Publicaties

Publicaties
Array
(
    [0] => WP_Post Object
        (
            [ID] => 23501
            [post_author] => 28
            [post_date] => 2019-02-12 11:54:34
            [post_date_gmt] => 2019-02-12 10:54:34
            [post_content] => Een stagiaire solliciteerde bij een openbare basisschool. Tijdens het sollicitatiegesprek vertelde zij mannen om religieuze redenen geen hand te geven. Om deze reden heeft de school de sollicitante afgewezen. Het College voor de Rechten van de Mens ("het College") oordeelde recentelijk  dat de school jegens de vrouw geen verboden onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt.

Feiten

De studente in kwestie volgt op een ROC de MBO-opleiding Onderwijsassistent. In het kader van haar opleiding solliciteerde zij voor een stageplaats op een Amsterdamse openbare basisschool. Tijdens het sollicitatiegesprek gaf de studente de stagecoördinator van de school geen hand en lichtte zij toe dat zij vanwege haar (Islamitische) geloofsovertuiging mannen geen hand geeft en dat dit niet persoonlijk is bedoeld. In de procedure bij het College verduidelijkte zij dat dit alleen geldt voor mannen van 16 jaar en ouder.

De school heeft het ROC laten weten dat de studente niet voor de stageplaats in aanmerking komt. Dit omdat de studente vanwege haar principiële opstelling ten aanzien van het handen schudden niet geschikt is voor de school en hierdoor niet kan voldoen aan de functie-eis om de leerlingen, ouders, collega’s en derden, zoals vertegenwoordigers van de gemeente, een hand te geven.

Het geschil bij het College betreft de vraag of de school verboden onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt bij het aangaan van een arbeidsverhouding. De school meent dat dit niet het geval is. Zij stelt de studente niet te hebben afgewezen vanwege haar geloofsovertuiging, maar omdat zij mannen geen hand wil geven. Voor zover zij wel onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt, doet de school een beroep op de (wettelijke) uitzonderingen op dit verbod.

Juridisch kader

Binnen het arbeidsrecht kan op verschillende momenten sprake zijn van verboden onderscheid, zowel voor als tijdens een arbeidsrelatie. Bijvoorbeeld bij een promotie, het opstellen van de arbeidsvoorwaarden, de sollicitatiefase of ontslag. In deze zaak gaat het om verboden onderscheid op grond van godsdienst bij het aangaan van een arbeidsverhouding (artikel 5 lid 1 sub c Algemene wet gelijke behandeling).

Het verbod op het maken van onderscheid op grond van godsdienst geldt voor zowel direct als indirect onderscheid. Van direct onderscheid is sprake als een persoon vanwege godsdienst op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie. Er is sprake van indirect onderscheid op grond van godsdienst indien een neutrale regel personen met een bepaalde godsdienst in vergelijking met andere personen in het bijzonder treft.

Direct onderscheid is alleen toegestaan in specifieke bij wet geregelde gevallen. Denk bijvoorbeeld aan een vacature voor een mannelijk model om mannenkleding te 'showen'. Indirect onderscheid is alleen toegestaan als hier een objectieve rechtvaardiging voor bestaat. Van een objectieve rechtvaardiging is sprake als:
  • het doel van het onderscheid legitiem is;
  • het middel geschikt is om het doel mee te bereiken;
  • het middel in redelijke verhouding staat tot het doel (proportionaliteitseis);
  • het doel niet op een andere, minder onderscheid makende manier, kan worden bereikt (subsidiariteitseis).
Oordeel van het College Het College constateert eerst dat zij bevoegd is dit geschil te behandelen. De weigering om mannen een hand te schudden vanwege een geloofsovertuiging is immers (naar vaste rechtspraak) een gedraging die onder het begrip godsdienst valt. Vervolgens stelt het College vast dat de school indirect onderscheid op grond van godsdienst maakt. Sollicitanten zoals de stagiaire worden door de eis van de school bijzonder getroffen. Het College toetst vervolgens of er een objectieve rechtvaardiging voor dit indirecte onderscheid bestaat. Legitiem doel? De school licht toe het van belang te vinden dat op een respectvolle manier en met een open en neutrale houding met elkaar wordt omgegaan, waarbij niemand zich buitengesloten mag voelen. Concreet wordt gedoeld op omgang met onder meer ouders en collega’s en derden. Het College oordeelt dat dit doel voorziet in een werkelijke behoefte van de school en ook geen discriminerend oogmerk heeft. Het College acht dit doel legitiem. Geschikt middel? Het middel dat de school hanteert om dit doel te bereiken is een uniforme begroetingswijze, namelijk het geven van een hand. Het College concludeert dat dit een geschikt middel is omdat een grote meerderheid in Nederland elkaar op deze manier begroet. Het geven van een hand draagt dan ook bij aan een respectvolle omgang met en een open en neutrale houding ten opzichte van elkaar. Proportionaliteit en subsidiariteit Het College toetst de vragen of het middel in redelijke verhouding staat tot het doel (proportionaliteit) en noodzakelijk is (subsidiariteit) gezamenlijk. De school voert aan dat de eis van het handen schudden noodzakelijk is omdat zij een openbare grondslag heeft en wil dat iedereen zich op de school welkom voelt. Ook wil de school met de gestelde voorwaarde segregatie voorkomen in een multiculturele school en naar de leerlingen toe consequent zijn over hoe de mensen in de school elkaar begroeten. Eén van de omgangsregels voor de leerlingen is: “Ik geef een hand als ik binnenkom en weer naar huis ga en daarbij kijken wij elkaar aan”. De stagiaire vindt het middel niet noodzakelijk omdat ook op andere manieren respectvol kan worden begroet. Daarbij zou ze als stagiaire weinig contact hebben met ouders en loopt ze inmiddels stage op een andere openbare school waarbij ze geen handen hoeft te schudden. Het College maakt een belangenafweging en oordeelt dat het belang van de school in dezen zwaarder weegt. Ook aan de proportionaliteits- en subsidiariteitseis is voldaan. Hierbij verwijst het College naar rechtspraak  van de Centrale Raad van Beroep, de hoogste ambtenarenrechter, die in een vergelijkbaar geval een openbare school in het gelijk heeft gesteld. Ten overvloede overweegt het College nog dat scholen aan hun personeel andere eisen mogen stellen over de manier van begroeten dan aan ouders van leerlingen. Openbare scholen zijn verplicht leerlingen toe te laten, ongeacht de godsdienstige opvattingen en culturele gebruiken van hun ouders. Het belang dat de multiculturele school toekent aan een uniforme begroetingswijze is legitiem. Het College sluit af met de opmerking dat: "aan de besturen van openbare scholen een zekere beleidsruimte moet worden gelaten om afgestemd op de eigen situatie en naar eigen inzicht keuzes te maken of accenten te leggen". Meer weten? Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem dan contact op met team Onderwijs. Februari 2019 [post_title] => School mocht stagiaire die mannen geen hand geeft weigeren [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => school-mocht-stagiaire-die-mannen-geen-hand-geeft-weigeren [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2019-02-12 14:10:01 [post_modified_gmt] => 2019-02-12 13:10:01 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=23501 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [1] => WP_Post Object ( [ID] => 21892 [post_author] => 17 [post_date] => 2018-12-06 11:47:30 [post_date_gmt] => 2018-12-06 10:47:30 [post_content] => De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft in zijn uitspraak  van 25 oktober 2018 de Inspectie van het Onderwijs ("de Inspectie") bevolen om de rapporten met betrekking tot drie scholen in te trekken. De voorzieningenrechter heeft diverse passages in de onderzoeksrapporten als onrechtmatig beoordeeld. Ook openbaarmaking van deze rapporten is verboden. Kort geding door scholen voor persoonlijk onderwijs Het gaat om rapporten over de Ida Gerhardt Academie, de Isaac Beeckman Academie en het Tjalling Koopmans College in het kader van regulier inspectietoezicht. Deze betrekkelijk jonge scholen voor voortgezet onderwijs werken volgens een bepaalde filosofie/onderwijsconcept. De Stichting voor persoonlijk onderwijs verricht overkoepelende taken voor de drie scholen. De Isaac Beeckman Academie valt onder het bevoegd gezag van de Stichting voor persoonlijk onderwijs Kapelle, het Tjalling Koopmans College valt onder het bevoegd gezag van de Stichting voor persoonlijk onderwijs Hurdegaryp en de Ida Gerhardt Academie valt onder het bevoegd gezag van de Stichting Ida Gerhardt Academie. Volgens de vier stichtingen zijn de rapporten in strijd met artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht ("WOT") omdat in de rapporten geen onderscheid wordt gemaakt tussen oordelen over het naleven van wettelijke voorschriften en bevindingen voor het stimuleren van kwaliteit. Daardoor wordt bij de lezer ten onrechte de indruk gewekt dat de scholen handelen in strijd met de wet. Ook inhoudelijk zijn de rapporten onjuist en onrechtmatig. Er staan volgens de stichtingen vele onjuistheden in die zeer negatief en schadelijk zijn voor de scholen. Beoordeling in kort geding De voorzieningenrechter gaat eerst na of de rapporten voldoende onderscheid aanbrengen tussen oordelen over de naleving van wettelijke voorschriften en bevindingen voor het stimuleren van de kwaliteit van het onderwijs, zoals de WOT voorschrijft. Verder komt aan de orde of de rapporten al dan niet (op onderdelen) inhoudelijk onjuist zijn. De vraag of er sprake is van strijd met de WOT heeft betrekking op de door de stichtingen aangevoerde onjuistheden. Hierna worden enkele punten besproken waarop de Inspectie door de voorzieningenrechter in het ongelijk is gesteld.
  • vak Duits
De voorzieningenrechter volgt de Inspectie niet in haar oordeel dat de wijze waarop het vak Duits wordt gegeven strijdig is met de wet, specifiek artikel 2a van de Wet op het voortgezet onderwijs ("Wvo"). Voor het vak Duits hebben de scholen, anders dan de Inspectie stelt, een docent Duits in dienst. Deze is niet lijfelijk aanwezig op de scholen, maar de lessen Duits zijn normaal ingeroosterd. Leerlingen van de onderbouw hebben via een live videoverbinding contact met de docent en leerlingen van de bovenbouw krijgen het vak via een pakket van de Wereldschool. Volgens de voorzieningenrechter schrijft artikel 2a Wvo niet voor dat de bevoegde docent lijfelijk aanwezig is tijdens de lessen. Het rapport moet daarom op dit onderdeel worden aangepast.
  • kritiek op toezichthouder
De conclusie van de Inspectie dat de toezichtstructuur kwetsbaar is, aangezien de toezichthouder door het bestuur is benoemd en het daarom lastig is aan het bestuur daadwerkelijk tegenwicht te bieden, vindt de voorzieningenrechter begrijpelijk. De voorzieningenrechter volgt de stichtingen echter wel in hun standpunt dat de zinsnede "We vragen de toezichthouder speciale aandacht te geven aan of de school aan de wettelijke vereisten voldoet" zeer suggestief is. Dit impliceert immers ten onrechte dat dat mogelijk niet het geval is. Deze zin moet daarom van de voorzieningenrechter worden geschrapt.
  • inrichting van de medezeggenschap
In de rapporten staat dat het bestuur de medezeggenschap onvoldoende betrekt bij het ontwikkelen en vaststellen van schoolbeleid. Het bestuur verzuimt dit volgens de Inspectie bij belangrijke zaken als de vaststelling van de klachtenregeling, de schoolgids en het schoolplan. Dit klopt volgens de stichtingen niet. Zij wijzen erop dat het schoolplan maar eens in de vier jaar moet worden vastgesteld en dit ten tijde van het inspectieonderzoek nog niet speelde. De schoolgids moet ieder jaar worden vastgesteld, maar dit viel ongeveer samen met de verkiezingen van de medezeggenschapsraad. De schoolgids is inmiddels met instemming van de medezeggenschapsraad vastgesteld, stellen de stichtingen. De voorzieningenrechter sluit niet uit dat het door de stichtingen gestelde juist is en in dat geval is de uitlating van de Inspectie over het verzuim onjuist. Omdat het om een ernstig verzuim gaat, moet deze uitlating uit het rapport worden verwijderd. Dit laat overigens onverlet dat de Inspectie op basis van interviews met leden van de medezeggenschapsraad in het rapport had mogen opmerken dat de medezeggenschapsraad onvoldoende bij het beleid worden betrokken. Dat de stichtingen daarover anders denken, maakt dat niet anders volgens de voorzieningenrechter.
