Publicaties

Publicaties
Array
(
    [0] => WP_Post Object
        (
            [ID] => 21941
            [post_author] => 2
            [post_date] => 2018-12-11 10:33:37
            [post_date_gmt] => 2018-12-11 09:33:37
            [post_content] => De Tweede Kamer heeft vandaag het wetsvoorstel tot herziening van het stelsel van partneralimentatie bij echtscheiding aangenomen. Nu moet het ook nog door de Eerste Kamer. Het blijft dus afwachten! Maar als ook daar het licht op groen gaat, geldt met ingang van 1 januari 2020 en énkel voor nieuwe gevallen (verzoeken die na die datum worden ingediend) een veel kortere wettelijke duur voor partneralimentatie. Thans bedraagt deze nog 12 jaren.

In het kort:
- hoofdregel: de helft van de huwelijksduur met een maximum van 5 jaren, te rekenen vanaf de inschrijving van de echtscheiding
- uitzonderingen:
  1. alimentatiegerechtigden van 50 jaar en ouder die langer dan 15 jaren zijn getrouwd (peildatum: datum indiening verzoek), hebben recht op 10 jaren alimentatie;
  2. alimentatiegerechtigden die langer dan 15 jaren zijn getrouwd en tot 10 jaar onder de AOW-leeftijd zitten (peildatum: datum indiening verzoek), hebben recht op alimentatie tot aan hun AOW-gerechtigde leeftijd;
  3. indien jonge kinderen uit het huwelijk zijn geboren, eindigt de alimentatieplicht niet eerder dan op het tijdstip waarop de kinderen de leeftijd van 12 jaar hebben bereikt;
- hardheidsclausule: in knelgevallen/schrijnende situaties kan de termijn door de rechter worden verlengd (moet restrictief worden toegepast). Heeft u vragen over wat dat voor uw positie kan betekenen? Team Familierecht van BZ adviseert u graag hierover. December 2018 [post_title] => Tweede Kamer stemt voor Wet herziening partneralimentatie verkorting wettelijke alimentatieduur [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => tweede-kamer-stemt-wet-herziening-partneralimentatie-verkorting-wettelijke-alimentatieduur [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-12-11 16:17:14 [post_modified_gmt] => 2018-12-11 15:17:14 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=21941 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [1] => WP_Post Object ( [ID] => 18739 [post_author] => 17 [post_date] => 2018-07-25 16:53:11 [post_date_gmt] => 2018-07-25 14:53:11 [post_content] => Op 13 juli 2018 heeft de Hoge Raad een interessant arrest gewezen over de toepasselijkheid van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding ("Wvps") op buitenlandse pensioenregelingen. Op dezelfde dag heeft de Hoge Raad ook een ander interessant arrest gewezen over pensioen. De vraag die daarin centraal staat, is of afgekochte pensioenrechten in de gemeenschap van goederen vallen, of dat deze privévermogen zijn van de pensioengerechtigde. De casus was als volgt. Partijen zijn twee keer met elkaar in gemeenschap van goederen gehuwd en twee keer gescheiden. In de periode tussen de twee huwelijken (12 juli 2005 – 1 februari 2010) heeft de man ouderdomspensioen opgebouwd. Kort nadat partijen voor de tweede keer zijn gehuwd, heeft de man het opgebouwde pensioen afgekocht. De afkoopsom bedraagt EUR 64.953,- en ziet op het ouderdomspensioen dat is opgebouwd in de periode tussen de twee huwelijken. De man heeft dit bedrag laten storten op een op zijn naam staande rekening. Vervolgens is de afkoopsom aangewend voor de aankoop van een gemeenschappelijke woning in Frankrijk. De man stelt – kort gezegd – dat de afkoopsom tot zijn privévermogen behoort en dat hij daarom een vergoedingsrecht van EUR 64.953,- heeft jegens de huwelijksgemeenschap. Afgekocht pensioen in gemeenschap van goederen? Tussen partijen stond vast dat de Wvps op hun echtscheiding van toepassing is. Hoofdregel is dat pensioenrechten waarop deze wet van toepassing is, dienen te worden verevend, voor zover deze pensioenrechten tijdens het huwelijk zijn opgebouwd. De pensioenrechten die de man in de periode tussen de twee huwelijken heeft opgebouwd, hoefden dus niet te worden verevend. In dit geval waren de pensioenrechten echter al afgekocht. Omdat partijen in gemeenschap van goederen waren gehuwd, zou de afkoopsom daarom in beginsel in de gemeenschap van goederen vallen (en dus tussen partijen moeten worden verdeeld). De Hoge Raad oordeelt echter dat de afgekochte pensioenrechten niet in de gemeenschap van goederen vallen, maar tot het privévermogen van de man behoren: "Het strookt met de (ratio van de) Wvps om afgekochte pensioenrechten bij de verdeling van een huwelijksgemeenschap op een zo veel mogelijk gelijke wijze in aanmerking te nemen als niet afgekochte pensioenrechten. De herkomst en bestemming van de onderhavige afkoopsom brengen daarom mee dat deze som tot het nominale bedrag ervan moet worden aangemerkt als privévermogen van de man." Omdat de afkoopsom tot het privévermogen van de man behoorde had hij een vergoedingsrecht ter grootte van het nominale bedrag (EUR 64.953,-) jegens de huwelijksgemeenschap.  Heeft u vragen over (de verevening van) pensioen of de verdeling van een huwelijksgemeenschap? Neem contact op met ons team Familie- en erfrecht! [post_title] => Hoge Raad: afgekochte pensioenrechten vallen niet in gemeenschap van goederen [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => hoge-raad-afgekochte-pensioenrechten-vallen-gemeenschap-goederen [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-07-25 16:54:43 [post_modified_gmt] => 2018-07-25 14:54:43 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=18739 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [2] => WP_Post Object ( [ID] => 18391 [post_author] => 17 [post_date] => 2018-07-23 11:59:46 [post_date_gmt] => 2018-07-23 09:59:46 [post_content] => Tijdens huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken dienen naar Nederlands recht te worden verevend in geval van echtscheiding, ongeacht het geldende huwelijksvermogensregime, mits daarop Nederlands recht van toepassing is. Het doel van de Wvps (Wet verevening pensioenrechten bij scheiding) is om ex-echtgenoten de oudedagsvoorzieningen die zij tijdens hun huwelijk door gezamenlijke inspanning hebben opgebouwd, te laten delen, zodat ieder van hen na pensionering een met die opbouw corresponderend inkomen wordt verschaft. Ook in het buitenland opgebouwd pensioen moet worden verevend; artikel 1 lid 8 Wvps bepaalt: "Indien op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten Nederlands recht van toepassing is, is de wet voorts van toepassing op pensioenen ingevolge een buitenlandse pensioenregeling die niet is een pensioenregeling als bedoeld in het vierde, vijfde of zesde lid met dien verstande dat een recht op uitbetaling als bedoeld in artikel 2 slechts bestaat jegens de andere echtgenoot." Voor de toepassing van de Wvps dient een buitenlandse pensioenregeling die gelijkwaardig is aan een Nederlandse pensioenregeling zoveel mogelijk op dezelfde wijze te worden behandeld. Beslissend daarbij is of de buitenlandse pensioenregeling in de context van het maatschappelijke leven in het desbetreffende land een functie vervult die in voldoende mate overeenstemt met de functie van de Nederlandse pensioenregelingen waarop de Wvps van toepassing is, te weten: oudedagsvoorziening. De buitenlandse pensioenregeling hoeft dus niet in alle opzichten te voldoen aan de eisen, voortvloeiend uit de in artikel 1 leden 4-6 Wvps genoemde wettelijke regelingen. Daarom dient ook het pensioen ingevolge het 401-(k) plan te worden verevend. Heeft u vragen over pensioen in het kader van echtscheiding? Ons team familierecht adviseert u graag. [post_title] => Hoge Raad doet uitspraak over toepasselijkheid Wvps op buitenlands pensioen (Amerikaanse 401(k)-plans) [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => hoge-raad-doet-uitspraak-toepasselijkheid-wvps-op-buitenlands-pensioen-amerikaanse-401k-plans [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-07-23 12:24:10 [post_modified_gmt] => 2018-07-23 10:24:10 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=18391 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [3] => WP_Post Object ( [ID] => 17348 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-03-22 15:44:46 [post_date_gmt] => 2018-03-22 14:44:46 [post_content] => Indien sprake is van een echtscheiding tussen Nederbelgen die samen (minderjarige) kinderen hebben, rijst de vraag welke rechter bevoegd is om te oordelen over de kinderalimentatie. Daarbij rijst tevens de vraag welk recht hierop van toepassing is. Indien er sprake is van een echtpaar met de Nederlandse nationaliteit dat in België woont, geldt dat op grond van de Alimentatieverordening de Belgische rechter bevoegd is voor wat betreft de kinderalimentatie. Als hoofdregel geldt immers dat de rechter van de woonplaats van de verweerder of de onderhoudsgerechtigde bevoegd is. Indien in het kader van de echtscheiding één van de twee echtgenoten terug verhuist naar Nederland, zullen dus zowel de Belgische als de Nederlandse rechter bevoegd zijn. De bevoegde rechter zal vervolgens het recht van de Staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft, toepassen. Bijvoorbeeld:
  • Indien zowel de vader, de moeder als het kind woonachtig zijn in België, is de Belgische rechter bevoegd. Deze zal het Belgische recht toepassen;
  • Indien de man nog woonachtig is in België, maar de vrouw en het kind zijn (terug) verhuisd naar Nederland, zijn zowel de Belgische als de Nederlandse rechter bevoegd. Zij zullen echter beide het Nederlandse recht toepassen.
Belangrijk te weten is dat het voor kinderalimentatie in beginsel niet mogelijk is om een forum- of rechtskeuze te maken. Zoals blijkt uit het bovenstaande, is in sommige gevallen echter wel sprake van een keuze tussen de Nederlandse of Belgische rechter. Dit staat echter los van de vraag welk recht van toepassing is op de kinderalimentatie. Het belang om het toepasselijke recht vast te stellen, blijkt uit de verschillen tussen het Belgische en Nederlandse recht. Wij sommen voor u de belangrijkste punten op: Naar Nederlands recht geldt dat allereerst de behoefte van het kind dient te worden vastgesteld. De behoefte van minderjarige kinderen wordt berekend conform specifiek daarvoor opgestelde behoeftetabellen. Daarvoor is onder andere van belang het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen gedurende het huwelijk, het aantal kinderen, de leeftijd van de kinderen en het tijdens het huwelijk ontvangen kindgebonden budget. Vervolgens dient de draagkracht van beide ouders te worden vastgesteld. Naar Nederlands recht worden daarvoor standaardformules gehanteerd, waarin gerekend wordt met forfaitaire bedragen. Zo wordt in de formule rekening gehouden met een forfaitaire woonlast van 30% van het netto besteedbaar inkomen. Na het vaststellen van de draagkracht van beide ouders wordt een zogenaamde draagkrachtvergelijking gemaakt, zodat de ouders naar rato van hun draagkracht bijdragen in de behoefte van het kind. Bij het vaststellen van de daadwerkelijk te betalen alimentatie, wordt ten slotte tevens rekening gehouden met het feit dat de onderhoudsplichtige ouder ook kosten heeft op de dagen dat de kinderen bij hem of haar verblijven (een zogenaamde zorgkorting). De onderhoudsgerechtigde ouder dient van het vastgestelde bedrag de eigen uitgaven met betrekking tot de kinderen te voldoen, alsmede alle verblijfsoverstijgende kosten. Naar Belgisch recht wordt het principe vooropgesteld dat kinderen recht hebben om de levensstandaard van hun ouders te delen. Het grote verschil met het Nederlandse recht is dan ook dat de werkelijke behoeftigheid de minimumgrens betreft. De onderhoudsverplichting van beide ouders wordt naar Belgisch recht bepaald naar evenredigheid van de middelen en mogelijkheden van beide ouders. Om deze evenredigheid te bepalen wordt gekeken naar het respectievelijk aandeel van elke ouder in de samengevoegde middelen. Hierbij wordt onder meer rekening gehouden met de beroepsinkomsten, roerende en onroerende inkomsten, de voordelen en andere middelen die de ouders genieten, evenals hun mogelijkheden. Voor de begroting van de onderhoudsbijdrage laat de Belgische rechter zich veelal inspireren door enkele parameters die het Belgische recht hem toereikt. Te denken valt aan de aard en het bedrag van de middelen, de gewone kosten voor het kind, de buitengewone kosten voor het kind, de verblijfsregeling van het kind etc. Zoals naar Nederlands recht, dient de onderhoudsgerechtigde ouder met de onderhoudsbijdrage te voorzien in gewone onderhoudskosten evenals in de gewone verblijfsoverstijgende kosten. Voor wat betreft buitengewone verblijfsoverstijgende kosten, zoals o.a. medische kosten en schoolkosten, wordt in principe naar Belgisch recht voorzien in aparte tussenkomst van beide ouders. De verschillen bij de beoordeling van de onderhoudsverplichting van ouders jegens hun kinderen kunnen aanleiding geven tot een geheel andere uitkomst. Een op maat gemaakt advies is sterk aan te raden, teneinde verdere implicaties en gevolgen te overzien. De advocaten van AdLex en Boels Zanders staan u graag verder te woord. Maart 2018 [post_title] => De verschillen tussen Nederlandse en Belgische kinderalimentatie [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => verschillen-nederlandse-en-belgische-kinderalimentatie [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-06-25 16:27:11 [post_modified_gmt] => 2018-06-25 14:27:11 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=17348 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [4] => WP_Post Object ( [ID] => 17194 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-03-15 09:49:59 [post_date_gmt] => 2018-03-15 08:49:59 [post_content] => Wat zijn nu juist deze verschillen? Een vraag die Nederbelgen zich wellicht al eens gesteld hebben In principe zal de Belgische rechter zich buigen over dit vraagstuk. Maar net zoals bij de echtscheiding, kan u ook voor wat betreft de partneralimentatie, zowel naar Nederlands als naar Belgisch recht, een overeenkomst sluiten, waarin u samen met uw (ex)-echtgeno(o)t(e) de omvang, de duur en de modaliteiten kan vastleggen. Wanneer u er niet samen uitkomt, kan u of uw (ex)-echtgeno(o)t(e) een procedure aanhangig maken bij de bevoegde familierechtbank om de andere echtgenoot (de meest vermogende) te veroordelen tot het betalen van partneralimentatie. Zowel in Nederland als in België, staan de behoefte en behoeftigheid van de onderhoudsgerechtigde, alsmede de draagkracht van de onderhoudsplichtige, centraal voor het bepalen van de partneralimentatie (ook wel onderhoudsbijdrage genoemd). Bent u in de mogelijkheid om in uw eigen onderhoud te voorzien, kan u met andere woorden in principe onder het Belgische recht geen aanspraak maken op een onderhoudsuitkering na echtscheiding. Kan u als economisch zwakkere met uw eigen middelen niet in uw eigen onderhoud voorzien, dan zal u naar Belgisch recht wel aanspraak kunnen maken op een eventuele onderhoudsuitkering na echtscheiding. Naar Nederlands recht geldt dat indien u niet zelf in uw (huwelijksgerelateerde) behoefte kunt voorzien en u redelijkerwijs ook niet kunt worden geacht hierin (op termijn) te voorzien, u aanspraak kunt maken op partneralimentatie. Eens geoordeeld over de behoefte en behoeftigheid van de verzoeker, zal zowel naar Nederlands als naar Belgisch recht gekeken worden naar de financiële middelen en de mogelijkheden van de onderhoudsplichtige. Daarbij geldt dat de onderhoudsgerechtigde niet in een betere financiële positie mag worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. De rechtbank zal bij het nemen van haar beslissing rekening houden met alle concrete omstandigheden. Naar Belgisch recht is de onderhoudsuitkering tussen ex-echtgenoten in ieder geval beperkt tot 1/3 van de netto-inkomsten van de onderhoudsplichtige. Een gelijkaardige beperking bestaat er naar Nederlands