de normale bedrijfsuitoefening van een bedrijf plegen te worden verricht. Het is volgens de Hoge Raad dan ook onbegrijpelijk hoe het gerechtshof tot het oordeel is gekomen dat het aangaan van het overbruggingskrediet behoort tot de rechtshandelingen die in de normale uitoefening van het bedrijf plegen te worden verricht. Dat het overbruggingskrediet mede ertoe heeft gestrekt de bedrijven in staat te stellen hun normale bedrijfsuitoefening voort te zetten, mag niet baten. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam en verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing. Conclusie De Hoge Raad is van oordeel dat het aangaan van een overbruggingskrediet in de gegeven omstandigheden niet behoort tot de rechtshandelingen die in de normale uitoefening van het bedrijf plegen te worden verricht. Dat geldt naar onze mening niet voor elk overbruggingskrediet. In dit geval was het immers van belang dat er – buiten de participatie – geen reëel toekomstperspectief voor de vennootschappen bestond. Om te voorkomen dat een echtgenoot een borgtochtovereenkomst kan vernietigen, dient de andere echtgenoot de borgtochtovereenkomst mede te ondertekenen. Op deze manier beschikt de echtgenoot welke zich als borg wenst te verbinden immers op voorhand over de benodigde toestemming van de andere echtgenoot. De banken hebben hun beleid hier doorgaans op aangepast. De uitspraak is echter ook van belang voor de kwalificatie van de borgtocht. Indien de borgstelling door een bestuurder is afgegeven tot zekerheid voor rechtshandelingen die niet ten behoeve van zijn bedrijf zijn aangegaan, kwalificeert de borgtocht namelijk als particuliere borgtocht als bedoeld in artikel 7:857 BW. Deze kwalificatie is van belang omdat de bank ten aanzien van een particuliere borg een bijzondere zorgplicht in acht dient te nemen, hetgeen in beginsel niet het geval is indien de borg als een zakelijke borg kwalificeert. Dat betekent onder andere dat de bank de borg moet wijzen op de risico's die daarmee gepaard gaan. Bovendien gelden voor een particuliere borgtocht enkele dwingendrechtelijke bepalingen waarvan niet ten nadeel van de borg kan worden afgeweken. Zo moet een particuliere borg verplicht (op straffe van nietigheid) het maximum bedrag vermelden waarvoor de borgtocht tot zekerheid strekt. De volledige uitspraak kunt u hier vinden. Wilt u meer weten over de (werking van) borgtochtovereenkomsten en de mogelijkheid om deze te vernietigen, of heeft u vragen over dit onderwerp? Neem dan contact op met Michiel Peeters of Marc Leclair. [post_title] => Overbruggingskrediet strekt niet ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening! [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => overbruggingskrediet-strekt-niet-ten-behoeve-van-de-normale-bedrijfsuitoefening [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-07-08 12:28:52 [post_modified_gmt] => 2016-07-08 12:28:52 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://31.3.97.74/~boelzander/?post_type=publicatie&p=3293 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) )
< 12 >

Wij gebruiken cookies om u de beste online ervaring te bieden. Door akkoord te gaan, accepteert u het gebruik van cookies in overeenstemming met ons cookiebeleid.

Privacy Settings saved!
Privacy-instellingen

Wanneer u een website bezoekt, kan het informatie in uw browser opslaan of ophalen, meestal in de vorm van cookies. Beheer hier uw persoonlijke Cookie Services.

Deze cookies zijn nodig om de website te laten functioneren en kunnen niet worden uitgeschakeld in onze systemen.

In order to use this website we use the following technically required cookies
  • wordpress_test_cookie
  • wordpress_logged_in_
  • wordpress_sec

Omwille van de prestaties gebruiken we Cloudflare als een CDN-netwerk. Hiermee wordt een cookie "__cfduid" opgeslagen om beveiligingsinstellingen per client toe te passen. Deze cookie is strikt noodzakelijk voor de beveiligingsfuncties van Cloudflare en kan niet worden uitgeschakeld.
  • __cfduid

Geen toestemming
Wel toestemming