  • waardering onderwijsresultaten
Alleen van de Isaac Beeckman Academie zijn de onderwijsresultaten gewaardeerd, omdat alleen zij twee cohorten leerlingen heeft die eindexamen hebben gedaan. De Inspectie heeft een "voldoende" toegekend. Volgens de stichtingen had dit een "goed" moeten zijn, aangezien haar resultaten minstens zo "goed" zijn als die van de Wilhelminaschool te Culemborg. De Inspectie stelt dat het predicaat "goed" wordt toegekend in de context van de specifieke school en dat dit geen vergelijking inhoudt tussen verschillende scholen. De voorzieningenrechter volgt deze redenering niet, aangezien er aan scholen een soort score wordt toegekend die voor vergelijking vatbaar is. De voorzieningenrechter kan zich voorstellen dat de gemiddelde lezer een (vergelijkende) waarde zal toekennen aan de waardering "voldoende" dan wel "goed". De voorzieningenrechter acht echter een vergelijking met één school onvoldoende om te kunnen vaststellen of de gegeven waardering juist is. Volgens de Inspectie krijgt de Isaac Beeckman Academie, hoewel zij boven de norm presteert, geen "goed" omdat slechts twee cohorten leerlingen eindexamen hebben gedaan, waardoor er geen oordeel kan worden gegeven over de resultaten van de afgelopen drie jaren. De voorzieningenrechter stelt dat de Inspectie dat met zoveel woorden had moeten vermelden in het rapport en zich van een oordeel moeten onthouden. De gemiddelde lezer van rapporten zal immers waarde toekennen aan een door de Inspectie gegeven waardering. Inspectie overschrijdt haar beoordelingsvrijheid Deze uitspraak van de voorzieningenrechter is opmerkelijk. De Inspectie heeft immers bij de uitoefening van haar taken een grote mate van beoordelingsvrijheid, neemt de voorzieningenrechter als uitgangspunt. Dit betekent dat de voorzieningenrechter zich terughoudend dient op te stellen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het handelen van de Inspectie. Van ingrijpen door de voorzieningenrechter kan daarom slechts sprake zijn als de Inspectie in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot vaststelling van de rapporten in de huidige vorm. Ten aanzien van deze drie scholen is de Inspectie naar het oordeel van de voorzieningenrechter die redelijkheidsgrens bij diverse onderdelen van de rapporten overschreden. Dat zal ook andere scholen aan het denken zetten, verwachten wij. De impact van negatieve bevindingen door de Inspectie is immers groot. Het heeft kennelijk zin om je bij de civiele rechter tegen de inhoud van een rapport te verzetten. De Inspectie gaat tegen dit vonnis in hoger beroep. Wij zullen de verdere rechtsgang volgen en daarover te zijner tijd weer publiceren. Wilt u meer informatie? Heeft u (al dan niet naar aanleiding van deze uitspraak) vragen over het toezicht door de Inspectie, neem dan contact op met Nicole Niessen van ons team Onderwijs . [post_title] => Inspectie moet onderzoeksrapporten intrekken [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => inspectie-moet-onderzoeksrapporten-intrekken [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-12-11 12:19:42 [post_modified_gmt] => 2018-12-11 11:19:42 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=21892 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [2] => WP_Post Object ( [ID] => 21168 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-10-18 11:54:07 [post_date_gmt] => 2018-10-18 09:54:07 [post_content] => Eén ouder vormde in zijn of haar eentje de oudergeleding van de medezeggenschapsraad (OMR) van een middelbare school. Deze OMR liet zich adviseren door een advocaat, die met een beroep op de Wet medezeggenschap op scholen (Wms) de school verzocht om zijn kosten te betalen. De middelbare school weigerde de gevraagde duizenden euro's aan juridische advisering te vergoeden. Hierop maakte de OMR (uiteindelijk) de gang naar de Ondernemingskamer. De uitkomst kan onbevredigend aanvoelen. OMR versus middelbare school Op 9 oktober 2017 meldde de betrokken advocaat zich voor het eerst bij het schoolbestuur waar de middelbare school onder viel. De advocaat stond de uit (aanvankelijk) één ouder bestaande oudergeleding van de medezeggenschapsraad (OMR) van deze middelbare school bij. De advocaat verzocht het schoolbestuur aan hem te bevestigen dat zijn kosten voor juridische advisering door het schoolbestuur zouden worden betaald. Zijn advisering van de OMR zou betrekking hebben op een aantal onderwerpen: instemmingsrecht van de OMR ten aanzien van de schoolgids en de daarin te vermelden keuzewerktijd voor het vwo, het ontbreken van bepaalde informatie in de schoolgids, alsmede de wens van de OMR om direct met alle ouders te kunnen en mogen communiceren. De advocaat beriep zich met het verzoek zijn kosten te voldoen op artikel 28 lid 2 Wms. Deze bepaling betreft de onderwijsrechtelijke evenknie van artikel 22 Wet op de ondernemingsraden. Artikel 28 lid 2 Wms houdt kortgezegd in dat een school een regeling moet treffen voor de redelijkerwijs noodzakelijke kosten van medezeggenschapsactiviteiten die door ouders, leerlingen en personeel moeten worden ondernomen, waaronder begrepen scholingskosten, kosten voor het inschakelen van deskundigen en kosten voor het voeren van rechtsgedingen Het schoolbestuur weigerde tegemoet te komen aan de (financiële) wensen van de advocaat van de OMR. Het schoolbestuur stelde dat de OMR niet zelfstandig een beroep kan doen op artikel 28 lid 2 Wms, maar dat zo'n verzoek om dekking van kosten alleen door de medezeggenschapsraad als geheel kan worden gedaan. De OMR wendde zich hierop tot de Landelijke Commissie Geschillen Wms ("de commissie"). Nadat deze instantie op 26 februari 2018 de OMR in het ongelijk stelde werd het geschil in hoger beroep voorgelegd aan de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam. Ondernemingskamer De uitspraak van de Ondernemingskamer van 25 september 2018 bevat een aantal belangrijke inzichten voor besturen, schooldirecties en medezeggenschapsorganen in het primair en voortgezet onderwijs. Allereerst wordt door de Ondernemingskamer toegelicht welke juridische maatstaf moet worden gehanteerd bij de vraag of het in dit concrete geval voor de vervulling van de taken van de OMR redelijkerwijs noodzakelijk was om de advocaat als deskundige te raadplegen en of de kosten daarvan ten laste van het schoolbestuur komen. Bij deze beoordeling moet "onder meer in aanmerking worden genomen het belang en de aard van het onderwerp waarover de OMR de deskundige wenst te raadplegen, de omvang van de daarmee gemoeide kosten en de draagkracht van de school. In dat kader kan tevens van belang zijn of en, zo ja, in hoeverre de OMR ook andere, minder kostbare middelen ter beschikking stonden om de door haar gewenste informatie te verkrijgen." Na deze maatstaf toegepast te hebben op het geschil tussen de OMR en het schoolbestuur concludeerde de Ondernemingskamer dat het schoolbestuur niet tekort was geschoten in de naleving van zijn verplichtingen op grond van artikel 28 lid 2 Wms. De Ondernemingskamer constateerde in de eerste plaats dat "voor elk van de onderwerpen waarvoor de OMR om vergoeding van deskundige bijstand heeft verzocht geldt dat navraag bij de medezeggenschapsraad en/of [het schoolbestuur] de gewenste duidelijkheid had kunnen bieden, waarna zo nodig nader overleg had kunnen volgen". De Ondernemingskamer is het met het oordeel van de commissie eens dat de OMR zijn vragen eerst aan de orde had moeten stellen binnen de medezeggenschapsraad als geheel. Daarbij komt dat de aard van de door OMR aangekaarte onderwerpen volgens de Ondernemingskamer niet zorgde voor een noodzaak tot inhuur van bijzondere expertise in de vorm van externe juridische bijstand. De Ondernemingskamer lichtte verder, ook in algemene zin, nog toe dat als een medezeggenschapsorgaan een deskundige wil raadplegen op kosten van het bevoegd gezag het medezeggenschapsorgaan "voldoende gegevens zal moeten aanreiken. Daarbij is in ieder geval te denken aan een concrete omschrijving van het onderwerp waarover [het medezeggenschapsorgaan] een deskundige wenst te raadplegen, een toelichting waarom het in dit geval redelijkerwijs noodzakelijk is daarover een deskundige te raadplegen en een opgave van de daaraan verbonden kosten." In deze zaak was hier door de OMR van de middelbare school naar het oordeel van de Ondernemingskamer niet aan voldaan. EUR 15.000 voor het voeren van procedures Onderdeel van het geschil was de vraag of een onderdeel van de medezeggenschapsraad, zoals de OMR, zelfstandig aanspraak kan maken op een kostenvergoeding op grond van artikel 28 lid 2 Wms en überhaupt op grond van artikel 35 Wms zelfstandig een verzoek tot naleving van de verplichtingen uit de Wms kan doen. De Ondernemingskamer oordeelde dat dit het geval kan zijn: "het is niet uit te sluiten dat een geleding onder omstandigheden ook zelfstandig aanspraak kan maken op een kostenvergoeding ter zake van een onderwerp waarvoor de MR als geheel of twee geledingen gezamenlijk een bevoegdheid toekomt". Gevolg hiervan was dat het schoolbestuur veroordeeld zou kunnen worden bij te dragen aan de kosten die de OMR heeft gemaakt voor het voeren van de procedures bij de commissie en de Ondernemingskamer. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 28 lid 2 Wms volgt immers dat kosten van een nalevingsgeschil bij de commissie en de Ondernemingskamer in ieder geval zijn aan te merken als kosten die "redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de medezeggenschapsraad". De advocaat stelde dat zijn kosten voor de procedures bij de commissie en de Ondernemingskamer (circa) EUR 25.000 bedroegen. Mede gelet op de beperkte draagkracht van de betreffende middelbare school vond de Ondernemingskamer dit bedrag te fors. Ook achtte de Ondernemingskamer aannemelijk dat een deel van de gefactureerde bedragen betrekking hadden op advisering door de advocaat ter zake de onderliggende problematiek, welke kosten zoals hiervoor is overwogen het schoolbestuur níet diende te dragen. De Ondernemingskamer besloot daarom de kostenvergoeding te matigen. Desondanks achtte de Ondernemingskamer EUR 15.000 inclusief BTW wel redelijk. Deze kosten van de OMR - voor het voeren van de procedures bij de commissie en de Ondernemingskamer - komen dus wel ten laste van het schoolbestuur. Conclusies De besproken uitspraak geeft aanknopingspunten bij de vraag wanneer een schoolbestuur kosten van de inhuur van een deskundige door een (onderdeel van de) medezeggenschapsraad voor zijn rekening moet nemen. Duidelijk is dat een schoolbestuur niet zomaar mee hoeft te gaan in een verzoek bepaalde kosten te dekken. Doordat de Ondernemingskamer de criteria heeft uitgewerkt waaraan een dergelijk verzoek moet voldoen, is er meer duidelijkheid gekomen in welke gevallen zo'n verzoek wel succesvol zou moeten zijn. De feitelijke uitkomst in deze zaak kan onbevredigend aanvoelen. De deskundige in deze casus, de advocaat, was volgens de Ondernemingskamer terecht niet betaald voor zijn advisering aan de OMR, maar wordt alsnog relatief fors in zijn kosten tegemoet gekomen omdat hij is gaan procederen bij de commissie en de Ondernemingskamer. Dat deze procedures – ook op voorhand – niet bepaald kansrijk waren maakt het feit dat het schoolbestuur EUR 15.000 moet betalen wel wrang. De wetgever heeft dit echter zo bedoeld: kosten van een nalevingsgeschil bij de commissie en de Ondernemingskamer moeten in ieder geval worden aangemerkt als redelijkerwijs noodzakelijke kosten, onafhankelijk van de vraag welke partij in het ongelijk wordt gesteld. Meer weten? Wilt u meer weten over de uitspraak van de Ondernemingskamer en de reikwijdte van artikel 28 lid 2 Wms, of heeft u een andere vraag over medezeggenschap in het onderwijs? Neem dan contact op met Stijn Blom of een van de andere advocaten van team Onderwijs. Zij zijn u graag van dienst. Oktober 2018 [post_title] => OMR roept advocaat ten onrechte in, schoolbestuur moet kosten procedures betalen [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => omr-roept-advocaat-onrechte-schoolbestuur-moet-kosten-procedures-betalen [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-12-12 10:16:54 [post_modified_gmt] => 2018-12-12 09:16:54 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=21168 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [3] => WP_Post Object ( [ID] => 20640 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-09-19 09:02:26 [post_date_gmt] => 2018-09-19 07:02:26 [post_content] => Het afgeven van een referentie Iedereen heeft er wel eens mee te maken: het opgeven van referenten in het kader van een sollicitatieprocedure. Werkgevers kunnen bij een referent additionele informatie inwinnen over de uitoefening van een vorige functie of de persoonlijkheid van een sollicitant om een nog completer beeld te krijgen. De informatie die een referent doorgeeft zal vaak de doorslag geven als een werkgever twijfelt tussen meerdere kandidaten van gelijke geschiktheid. Voor werknemers is het dus belangrijk om in goede verstandhouding bij een werkgever te vertrekken. Over het verstrekken van referenties is wettelijk niets geregeld. Dit in tegenstelling tot het getuigschrift waar op grond van artikel 7:656 Burgerlijk Wetboek een aantal regels voor gelden. Zo is een werkgever verplicht op verzoek van de werknemer een getuigschrift te verstrekken, schrijft de wet voor wat hier ten minste in moet staan en is de werkgever aansprakelijk als hij opzettelijk onjuiste informatie opneemt in het getuigschrift. Het moge duidelijk zijn dat werkgevers secuur moeten omgaan met het getuigschrift dat een werknemer wordt meegegeven. De vraag is wat voor regels nu precies gelden voor (ex-)werkgevers bij het verstrekken van referenties. Bij het ontbreken van een wettelijke regeling over 'de referentie' moet voor aanknopingspunten worden gezocht in de jurisprudentie. Een recent arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gaat in op de vraag wanneer een werkgever aansprakelijk kan zijn voor de schade van een werknemer als gevolg van een negatieve of onzorgvuldige referentie. Feiten Een invaldocent Duits werkte vanaf 14 december 2012 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op een middelbare school (CSG) in het noorden van het land. Al snel na zijn indiensttreding werd CSG geconfronteerd met het bepaald niet vlekkeloze arbeidsverleden van de docent. Naar aanleiding van een tip van een ouder kwam CSG erachter dat de docent bij een vorige school was ontslagen. Deze aanstelling had de docent niet op zijn cv vermeld. CSG won hierop informatie in bij de vorige werkgever van de docent. Deze verklaarde dat de docent was ontslagen wegens ongepaste en intimiderende gedragingen richting vrouwelijke docenten en leerlingen, alsmede het niet overleggen van een verklaring omtrent gedrag. Ook bij CSG was inmiddels geklaagd door leerlingen over ongepast gedrag van de invaldocent Duits. Ondanks dat CSG dit alles niet lichtvaardig opvatte heeft de invaldocent zijn tot de zomervakantie van 2013 durende arbeidsovereenkomst uitgediend. Na zijn dienstverband bij CSG solliciteerde de docent Duits bij een andere onderwijsinstelling (RSG). Bij zijn sollicitatie gaf hij, zonder dit vooraf af te stemmen, CSG op als referent. De docent werd niet aangenomen en vernam later dat dit kwam door de referentie die CSG had afgegeven. Met haar referentie heeft CSG RSG onder andere voorzien van de informatie van de school waar de docent was ontslagen. Verder heeft CSG de RSG laten weten dat zich bij CSG geen incidenten hebben voorgedaan en dat de docent goed aanspreekbaar was op de door een aantal leerlingen afgegeven signalen over een gevoel van onveiligheid. De docent voert in hoger beroep aan dat CSG door het afgeven van deze referentie onrechtmatig heeft gehandeld en vordert een bedrag van EUR 12.600,- aan schadevergoeding. Oordeel Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Voordat het Gerechtshof toekomt aan de beoordeling of CSG onrechtmatig (lees: onzorgvuldig) heeft gehandeld wordt eerst in algemene zin ingegaan op de vraag welke informatie bij het afgeven van een referentie mag worden verstrekt. Uitgangspunt is dat wanneer een sollicitant zijn ex-werkgever aanwijst als referent, hij daarmee toestemming geeft in het afgeven van gegevens over zijn persoon en over zijn functioneren. Het juridisch kader bij het afgeven van referenties is als volgt:
  • informatie kan en mag zowel positief als negatief uitpakken;
  • als een sollicitant niet wil dat bepaalde (negatieve) informatie wordt gedeeld, moet hij dit expliciet duidelijk maken aan de referent;
  • de referent moet er wel voor waken dat een juist beeld van de sollicitant aan de mogelijke nieuwe werkgever wordt verstrekt. Als de referent bepaalde noodzakelijke informatie niet deelt kan dit aansprakelijkheid door onzorgvuldig handelen jegens deze nieuwe werkgever opleveren (!);
  • de referent moet relevante informatie verstrekken: informatie die van belang is voor het functioneren van de sollicitant. Wat relevante informatie is wordt onder meer bepaald door inhoud van de gestelde vragen, aard van de functie, ernst van bepaalde gedragingen, belangen van derden, tijdsverloop en (eventuele) verbetering;
  • als een referent informatie van een derde heeft verkregen mag hij deze alleen delen indien hij niet behoefde te twijfelen aan de juistheid van deze informatie.