recht niet. Naar Nederlands recht wordt de partneralimentatie beperkt tot de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, dan wel de draagkracht van de onderhoudsplichtige. Bovendien zal deze onderhoudsverplichting, volgens het Belgisch recht, in principe niet langer mogelijk zijn dan de duur van het huwelijk. Naar Nederlands recht daarentegen zal de onderhoudsuitkering in principe van rechtswege eindigen na het verstrijken van een periode van maximaal twaalf jaar na de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijk stand. Indien het huwelijk korter heeft geduurd dan 5 jaar én uit het huwelijk geen kinderen geboren zijn, eindigt de onderhoudsverplichting na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de duur van het huwelijk. Wanneer de onderhoudsgerechtigde opnieuw in het huwelijk treedt, gaat samenwonen, komt te overlijden, dan wel in haar eigen inkomen kan voorzien, bieden beide rechtsstelsels de mogelijkheid om de onderhoudsverplichting vervroegd (al dan niet van rechtswege) te beëindigen. Een adequate analyse aangaande de verscheidene mogelijkheden, evenals uw verplichtingen zijn ook hier ten zeerste aan te raden. De verschillen bij de beoordeling van onder andere de behoeftigheid, de duur van de alimentatieverplichting etc. vereisen een op maat gemaakt advies teneinde verdere implicaties en gevolgen te overzien. De advocaten van Adlex en Boels Zanders  staan u graag verder te woord. Maart 2018 [post_title] => De verschillen tussen Nederlandse en Belgische partneralimentatie [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => verschillen-nederlandse-en-belgische-partneralimentatie [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-06-25 14:01:20 [post_modified_gmt] => 2018-06-25 12:01:20 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=17194 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [5] => WP_Post Object ( [ID] => 16442 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-01-25 10:40:45 [post_date_gmt] => 2018-01-25 09:40:45 [post_content] => Op het terrein van het huwelijksvermogensrecht is er nog geen sprake van uniforme regels van internationaal privaatrecht. Dit betekent dat de Belgische rechter de vraag naar het toepasselijke huwelijksvermogensrecht aan de hand van andere regels beantwoordt dan de Nederlandse rechter, hetgeen tot andere uitkomsten kan leiden. Voor de beantwoording van de vraag welk recht van toepassing is naar Nederlands IPR, is het van belang na te gaan wanneer het huwelijk gesloten is. Op huwelijken gesloten na 1 september 1992 is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing. Indien geen rechtskeuze door de echtgenoten is gemaakt, bepaalt het verdrag dat het huwelijksvermogensregime wordt beheerst door het recht van het land waar de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats hadden. Op deze regel zijn uitzonderingen mogelijk, onder andere wanneer de echtgenoten beschikken over een gemeenschappelijke nationaliteit. Van belang is dat het toepasselijke recht van rechtswege kan wijzigen gedurende het huwelijk. Dit is bijvoorbeeld het geval indien de echtgenoten na hun huwelijk gedurende meer dan 10 jaar hun woonplaats in een ander land hebben gehad. Bijvoorbeeld: indien in Nederland woonachtige echtgenoten na (bijvoorbeeld) 3 jaar verhuizen naar België en daar meer dan 10 jaar blijven wonen, dan zal, na deze 10 jaar, het Belgisch recht van toepassing zijn op het huwelijksvermogensregime. Er is dan dus gedurende het huwelijk sprake van een zogenaamde stelselwijziging. Ook is sprake van een automatische stelselwijziging vanaf het moment dat de echtgenoten hun gewone verblijfplaats vestigen in het land waarvan zij beiden de nationaliteit hebben, dan wel vanaf het tijdstip waarop zij deze gezamenlijke nationaliteit verkrijgen. Indien een Belgisch echtpaar na het huwelijk eerst in Nederland gaat wonen, maar vervolgens naar België terugkeert, geldt vanaf dat moment het Belgische huwelijksvermogensrecht. Om niet voor verrassingen te komen staan als de Nederlandse of de Belgische rechter het toepasselijke recht vaststelt, en om dergelijke stelselwijzigingen te voorkomen, verdient het aanbeveling om een rechtskeuze te maken voor het toepasselijke huwelijksvermogensrecht. Een dergelijke rechtskeuze dient naar Nederlands recht te worden gemaakt in een notariële akte. Echtgenoten kunnen onder andere kiezen voor het recht van het land waarvan één van de echtgenoten de nationaliteit bezit. Ook naar Belgisch IPR kan bij notariële akte een rechtskeuze worden gemaakt. België is geen partij bij het Haags Huwelijksvermogensverdrag, zodat in een echtscheidingsprocedure getoetst moet worden aan de geldende regels van het Wetboek IPR. Bij gebreke aan een (rechtsgeldige) rechtskeuze geldt ingevolge artikel 51 van het Wetboek IPR dat het recht van het land waar de echtgenoten na het sluiten van het huwelijk hun eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats vestigen van toepassing is op het huwelijksvermogensregime. Voor huwelijken gesloten vóór 1 oktober 2004 gelden de oude IPR-regels. In dat geval is het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten ten tijde van de huwelijkssluiting in eerste instantie van toepassing. Vanaf 29 januari 2019 zal in principe de Huwelijksvermogensrechtverordening van toepassing zijn op de vanaf dat moment te sluiten huwelijken. Op dat moment zal er m.a.w. wel sprake zijn van uniforme regels van IPR, geldend voor Nederland en België. Ook onder de huwelijksvermogensrechtverordening blijft een rechtskeuze mogelijk. Het uitgangspunt van de verordening is dat, indien géén rechtskeuze is gemaakt, het recht van het land van de eerste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats van de echtgenoten van toepassing is op alle goederen van de echtgenoten. De advocaten van Adlex en Boels Zanders Advocaten zijn u graag van dienst om samen met u op zoek te gaan naar de geschikte rechtskeuze. [post_title] => Maak huwelijkse voorwaarden met een rechtskeuze [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => maak-huwelijkse-voorwaarden-rechtskeuze [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-06-25 13:45:51 [post_modified_gmt] => 2018-06-25 11:45:51 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=16442/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [6] => WP_Post Object ( [ID] => 17153 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-03-08 09:31:47 [post_date_gmt] => 2018-03-08 08:31:47 [post_content] => Wanneer u de gevolgen van uw echtscheiding in goed onderling overleg met uw echtgeno(o)te wenst te regelen, dan biedt de echtscheiding door onderlinge toestemming (in België) of de echtscheiding op gemeenschappelijk verzoek (in Nederland) voor u de oplossing. Bij de echtscheiding onderlinge toestemming dient u, een globaal akkoord te treffen over alle vermogensrechtelijke en familierechtelijke punten, zodat er nadien geen discussie meer kan bestaan of ontstaan. In Nederland worden de afspraken over de gevolgen van een scheiding normaliter vastgelegd in een echtscheidingsconvenant. Het verdient de aanbeveling om daar waar mogelijk in deze regelingsovereenkomst respectievelijk het echtscheidingsconvenant een keuze te maken voor het gewenste forum en het toepasselijke recht voor onverhoopte toekomstige geschillen. Per deelaspect van de echtscheiding - denk daarbij bijvoorbeeld aan alimentatie en de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling - dient een afzonderlijke forum- en rechtskeuze te worden gemaakt. Middels een forumkeuze wijst u voor toekomstige geschillen een bevoegde rechter aan. Met een rechtskeuze maakt u een keuze voor het toepasselijke recht. Daarbij is van belang dat voor sommige deelaspecten op grond van IPR-regelingen de keuzemogelijkheden voor aanwijzing van de bevoegde rechter en het toepasselijke recht beperkt zijn. Een forum- en rechtskeuze is vooral van belang voor onverhoopte toekomstige geschillen, over bijvoorbeeld de wijziging van de partneralimentatie. Door het maken van een forum- en rechtskeuze in een echtscheidingsconvenant kan er in ieder geval geen discussie meer ontstaan over de vraag welke rechtbank bevoegd is en volgens welk recht het vraagstuk moet worden beantwoord. Het recht dat uiteindelijk door u wordt gekozen, zal het resultaat zijn van een weloverwogen beslissing, waarbij u de afweging maakte tussen het Belgische dan wel Nederlandse recht, zeker ook voor wat betreft de procedure. De advocaten van Adlex en Boels Zanders geven u graag wat meer uitleg. [post_title] => Denk aan een forum- en rechtskeuze in uw regelingsovereenkomst [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => denk-aan-forum-en-rechtskeuze-regelingsovereenkomst [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-06-25 13:59:03 [post_modified_gmt] => 2018-06-25 11:59:03 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=17153 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [7] => WP_Post Object ( [ID] => 17085 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-03-01 09:58:10 [post_date_gmt] => 2018-03-01 08:58:10 [post_content] => Als Nederbelg stelt u zich wellicht de vraag wat de belangrijkste verschillen zijn tussen België en Nederland indien u uit de echt wenst te scheiden. Als Nederbelg kunt u zich tot de Belgische rechter wenden, daar de gewone verblijfplaats van u en uw echtgeno(o)t(e) hier gelegen is. De rechter zal op zijn beurt ook het Belgische recht toepassen, tenzij u een rechtskeuze maakte. Indien u beiden de Nederlandse nationaliteit bezit, kunt u zich tevens wenden tot de Nederlandse rechter. De Nederlandse rechter zal het Nederlandse recht toepassen op de echtscheiding. Voor het overige zijn er naar Belgisch recht voor wat betreft de echtscheiding op zich twee mogelijkheden: Ofwel komt u er samen met uw echtgeno(o)t(e) uit en scheidt u uit de echt door onderlinge toestemming, waarbij u een globaal akkoord treft over alle gevolgen van de echtscheiding, m.n. zowel over uw vermogen (de vermogensrechtelijke overeenkomst) als over uw familiale belangen (de familierechtelijke overeenkomst). Naar Nederlands recht is het eveneens mogelijk om in onderling overleg afspraken te maken over de gevolgen van de echtscheiding. Deze afspraken worden vastgelegd in een echtscheidingsconvenant. Vervolgens kan een gemeenschappelijk verzoekschrift door uw advocaat worden ingediend bij de rechtbank, met de vraag het convenant "aan de beschikking te hechten". Op die manier worden de door u gemaakte afspraken vastgelegd in de beschikking van de rechtbank. Indien er sprake is van een onroerend goed, zal u naar Belgisch recht tevens een beroep moeten doen op een notaris , die vervolgens samen met de akte een verzoekschrift zal overmaken aan de familierechtbank, alwaar u nadien samen zal dienen te verschijnen. Naar Nederlands recht is deze stap niet noodzakelijk. Komt u er samen niet uit, dan zal u naar Belgisch recht op grond van de onherstelbare ontwrichting van uw huwelijk de echtscheiding éénzijdig dan wel gezamenlijk kunnen aanvragen aan de familierechtbank, middels verzoekschrift dan wel dagvaarding. Ook al speelt sedert enkele jaren de schuldvraag niet meer in België, toch speelt de bewijsvoering van de onherstelbare ontwrichting geregeld nog een belangrijke rol. Wanneer één van de echtgenoten de in België geldende reflectieperiode van 6 maanden dan wel 1 jaar niet wenst te doorlopen, kan deze immers trachten het bewijs te leveren van de onherstelbare ontwrichting van het huwelijk zodat de familierechtbank de echtscheiding reeds eerder kan uitspreken. Het bewijs van de onherstelbare ontwrichting (vb. overspel, mishandeling,…) kan de echtgenoot dan met alle middelen van recht leveren. Indien het bewijs van de onherstelbare ontwrichting niet kan worden geleverd, zal u – in tegenstelling tot in Nederland - de reflectieperiode van 6 maanden dan wel 1 jaar dienen af te wachten, om nadien de echtscheiding te horen uitspreken door de familierechtbank. Naar Nederlands recht dient geen "reflectieperiode" te worden afgewacht en speelt de schuldvraag geheel geen rol. Aan het verzoek tot echtscheiding dient enkel de "duurzame ontwrichting van het huwelijk" ten grondslag gelegd te worden. Bovendien kan u zich intussen naar zowel Belgisch als Nederlands recht, gedurende deze echtelijke moeilijkheden (m.n. zowel voor als tijdens de echtscheidingsprocedure) ook steeds tot de familierechter richten met het verzoek voorlopige maatregelen/voorzieningen uit te spreken. Zo blijft het echtelijk leven alsnog dragelijk. Indien het bewijs van de onherstelbare ontwrichting van het huwelijk niet voorhanden is, dient u volgens het Belgisch recht een reflectieperiode te doorlopen van 6 maanden dan wel 1 jaar. In Nederland kent men deze bedenktermijn echter niet. Een adequate analyse is m.a.w. aangewezen om verdere implicaties en gevolgen te overzien. De advocaten van Adlex en Boels Zanders staan u graag verder te woord. Maart 2018 [post_title] => De echtscheiding naar Belgisch recht en Nederlands recht [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => echtscheiding-naar-belgisch-recht-en-nederlands-recht [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-06-25 13:57:22 [post_modified_gmt] => 2018-06-25 11:57:22 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=17085 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [8] => WP_Post Object ( [ID] => 17035 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-02-22 13:18:44 [post_date_gmt] => 2018-02-22 12:18:44 [post_content] => Wanneer u als Nederbelg vermogen wenst te schenken aan uw kind dat in Nederland woont, dient u rekening te houden met enkele grensoverschrijdende verschillen. Wij sommen kort enkele bedenkingen voor u op. Indien het Nederlandse recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten, is de wettelijke gemeenschap van goederen van toepassing, tenzij partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Indien de gemeenschap van goederen is ontstaan vóór 1 januari 2018, dan dient men met een aantal zaken rekening te houden. Op grond van de wettelijke regels voor deze gemeenschap van goederen, vallen in beginsel alle goederen en schulden in de huwelijksgemeenschap. Ook een door één van de echtgenoten verkregen erfenis of schenking valt in deze gemeenschap. Dit is slechts anders indien de erfenis of schenking is verkregen onder een uitsluitingsclausule. Door (Belgische) ouders wordt hier echter vaak niet bij stilgestaan, omdat een dergelijke uitsluitingsclausule naar Belgisch recht niet nodig is. Naar Belgisch recht vallen verkrijgingen uit hoofde van erfenis of schenking immers buiten de huwelijksgemeenschap. Het feit dat het Belgische erfrecht een dergelijke uitsluitingsclausule niet kent, is echter onvoldoende om het Nederlandse stelsel van boedelmenging te doorbreken. De Hoge Raad heeft dit recent nog bevestigd in een uitspraak van 17 februari 2017. In dat specifieke geval had de vrouw in Italië diverse onroerende zaken geërfd, zonder dat daarop een uitsluitingsclausule van toepassing was verklaard. Dit leidde ertoe dat de geërfde onroerende zaken in de Nederlandse huwelijksgemeenschap van partijen vielen. Zulks ondanks het feit dat de schenker of erflater hierop niet bedacht was, omdat het land van herkomst geen uitsluitingsclausule kende. Per 1 januari 2018 is het Nederlandse huwelijksvermogensrecht gewijzigd. Voor huwelijken gesloten op of na 1 januari 2018 geldt in beginsel dat het voorhuwelijks vermogen niet meer tot de huwelijksgemeenschap behoort. Ook verkrijgingen uit hoofde van een schenking of nalatenschap vallen voortaan buiten de gemeenschap. Onder het nieuwe huwelijksvermogensrecht zal derhalve de insluitingsclausule een grotere rol gaan spelen. Hoewel schenkingen en erfenissen in beginsel buiten de gemeenschap vallen, kan de erflater of schenker middels een insluitingsclausule bepalen dat de goederen wél tot de gemeenschap behoren, bijvoorbeeld omwille van fiscale redenen. Daarbij dient wel te worden opgemerkt dat een insluitingsclausule slechts van toepassing kan zijn indien de echtgenoten gekozen hebben voor een huwelijksgoederenregime dat daartoe de mogelijkheid biedt. Omdat het nieuwe huwelijksvermogensrecht pas van toepassing is op 1 januari 2018, blijft het overigens van belang dat schenkers en erflaters een uitsluitingsclausule bij de gift of uiterste wilsbeschikking opnemen voor reeds bestaande huwelijken. Advies hieromtrent is zeker aan te raden. De advocaten van Adlex en Boels Zanders zijn u graag van dienst. [post_title] => Maak een uitsluitingsclausule bij een schenking of erfenis, indien uw kind in Nederland woont [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => maak-uitsluitingsclausule-schenking-erfenis-indien-kind-nederland-woont [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-06-25 13:54:51 [post_modified_gmt] => 2018-06-25 11:54:51 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=17035 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [9] => WP_Post Object ( [ID] => 16325 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-01-22 10:16:51 [post_date_gmt] => 2018-01-22 09:16:51 [post_content] => Reeds eerder adviseerden wij u om zo snel mogelijk zowel vanuit Belgisch als Nederlands perspectief naar een grensoverschrijdende kwestie te kijken. De regels van internationaal privaatrecht (IPR) ter beantwoording van de vraag welke rechter bevoegd is en welk recht van toepassing is op een vraagstuk, zijn namelijk niet op alle terreinen gelijkluidend in beide landen. Soms kan er slechts in één van beide landen worden geprocedeerd. Wanneer er kan worden gekozen tussen de Nederlandse of Belgische rechter, is het van belang om vooraf de consequenties van deze keuze volledig in kaart te brengen. Welk recht zal de aangezochte rechter toepassen op het betreffende vraagstuk? En wat is de inhoud van dat recht? Uit deze analyse kan blijken dat het interessant is om te 'forumshoppen', dat wil zeggen om te kiezen voor de rechter waar men de meest gunstige uitkomst verwacht. Een bekend voorbeeld - van toepassing op nalatenschappen die vóór 17 augustus 2015 zijn opengevallen (!) - betreft de gevolgen van een rechtskeuze in een testament voor het Nederlandse erfrecht voor wat betreft de minimale wettelijke aanspraak van de kinderen van de erflater. In België wordt deze aanspraak het "reservataire deel" genoemd, in Nederland de "legitieme portie". Het verschil tussen de Nederlandse legitieme portie en het Belgische reservataire deel is wezenlijk. Naar Nederlands recht is sprake van een geldvordering van de kinderen op de nalatenschap. De kinderen zijn slechts schuldeisers. Naar Belgisch recht zijn de kinderen goederenrechtelijk gerechtigd tot de nalatenschap. Zij worden voor hun reservataire deel mede-eigenaar van de nalatenschap, zelfs al zijn zij onterfd. Bovendien verschillen de breukdelen, waarvoor de kinderen gerechtigd zijn tussen beider landen. Indien in een testament een rechtskeuze voor het Nederlandse recht is gemaakt en er in Nederland over de afwikkeling van de nalatenschap wordt geprocedeerd, zijn (ook) de regels van de Nederlandse legitieme portie van toepassing. Wanneer echter in België wordt geprocedeerd, wordt de rechtskeuze voor het Nederlandse erfrecht niet geaccepteerd ten aanzien van de Nederlandse legitieme portie: het Belgische reservataire deel blijft van toepassing. Er bestaan bovendien vaak belangrijke verschillen tussen het verloop van een juridische procedure in België en in Nederland. Voor de echtscheidingsprocedure bijvoorbeeld geldt dat de Belgische rechter rekening kan houden met een "bedenktermijn" alvorens de echtscheiding definitief kan worden uitgesproken. Afhankelijk van de omstandigheden, zullen de echtgenoten in België twee keer in een procedure moeten verschijnen. Een tweede verschijning zal moeten plaatsvinden één jaar na de feitelijke scheiding, dan wel één jaar na het opstarten van de procedure. Wanneer beide echtgenoten echter akkoord gaan met de echtscheiding, worden deze termijnen verkort naar 6 maanden. In de Nederlandse echtscheidingsprocedure is geheel géén sprake van enige bedenktermijn. Om te beoordelen of er geforumshopt kan worden en welke rechter bevoegd is om over een kwestie te oordelen, is een adequate analyse vereist. Specialistenwerk dus. De advocaten van Adlex en Boels Zanders zijn u graag van dienst. [post_title] => Denk goed na in welk land u als Nederbelg een eventuele procedure aanhangig maakt. [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => denk-goed-welk-land-als-nederbelg-eventuele-procedure-aanhangig-maakt [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-01-22 10:16:51 [post_modified_gmt] => 2018-01-22 09:16:51 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=16325/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [10] => WP_Post Object ( [ID] => 16889 [post_author] => 17 [post_date] => 2018-02-15 12:52:17 [post_date_gmt] => 2018-02-15 11:52:17 [post_content] => Wanneer u als Nederbelg uw testament opstelt, zal het Nederlandse recht niet automatisch van toepassing zijn op uw nalatenschap. Sedert 17 augustus 2015 dient u voor een grensoverschrijdende nalatenschap rekening te houden met de Europese Erfrechtverordening.   Indien u geen rechtskeuze maakte tijdens uw leven, dan zal uw nalatenschap beheerst worden door het recht van de staat waar u op het tijdstip van uw overlijden uw gewone verblijfsplaats had (m.n. België), tenzij uit alle omstandigheden zou blijken dat er kennelijk een nauwere band zou zijn met een ander land. Bijvoorbeeld: U beschikt over de Nederlandse nationaliteit, maar u bent reeds lange tijdwoonachtig in België. In dat geval zal in principe het Belgische erfrecht van toepassing zijn op uw nalatenschap.   Maakte u wel een rechtskeuze bij testament dan zal deze keuze gelden voor uw volledige nalatenschap (zowel voor de roerende als de onroerende goederen, gelegen in het binnen- en/of buitenland). Uw keuzemogelijkheid is evenwel beperkt tot het recht van de staat waarvan u de nationaliteit heeft op het ogenblik van uw rechtskeuze dan wel tot het recht van de staat waarvan u de nationaliteit heeft bij uw overlijden. Om versnippering en onduidelijkheid tegen te gaan, kan u bovendien slechts voor één toepasselijk recht kiezen voor uw volledige nalatenschap. Door uw keuze voor één welbepaald recht te uiten, zullen de rechten en plichten van uw erfgenamen (waaronder ook hun bescherming van hun legitieme portie), beheerst worden door de nationale regels van dat recht. Vergeet aldus niet dat de legitieme portie van de kinderen volgens het Nederlandse recht momenteel kleiner is dan de Belgische reserve. Een rechtskeuze voor het Nederlandse erfrecht kan derhalve grote gevolgen met zich meebrengen voor uw erfgenamen. Wenst u als Nederbelg dat het Nederlandse recht van kracht is op uw nalatenschap, maak dan in uw testament de rechtskeuze voor het Nederlandse erfrecht. Het betreft dermate belangrijke beslissingen, dat een gedetailleerd advies noodzakelijk is. De advocaten van Boels Zanders en Adlex Advocaten begeleiden u hier graag bij. [post_title] => Opteer voor een rechtskeuze bij het opstellen van uw testament als Nederbelg [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => opteer-rechtskeuze-opstellen-testament-als-nederbelg [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-06-25 13:53:10 [post_modified_gmt] => 2018-06-25 11:53:10 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=16889 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [11] => WP_Post Object ( [ID] => 15984 [post_author] => 2 [post_date] => 2017-12-21 13:35:21 [post_date_gmt] => 2017-12-21 12:35:21 [post_content] => Nederbelgen die verwikkeld raken in familierechtelijke of erfrechtelijke kwesties, worden vaak geconfronteerd met complexe vraagstukken van internationaal privaatrecht (IPR): welke rechter is bevoegd om over een geschil te oordelen? Welk recht is van toepassing? Bij keuzemogelijkheden: welke keuze is dan het meest gunstig? Wat zijn de verschillen in procedureverloop? Het is van belang bij grensoverschrijdende geschillen om zowel vanuit Belgisch als Nederlands perspectief naar de kwestie te kijken. Beide landen kennen eigen regels van IPR met belangrijke verschillen, ondanks de steeds verdergaande harmonisatie van IPR-regels op grond van Europese verordeningen (bijvoorbeeld de Alimentatieverordening en de Europese erfrechtverordening). Op het terrein van het huwelijksvermogensrecht zijn bijvoorbeeld nog geen uniforme regels voor de bepaling van het toepasselijke recht. De Belgische rechter kan dus tot een ander oordeel komen over het toepasselijke huwelijksvermogensregime dan de Nederlandse rechter. Daarom kan het van belang zijn in welk land een juridische procedure gestart wordt, waarbij snelheid vaak geboden is. Als een procedure in een land aanhangig is, dan kan er in beginsel niet meer in het andere land over dezelfde kwestie worden geprocedeerd. Wij adviseren dan ook om zo snel mogelijk zowel vanuit Belgisch als Nederlands perspectief naar een grensoverschrijdende kwestie te kijken. Adlex en Boels Zanders Advocaten bieden daarvoor een "duo-intakegesprek" aan waaraan zowel een Nederlandse als een Belgische advocaat deelneemt. Doel daarvan is om sneller en via korte lijnen te screenen op de relevante IPR-aspecten, ook om een eerste beoordeling te kunnen geven van de relevante aspecten naar Belgisch en Nederlands recht. Uw situatie wordt dus in één keer zowel vanuit Nederlands als Belgisch perspectief belicht. Afspraken kunnen worden ingepland te Genk of Maastricht (naar keuze). Ook vergadering via Skype behoort tot de mogelijkheden. Voor het duo-intakegesprek wordt een gereduceerd tarief gehanteerd. Geïnteresseerd? Neem dan snel contact op: Wij zijn u graag van dienst! [post_title] => Grensoverschrijdend geschil bekeken vanuit Belgisch én Nederlands perspectief [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => grensoverschrijdend-geschil-bekeken-vanuit-belgisch-en-nederlands-perspectief [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-12-21 13:35:21 [post_modified_gmt] => 2017-12-21 12:35:21 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=15984/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [12] => WP_Post Object ( [ID] => 15505 [post_author] => 21 [post_date] => 2017-11-10 10:01:41 [post_date_gmt] => 2017-11-10 09:01:41 [post_content] => Kinder- en partneralimentatie wordt jaarlijks op grond van de wet geïndexeerd. De hoogte van het indexeringspercentage is gebaseerd op de loonindexcijfers. Op 24 oktober jongstleden is bij Beschikking van de Minister van Veiligheid en Justitie bekend gemaakt dat het indexeringspercentage per 1 januari 2018 1,5% bedraagt. Dit betekent een verhoging van de alimentaties per 1 januari 2018 met 1,5%. De wettelijke indexering is van toepassing op zowel alimentatie die is vastgesteld bij rechterlijke uitspraak, als op alimentatie die bij overeenkomst tussen partijen is vastgesteld. Dit is slechts anders indien bij overeenkomst of door de rechter wordt afgeweken van de indexeringsregeling, dan wel deze wordt uitgesloten. Daarnaast kan  de rechter verzocht worden om de alimentatie te wijzigen op grond van een wijziging van omstandigheden, indien de individuele omstandigheden sterk afwijken van de algemene ontwikkeling van het loonpeil. november 2017   [post_title] => Indexering kinder- en partneralimentatie 2018 [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => indexering-kinder-en-partneralimentatie-2018 [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-11-10 10:01:41 [post_modified_gmt] => 2017-11-10 09:01:41 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=15505/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [13] => WP_Post Object ( [ID] => 15171 [post_author] => 21 [post_date] => 2017-10-13 10:27:40 [post_date_gmt] => 2017-10-13 08:27:40 [post_content] => Afgelopen zomer verscheen mijn artikel in het Tijdschrift Erfrecht (Tijdschrift Erfrecht 2017 / afl. 4) over de uitsluitingsclausule in internationale gevallen. Directe aanleiding voor dit artikel was een uitspraak van de Hoge Raad van 17 februari 2017. In die uitspraak heeft de Hoge Raad zich voor het eerst uitgelaten over de vraag in hoeverre een krachtens buitenlands erfrecht zonder uitsluitingsclausule verkregen erfrechtelijke verkrijging in de Nederlandse gemeenschap van goederen valt. Het Hof den Haag (Hof den Haag 20 september 2017, ECLI:NL: GHDHA:2017:2884) heeft recent toepassing gegeven aan de rechtsregels van de Hoge Raad ten aanzien van een Spaanse nalatenschap. Hoge Raad Voorop staat – aldus de Hoge Raad – dat voor de bepaling van de omvang van de huidige gemeenschap van goederen artikel 1:94 lid 2 sub a BW tot uitgangspunt moet worden genomen. Dit betekent dat een erfenis of schenking alleen dan buiten de gemeenschap valt wanneer er een uitsluitingsclausule is gemaakt. Bij buitenlandse erfenissen of schenkingen zal de erflater of schenker op deze regel vaak niet bedacht zijn geweest. Het Nederlandse stelsel is wat dit betreft internationaal gezien een vreemde eend in de bijt. Een echtgenoot kan proberen aan de gevolgen van deze regel te ontkomen, door een beroep te doen op de beperkende werking van de eisen van de redelijkheid en billijkheid. Op de echtgenoot die zich op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid beroept, rust volgens de Hoge Raad de stelplicht en bewijslast van de daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De enkele omstandigheid dat het op de erfrechtelijke verkrijging toepasselijke buitenlandse recht niet een algehele gemeenschap van goederen als huwelijksvermogensregime kent of als uitgangspunt neemt, volstaat volgens de Hoge Raad in dat verband niet. Omstandigheden ter rechtvaardiging van een afwijking? Omstandigheden die de Hoge Raad wel van belang acht, zijn de volgende:
  • Kon de buitenlandse erflater bedacht zijn geweest op toepasselijkheid van het Nederlandse huwelijksvermogensrecht en de gevolgen daarvan?
  • Moet redelijkerwijs worden aangenomen dat de erflater niet gewenst heeft dat de door hem nagelaten zaken door het huwelijk zouden komen te vallen in de gemeenschap van goederen waarin de verkrijger gehuwd is of gaat huwen?;
  • Is de echtgenoot die voor het huwelijk krachtens erfrecht naar buitenlands recht goederen heeft verkregen, redelijkerwijs in staat geweest om door het opmaken van huwelijkse voorwaarden te zorgen dat die goederen overeenkomstig de (veronderstelde ) wil van de erflater niet door boedelmenging in de gemeenschap vallen?
Spaanse erfenis Het Hof Den Haag heeft deze criteria in voornoemd arrest toegepast, ten aanzien van een Spaanse nalatenschap die een Nederlandse vrouw van haar moeder ontving. Het Hof achtte in dat verband ondermeer de volgende feiten en omstandigheden relevant:
  • de vrouw heeft gesteld dat haar moeder niet op de hoogte was van de Nederlandse wettelijke regeling van de gemeenschap van goederen, aangezien in Catalonië, Spanje een stelsel van gescheiden huwelijksvermogen geldt. De vrouw zelf was daarvan evenmin op de hoogte;
  • de man heeft erkend dat hij de gevolgen van het huwelijk met zijn schoonmoeder nooit besproken heeft, omdat dat te ingewikkeld was om uit te leggen;
  • de moeder van de vrouw is overleden na het sluiten van het huwelijk van partijen en de vrouw is derhalve haar erfgename geworden tijdens het huwelijk van partijen;
  • gesteld noch gebleken is dat partijen in verband met deze erfrechtelijke verkrijging staande huwelijk hebben overwogen om huwelijkse voorwaarden te maken en dit bewust hebben nagelaten;
  • onweersproken is gesteld dat de vrouw niet wist dat erfrechtelijke verkrijging in de gemeenschap van goederen zou vallen.