Vervolgens past het Gerechtshof dit juridisch kader toe op de casus van de docent Duits versus CSG. Het Gerechtshof oordeelt dat van onzorgvuldig handelen geen sprake is en veroordeeld de docent in de proceskosten. Cruciaal in deze zaak vindt het Gerechtshof dat de docent zijn dienstverband (en ontslag) bij een vorige school heeft verzwegen. Hierdoor 'ging het balletje rollen' en werd CSG geconfronteerd met verontrustende informatie over de docent. Het Gerechtshof oordeelt: "Het onvolledige cv, mede gelet op de korte duur van het dienstverband tussen [CSG] en [de docent], de impact die dergelijke informatie blijkt te hebben op de schoolgemeenschap en de noodzaak om leerlingen te beschermen tegen mogelijk ongewenst gedrag van docenten, brengt mee dat deze informatie kon worden gedeeld met RSG." Tot slot merkte het Gerechtshof nog op dat CSG de informatie van de middelbare school waar de docent was ontslagen had mogen delen, omdat CSG niet hoefde te twijfelen aan de juistheid ervan. Conclusie In deze zaak was geen sprake van onzorgvuldig handelen door de middelbare school. Uit het arrest van Gerechtshof blijkt echter dat werkgevers niet lichtzinnig moeten omgaan met het afgeven van referenties. Informatie mag in beginsel ook negatief zijn, maar het is bovenal belangrijk dat referenten zich steeds de vraag stellen wat relevante informatie is en of wel een voldoende correct beeld van de sollicitant wordt geschetst. Aansprakelijkheid tegenover de sollicitant of de nieuwe werkgever ligt doorlopend op de loer. Zie voor een voorbeeld van een minder positieve uitkomst voor een referent deze uitspraak van de kantonrechter Utrecht uit 2012. Wilt u meer weten over getuigschriften of referenties over uw (ex-)werknemer of is u relevante informatie onthouden door een referent? Neem dan contact op met Jean-Luc Coenegracht, advocaat arbeidsrecht, teamleider Arbeidsrecht en lid van team Onderwijs. [post_title] => School aansprakelijk voor negatieve referentie over docent Duits? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => school-aansprakelijk-negatieve-referentie-docent-duits [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-09-20 14:24:24 [post_modified_gmt] => 2018-09-20 12:24:24 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=20640 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [4] => WP_Post Object ( [ID] => 20542 [post_author] => 17 [post_date] => 2018-09-13 10:50:39 [post_date_gmt] => 2018-09-13 08:50:39 [post_content] => Leerwegondersteunend onderwijs ("LWOO") is er voor vmbo-leerlingen die extra hulp nodig hebben bij het behalen van hun diploma. Het samenwerkingsverband passend onderwijs mag een aanvraag voor LWOO niet afwijzen louter omdat volgens zijn beleid de aanwijzing LWOO alleen mag worden gebaseerd op door de basisschool afgenomen toetsen en onderzoek. Beleidsvrijheid samenwerkingsverband Sinds 1 januari 2016 is LWOO geïntegreerd in het systeem van passend onderwijs. Het bevoegd gezag van de vmbo-school dient voor LWOO een aanvraag in bij het Samenwerkingsverband passend onderwijs ("Samenwerkingsverband"). De wet geeft het Samenwerkingsverband de ruimte om zijn eigen LWOO procedure efficiënt en in samenhang met andere vormen van ondersteuning vorm te geven. Het is daarom toegestaan om het beleid zo vorm te geven dat de (speciale) basisschool van een leerling de didactische situatie en de mogelijke behoefte aan LWOO in kaart brengt en vastlegt in het onderwijskundig rapport dat de vmbo-school ontvangt bij inschrijving van de leerling. Zorgplicht school gaat voor De vmbo-school heeft een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bieden van passend onderwijs. Het betekent dat zij een taak heeft om LWOO te verzorgen als de leerling anders niet in staat is een ononderbroken ontwikkelingsproces te volgen, oordeelt de Landelijke Bezwaaradviescommissie Toelaatbaarheidsverklaring ("de Commissie") op 15 maart 2018 . De vmbo-school in kwestie besloot de leerling opnieuw te testen, omdat de Citotoets in groep 8, die volgens beleid van het Samenwerkingsverband de didactische gegevens levert voor de behoefte aan LWOO, een opmerkelijk hogere score liet zien dan de resultaten in voorgaande schooljaren. Het Samenwerkingsverband wees de LWOO aanvraag af omdat deze in strijd met het beleid is gebaseerd op nieuw, door de aanvragende vmbo-school uitgevoerd onderzoek naar de didactische situatie van de leerling. Volgens de Commissie, daarentegen, is het beleid van het Samenwerkingsverband niet verenigbaar met de wettelijke taak van de vmbo-school om passend onderwijs te bieden en in dat kader een LWOO aanvraag te kunnen indienen. Eigen verantwoordelijkheid school Naar het oordeel van de Commissie moet de vmbo-school naar eigen inzicht invulling kunnen geven aan haar zorgplicht. Dat kan niet wanneer zij alleen mag afgaan op door de basisschool aangeleverde didactische gegevens. Het Samenwerkingsverband moet bij een LWOO aanvraag alle relevante informatie meewegen, zoals bij deze leerling de opmerkelijke discrepanties die de vmbo-school heeft aangevoerd tussen de leerprestaties in de laatste jaren op de basisschool en de Citotoets in groep 8. Ook is het eigen onderzoek van de vmbo-school in lijn met de leerprestaties van de leerling in de jaren vóór groep 8 en haar huidige ontwikkeling in het voortgezet onderwijs. Het Samenwerkingsverband had de aangeleverde nieuwe gegevens daarom niet mogen passeren. Vergelijkbare gevallen Deze uitspraak van de Commissie heeft direct gevolgen voor nog 20 andere bezwaren die, wat de kern van het bezwaar betreft, vergelijkbare gevallen betreft. De Commissie heeft om praktische redenen besloten om, op alfabetische volgorde, daarvan één als eerste te behandelen en de andere bezwaarprocedures aan te houden. Aannemelijk is dat ook in die 20 andere gevallen het beleid van het Samenwerkingsverband om voor een aanwijzing LWOO louter af te gaan op didactische gegevens van de basisschool, zal moeten wijken voor de zorgplicht van de school. Conclusie Het Samenwerkingsverband heeft de