Het Hof overwoog vervolgens: "De wetenschap en de bedoeling van de moeder van de vrouw zijn voorts aspecten die ingevolge het voormelde arrest van de Hoge Raad in aanmerking moeten worden genomen bij het aanleggen van de toets van de redelijkheid en billijkheid. Uit het relaas van beide partijen ter zitting volgt dat de moeder van de vrouw in ieder geval niet wist welke de vermogensrechtelijke gevolgen van het internationale huwelijk van haar dochter waren, omdat dat als te ingewikkeld voor haar nooit aan de orde is geweest. Omstandigheden die maken dat zij het wel behoorde te weten, zijn noch gesteld noch gebleken. Volgens de vrouw was het de bedoeling van haar moeder dat alleen haar kinderen uit haar nalatenschap zouden verkrijgen. In het licht van het bovenstaande komt volgens het hof mede gewicht toe aan het feit dat de nalatenschap van de moeder wordt beheerst door het Spaanse erfrecht, dat geen uitsluitingsclausule kent." Het hof kwam tot het oordeel dat het in de gegeven omstandigheden in strijd met de redelijkheid en billijkheid is dat de erfrechtelijke verkrijging van de vrouw in de huwelijksgemeenschap valt. De erfenis betrof dan ook privévermogen van de vrouw. oktober 2017   [post_title] => Valt de Spaanse erfenis in de gemeenschap van goederen? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => valt-spaanse-erfenis-gemeenschap-goederen [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-10-13 10:40:09 [post_modified_gmt] => 2017-10-13 08:40:09 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=15171/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [14] => WP_Post Object ( [ID] => 15030 [post_author] => 21 [post_date] => 2017-10-05 11:26:59 [post_date_gmt] => 2017-10-05 09:26:59 [post_content] => Op grond van de (thans nog geldende) wettelijke gemeenschap van goederen vallen in beginsel alle goederen en schulden in de huwelijksgemeenschap. Naast het gemeenschappelijk vermogen, kunnen de echtgenoten echter ook over privévermogen beschikken. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een van de echtgenoten een erfenis of schenking onder uitsluitingsclausule heeft verkregen. Wat als een goed deels wordt aangeschaft met gemeenschappelijk vermogen en deels met privévermogen? Indien het goed bij de verkrijging voor meer dan de helft wordt gefinancierd uit privévermogen, is op grond van de wet sprake van zaaksvervanging. Het gehele goed behoort dan tot het privévermogen van de echtgenoot. In een recente uitspraak van de Hoge Raad bevestigt de Hoge Raad zijn eerdere uitspraak van 1 mei 2015, waaruit blijkt dat de zaaksvervangingsregeling ook van toepassing kan zijn indien sprake is van een “samenstel van rechtshandelingen”. Hiervan is bijvoorbeeld sprake, indien een woning voor meer dan de helft wordt gefinancierd met geleend geld, welke lening gelijktijdig met de koop/overdracht wordt kwijtgescholden onder uitsluitingsclausule. Bij een dergelijke constructie is de woning voor meer dan 50% gefinancierd met privévermogen. De woning behoort dan niet tot de gemeenschap, maar tot het privévermogen van een van de echtgenoten. De andere echtgenoot staat overigens niet met geheel lege handen. De huwelijksgemeenschap heeft in een dergelijk geval een vergoedingsrecht op de echtgenoot tot wiens privévermogen het goed behoort, voor zover in dat privégoed ook is geïnvesteerd met gemeenschappelijk vermogen. Wilt u meer informatie of heeft u vragen over de gemeenschap van goederen en uitsluitingsclausules? Neem dan contact op met ons team familierecht. oktober 2017 [post_title] => Behoort de deels met privévermogen verkregen woning tot de huwelijksgemeenschap? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => behoort-deels-privevermogen-verkregen-woning-tot-huwelijksgemeenschap [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-10-05 13:33:18 [post_modified_gmt] => 2017-10-05 11:33:18 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=15030/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [15] => WP_Post Object ( [ID] => 14898 [post_author] => 21 [post_date] => 2017-09-28 13:59:50 [post_date_gmt] => 2017-09-28 11:59:50 [post_content] => Een opmerkelijk en ook verontrustend bericht: in het begrotingsvoorstel 2018 van de Raad voor de Rechtspraak staat, alsof het al een "gegeven" is, dat de capaciteitsbehoefte voor de behandeling van civiele rechtszaken in hoger beroep de komende jaren met circa 2% per jaar af zal gaan nemen, als gevolg van het afschaffen van hoger beroep in zaken rond echtscheidingen en alimentatie. Desgevraagd blijkt niemand, noch de Orde, noch de Vereniging van Familierechtadvocaten, noch de Rechtspraak noch het Ministerie op de hoogte te zijn van concrete wetgevingsinitiatieven in die richting. Onbegrijpelijk dan ook dat een dergelijke uitspraak wordt gedaan. De mogelijkheid van hoger beroep is een fundamenteel recht, diepgeworteld in ons rechtssysteem. Het recht op een volledige behandeling van zaken in twee instanties wordt als een hoofdbeginsel van ons procesrecht beschouwd, en bepalend voor de rechtelijke organisatie en het vertrouwen daarin. En dat is nog niet alles. Uit een recent onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatiecentrum van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (WODC) blijkt dat hoger beroep in méér dan de helft van de zaken tot een andere uitspraak leidt dan in eerste aanleg. Opvallend daarbij is dat in familiezaken de uitspraak in eerste aanleg het vaakst geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd in hoger beroep (en wel in 65% van de gevallen). Reden temeer lijkt het, om - ook in familiezaken - aan dit fundamentele recht niet te tornen! [post_title] => Waar of onwaar? Afschaffing hoger beroep inzake echtscheidingen en alimentatie? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => onwaar-afschaffing-hoger-beroep-inzake-echtscheidingen-en-alimentatie [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-09-28 13:59:50 [post_modified_gmt] => 2017-09-28 11:59:50 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=14898/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [16] => WP_Post Object ( [ID] => 14740 [post_author] => 17 [post_date] => 2017-09-22 11:07:09 [post_date_gmt] => 2017-09-22 09:07:09 [post_content] => Familierechtelijke geschillen over huwelijkse voorwaarden, verdelingen, alimentatie of nalatenschapskwesties kunnen vaak leiden tot langlopende procedures voor de betrokkenen. Procedures die ook veel impact kunnen hebben. In veel gevallen blijken alternatieve vormen van geschilbeslechting, zoals mediation, niet meteen afdoende om een passende oplossing te bieden. Indien beide partijen snel een adequate oplossing zoeken, dan kunnen zij ook kiezen voor "bindend advies". Bij bindend advies wenden partijen zich bij een geschil niet tot de rechter, maar kiezen voor een deskundige of commissie die over het geschil een oordeel geeft. Een oplossing die vaak tijd en geld scheelt en langdurige conflicten inperkt. Boels Zanders en Zeestraten+Hagemann notarissen hebben de handen ineen geslagen om gezamenlijk een bindend adviespraktijk op te starten. Cliënten kunnen bij hen terecht voor het aanvragen van een bindend adviesprocedure. De bindend adviseurs oordelen naar redelijkheid en billijkheid, op basis van hun kennis en ervaring en rekening houdende met de bestaande rechtsleer en maatschappelijke opvattingen. Het procedure-verloop is informeel en op maat gesneden. De doorlooptijd is aanzienlijk korter dan bij een reguliere procedure. Zo kan een geschil snel en deskundig worden beslecht. Voor meer informatie bezoek de pagina bindend advies van ons team Familierecht [post_title] => Boels Zanders Advocaten en Zeestraten+Hagemann notarissen starten samenwerking in bindend advies [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => boels-zanders-advocaten-en-zeestratenhagemann-notarissen-starten-samenwerking-bindend-advies [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-09-22 11:07:09 [post_modified_gmt] => 2017-09-22 09:07:09 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=14740/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [17] => WP_Post Object ( [ID] => 13865 [post_author] => 17 [post_date] => 2017-08-15 09:29:12 [post_date_gmt] => 2017-08-15 07:29:12 [post_content] => De nieuwe uitgave van het Tijdschrift Erfrecht is recent verschenen. Aan deze uitgave heeft Edith Schnackers een bijdrage geleverd met het artikel: de uitsluitingsclausule in internationale gevallen. Onderstaand vindt u de korte samenvatting. Voor het volledige artikel, te lezen via de website van Tijdschrift Erfrecht, klik hier. Een inlog is hiervoor vereist. Samenvatting Hoe moet worden omgegaan met een erfenis of schenking afkomstig van een niet-Nederlander aan iemand die in de huidige Nederlandse gemeenschap van goederen is getrouwd, zonder dat er een uitsluitingsclausule is gemaakt? De Hoge Raad heeft zich op 17 februari 2017 voor het eerst uitgelaten over de mogelijkheid van een materieelrechtelijke correctie op grond van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid tussen de echtgenoten. In deze bijdrage wordt het arrest van de Hoge Raad besproken en geplaatst in de bredere context van onderhavige problematiek, zoals de omstandigheden waaronder een beroep op de materieelrechtelijke correctie kan worden gedaan en het rechtsgevolg daarvan. Edith Schnackers is lid van het team familierecht en haar speciale aandachtsgebieden zijn de echtscheiding van de ondernemer, huwelijksvermogensrechtelijke vraagstukken, alimentatiekwesties, afwikkeling en verdeling van nalatenschappen en kwesties over de legitieme portie [post_title] => De uitsluitingsclausule in internationale gevallen [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => uitsluitingsclausule-internationale-gevallen [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-08-15 09:29:12 [post_modified_gmt] => 2017-08-15 07:29:12 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=13865/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [18] => WP_Post Object ( [ID] => 13336 [post_author] => 21 [post_date] => 2017-07-14 09:38:18 [post_date_gmt] => 2017-07-14 07:38:18 [post_content] => De Hoge Raad heeft in oktober 2015 geoordeeld dat het kindgebonden budget en de daarvan onderdeel uitmakende alleenstaande ouderkop niet in aanmerking moet worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind, maar enkel bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt, om aan de hand daarvan te bepalen welk aandeel ieder van de ouders heeft in de bijdrage voor de kosten van de kinderen. In verband met afwijkende  opvattingen daarover in rechtspraak en literatuur werd recent opnieuw een préjudiciële vraag gesteld aan de Hoge Raad, thans over de invloed van het kindgebonden budget op de vaststelling van partneralimentatie.  Zie mijn eerdere blog van februari 2017. Het antwoord volgde op vrijdag 7 juli jongstleden. De Hoge Raad stelt voorop dat het kindgebonden budget een inkomensafhankelijke regeling is in de zin van de Algemene Wet Inkomensafhankelijke Regelingen (AWIR). Voor de vraag of er aanspraak bestaat op kindgebonden budget en voor welk bedrag wordt het toetsingsinkomen van de betrokkene en diens partner in aanmerking genomen. Bij dat toetsingsinkomen wordt ook rekening gehouden met eventueel ontvangen partneralimentatie ("verzamelinkomen"). Dat geldt ook voor andere inkomensafhankelijke regelingen, zoals de zorg- en huurtoeslagen. Van dergelijke toeslagen is in het verleden reeds uitgemaakt dat daarmee geen rekening wordt gehouden bij het bepalen van de behoefte aan partneralimentatie. Nu het kindgebonden budget bedoeld is om gezinnen een bijdrage te verstrekken in de kosten van de tot het gezin behorende kinderen verdraagt zich daarmee niet dat (een deel van) dat kindgebonden buget door de alimentatie-gerechtigde zou moeten worden aangewend om in de eigen kosten te voorzien. Het kindgebonden budget is dus geen eigen 'inkomen' dat in mindering komt op de behoefte. Bovendien zou er een niet te doorbreken vicieuze cirkel ontstaan als de hoogte van het kindgebonden budget invloed zou hebben op de hoogte van partner-alimentatie nu deze op haar beurt ook weer van invloed is op het kindgebonden budget, enz. Evenmin zal het kindgebonden budget, dat door de alimentatiegerechtigde wordt ontvangen, moeten worden meegenomen bij de zogenaamde "jus-vergelijking". Afgezien van de vraag of deze préjudiciële beslissing voor eenieder tot een bevredigende uitkomst leidt, in elk geval is er thans duidelijkheid over de invloed van het kindgebonden budget op de bepaling van zowel kinder- als partneralimentatie. Vragen hierover? De familierechtspecialisten van Boels Zanders staan voor u klaar.   Juli 2017 [post_title] => Hoge Raad beantwoordt prejudiciële vraag: het kindgebonden budget wordt buiten beschouwing gelaten bij het vaststellen van de behoefte aan partneralimentatie [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => hoge-raad-beantwoordt-prejudiciele-vraag-kindgebonden-budget-wordt-buiten-beschouwing-gelaten-vaststellen-behoefte-aan-partneralimentatie [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-07-14 09:42:37 [post_modified_gmt] => 2017-07-14 07:42:37 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=13336/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [19] => WP_Post Object ( [ID] => 11942 [post_author] => 2 [post_date] => 2017-05-29 09:51:49 [post_date_gmt] => 2017-05-29 07:51:49 [post_content] => Partneralimentatie kan in onderling overleg of via een procedure bij de rechtbank worden vastgesteld. Deze alimentatie kan in beginsel op een later moment worden gewijzigd, indien sprake is van een wijziging van omstandigheden of omdat het hof een ander bedrag vaststelt dan de rechtbank in eerste aanleg. Indien de rechtbank of het hof de alimentatie verlaagt en de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatie bepaalt op een datum gelegen vóór de uitspraak, kan de alimentatiegerechtigde geconfronteerd worden met een terugbetalingsverplichting. Veelal zal het ontvangen bedrag echter al zijn uitgegeven aan levensonderhoud, zodat terugbetaling niet meer mogelijk is. De Hoge Raad heeft derhalve strenge regels geformuleerd met betrekking tot de door de rechter te bepalen ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsverplichting. In een recente uitspraak van de Hoge Raad zijn deze strenge regels nogmaals bevestigd. In casu had het hof in hoger beroep met terugwerkende kracht de partneralimentatie met EUR 642,- per maand verlaagd, ten opzichte van de in eerste aanleg door de rechtbank vastgestelde alimentatie. De Hoge Raad noemde (nogmaals) de eerder in de jurisprudentie geformuleerde regels: 1) De rechter die beslist op een verzoekt tot wijziging van eerder vastgestelde alimentatie, dient behoedzaam gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de wijziging te laten ingaan op een datum die is gelegen vóór de uitspraak, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde, in verband met een daardoor ontstane terugbetalingsverplichting; 2) Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep, die het door de rechter in eerste aanleg vastgestelde alimentatiebedrag wijzigt; 3) Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen reeds (in overeenstemming met de behoefte) is uitgegeven aan levensonderhoud. Indien terugbetaling kan worden verlangd, dient de rechter zijn beoordeling te motiveren in zijn uitspraak. Daarbij overwoog de Hoge Raad dat in deze regels ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen gedurende de procedure is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. De rechter is bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer. Omdat het hof voornoemde regels niet juist had toegepast, vernietigde de Hoge Raad de beschikking van het hof. Een ander gerechtshof zal zich nu dienen te buigen over deze kwestie. Meer informatie Wilt u meer informatie? Heeft u vragen over (wijziging van) alimentatie? Neem dan contact op met onze advocaten van team Familierecht. Zij zijn u graag van dienst. Mei 2017 [post_title] => Terugbetalingsverplichting bij wijziging partneralimentatie [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => terugbetalingsverplichting-wijziging-partneralimentatie [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-05-29 09:51:49 [post_modified_gmt] => 2017-05-29 07:51:49 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=11942/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [20] => WP_Post Object ( [ID] => 11784 [post_author] => 2 [post_date] => 2017-05-18 11:39:29 [post_date_gmt] => 2017-05-18 09:39:29 [post_content] => Zoals wij reeds eerder berichtten, is op 11 juli 2014 door leden van D66, PvdA en VVD het Wetsvoorstel Beperking gemeenschap van goederen ingediend. Op 19 april 2016 is dit wetsvoorstel aangenomen door de Tweede Kamer en op 28 maart 2017 heeft ook de Eerste Kamer het wetsvoorstel aangenomen. Thans is bekend dat de wet op 1 januari 2018 in werking zal treden. Dit betekent dat de wet van toepassing zal zijn op alle huwelijken die gesloten worden vanaf 1 januari 