ruimte om zijn eigen procedures efficiënt en in samenhang met andere vormen van ondersteuning vorm te geven. De afspraken hieromtrent worden vastgelegd in het ondersteuningsplan. Dit laat echter onverlet dat de vmbo-school een taak heeft om LWOO te verzorgen indien de leerling anders niet in staat is een ononderbroken ontwikkelingsproces te volgen. Het beleid van het Samenwerkingsverband mag (in de toepassing) niet zodanig star zijn dat de vmbo-school niet aan haar wettelijke zorgplicht kan voldoen. Vragen? Wilt u meer weten over de wet- en regelgeving omtrent passend onderwijs? Neem dan contact op met ons team Onderwijs . [post_title] => Zorgplicht school gaat vóór LWOO beleid samenwerkingsverband [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => zorgplicht-school-gaat-lwoo-beleid-samenwerkingsverband [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-09-13 10:54:11 [post_modified_gmt] => 2018-09-13 08:54:11 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=20542 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [5] => WP_Post Object ( [ID] => 20162 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-08-30 09:15:03 [post_date_gmt] => 2018-08-30 07:15:03 [post_content] => Mislukte aanbestedingen Schoolbesturen zien te vaak hun aanbesteding voor nieuwbouw mislukken. In de huidige overspannen markt is het al moeilijk genoeg om beschikbare aannemers te vinden. De aannemers die wel beschikbaar zijn, geven bovendien vaak aan dat het taakstellend budget dat bij de aanbesteding bekend wordt gemaakt niet toereikend is om de door het schoolbestuur gewenste nieuwbouw te realiseren. Het gevolg is dat de aanbestedingsprocedure mislukt. Het schoolbestuur is dan weer terug bij af. Alternatief: aannemer betrekken bij ontwerpfase Als prikkel voor de aannemers om toch deel te nemen aan de aanbesteding en een inschrijving uit te brengen, kunt u denken aan de mogelijkheid om niet alleen realisatie van het schoolgebouw, maar ook betrokkenheid bij het ontwerpteam (bouwteam) aan te besteden. Dit is mogelijk onder de vlag van één en dezelfde (Europese) aanbestedingsprocedure. Deelname van de aannemer aan het bouwteam betekent dat al in een vroeg stadium kan worden samengewerkt tussen aannemer, de aanbestedende dienst en de ontwerpende partij(en), zodat nog op ontwerpoplossingen kan worden bespaard. Zo weten aannemers vanuit hun specifieke expertise vaak goedkopere alternatieven aan te dragen, zonder dat dit ten koste hoeft te gaan van de kwaliteit. De aannemer die de aanbesteding wint, voert het bestek dat in bouwteamverband wordt vervaardigd vervolgens uit. Werkwijze bouwteam Hoe gaat het bouwteam in de praktijk te werk? Kort gezegd betreft het een samenwerking tussen de ontwerpende en uitvoerende partijen, waarbij de aannemer als uitvoerende adviseur aan de tekentafel met de architect en de opdrachtgever (de aanbestedende dienst) aanschuift. Door partijen wordt bezien op welke punten het ontwerp nog kan worden geoptimaliseerd vanuit (kosten)technisch oogpunt. Hierbij kan ook worden gedacht aan het zoeken naar alternatieven voor bepaalde materialen en werkzaamheden in verband met (lange) levertermijnen en/of (forse) prijsstijgingen. Uiteindelijk resulteert het bouwteamoverleg in een bestek waar ook de uitvoerende partijen hun bijdrage aan hebben geleverd. Voor de realisatie van het werk op basis van dit bestek doet de aannemer een prijsaanbieding, die onder het plafondbedrag dient te blijven. De kans dat de aannemer in dit stadium nog zal (dienen te) offreren bóven het plafondbedrag, is nu geminimaliseerd, doordat de aannemer (i) invloed heeft gehad op de kostenaspecten van het ontwerp en (ii) de aannemer de aanbesteding eerder reeds heeft gewonnen en dus al zeker is van de opdracht, op het moment dat hij een acceptabel prijsaanbod doet. Bij prijsovereenstemming met de opdrachtgever, gaat de aannemer over tot uitvoering van de aannemingsovereenkomst, waarop de algemene (bouw)voorwaarden Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012) van toepassing zal zijn. Opmerking verdient wel dat een bouwteam alleen toegevoegde waarde heeft indien de aannemer een actieve bijdrage levert aan het bouwteam om tot een uitvoerbaar bestek te komen. Het is vervolgens ook zaak dat partijen duidelijk vastleggen hoe bepaalde ontwerpbesluiten in het bouwteam tot stand zijn gekomen, zodat bij discussies over de uitvoering snel een en ander te herleiden is. Voor ontwerpaansprakelijkheid geldt in bouwteamverband namelijk als uitgangspunt dat iedere partij verantwoordelijk is voor zijn eigen inbreng. Aandachtspunten voor de praktijk Enkele aandachtspunten bij het selecteren van een aannemer in bouwteam via een aanbesteding zijn:
  1. Neem in het kader van kostenbeheersing een plafondbedrag (taakstellend budget) in de aanbestedingsdocumenten op voor de realisatie van de totale opdracht (bouwteamfase + uitvoeringsfase en eventueel onderhoudsperiode), waaraan aannemer zich conformeert middels inschrijving;
  2. Vraag de aannemer om prijseenheden (eenheidsprijzen (EUR/m2/kg), staartkosten (%/EUR) op te geven bij inschrijving, die voor de aannemer bindend zijn en waarop hij zijn uiteindelijke aanbieding dient te baseren. De eenheidsprijzen kunnen bijvoorbeeld gebaseerd worden op het door opdrachtgever vervaardigde voorlopige ontwerp (VO). Is het uitvragen van alle eenheden nog niet (volledig) mogelijk, gelet op de stand van het ontwerp? Bepaal dan in ieder geval dat bij het uiteindelijke prijsaanbod slechts marktconforme prijzen mogen worden geoffreerd en dat extern gemaakte kosten slechts tegen de daadwerkelijke kostprijs in rekening mogen worden gebracht;
  3. Door een VO te vervaardigen en bij de aanbestedingsdocumenten te voegen, in plaats van een volledig bestek, wordt de flexibiliteit behouden om nog wijzigingen in bouwteamverband door te voeren;
  4. Voeg de concept bouwteamovereenkomst en aannemingsovereenkomst aan de aanbestedingsdocumenten toe, waarbij afwijkingen op de UAV duidelijk gemotiveerd zijn, conform de Gids Proportionaliteit.