2018, tenzij de echtgenoten van dit stelsel afwijken door het opstellen van huwelijkse voorwaarden. De nieuwe wet kan echter óók van toepassing zijn op reeds bestaande huwelijken. Blijkens het overgangsrecht is immers niet de datum van het huwelijk bepalend voor de vraag of de nieuwe wet van toepassing is, maar de datum van het ontstaan van de gemeenschap van goederen. Indien de echtgenoten bijvoorbeeld vóór 1 januari 2018 gehuwd zijn en destijds in hun huwelijkse voorwaarden iedere gemeenschap van goederen hebben uitgesloten (zogenaamde "koude uitsluiting"), en ná 1 januari 2018 bij huwelijkse voorwaarden alsnog de wettelijke gemeenschap van goederen invoeren, is de nieuwe wet van toepassing. Voor meer informatie over de inhoud van de op 1 januari 2018 in werking tredende wet, verwijzen wij u naar ons eerdere blog. Heeft u nog vragen over dit onderwerp? Neem dan contact op met onze advocaten van team Familierecht. Zij zijn u graag van dienst. Mei 2017 [post_title] => Inwerkingtreding Wet Beperking gemeenschap van goederen op 1 januari 2018 [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => inwerkingtreding-wet-beperking-gemeenschap-goederen-op-1-januari-2018 [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-05-18 11:40:14 [post_modified_gmt] => 2017-05-18 09:40:14 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=11784/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [21] => WP_Post Object ( [ID] => 11267 [post_author] => 21 [post_date] => 2017-04-26 16:36:32 [post_date_gmt] => 2017-04-26 14:36:32 [post_content] => In het kader van een echtscheiding dienen (behoudens andersluidende afspraken in huwelijkse voorwaarden of partijen daarvan afwijken in een convenant) de tijdens huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken te worden verevend. Dat geldt ook voor pensioen dat door de DGA is opgebouwd in eigen beheer. Sinds de uitspraak van de Hoge Raad van februari 2007 geldt daarbij in algemene zin dat van de tot verevening verplichte echtgenoot-DGA in beginsel kan worden verlangd dat deze zorg draagt voor afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het kapitaal dat nodig is voor het aan de andere echtgenoot toekomende deel van de pensioenaanspraak. Die regel lijdt uitzondering in het geval kan worden aangetoond dat er onvoldoende liquide middelen aanwezig zijn om de afstorting te effectueren en die middelen ook niet kunnen worden vrijgemaakt of van elders kunnen worden verkregen zonder de continuïteit van de bedrijfsvoering van de onderneming in gevaar te brengen. Een ander element dat hierbij moet worden betrokken is in hoeverre een afstorting niet ook de dekking van het pensioen van de DGA zélf in gevaar brengt. Het pensioen in eigen beheer staat thans volop in de schijnwerpers in verband met Wet Uitfasering Pensioen in Eigen Beheer, de tijdelijk fiscaal gefaciliteerde afkoop van reeds opgebouwd pensioen en alle daarmee verband houdende vragen waarbij ook de positie van de ex-partner bijzondere aandacht vraagt. De Hoge Raad heeft thans duidelijke kaders gegeven voor geschillen met betrekking tot afstorting van de te verevenen pensioenaanspraken bij een externe verzekeraar indien daarvoor voldoende middelen ontbreken. Nadat de Hoge Raad constateert dat uitgegaan moet worden van de commerciële waarde van het in eigen beheer opgebouwde pensioen, waarbij de geldende marktrente tot uitgangspunt wordt genomen, oordeelt de Hoge Raad dat indien ten tijde van de echtscheiding onvoldoende middelen aanwezig zijn om zowel het aandeel van de tot verevening gerechtigde echtgenoot af te storten als de met het aandeel van de  tot verevening verplichte echtgenoot corresponderende pensioenaanspraak af te dekken (in beide gevallen op basis van de commerciële waarde te berekenen) het "tekort" in beginsel zal moeten worden gedeeld. Enkel dan immers, zo luidt het, wordt recht gedaan aan het uitgangspunt dat de aanspraken van beide partijen in dezelfde mate moeten zijn verzekerd en (ook) het risico dat er onvoldoende middelen zijn om het in eigen beheer opgebouwde pensioen te zijner tijd te betalen door beide partijen evenredig wordt gedragen. Heeft u vragen over pensioen in eigen beheer in het kader van een echtscheiding c.q. verevening-discussies? Wij geven u graag advies.   April 2017   [post_title] => Hoge Raad beperkt afstortingsplicht pensioen eigen beheer bij echtscheiding [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => hoge-raad-beperkt-afstortingsplicht-pensioen-eigen-beheer-echtscheiding [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-04-26 16:47:41 [post_modified_gmt] => 2017-04-26 14:47:41 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=11267/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [22] => WP_Post Object ( [ID] => 10633 [post_author] => 21 [post_date] => 2017-03-29 11:25:33 [post_date_gmt] => 2017-03-29 09:25:33 [post_content] => Op 11 juli 2014 is door leden van D66, PvdA en VVD het Wetsvoorstel Beperking gemeenschap van goederen ingediend. Dit wetsvoorstel is reeds op 19 april 2016 aangenomen door de Tweede Kamer. Op 28 maart 2017 stemde ook de Eerste Kamer over het wetsvoorstel. Ondanks een ingediende motie, is het wetsvoorstel – overigens met een nipte meerderheid – door de Eerste Kamer aangenomen. De wet zal op 1 januari 2018 in werking treden. Uitsluiting voorhuwelijks vermogen, giften en erfrechtelijke verkrijgingen Door de nieuwe wet wordt het standaard huwelijksgoederenstelsel, inhoudende een (vrijwel) alles omvattende gemeenschap van goederen, op bepaalde punten ingrijpend gewijzigd. Het nieuwe uitgangspunt is een beperkte gemeenschap van goederen. Alle goederen die de echtgenoten krachtens erfopvolging of gift gedurende het huwelijk verkrijgen, vallen niet in de huwelijks gemeenschap, tenzij de erflater / schenker bepaalt dat de goederen wél in de gemeenschap vallen (een zogenaamde “insluitingsclausule”). Ook goederen die de echtgenoten reeds vóór het huwelijk hadden, vallen niet in de gemeenschap. Daarbij wordt een uitzondering gemaakt voor goederen, die de echtgenoten al voor het huwelijk in gezamenlijk eigendom hadden. Hetzelfde geldt voor voorhuwelijkse schulden: deze schulden blijven privé, tenzij de schulden vóór het huwelijk ook al gemeenschappelijk waren. Administratie Een punt van kritiek op dit stelsel was, dat het (nog meer) van belang is dat echtgenoten een goede administratie bijhouden. Zo is het van belang dat echtgenoten vastleggen wie welke goederen en schulden reeds voor het huwelijk had. Indien de echtgenoten dit niet vastleggen en bij echtscheiding een discussie ontstaat over de vraag aan wie van hen beiden een goed toebehoort, is in de wet een bewijsvermoeden opgenomen dat het goed tot de huwelijksgemeenschap behoort. Onderneming Uit het voorgaande vloeit voort dat indien een van de echtgenoten reeds voor het huwelijk een onderneming bezat, deze onderneming niet in de huwelijksgemeenschap valt. De andere echtgenoot blijft in dat geval echter niet geheel met lege handen staan. De nieuwe wet bepaalt dat indien een onderneming buiten de gemeenschap valt, een redelijke vergoeding aan de huwelijksgemeenschap dient te worden betaald voor de daarin gewerkte uren (“kennis, vaardigheden en arbeid, die een echtgenoot ten behoeve van die onderneming heeft aangewend”, aldus de wet), voor zover een dergelijke vergoeding niet al op andere wijze ten gunste van de echtgenoten is gekomen. Kortom, de arbeidsinkomsten komen op die manier gedurende het huwelijk wél ten goede aan de gemeenschap. Schulden Tot slot is een belangrijke wijziging dat indien een echtgenoot een privéschuld heeft die niet in de huwelijksgemeenschap valt, de schuldeiser zich desalniettemin kan verhalen op de helft van de opbrengst van een goed dat wél tot de huwelijksgemeenschap behoort. De andere helft komt dan toe aan de andere echtgenoot en behoort vanaf dat moment tot diens privévermogen. Overgangsrecht De wet zal van toepassing zijn op alle huwelijken die gesloten worden vanaf 1 januari 2018, tenzij de echtgenoten van dit stelsel afwijken door het opstellen van huwelijkse voorwaarden. De nieuwe wet kan echter óók van toepassing zijn op reeds bestaande huwelijken. Blijkens het overgangsrecht is immers niet de datum van het huwelijk bepalend voor de vraag of de nieuwe wet van toepassing is, maar de datum van het ontstaan van de gemeenschap van goederen. Indien de echtgenoten bijvoorbeeld vóór 1 januari 2018 gehuwd zijn en destijds in hun huwelijkse voorwaarden iedere gemeenschap van goederen hebben uitgesloten (zogenaamde “koude uitsluiting”), en ná 1 januari 2018 bij huwelijkse voorwaarden alsnog de wettelijke gemeenschap van goederen invoeren, is de nieuwe wet van toepassing. Heeft u nog vragen over dit onderwerp? Neem dan contact op met onze advocaten van team Familierecht. [post_title] => Wetsvoorstel Beperking gemeenschap van goederen aangenomen! [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => wetsvoorstel-beperking-gemeenschap-van-goederen-aangenomen [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-12-19 10:02:59 [post_modified_gmt] => 2017-12-19 09:02:59 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=10633 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [23] => WP_Post Object ( [ID] => 9522 [post_author] => 21 [post_date] => 2017-03-20 09:00:53 [post_date_gmt] => 2017-03-20 08:00:53 [post_content] => Op 19 juni 2015 is het Wetsvoorstel herziening partneralimentatie ingediend. Met dit wetsvoorstel wilden de initiatiefnemers bereiken dat de partneralimentatie eerlijker, simpeler en korter wordt. Ze stelden daartoe met name voor: een verandering van de grondslag, vereenvoudiging van de berekeningsmethode en verkorting van de duur van partneralimentatie. Naar aanleiding van onder andere een kritisch advies van de Raad van State is op 14 maart 2017 door de initiatiefnemers een nota van wijziging ingediend, waardoor het wetsvoorstel ingrijpend is gewijzigd. Zo is besloten dat de grondslag van partneralimentatie van voortdurende solidariteit/lotsverbondenheid wordt gehandhaafd en dat deze niet wordt gewijzigd in "een verlies aan verdiencapaciteit". Toch houdt het wetsvoorstel nog steeds belangrijke wijzigingen in ten opzichte van de huidige situatie. In het wetsvoorstel is bijvoorbeeld nog steeds opgenomen dat de duur van partneralimentatie wordt verkort. Bij een kinderloos huwelijk is de maximale duur van partneralimentatie de helft van de duur van het huwelijk, met een maximum van 5 jaar. Indien er kinderen gedurende het huwelijk zijn geboren, bestaat in ieder geval een (partner)alimentatieverplichting totdat de kinderen de leeftijd van 12 jaar hebben bereikt. Ten tweede wordt in de wet opgenomen dat, indien de alimentatieverplichting zou zijn geëindigd doordat de alimentatiegerechtigde is gaan samenwonen als waren zij gehuwd, deze alimentatieverplichting kan herleven indien de samenwoning na 6 maanden wordt beëindigd. De achterliggende gedachte hierbij is dat de drempel om te gaan samenwonen daarmee zou worden verlaagd. In het gewijzigde wetsvoorstel is tevens de in de jurisprudentie veelvuldig gehanteerde "Hof-formule" opgenomen, zijnde een wijze van berekening van de behoefte van een alimentatiegerechtigde. Voor de berekening van partneralimentatie is daarnaast in het wetsvoorstel opgenomen dat de draagkracht forfaitair kan worden vastgesteld op basis van tabellen. Het kan nog enige tijd duren voordat bekend is of het stelsel van partneralimentatie daadwerkelijk gewijzigd zal worden. Het wetsvoorstel wordt thans nog behandeld in de Tweede Kamer. Een ander wetsvoorstel is het wetsvoorstel inzake de beperking van de gemeenschap van goederen, dat reeds verkeert in een vergevorderd stadium. Op 21 maart aanstaande zal de Eerste Kamer daarover debatteren. Zodra dit wetsvoorstel wordt aangenomen, leest u daarover hier meer!   [post_title] => Wetsvoorstel herziening partneralimentatie gewijzigd [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => wetsvoorstel-herziening-partneralimentatie-gewijzigd [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-03-20 09:00:53 [post_modified_gmt] => 2017-03-20 08:00:53 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=9522 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [24] => WP_Post Object ( [ID] => 7000 [post_author] => 21 [post_date] => 2017-02-24 14:10:06 [post_date_gmt] => 2017-02-24 13:10:06 [post_content] => Hof Den Haag 22 februari 2017 ECLI:NL:GHDHA:2017:412 Opnieuw stelt het Hof Den Haag een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad ; dit keer vraagt het Hof om een beslissing over de invloed van het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop op de behoefte van de partneralimentatie-gerechtigde. In HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3011 oordeelde de Hoge Raad reeds naar aanleiding van een eerdere prejudiciële vraag dat bij de vaststelling van kinderalimentatie het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop (hierna:KGB) niet in aanmerking dienen te worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind, maar wel bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het KGB ontvangt, teneinde mede op basis daarvan de door beide ouders te leveren bijdrage in de kosten van de kinderen te berekenen. In literatuur en jurisprudentie heerst sindsdien onduidelijkheid over de vraag of en zo ja, welke gevolgen dit heeft voor de partneralimentatie. De Hoven in den lande hebben daarover verschillende opvattingen. Dat kan in sommige gevallen enkele honderden euro’s netto per maand schelen. Rechtsonzekerheid en -ongelijkheid zijn het gevolg. Dus wordt de Hoge Raad te hulp geroepen om de knoop door te hakken. De prejudiciële vraag die thans wordt gesteld, luidt of het KGB geldt als inkomen van degene die het KGB ontvangt, waardoor het KGB diens (aanvullende) behoefte vermindert en daarmee de vast te stellen partneralimentatie verlaagt, of dat het KGB, zoals ook andere inkomensafhankelijke overheidsverstrekkingen (zoals huur- of zorgtoeslag bijv.) een overheidsbijdrage is met een louter aanvullend karakter, zodat het om die reden buiten beschouwing moet blijven bij de bepaling van de behoefte van de ouder die het KGB ontvangt in het kader van de vaststelling van de door deze gevraagde partneralimentatie. En als dat toch zou moeten gebeuren, in hoeverre daarbij vervolgens dan rekening moet worden gehouden met het eigen aandeel van die ouder in de kosten van de kinderen, voor de bestrijding waarvan het KGB immers toch met name bedoeld lijkt te zijn. Het woord is nu aan de Hoge Raad. We wachten met spanning af. De verwachting is dat dit enkele maanden zal duren, dus voor/rond de zomer kunnen wij u hopelijk berichten over de uitkomst. Ook in de tussentijd adviseert het team Familierecht u graag over alle aspecten inzake partner-en kinderalimentatie. Februari 2017 [post_title] => Hof stelt weer prejudiciële vraag aan Hoge Raad over het kindgebonden budget, thans in relatie tot partneralimentatie. [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => hof-stelt-weer-prejudiciele-vraag-aan-hoge-raad-over-het-kindgebonden-budget-thans-in-relatie-tot-partneralimentatie [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-02-24 15:08:06 [post_modified_gmt] => 2017-02-24 14:08:06 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=7000 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [25] => WP_Post Object ( [ID] => 6876 [post_author] => 2 [post_date] => 2017-02-16 09:29:02 [post_date_gmt] => 2017-02-16 08:29:02 [post_content] => De Hoge Raad heeft op 3 februari 2017 arrest (ECLI:NL:HR:2017:161) gewezen in een cassatieprocedure tegen een uitspraak van het Hof Den Bosch over een niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden. Het periodiek verrekenbeding in deze kwestie verplichtte partijen om jaarlijks te verrekenen hetgeen van het inkomen was overgespaard na aftrek van de kosten van de huishouding. Zoals in de meeste gevallen was aan dat verrekenbeding tijdens het huwelijk geen uitvoering gegeven. Bij echtscheiding werd daarom een beroep gedaan op artikel 1:141 BW waarin (samengevat) is bepaald dat indien verrekening tijdens huwelijk achterwege is gebleven, bij echtscheiding, behoudens tegenbewijs, moet worden verrekend op basis van het dan aanwezige totale saldo van het vermogen. Om dat te vergemakkelijken heeft de wetgever een bewijsvermoeden in de wet opgenomen: in beginsel wordt vermoed dat het totale aanwezige vermogen op de peildatum is gevormd uit overgespaard inkomen dat verrekend moet worden. De echtgenoot die stelt dat een deel van dat vermogen niet in de verrekening moet worden betrokken omdat het bijvoorbeeld voorhuwelijks vermogen betrof of krachtens erfrecht of schenking is verkregen, zal dat moeten aantonen. In de door de Hoge Raad gecasseerde zaak had het Hof Den Bosch de bewijslast bij de verkeerde partij neergelegd. De man had zich op het standpunt gesteld dat de waarde van de woning moest worden verrekend, stellende dat aflossingen op de hypotheek en verbouwingen die hadden plaatsgevonden waren betaald met overgespaard inkomen. Omdat de vrouw dat had betwist, vond het Hof dat de bewijslast daarvan op de man rustte. Het Hof oordeelde dat de man dat niet voldoende aannemelijk had kunnen maken, en wees daarom dat deel van de vordering van de man af. De Hoge Raad vernietigt die uitspraak. De vrouw had op basis van het wettelijk bewijsvermoeden het tegendeel moeten aantonen. De Hoge Raad verwijst de zaak voor verdere afdoening naar een ander gerechtshof. Deze uitspraak onderstreept maar weer eens het belang van het volgen van de juiste stappen bij afwikkeling van huwelijkse voorwaarden waarin een verrekenbeding is opgenomen. Het team familierecht van Boels Zanders staat klaar om u hierover accuraat te adviseren.   