Voor complexere projecten waarbij een aanbestedende dienst onvoldoende in staat is de aan de opdracht verbonden technische, financiële en/of juridische voorwaarden adequaat te specificeren kan de concurrentiegerichte dialoog of de mededingingsprocedure met onderhandeling uitkomst bieden. Zie hierover het eerder verschenen artikel "Aanbesteding Theater aan de Parade mislukt: lessen voor de toekomst." Meer informatie Heeft u vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Sandra Caelers of Wouter Smits. Zij zijn u graag van dienst. [post_title] => Aanbesteden met bouwteam en plafondbedrag [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => aanbesteden-bouwteam-en-plafondbedrag [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-09-21 09:34:55 [post_modified_gmt] => 2018-09-21 07:34:55 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=20162 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [6] => WP_Post Object ( [ID] => 18243 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-06-28 13:30:13 [post_date_gmt] => 2018-06-28 11:30:13 [post_content] => De nieuwsbrief juni van team Onderwijs is verschenen! In deze editie komen de volgende onderwerpen aan bod: De nieuwsbrief kunt u hier lezen. Ontvangt u nog geen nieuwsbrief? U kunt zich heel eenvoudig abonneren: meld u hier direct aan. [post_title] => Nieuwsbrief team Onderwijs (editie juni) [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => nieuwsbrief-team-onderwijs-editie-juni [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-06-28 10:06:26 [post_modified_gmt] => 2018-06-28 08:06:26 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=18243 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [7] => WP_Post Object ( [ID] => 18207 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-06-25 08:53:30 [post_date_gmt] => 2018-06-25 06:53:30 [post_content] => Bij het spelen van een tikspel tijdens de gymles loopt een leerling ernstig letsel op. Zijn ouders vinden dat de gymleraar zijn zorgplicht heeft geschonden. Zij stellen dat de onderwijsstichting waartoe de school behoort, als werkgever aansprakelijk is. De rechtbank Noord-Holland heeft op 14 maart 2018 geoordeeld dat de gymleraar bij de uitvoering van het spel binnen de grenzen van zijn zorgplicht heeft gehandeld. De onderwijsstichting is dus niet aansprakelijk. Pionnenroof Eind 2014 werd aan de klas van de leerling gymles gegeven. De gymleraar had besloten om het tikspel 'pionnenroof' te spelen. Bij dit spel staan twee teams tegenover elkaar. Het verdedigende team staat ongeveer twee meter voor de muur van de gymzaal. Een paar meter voor de verdedigers staan pionnen op een rij. De aanvallende partij moet proberen een pion te veroveren, terwijl de verdedigers een leerling van het andere team proberen te tikken. Het ongeluk De leerling in kwestie was tijdens die bewuste gymles ingedeeld bij de verdedigers. Één van de aanvallers wilde de pion pakken die door de leerling werd verdedigd. De leerling rende vervolgens in volle vaart achter de aanvaller aan om hem te kunnen tikken, maar net voordat de leerling de aanvaller kon aantikken, week de aanvaller uit. De leerling kwam vervolgens met zijn hoofd tegen de muur en brak zijn vijfde nekwervel. Hij liep als gevolg daarvan een incomplete dwarslaesie op. De betreffende muur was bekleed met geluidsisolerend materiaal. De verwijten De ouders van de leerling spreken de onderwijsstichting aan en vorderen schadevergoeding. Aan hun vordering leggen zij ten grondslag dat de gymleraar jegens de leerling onrechtmatig heeft gehandeld door de op hem rustende zorgplicht te schenden, waarvoor de onderwijsstichting als werkgever aansprakelijk is. De gymleraar zou bij de keuze van het tikspel geen rekening hebben gehouden met de feitelijke ongeschiktheid van de zaal. De ouders van de leerling verwijten de gymleraar geen beschermende valkussens op de muur te hebben aangebracht. Bovendien zou de leraar hebben nagelaten om de leerlingen ervoor te waarschuwen dat de op de muur aangebrachte bekleding bestond uit geluidsisolatie. Hun zoon verkeerde in de veronderstelling dat het beschermende valkussens betrof en dat hij er met volle vaart tegenaan kon lopen. Tot slot verwijten de ouders de gymleraar het tikspel niet actief te hebben begeleid en niets te hebben gedaan om het ongeval te voorkomen. Zorgplicht In deze zaak dient de rechtbank te beoordelen of de gymleraar zijn zorgplicht jegens de leerling heeft geschonden. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat: "de enkele mogelijkheid van een ongeval, als verwezenlijking van een aan een gymles in het algemeen en een gymnastiekoefening in het bijzonder inherent gevaar, niet zonder meer tot de conclusie leidt dat er sprake is van onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig handelen. Enerzijds zijn gymnastiekoefeningen van belang – en gelet op de door de overheid geformuleerde kerndoelen ook verplicht – voor de lichamelijke vorming en ontwikkeling van kinderen, ook al is daaraan uit de aard der zaak een bepaalde mate van gevaar verbonden. Anderzijds dient een school een veilige omgeving te zijn waarin het risico van letsel zoveel als redelijkerwijs mogelijk dient te worden vermeden. Of het niet treffen van voorzorgsmaatregelen, het niet geven van extra specifieke veiligheidsinstructies of het laten deelnemen aan een gymnastiekoefening onrechtmatig is, hangt af van de aard van deze gymnastiekoefening, de ernst van de mogelijke gevolgen, de bezwaarlijkheid van voorzorgsmaatregelen en de kans op schade".  Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht de mate van waarschijnlijkheid dat een leerling, ook als hij voor het eerst les heeft in de gymzaal en de bekleding op de muur ten onrechte houdt voor valkussens, bij het tikspel in volle vaart met zijn hoofd tegen een al dan niet beklede muur botst, niet zodanig groot dat de gymleraar gehouden was om af te zien van het spel, zelf valkussens op de muur aan te brengen of de leerlingen ervoor te waarschuwen dat de op de muur aangebrachte bekleding tegen dergelijke ongevallen geen bescherming bood. Bovendien is het volgens de rechtbank een feit van algemene bekendheid dat kinderen reeds op jonge leeftijd en zonder enige instructie tikspelletjes spelen. De rechtbank merkt verder op dat in een sportzaal waarin een groep schoolkinderen in de leeftijd van ongeveer 15 jaar een tikspel speelt, een verantwoorde wijze van toezicht houden niet inhoudt dat steeds op elk kind en op elk aspect van het spel direct toezicht wordt gehouden, zodanig dat elke onrechtmatigheid direct wordt opgemerkt en dat direct kan worden ingegrepen. De door de gymleraar uitgeoefende wijze – te weten een gymleraar die zich positioneert in het midden van het spel – zeker nu het tikspel de hele zaal bestreek, acht de rechtbank gebruikelijk en niet onverantwoord. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gymleraar zijn zorgplicht jegens de leerling niet heeft geschonden en dat daarmee dus ook de onderwijsstichting als zijn werkgever niet onrechtmatig heeft gehandeld. Bevestiging Bovengenoemd oordeel is in lijn met eerdere rechtspraak en bevestigt nogmaals dat niet elke mogelijkheid van een ongeval tijdens een gymles, ook wanneer zich een ongeval voordoet met ernstige en blijvende gevolgen voor de leerling, zonder meer tot de conclusie leidt dat er sprake is van onzorgvuldig handelen door de gymleraar. Meer weten? Heeft u vragen over dit onderwerp of wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Dirkje Mandigers of een van de andere advocaten van ons team Onderwijs. [post_title] => Ernstig letsel tijdens gymles: school niet aansprakelijk [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => ernstig-letsel-tijdens-gymles-school-aansprakelijk [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-08-15 16:47:36 [post_modified_gmt] => 2018-08-15 14:47:36 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=18207 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [8] => WP_Post Object ( [ID] => 18194 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-06-20 08:55:36 [post_date_gmt] => 2018-06-20 06:55:36 [post_content] => Recentelijk informeerde mijn collega Monica Leenders u over de verplichting een "FG" aan te wijzen in het onderwijs. Sindsdien is er veel verwarring ontstaan over de vraag of ieder schoolbestuur een Functionaris voor de Gegevensbescherming moet aanwijzen, of dat sommige de dans (kunnen) ontspringen. Grondslag(en) Organisaties zijn in drie situaties verplicht om een FG te benoemen, namelijk als de organisatie:
  1. kwalificeert als een overheidsinstelling en/of een publieke organisatie;
  2. zij vanuit hun kernactiviteit op grote schaal individuen volgen; of
  3. zij op grote schaal bijzondere persoonsgegevens verwerken.