16 februari 2017 [post_title] => Hoge Raad casseert arrest van Gerechtshof Den Bosch: verkeerde toepassing bewijsvermoeden bij niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => hoge-raad-casseert-arrest-van-gerechtshof-den-bosch-verkeerde-toepassing-bewijsvermoeden-bij-niet-uitgevoerd-periodiek-verrekenbeding [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-02-16 09:29:32 [post_modified_gmt] => 2017-02-16 08:29:32 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=6876 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [26] => WP_Post Object ( [ID] => 6501 [post_author] => 21 [post_date] => 2017-02-03 13:01:54 [post_date_gmt] => 2017-02-03 12:01:54 [post_content] => In eerdere blogs hebben wij al gewezen op een  (voorzichtige) trend in de lagere rechtspraak : dat er sprake is van een samenwonen van de alimentatiegerechtigde met een nieuwe partner in de zin van artikel 1:160 BW, als gevolg waarvan de alimentatieplicht definitief komt te vervallen, wordt inmiddels iets sneller aangenomen. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 26 januari 2017  een beschikking afgegeven, waarin die trend wordt bevestigd. De casus was (kort) de volgende: De vrouw was ingetrokken in een (voor bewoning geschikt gemaakte) garage in de woning die in eigendom toebehoorde aan de zoon van haar partner. Haar partner woonde ook bij zijn zoon in huis. Zij betaalde voor de bewoning van de omgebouwde garage geen huur, maar stelde dat zij die huur "verrekende" met de door haar deels betaalde/voorgeschoten verbouwingskosten van de garage. Zij voerde voorts aan dat zij de huur van haar vorige woning niet meer kon opbrengen, omdat zij geen huurtoeslag meer ontving. In de garage waren er geen eigen nutsvoorzieningen. Tijdens haar verblijf in de garage (gedurende enkele jaren) had de vrouw gebruik kunnen maken van de nutsaansluiting van de woning van de zoon. Zij gebruikte onder andere de doucheruimte, de wasmachine en wasdroger. Niet aangetoond kon worden dat zij daarvoor een vergoeding betaalde. De garage was niet als zelfstandige woning verbouwd, maar nog steeds inpandig verbonden met de woning van de zoon. Een aantal keren per week werd samen gegeten, en de vrouw en haar partner brachten ook enkele nachten per week samen door. Ook gingen ze wel eens samen op vakantie. Toen de relatie tussen de vrouw en haar partner werd verbroken, is zij kort daarna verhuisd naar een andere woning. Die omstandigheden vormden voldoende bewijs voor de rechter om te concluderen dat er sprake was van een feitelijke samenwoning, een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging. De volgende overweging van het Hof springt hierbij nog in het oog: "Het Hof betrekt bij zijn oordeel dat het in het huidige tijdsgewricht, waarin echtelieden ook niet meer jegens elkaar verplicht zijn tot samenwoning, in het algemeen zeer wel mogelijk is dat personen die een duurzame, affectieve relatie met elkaar onderhouden en die samenleven als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW, kiezen voor een invulling van hun dagelijkse leven waarbij zij niet iedere dag en nacht met elkaar doorbrengen en waarbij zij niet alle financiële middelen met elkaar delen". Weer een stap in de goede richting voor alimentatieplichtigen, ook al blijft gelden: één zwaluw maakt nog geen zomer. Wat voor deze casus geldt, is niet automatisch voor andere gevallen ook van toepassing. Heeft u vragen over dit thema: wij adviseren u graag hierover.   Februari 2017 [post_title] => Sneller einde alimentatieplicht bij samenwonen alimentatiegerechtigde [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => sneller-einde-alimentatieplicht-samenwonen-alimentatiegerechtigde [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-02-08 09:11:09 [post_modified_gmt] => 2017-02-08 08:11:09 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=6501 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [27] => WP_Post Object ( [ID] => 4903 [post_author] => 21 [post_date] => 2016-10-13 16:08:03 [post_date_gmt] => 2016-10-13 14:08:03 [post_content] => Recent hebben wij reeds bericht over het wetsvoorstel Uitfasering Pensioen Eigen Beheer (PEB). Dat moet ertoe leiden dat het pensioen in eigen beheer voor de directeur-groot aandeelhouder (op termijn) verdwijnt. Er kan een aantal keuzes worden gemaakt. De opgebouwde voorziening kan worden afgekocht, tegen een gunstig belastingtarief. Het opgebouwde pensioen kan ook worden omgezet in een spaarvariant, de "oudedagsverplichting", een soort bancaire lijfrente is. Ongeacht de keuze, de rechten van de (gewezen) partner worden daardoor beïnvloed, zodat schriftelijke toestemming van de partner vereist wordt (zie artikel 38n lid 4 van het wetsvoorstel). De Belastingdienst stelt daarvoor een model-document beschikbaar. Uit het concept van dat formulier blijkt dat een aantal vragen (simpelweg) met "ja" of "nee" moeten worden beantwoord. Nu de rechten van de partner in het geding zijn, staat buiten kijf dat gewaarborgd moet worden dat de partner, als gevolg van het maken van bepaalde keuzes ten aanzien van de pensioenopbouw, niet met lege handen komt te staan. Na de publicatie van het wetsvoorstel op Prinsjesdag is er de nodige commotie ontstaan, onder andere en met name over het instemmingsvereiste en de daaraan gekoppelde informatieplicht. En wat te doen als instemming (al dan niet op goede gronden) wordt onthouden? Zijn deze zorgen over de vraag hoe invulling te geven aan de informatieverstrekking aan respectievelijk advisering van de partner, terecht ? Immers, ook vóór publicatie van dit wetsvoorstel konden er reeds beslissingen worden genomen door de DGA die (direct) invloed hebben op de positie van de partner. Pensioenbrieven en wijzigingen daarvan moeten meestal worden mede-ondertekend door de partner. In de praktijk wordt dat nog wel eens "vergeten".Of wordt er "blind" getekend. De opdracht naar aanleiding van het wetsvoorstel Uitfasering PEB luidt dat er op adequate wijze inzicht wordt gegeven in de beider posities m.b.t. pensioen, de financiële uitwerking van de vooruitzichten, de verschillen in de te maken keuzes m.b.t. afkoop, omzetting in een OVP of het continueren van het PEB zonder verdere waarde-opbouw, en de consequenties daarvan voor beide partners. Dat is een hele klus, maar niet onoverkomelijk. In een recente casus die werd voorgelegd aan het Hof Amsterdam en die leidde tot de beslissing van 26 januari 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:191) was ook in geschil of de partner bewuste keuzes had gemaakt met betrekking tot het pensioen. In die zaak hadden partijen onder begeleiding van een mediator in een convenant afspraken gemaakt over de financiële consequenties van hun echtscheiding. Onderdeel van die afspraken was dat ieder van partijen de tijdens huwelijk opgebouwde eigen aanspraken op pensioen behield. Toepasselijkheid van de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding werd uitgesloten. De vrouw deed dus (samengevat) afstand van haar aandeel in de door de man tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioenaanspraken. Zelf had zij minimaal pensioen opgebouwd. De opgebouwde pensioenrechten van de man waren aanzienlijk. Er was dus een grote discrepantie tussen de door ieder van partijen opgebouwde pensioenrechten. De vrouw werd daarvoor ook niet op andere wijze  gecompenseerd. Voorts was niet aangetoond dat er door partijen expliciet was gesproken over de omvang van de pensioenrechten, respectievelijk het deel waarop de vrouw normaal gezien recht zou hebben gehad. De vrouw had dus kennelijk de gevolgen van haar keuze niet goed kunnen overzien. De vrouw wilde dan ook terugkomen op de afspraken, en het Hof Amsterdam volgde haar daarin. Nu zij niet concreet en nauwkeurig voor ogen had wat zij prijs gaf en niet anderszins werd gecompenseerd, vond het Hof dat uitsluiting van de pensioenverevening in die omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Met toepassing van artikel 6:248 lid 2 BW bepaalde  het Hof daarom dat de afspraak in het convenant met betrekking tot de uitsluiting van pensioenverevening niet van toepassing was, zodat de vrouw alsnog op grond van artikel 2 lid 1 WVPS recht kreeg op verevening van het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen. Of het nu gaat om het invullen van een standaard-formulier in het kader van de uitfasering PEB, of om het vastleggen van afspraken over pensioen in een echtscheidingsconvenant, in alle gevallen loopt men het risico dat de andere partij later terugkomt op gemaakte keuzes of afspraken, op grond van het feit dat hij/zij niet voldoende geïnformeerd en voorgelicht is danwel de gevolgen van de keuzes of beslissingen niet goed heeft kunnen overzien. Het is de taak van alle betrokkenen (partijen en adviseurs) om ervoor te waken dat afspraken/keuzes worden gemaakt op basis van "informed consent". Als dat vervolgens (goed gedocumenteerd) wordt vastgelegd, zal het niet zo gemakkelijk zijn voor partijen om daar later toch nog op terug te komen. Hoedanook is het devies : beter een geïnformeerde partner die geen toestemming verleent dan een niet-geïnformeerde partner die de toestemming later weer intrekt. [post_title] => Wetsvoorstel uitfasering pensioen in eigen beheer; instemming door partner cruciaal [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => wetsvoorstel-uitfasering-pensioen-in-eigen-beheer-instemming-door-partner-cruciaal [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-10-13 16:08:03 [post_modified_gmt] => 2016-10-13 14:08:03 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=4903 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [28] => WP_Post Object ( [ID] => 4661 [post_author] => 21 [post_date] => 2016-10-03 14:23:58 [post_date_gmt] => 2016-10-03 12:23:58 [post_content] => In een recent weblog hadden wij het over een trend in de lagere rechtspraak waarbij alimentatieplichtigen te hulp worden geschoten als zij bewijs moeten leveren van hun stelling dat de alimentatiegerechtigde is gaan samenleven met een nieuwe partner als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW. Een recente uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 14 september 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:2752) sluit daarbij aan. In deze zaak beriep de alimentatieplichtige man zich erop dat zijn ex-echtgenote met een andere partner samenwoonde als waren zij gehuwd op grond waarvan hij van mening was dat zijn alimentatieplicht was komen te vervallen. Hij had een recherchebureau opdracht gegeven om over een langere periode de handel en wandel van zijn ex te observeren en daarover te rapporteren. De betreffende onderzoeksrapportages werden door de man in de procedure ingebracht. Ook had de man een dvd overgelegd met een geluidsopname van een gesprek met één van de kinderen. Op grond van die stukken en het bewijsaanbod van de man werd de man door het Hof in de gelegenheid gesteld om nader bewijs te leveren door middel van het horen van getuigen. Het Hof stelde de man op zijn verzoek daarbij ook in de gelegenheid om de dvd met de opname van het gesprek tussen hem en de dochter in haar bijzijn tijdens het getuigenverhoor te doen beluisteren. Het Hof voegde daaraan overigens toe dat de man "geacht werd voor de benodigde afspeelmogelijkheden zorg te dragen" (de digitale zittingszaal is nog geen gemeengoed). En de man diende aan te tonen wannéér de dvd met het gesprek was opgenomen. De bewijslast dat de alimentatiegerechtigde met een ander samenwoont in de zin van artikel 1:160 BW rust in beginsel bij de alimentatieplichtige. Die bewijslast is zwaar. De meest voor de hand liggende bewijsmiddelen zijn observatierapporten van een recherchebureau en de verklaringen van getuigen die onder ede worden gehoord. Soms worden ook kinderen als getuige opgeroepen. Daarmee dient in het algemeen terughoudend/prudent te worden omgegaan. Kinderen, zeker minderjarigen, kunnen immers in een loyaliteitsconflict terecht komen of klem raken tussen de ouders, als zij bij dit soort discussies worden betrokken. Kinderen kunnen zich in dit soort zaken overigens niet beroepen op een familiaal verschoningsrecht, dus zij zijn verplicht te verschijnen en een verklaring af te leggen. Het Hof stond in dit geval toch toe dat de dochter zou worden gehoord en direct zou worden geconfronteerd met een geluidsopname van een eerder gesprek met haar. Het doel heiligde hier kennelijk de middelen. Als u vragen heeft over stelplicht en bewijslast rondom beëindiging van de alimentatieplicht wegens samenwonen van de alimentatiegerechtigde, adviseren wij u daar graag nader over. [post_title] => Bewijslevering met betrekking tot samenwonen in de zin van artikel 1:160 BW [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => bewijslevering-met-betrekking-tot-samenwonen-in-de-zin-van-artikel-1160-bw [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-10-06 09:25:32 [post_modified_gmt] => 2016-10-06 07:25:32 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=4661 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [29] => WP_Post Object ( [ID] => 4577 [post_author] => 2 [post_date] => 2016-09-21 14:39:03 [post_date_gmt] => 2016-09-21 12:39:03 [post_content] => Op Prinsjesdag is het wetsvoorstel "Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen" ingediend. Het streven is dat deze wet per 1 januari 2017 in werking zal treden. Opbouw pensioen in eigen beheer afgeschaft Opbouw van een pensioen in eigen beheer wordt afgeschaft. Daarnaast is voorzien in een tijdelijke maatregel, die de mogelijkheid biedt van een fiscaal gefaciliteerde afkoop van het reeds opgebouwde pensioen in eigen beheer. De DGA kan kort gezegd kiezen tussen afkoop van het pensioen of omzetting in een zogenaamde oudedagsverplichting. Indien geen keuze wordt gemaakt, geldt dat het reeds opgebouwde pensioen premievrij wordt gehandhaafd, zonder dat verdere opbouw plaatsvindt. Toestemming van de partner Als gevolg van de keuze van de DGA kunnen ook de pensioenrechten van de partner worden verlaagd. In het wetsvoorstel is bepaald dat de partner en de gewezen partner van de DGA uitdrukkelijk moet instemmen met de keuze van de DGA voor afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting. Het doel van deze bepaling is om de rechten van de (ex)partner te beschermen én om zeker te stellen dat de partner zich bewust is van de gevolgen van de keuze van de DGA. Voor het partnerpensioen, dat aan de (gewezen) partner toekomt bij overlijden van de DGA, is in de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding reeds geregeld dat een DGA hierover geen afspraken kan maken zonder toestemming van de partner. Voor het ouderdomspensioen is een dergelijke wettelijke bepaling er op dit moment nog niet. Om die reden wordt voorgesteld een dergelijke voorwaarde in de wet op te nemen. Belang bij weigeren toestemming? In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel wordt opgemerkt, dat het uiteraard aan de partner is om die toestemming ook daadwerkelijk te verlenen. Als er sprake is van goede afspraken dan wel een passende compensatie voor het verlies aan rechten voor de partner, zal deze geen belang hebben bij het weigeren van toestemming. Als voorbeeld voor zo'n compensatie wordt gegeven om de aanspraken van de partner (deels) onder te brengen bij een verzekeraar of aanvullende huwelijkse voorwaarden te sluiten. Wanneer de partner niet instemt, kan het pensioen in eigen beheer volgens de Memorie van Toelichting niet worden gewijzigd en wordt het automatisch premievrij in eigen beheer gehandhaafd. Positie van de partner in de praktijk Wij verwachten dat in de praktijk vragen zullen gaan rijzen over de positie van de partner. Wat is bijvoorbeeld het juridische gevolg als de DGA toch overgaat tot afkoop, zonder dat de partner toestemming heeft gegeven? Heeft de partner (in huwelijksvermogensrechtelijke zin) aanspraken op het bedrag dat als afkoopsom wordt ontvangen, of op de oudedagsverplichting in eigen beheer? Is het eventueel mogelijk de partner te 'dwingen' tot het verlenen van toestemming, of vervangende toestemming te vragen wanneer de partner geen belang heeft bij weigering, omdat er sprake is van een passende compensatie? We houden alle ontwikkelingen nauwlettend voor u in de gaten en beantwoorden uw vragen graag. [post_title] => Partner beschermd bij uitfasering pensioen in eigen beheer [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => partner-beschermd-bij-uitfasering-pensioen-in-eigen-beheer [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-09-21 14:39:51 [post_modified_gmt] => 2016-09-21 12:39:51 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=4577 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [30] => WP_Post Object ( [ID] => 4538 [post_author] => 21 [post_date] => 2016-09-19 08:36:29 [post_date_gmt] => 2016-09-19 08:36:29 [post_content] => Er lijkt in de lagere rechtspraak een tendens waarneembaar dat de door de Hoge Raad geformuleerde strenge, cumulatieve criteria waaraan moet worden getoetst om definitieve beëindiging van de partneralimentatieverplichting te bewerkstelligen op grond van het feit dat de alimentatiegerechtigde samenwoont met een ander als waren zij gehuwd in de praktijk soepeler worden toegepast. Een voorbeeld daarvan is de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 7 juni 2016.(Link: ECLI:NL:GHARL:2016:4501) In die zaak stond vast dat de alimentatiegerechtigde vrouw en haar partner ieder hun eigen adres hadden, maar de vrouw meestal van donderdagavond tot dinsdagochtend bij haar partner verbleef, en de andere dagen van de week in haar eigen woning was, van waaruit zij ook een eigen onderneming dreef. Tijdens die dagen had zij haar eigen bezigheden (sport) en sociale contacten. Dat deed er volgens het Hof echter niet aan af dat het zwaartepunt van dat verblijf van de vrouw bij haar nieuwe partner lag en er dus sprake was van een samenwoning. Het Hof had de vrouw opgedragen tegenbewijs te leveren ten aanzien van het voorlopige oordeel dat er sprake was van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging, maar de vrouw slaagde daar volgens het Hof niet in. Dat had overigens vooral te maken met het feit dat de vrouw haar stellingen niet met bewijsstukken had onderbouwd. Het Hof ging er dus vanuit dat haar partner het merendeel van de kosten van de huishouding, voor de dagen dat zij bij hem verbleef, voor zijn rekening nam. Dat gold ook voor de kosten van vakanties, waarvan de vrouw ook had erkend dat haar partner de verblijfskosten voor zijn rekening nam, maar dat zij zelf de reiskosten en kosten van verteer betaalde. Maar ook dat had ze niet met bewijsstukken kunnen aantonen. Ook voor het overige had zij niet voldoende inzicht gegeven in haar financiële situatie. Voorts was komen vast te staan dat zij samen met haar partner veel gezamenlijke sociale activiteiten ondernam (onder andere feestjes, familiebezoeken, activiteiten van de voetbalclub en carnavalsvereniging). Dat alles leidde het Hof tot het oordeel dat er sprake was van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging. Het Hof overwoog  daarbij nog expliciet dat het "in het huidige tijdsgewricht, waarin echtelieden ook niet meer jegens elkaar verplicht zijn tot samenwoning, in het algemeen zeer wel mogelijk is dat personen die een duurzame affectieve relatie met elkaar onderhouden en die samenleven als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW, kiezen voor een invulling van hun dagelijkse leven waarbij zij niet iedere dag en nacht met elkaar doorbrengen en waarbij zij niet alle financiële middelen met elkaar delen". Dat biedt wellicht perspectief in soortgelijke zaken. Tegen deze uitspraak is geen cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. In geschillen met betrekking tot toepassing van artikel 1:160 BW komt het overigens wel vaker voor dat, mits er door de alimentatieplichtige voldoende feiten en aanknopingspunten zijn gesteld, de rechter tot het "voorlopig oordeel" komt dat er sprake is van een samenwoning in de zin van dat artikel, en de alimentatiegerechtigde dan in staat wordt gesteld daartegen voldoende tegenbewijs te leveren. De rechtbank Overijssel ging zelfs nog een stapje verder in de uitspraak van 4 augustus 2016 (ECLI:NL:RBOVE:2016:3118) waarin zij alimentatieplichtige te hulp schoot, nu deze in "bewijsnood" verkeerde. Het ging in dit geval om een 63-jarige man, aan wie alimentatie verschuldigd was. De man was verhuisd naar Litouwen en had erkend dat hij daar een vriendin had, maar zijn stelling was dat hij niet met haar samen leefde. De verhuizing zou erop gericht zijn "om te onderzoeken of hij en zijn nieuwe vriendin wel samen verder zouden kunnen." De man en zijn nieuwe vriendin woonden in dezelfde straat, maar elk op een ander huisnummer. De man beargumenteerde dat op de vrouw de stelplicht en bewijslast rustte van de samenwoning in de zin van artikel 1:160 BW. De rechtbank stelde echter dat niet van de vrouw kon worden verwacht dat zij in een vreemd land als Litouwen onderzoek zou moeten gaan doen naar het dagelijkse leven van de man, en keerde de bewijslast om, nu dit uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeide. De rechtbank belastte de man dus met bewijs dat hij niet samenwoonde met zijn nieuwe partner in Litouwen. De lagere rechters lijken, zij het schoorvoetend, alimentatieplichtigen die een beroep doen op artikel 1:160 BW steeds vaker te hulp te schieten. Een ontwikkeling die (zeker in op het eerst zicht "sprekende gevallen") op zichzelf is toe te juichen. Indien u vragen heeft over mogelijkheden tot beëindiging van de partneralimentatieverplichting op grond van het feit dat de alimentatiegerechtigde samenwoont met een ander, verlenen de familierechtadvocaten van Boels Zanders u daarover graag nader advies. [post_title] => Beëindiging partneralimentatie wegens samenleven "als waren zij gehuwd": soepelere toetsing in lagere rechtspraak [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => beeindiging-partneralimentatie-wegens-samenleven-als-waren-zij-gehuwd-soepelere-toetsing-in-lagere-rechtspraak [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-09-19 08:40:37 [post_modified_gmt] => 2016-09-19 08:40:37 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=4538 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [31] => WP_Post Object ( [ID] => 4468 [post_author] => 21 [post_date] => 2016-09-13 12:32:08 [post_date_gmt] => 2016-09-13 12:32:08 [post_content] => Hof 's-Gravenhage: http://www.advocatie.nl/voormalig-advocate-krijgt-3-miljoen-van-ex-maar-eist-daarnaast-alimentatie Het hof past hier correct de basisregels voor vaststelling van partneralimentatie toe. De 45-jarige advocate komt volgens het Hof geen alimentatie toe, omdat zij, vanwege haar vermogen van EUR 3 miljoen en haar mogelijkheden op de arbeidsmarkt, niet behoeftig is. Een wettelijke onderhoudsplicht tussen ex-echtgenoten bestaat alleen voor zover de onderhoudsgerechtigde niet (geheel) in eigen levensonderhoud kan voorzien. Eigen inkomsten van de onderhoudsgerechtigde, óók die uit vermogen, verminderen de behoefte aan een bijdrage, oftewel de behoeftigheid. Onder inkomsten worden zowel de daadwerkelijke inkomsten (uit arbeid en/of vermogen) als de in redelijkheid te verwerven inkomsten verstaan. Indien de onderhoudsgerechtigde geen inkomsten heeft, dient daarom rekening te worden gehouden met de verdiencapaciteit, i.e. de mogelijkheden van de onderhoudsgerechtigde om zelf inkomsten te verwerven. Daarbij zijn alle omstandigheden van belang, waaronder de opleiding, de werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen. In geval er sprake is van vermogen, kan het onder omstandigheden redelijk zijn te verlangen op dit vermogen in te teren. [post_title] => Geen partneralimentatie voor advocate [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => geen-partneralimentatie-voor-advocate [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-09-13 12:32:08 [post_modified_gmt] => 2016-09-13 12:32:08 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=4468 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [32] => WP_Post Object ( [ID] => 4275 [post_author] => 21 [post_date] => 2016-08-08 14:18:57 [post_date_gmt] => 2016-08-08 14:18:57 [post_content] => Ondernemers trouwen vaak onder huwelijkse voorwaarden om het vermogen van hun echtgenoot te beschermen tegen een onverhoopt privé-faillissement. Helaas komen zij regelmatig bedrogen uit. Bewijsregels Dit is het gevolg van bijzondere bewijsregels die in de Faillissementswet zijn opgenomen. Op grond van art. 61 FW mag de curator aannemen dat alle goederen van de failliet én zijn echtgenoot in de faillissementsboedel vallen, ook al zijn de echtgenoten onder huwelijkse voorwaarden getrouwd. De echtgenoot heeft slechts een recht op terugneming van zijn/haar privévermogen uit de faillissementsboedel, als wordt voldaan aan wettelijke bewijsregels. Terugneemrecht Een recent voorbeeld van toepassing van deze bewijsregels is een arrest van het Hof Arnhem – Leeuwarden van 19-07-2016. De man ging, na een zakelijk faillissement, ook privé failliet. De vrouw was eigenaar van de woning waar partijen woonden. Zij had de woning tijdens het huwelijk alleen in eigendom verworven. Voor uitoefening van het terugneemrecht moet de vrouw allereerst kunnen aantonen, dat zij eigenaar was van de woning. Dat was middels de notariële eigendomsakte een eenvoudige opgave. Belegging? Er ontstond echter een probleem, toen de vrouw moest aantonen dat de aankoop van de woning was gefinancierd met 'belegging of wederbelegging van gelden welke voor meer dan 50% uit haar eigen middelen afkomstig zijn geweest'. Volgens de rechtbank moest deze belegging worden beoordeeld naar het moment van verkrijging van de woning, tegen welk oordeel in hoger beroep niet werd opgekomen. De woning was verkregen met een hypothecaire financiering op naam van man en vrouw gezamenlijk, ieder voor 50%. Volgens het hof is daarmee niet voldaan aan de wettelijke eis dat de woning bij de verkrijging voor meer dan 50% ten laste was gekomen van het eigen vermogen van de vrouw. De omstandigheid dat ná de verkrijging wellicht aflossingen en rentebetalingen overwegend zijn voldaan met eigen middelen van de vrouw, kon daarin geen verandering meer brengen. Dat gold ook voor het betoog van de vrouw dat zij op een later moment de hypothecaire lening voor 100% uit eigen middelen had afgelost. Echtelijke woning in de faillisementsboedel Het gevolg was dat de woning in de faillissementsboedel viel. Volgens het hof was nog wel denkbaar dat de vrouw een vordering op de curator kreeg, omdat de woning die aan haar in eigendom toebehoorde, in het faillissement van de man werd verkocht. De vrouw had een dergelijke vordering echter niet ingesteld in de procedure. Maar zelfs als zij dat wel gedaan had, had de vrouw maar moeten afwachten of haar dit als gewone / concurrente faillissementsschuldeiser nog iets opleverde. Kortom Het enkele afsluiten van huwelijkse voorwaarden vormt onvoldoende bescherming voor het vermogen van de echtgenoot bij een privé-faillissement. Plannen vooraf, in het bijzonder ten aanzien van de wijze van verwerving van goederen, is dan ook het devies. [post_title] => Huwelijkse voorwaarden beschermen niet altijd bij faillissement [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => huwelijkse-voorwaarden-beschermen-niet-altijd-bij-faillissement [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-08-08 14:21:12 [post_modified_gmt] => 2016-08-08 14:21:12 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=4275 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [33] => WP_Post Object ( [ID] => 691 [post_author] => 21 [post_date] => 2015-11-26 11:22:47 [post_date_gmt] => 2015-11-26 11:22:47 [post_content] => In onze grensregio komt het vaak voor dat Nederlanders verhuizen naar Belgisch Limburg. De Nederbelgen keren echter soms ook weer terug naar Nederland. Niet zelden is dat het geval naar aanleiding van een echtscheiding. In sommige gevallen zijn bij de verhuizing of remigratie minderjarige kinderen betrokken. Heeft de verhuizende ouder toestemming van de andere ouder nodig voor het wijzigen van de 'hoofdverblijfplaats' van het kind? Als beide ouders het gezag hebben, behoeft de verhuizing instemming van beide ouders. Indien zij daarover geen overeenstemming bereiken, dient de rechter een beslissing te nemen. De rechter van de laatste woon- en verblijfplaats van de kinderen is in dat geval bevoegd. Bij de beslissing staat het belang van de kinderen altijd centraal. In de Nederlands-Belgische situatie is daarbij het volgende in aanmerking te nemen. Wie van de ouders is bekleed met het ouderlijk gezag over de kinderen? Naar Nederlands en Belgisch IPR is op deze vraag het recht van het land van de gewone verblijfplaats van het kind van toepassing. Gehuwde ouders hebben van rechtswege het gezag over de uit het huwelijk geboren kinderen. Bij samenwoners ligt dit anders. Naar Nederlands recht heeft de moeder van rechtswege het gezag. De vader heeft enkel het gezag indien daarvan aantekening wordt gemaakt in het gezagsregister. Daarnaast geldt voor Nederland het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. Wanneer de gewone verblijfplaats van een kind wordt verplaatst, wijzigt daarmee ook het toepasselijke recht. Het recht van de lidstaat van de nieuwe gewone verblijfplaats is van toepassing. Of van rechtswege sprake is van ouderlijke verantwoordelijkheid/ouderlijk gezag van een persoon die deze verantwoordelijkheid eerder niet had, dient te worden beantwoord aan de hand van dat recht. Bij een verhuizing van Nederland naar België, is derhalve Belgisch recht van toepassing. Naar Belgisch recht hebben ouders die samenleven van rechtswege het gezamenlijk gezag over de kinderen (artikel 373 Burgerlijk Wetboek). Dit gezamenlijk gezag blijft ook na verbreking van de samenleving in stand (artikel 374 Burgerlijk Wetboek). Het Belgisch recht wijkt in dat opzicht dus af van het Nederlandse recht. NederBelgen die de grens passeren, moeten daar op bedacht zijn. Een verhuizing met de kinderen dient altijd instemming te hebben van beide ouders. Dit is slechts anders indien de andere, niet-verhuizende ouder niet het gezag heeft. Als de instemming ontbreekt, kan de verhuizing als "ongeoorloofde overbrenging" (lees: "kinderontvoering")  worden aangemerkt. Daar dient men zich vooraf rekenschap van te geven. [post_title] => Verhuizende NederBelgen [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => verhuizende-nederbelgen [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-07-14 20:57:42 [post_modified_gmt] => 2016-07-14 20:57:42 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://31.3.97.74/~boelzander/?post_type=publicatie&p=691 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [34] => WP_Post Object ( [ID] => 1086 [post_author] => 2 [post_date] => 2015-12-11 09:34:39 [post_date_gmt] => 2015-12-11 09:34:39 [post_content] => De DGA is vrij om pensioen in eigen beheer op te bouwen. De voorziening op de balans wordt niet altijd door een aparte reservering van benodigde middelen gevolgd. En de fiscale voorziening is vaak veel lager dan de economische waarde. Dat kan allerlei problemen, bijvoorbeeld ook bij echtscheiding veroorzaken

1. Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (WVPS)

Echtgenoten hebben ingeval van scheiding jegens elkaar aanspraak op verevening (= verdeling) van het tijdens het huwelijk opgebouwd ouderdomspensioen. Dat staat los van het geldende huwelijksvermogensregime. De omvang van pensioenverplichtingen en de daarvan af te leiden vereveningsverplichting wordt bepaald door de pensioentoezegging/pensioenbrief. Die aanspraken zijn meestal veel hoger dan de bedragen waarvoor de pensioenvoorziening op de balans staat. Het kapitaal wat daarvoor nodig is dus ook. Dit komt niet in de laatste plaats door de thans geldende veel lagere marktrente. Deze is aanzienlijk lager dan de fiscaal gehanteerde rekenrente van 4%. In het kader van een echtscheiding zal er een adequate (her-)berekening moeten worden gemaakt van de "waarde" (in het economische verkeer) van de pensioenaanspraken. Sinds een uitspraak van de Hoge Raad in februari 2007 geldt bovendien dat de DGA in beginsel verplicht is om in geval van echtscheiding het vereveningsdeel af te storten. Dan gaat het om het benodigde bedrag dat ter dekking van die aanspraken moet worden betaald aan een externe verzekeringsmaatschappij. De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen met zich mee dat van de ex-partner niet kan worden verlangd dat die lijdelijk afwacht en toeziet of er op de pensioendatum nog voldoende vermogen over is om zijn/haar deel van de pensioenaanspraken daadwerkelijk te kunnen uitkeren. De keerzijde van deze medaille is dat het liquiditeitsbeslag als gevolg van die afstortingsverplichting enorme gevolgen kan hebben voor de vennootschap. In sommige gevallen kan aan die verplichting eenvoudigweg niet worden voldaan. Daarom is er ook een uitzondering op de regel bedacht:
  • Zijn er onvoldoende liquide middelen aanwezig;
  • Kunnen onvoldoende liquide middelen worden vrijgemaakt, of
  • Van elders worden verkregen zonder continuïteit van bedrijfsvoering in gevaar te brengen?
Dan kan afstorting niet worden verlangd, of enkel voor een lager bedrag. Of deze wordt tot nader order opgeschort. De afstortingsplicht geldt volgens recentere rechtspraak in beginsel ook voor het bijzonder partnerpensioen.

2. Dividend/kapitaalvermindering; fiscale risico's

Een ander aandachtspunt is het fiscale risico in geval van terugbetaling van  aandelenkapitaal. Bijvoorbeeld door gebruikmaking van de mogelijkheid die de Wet op de Flex BV biedt. Of bij uitkering van dividend. Indien door het afstempelen respectievelijk het uitkeren van dividend de BV niet langer in staat zou zijn om het pensioen in eigen beheer volledig uit te keren, beschouwt de fiscus dit als "uitholling of prijsgeven" van pensioenaanspraken. De pensioenaanspraak wordt dan op grond van artikel 19b onderdeel c Wet Lb. direct in de belastingheffing betrokken tegen het progressieve tarief. Ook wordt het nog eens vermeerderd met 20% revisierente over de pensioenvoorziening (artikel 30i lid 1 onderdeel a AWR). Getoetst moet worden of de BV aan haar verplichtingen terzake  pensioen kan voldoen. Daartoe zullen alle activa en passiva (inclusief de pensioenaanspraken) moeten worden gewaardeerd. En wel op de werkelijke waarde in het economisch verkeer. De waarde van het pensioen is dan minimaal gelijk aan de koopsom die aan een externe professionele verzekeringsmaatschappij betaald zou moeten worden voor het onderbrengen van die verplichtingen. Ook de aanspraken op de waardevastheid (indexering) van dat pensioen is daarbij mede-bepalend. Verder worden daarbij de aanspraken op bijzonder nabestaandenpensioen/partnerpensioen in geval van overlijden betrokken als dat risico niet (reeds) extern is verzekerd. Extra voorzichtigheid is dus ook hier geboden! [post_title] => Pensioen in eigen beheer DGA ; aandachtspunten en knelpunten [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => pensioen-in-eigen-beheer-dga-aandachtspunten-en-knelpunten [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-07-14 21:04:16 [post_modified_gmt] => 2016-07-14 21:04:16 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://31.3.97.74/~boelzander/?post_type=publicatie&p=1086 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [35] => WP_Post Object ( [ID] => 1089 [post_author] => 2 [post_date] => 2015-12-11 09:58:20 [post_date_gmt] => 2015-12-11 09:58:20 [post_content] => Ex-echtgenoten hebben jegens elkaar een onderhoudsverplichting indien de ex-partner niet (volledig) in eigen levensonderhoud kan voorzien. Ter bepaling van de hoogte van dat bedrag is met name het inkomstenniveau en het uitgavenpatroon tijdens (de laatste jaren van) het huwelijk maatgevend. Daarnaast is de draagkracht van de alimentatieplichtige een relevante factor.   Aan de alimentatieverplichting komt (definitief en onherroepelijk) een einde indien de alimentatiegerechtigde ex-partner:
  • opnieuw trouwt of
  • een geregistreerd partnerschap aangaat of
  • met een ander gaat samenwonen "als waren zij gehuwd" (artikel 1:160 BW).
Samenwonen "als waren gehuwd" Anders dan een huwelijk of geregistreerd partnerschap, is samenwonen "als waren zij gehuwd" niet gemakkelijk vast te stellen. Dat is in beginsel enkel "feitelijk" vast te stellen. Daarbij komt dat volgens vaste rechtspraak artikel 1:160 BW restrictief moet worden uitgelegd. Reden daarvoor: toepassing van dit artikel heeft definitieve en verstrekkende gevolgen. De alimentatieaanspraak vervalt immers definitief en onherroepelijk en herleeft ook niet meer. De rechter is daarom gehouden om de beoordeling/beslissing dat sprake is van samenleven "als waren gehuwd" uitvoerig te motiveren.   Volgens vaste rechtspraak zijn de vereisten voor een geslaagd beroep op artikel 1:160 BW: er moet sprake zijn van (a) een affectieve relatie die (b) van duurzame aard is, die meebrengt dat (c) de ex-echtgenoot en de andere (nieuwe) partner elkaar wederzijds verzorgen, (d) met elkaar samenwonen, en (e) een gemeenschappelijk huishouding voeren. Die vereisten zijn cumulatief. Affectieve relatie van duurzame aard en samenwoning Aan de eerste twee eisen is al snel voldaan. Het bewijs daarvan is niet zo moeilijk te leveren. Als een (liefdes-)relatie met een nieuwe partner enige tijd heeft geduurd, is dat voldoende. Meestal wordt dat ook niet betwist. Anders is dat voor samenwoning, gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging. Voor de samenwoning is overigens niet noodzakelijk dat partijen ook op hetzelfde adres zijn ingeschreven. De feitelijke omstandigheden zijn bepalend. Het zeer regelmatig samenzijn in dezelfde woning (en daar overnachten, eten, respectievelijk gezamenlijk activiteiten ondernemen) kan al wijzen op een samenwoning. Het bewijs daarvan kan vaak (enkel) worden geleverd door middel van observaties van een in te schakelen recherchebureau. Al dan niet aangevuld met getuigenbewijs. Gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging Lastiger zijn de eisen rondom gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging. Dat is voor de buitenwereld immers helemaal lastig te constateren. Toch blijkt uit de rechtspraak, waaronder de beschikking van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 juni 2014, dat ook het bewijs daarvan niet onmogelijk/onoverkomelijk is. Het hof Den Bosch overwoog in voornoemde uitspraak hierover het volgende. De vrouw deed boodschappen en kookte ook voor haar partner; zij aten veelvuldig samen. De partner poetste de auto en deed wat huishoudelijk werk. Er was sprake van een gezamenlijke hobby (motorrijden). Zij gingen samen in aanwezigheid van de kinderen op vakantie. De nieuwe partner ging ook mee naar schoolactiviteiten. Van wederzijdse verzorging en gemeenschappelijke huishouding kan ook sprake zijn bij een bepaalde taakverdeling tussen samenwonenden. Een verdere "financiële verstrengeling" is niet zonder meer vereist. Indien vaststaat dat er sprake is van een samenwoning in de zin van artikel 1:160 BW en vanaf welke datum, is vanaf die datum geen alimentatie meer verschuldigd. Indien na die datum nog betaald is, geldt dat dit in beginsel als onverschuldigd betaald moet worden gerestitueerd. [post_title] => Einde alimentatieplicht: samenleven als waren gehuwd [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => einde-alimentatieplicht-samenleven-als-waren-gehuwd [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-07-14 20:58:43 [post_modified_gmt] => 2016-07-14 20:58:43 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://31.3.97.74/~boelzander/?post_type=publicatie&p=1089 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [36] => WP_Post Object ( [ID] => 1090 [post_author] => 2 [post_date] => 2015-12-11 11:39:33 [post_date_gmt] => 2015-12-11 11:39:33 [post_content] => De afwikkeling van huwelijkse voorwaarden leidt soms tot vervelende verrassingen, in het bijzonder bij niet uitgevoerde periodieke verrekenbedingen. Verrekening vindt alsnog plaats als bijvoorbeeld blijkt dat toch over de waarde van de aandelen in de onderneming dient te worden afgerekend. Dit had de ondernemer niet voor ogen bij het sluiten van de huwelijkse voorwaarden. Kan dan worden afgeweken van de huwelijkse voorwaarden, op grond van de redelijkheid en billijkheid? Uitleg huwelijkse voorwaarden Als eerste wordt gekeken naar de tekst van de huwelijkse voorwaarden. Is de tekst onduidelijk of voor meerdere uitleg vatbaar? Dan worden de voorwaarden uitgelegd, aan de hand van alle omstandigheden van het geval (het zogenaamde "Haviltex criterium"). Bij deze uitleg is onder meer de gemeenschappelijke partijbedoeling relevant. Partijen kunnen iets anders hebben bedoeld dan uit de tekst blijkt. Daarmee kunnen de huwelijkse voorwaarden echter niet opzij worden gezet. Een dergelijke "gemeenschappelijke partijbedoeling" is zelf ook een "huwelijkse voorwaarde". En huwelijkse voorwaarden kunnen alleen bij notariële akte rechtsgeldig worden gemaakt. Bijzondere omstandigheden Slechts in bijzondere omstandigheden kan een afspraak in huwelijkse voorwaarden buiten toepassing blijven. In de gegeven omstandigheden dient toepassing van de afspraak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te zijn. Dit geldt alleen voor verbintenisrechtelijke afspraken. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een periodiek of finaal verrekenbeding. Van goederenrechtelijke eigendomsverhoudingen kan niet op grond van redelijkheid en billijkheid worden afgeweken, ook in verband met derdenbescherming. Bij de bovenstaande beoordeling kan belang worden gehecht aan "onderling overeenstemmend gedrag" van partijen. Ook als dat gedrag tijdens huwelijk afweek van de huwelijkse voorwaarden. Dit heeft de Hoge Raad al in 2004 uitgemaakt. Het Hof Den Bosch heeft medio 2013 een uitspraak gedaan, die hierbij lijkt aan te haken. Partijen waren getrouwd onder huwelijkse voorwaarden. Iedere gemeenschap van goederen was uitgesloten. Er was sprake van een periodiek verrekenbeding. Tijdens huwelijk verwierf de man de echtelijke woning op zijn naam. Uit de verklaringen van partijen leidde het Hof af, dat de woning alleen op naam van de man stond om verhaal van schuldeisers te voorkomen. Tevens vond het Hof het van belang dat de lening op beider naam stond. Aan deze lening was een polis gekoppeld, waarop premie was betaald uit overgespaard inkomen. Onder deze omstandigheden had de vrouw volgens het Hof toch recht op de helft van de overwaarde van de woning. Afwijking blijft uitzondering Afwijking van huwelijkse voorwaarden op grond van de redelijkheid en billijkheid blijft echter uitzondering. De Hoge Raad heeft op 27 september 2013 benadrukt dat niet snel sprake is van de hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheden. In deze kwestie hield de man de aandelen in een transportonderneming. Zijn vrouw had meegewerkt in de onderneming. Zij had een transportvergunning verkregen, die van groot belang was voor het bedrijf. Het bedrijf had tijdens het huwelijk een grote groei doorgemaakt waar de vrouw een wezenlijke bijdrage aan had geleverd. Het Hof oordeelde op grond van uitleg, dat de waarde van de aandelen én de niet uitgekeerde ondernemingswinst niet verrekend hoefde te worden. Het Hof achtte het echter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, als deze regels uit de huwelijkse voorwaarden van toepassing zouden blijven en vond dat de niet uitgekeerde ondernemingswinst toch verrekend moest worden. De Hoge Raad was het niet met het Hof eens. Voornoemde omstandigheden waren onvoldoende om een afwijking op grond van de redelijkheid en billijkheid te rechtvaardigen. Tussentijds wijzigen huwelijkse voorwaarden De kans is klein dat achteraf van huwelijkse voorwaarden kan worden afgeweken op basis van redelijkheid en billijkheid. Passen de huwelijkse voorwaarden niet meer bij uw situatie? Wijzig de huwelijkse voorwaarden dan tussentijds.   [post_title] => Afwijking van huwelijkse voorwaarden op grond van de redelijkheid en billijkheid? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => afwijking-van-huwelijkse-voorwaarden-op-grond-van-de-redelijkheid-en-billijkheid [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-07-14 20:59:06 [post_modified_gmt] => 2016-07-14 20:59:06 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://31.3.97.74/~boelzander/?post_type=publicatie&p=1090 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [37] => WP_Post Object ( [ID] => 4006 [post_author] => 2 [post_date] => 2016-07-19 12:24:28 [post_date_gmt] => 2016-07-19 12:24:28 [post_content] => Op 24 juni 2016 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over de vraag in hoeverre een ontslagvergoeding die is gestort in een stamrecht BV, verknocht is. Feiten In deze zaak waren partijen met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. Het huwelijk werd in 2013 ontbonden door echtscheiding. In 2007 had de man een ontslagvergoeding ontvangen van afgerond EUR 282.000,-. De ontslagvergoeding werd gestort in een stamrecht BV. De man was enig aandeelhouder en bestuurder van deze BV. Hij had nog geen uitkeringen ontvangen uit de stamrecht BV. In het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding, ontstond een discussie tussen de man en de vrouw over de vraag of deze ontslagvergoeding bijzonder verknocht is aan de man. In dat geval behoort de ontslagvergoeding immers niet tot de huwelijksgemeenschap, en hoeft deze dus niet te worden verdeeld bij echtscheiding. Hoge Raad De Hoge Raad oordeelde dat overeenkomstig vaste jurisprudentie gekeken dient te worden naar 'de aard van het goed', om te beoordelen of het goed verknocht is aan een van de echtgenoten. In 1996 oordeelde de Hoge Raad reeds dat een ontslagvergoeding, uitgekeerd als een som ineens, niet verknocht is. In 2008 oordeelde de Hoge Raad daarentegen dat indien sprake is van een ontslagvergoeding, die wordt gestort onder een verzekeringsmaatschappij, waardoor de echtgenoot periodieke uitkeringen ontvangt als inkomensaanvulling, wél sprake is van verknochtheid, voor zover de aanspraken zien op de periode ná het huwelijk. In de uitspraak van 24 juni 2016 diende de Hoge Raad te beoordelen of tevens sprake is van verknochtheid indien de ontslagvergoeding in een stamrecht BV is gestort. Indien de man de ontslagvergoeding in zijn stamrecht BV stort, kan hij, anders dan wanneer de vergoeding wordt gestort onder een verzekeringsmaatschappij, zelf de hoogte en tijdstippen van de uitkeringen vaststellen. De Hoge Raad oordeelde dat dit geen reden is om een onderscheid te maken tussen deze twee situaties, omdat in beide gevallen de aanspraak op periodieke uitkeringen strekt tot inkomensvervanging. Ook indien de ontslagvergoeding wordt gestort in een (zelf opgerichte) stamrecht BV, kan sprake zijn van verknochtheid. Daarbij dient een onderscheid gemaakt te worden tussen aanspraken die betrekking hebben op de periode tijdens het huwelijk en aanspraken die betrekking hebben op de periode na het huwelijk. De laatstbedoelde aanspraken strekken tot suppletie/vervanging van inkomen dat de echtgenoot bij voortzetting van het dienstverband na het huwelijk zou hebben genoten en valt daarom, net zo min als nog te ontvangen loon, niet in de gemeenschap. De Hoge Raad voegt daaraan toe dat het irrelevant is of deze aanspraken daadwerkelijk verzilverd zijn. Het gaat immers om de strekking van de aanspraak. Vragen? De Hoge Raad heeft zich reeds meerdere keren uitgelaten over de vraag of een ontslagvergoeding verknocht is. Een eensluidend antwoord kan niet op deze vraag worden gegeven. De vraag of daadwerkelijk sprake is van verknochtheid, hangt af van alle omstandigheden van het geval. Neem voor meer informatie contact op met ons team familierecht. 19-7-2016 [post_title] => Ontslagvergoeding in stamrecht BV verknocht? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => ontslagvergoeding-in-stamrecht-bv-verknocht [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-07-19 12:35:08 [post_modified_gmt] => 2016-07-19 12:35:08 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=4006 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [38] => WP_Post Object ( [ID] => 4946 [post_author] => 2 [post_date] => 2016-10-20 10:16:48 [post_date_gmt] => 2016-10-20 08:16:48 [post_content] => In de Advotip verscheen in de editie van 19 oktober jongstleden een artikel van Edith Schnackers. Advotip is een tweewekelijkse nieuwsbrief rond het erfrecht waarin ook vaak personen- en familierecht en relatievermogensrecht aan de orde komen. Edith Schnackers is lid van het team familierecht en haar speciale aandachtsgebieden zijn de echtscheiding van de ondernemer, huwelijksvermogensrechtelijke vraagstukken, alimentatiekwesties, afwikkeling en verdeling van nalatenschappen en kwesties over de legitieme portie. Haar artikel in de Advotip sluit hierbij aan: "Een beroep op art. 3:194 lid 2 BW voor de bedrogen legitimaris?" Klik hier om het artikel te lezen. [post_title] => Een beroep op art. 3:194 lid 2 BW voor de bedrogen legitimaris? Advotip 2016-01 [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => publicatie-edith-schnackers-in-advotip [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-07-06 10:54:36 [post_modified_gmt] => 2017-07-06 08:54:36 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=4946 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) )
< 12 >

Wij gebruiken cookies om u de beste online ervaring te bieden. Door akkoord te gaan, accepteert u het gebruik van cookies in overeenstemming met ons cookiebeleid.

Privacy Settings saved!
Privacy-instellingen

Wanneer u een website bezoekt, kan het informatie in uw browser opslaan of ophalen, meestal in de vorm van cookies. Beheer hier uw persoonlijke Cookie Services.

Deze cookies zijn nodig om de website te laten functioneren en kunnen niet worden uitgeschakeld in onze systemen.

In order to use this website we use the following technically required cookies
  • wordpress_test_cookie
  • wordpress_logged_in_
  • wordpress_sec

Omwille van de prestaties gebruiken we Cloudflare als een CDN-netwerk. Hiermee wordt een cookie "__cfduid" opgeslagen om beveiligingsinstellingen per client toe te passen. Deze cookie is strikt noodzakelijk voor de beveiligingsfuncties van Cloudflare en kan niet worden uitgeschakeld.
  • __cfduid

Geen toestemming
Wel toestemming