De PO-, VO-Raad en Kennisnet concludeerden eerder al dat ieder schoolbestuur hoe dan ook verplicht is een FG aan te stellen. Volgens hen zijn schoolbesturen aan te merken als een overheidsorgaan, dan wel zijn zij gelijk te stellen aan een overheidsorgaan (categorie 1). Bovendien volgen schoolbesturen op grote schaal individuen (categorie 2). Voor besturen in speciaal onderwijs geldt daarnaast dat zij op grote schaal bijzondere persoonsgegevens verwerken (categorie 3). De meningen zijn verdeeld Ondanks dat de belangrijkste adviesraden in het onderwijs concluderen dat alle schoolbesturen een FG moeten benoemen, zijn de meningen verdeeld. Tegenstanders maken de vergelijking met het voorbeeld van de kleine zelfstandige, namelijk de zelfstandig werkende advocaat of de huisarts met een eigen praktijk (circa 1200 patiënten). Beide zijn te vergelijken met kleine schoolbesturen, waar slechts een paar honderd leerlingen zijn ingeschreven. Nu de advocaat en de huisarts geen FG hoeven te benoemen, zouden besturen van één kleine school ook de dans kunnen ontspringen. De gedachte hierbij is tweeledig. Enerzijds wordt beargumenteerd dat besturen van één kleine school niet op "grote schaal" gegevens verwerken. De situatie waarin de schoolbestuurder verkeert kan worden vergeleken met die van de advocaat en de huisarts. Anderzijds brengt het aanwijzen van een FG hoge kosten met zich mee. Het schoolbestuur is daarom al snel aangewezen op het benoemen van een externe FG. Een andere optie is het inzetten van eigen personeel. Het inzetten van eigen personeel heeft echter al snel tot gevolg dat 0.2 FTE moet worden ingeleverd, wat voor een kleine organisatie geen sinecure is. Wat is juist? Alleen openbare scholen kwalificeren als overheidsinstantie in de zin van de AVG. Zij zullen op basis van de eerste grondslag een FG moeten benoemen. Bijzondere scholen niet, zij voeren slechts een publieke taak uit waar het de afgifte van diploma's betreft. Toch komen ook zij niet onder de verplichting tot het aanstellen van een FG uit. Scholen die gebruik maken van een leerlingvolgsysteem vallen namelijk onder categorie twee, het stelselmatig observeren van personen. Aangezien iedere school gebruikmaakt van enig leerlingvolgsysteem, zal ook ieder schoolbestuur een FG moeten aanstellen. Op die manier komen ook eenpitters niet onder de verplichting uit. Bovendien geldt voor het bevoegd gezag van een grote school of van meerdere scholen (en samenwerkingsverbanden!) dat zij al snel op grootschalige wijze bijzondere persoonsgegevens verwerken (categorie 3). Schoolbesturen waarbij veel leerlingen staan ingeschreven, beschikken over een aanzienlijke hoeveelheid gevoelige informatie. Denk hierbij onder andere aan cijfers, begeleidingsplannen, gegevens over de thuissituatie. Op de vraag waar de grens met betrekking tot de grootschaligheid ligt, kan nu nog geen antwoord worden gegeven. De tijd zal dat moeten uitwijzen aan de hand instructies van de Autoriteit Persoonsgegevens en jurisprudentie over de AVG. Conclusie De verplichting tot het benoemen van een FG geldt aldus voor álle schoolbesturen, ongeacht het aantal ingeschreven leerlingen, de hoeveelheid bijzondere persoonsgegevens die worden verwerkt en het feit dat de meeste scholen géen overheidsinstantie zijn. Omdat de AVG inmiddels inwerking is getreden, adviseren wij u zo spoedig mogelijk een FG te benoemen. Indien wij u daarbij van dienst kunnen zijn, bijvoorbeeld door het vervullen van de rol van (externe) FG, vernemen wij dat graag. Neem in dat geval contact op met Anique van de Kerkhof of een van de andere advocaten van team Onderwijs, zij zijn u graag van dienst. Juni 2018 [post_title] => Onduidelijkheid over de FG in het onderwijs. Wel of niet verplicht? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => onduidelijkheid-fg-onderwijs-wel-verplicht [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-06-19 10:55:33 [post_modified_gmt] => 2018-06-19 08:55:33 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=18194 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [9] => WP_Post Object ( [ID] => 17242 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-03-20 10:07:26 [post_date_gmt] => 2018-03-20 09:07:26 [post_content] => Aan het afbreken van onderhandelingen in een vergevorderd stadium kan een prijskaartje hangen. Een goed voorbeeld hiervan is de zaak die voorlag bij het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof) waarin het hof op 19 december 2017 oordeelt dat de aanbieder van de buitenschoolse opvang (hierna: BSO) gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat een overeenkomst voor BSO met de twee schoolbesturen tot stand zou komen. De schoolbesturen dienen aan de aanbieder van de BSO de door haar geleden schade te vergoeden, waaronder begrepen de gederfde winst.  Waar draaide het in deze zaak om? Feiten De besloten vennootschap Tinteltuin BV (hierna: Tinteltuin), de eisende partij, verzorgt kinderopvang, BSO en peuteropvang in onder meer De Rijp. Intergemeentelijke Stichting Openbaar Basisonderwijs (ISOB), gedaagde 1, houdt twee basisscholen in De Rijp en West Graftdijk in stand en Stichting Flore (hierna: Flore), gedaagde 2, twee basisscholen in Graft en de Rijp. De gemeente Alkmaar (hierna: de Gemeente), gedaagde 3, heeft plannen ontwikkeld om een multifunctionele onderwijsvoorziening (hierna: de Brede School) te realiseren in Graft en De Rijp. In de periode april 2006 tot maart 2007 heeft de Gemeente de haalbaarheid van dit plan onderzocht. Hiervoor heeft zij meerdere partijen in de regio geïnterviewd, waaronder ISOB, Flore, Kids BV (eigenaar/exploitant van kinderdagverblijf KIDS IV), Stichting Peuterspeelzaal Jonas en Tinteltuin (hierna gezamenlijk: de Participanten). Intentieovereenkomst voor realisatie Brede School De Participanten hebben in november 2007 een intentieovereenkomst met de Gemeente getekend. Doel van deze overeenkomst was het vastleggen van het plan van aanpak en het vastleggen van afspraken om gezamenlijk tot de realisatie van de Brede School te komen. De Gemeente heeft op 16 februari 2012 ingestemd met de ontwikkeling van de Brede School. De Stuurgroep, die sturing zou geven aan het proces, bestond op dat moment uit ISOB, Flore, de Gemeente en Kids BV. De Projectgroep bestond uit voornoemde partijen en Tinteltuin. Op 7 mei 2012 hebben ISOB, Flore, Kids BV, de peuterspeelzaal Jonas in de Walvis en de Gemeente een convenant voor de oprichting van de Brede School gesloten. De Stuurgroep ging vervolgens op zoek naar geïnteresseerde kandidaten voor het verzorgen van de BSO op de Brede School. Op 19 november 2012 heeft Tinteltuin in dit verband een presentatie verzorgd voor de schooldirecteuren van de bij Brede School betrokken scholen en een aanbod gedaan voor het verzorgen van de BSO op de Brede School. Naar aanleiding hiervan is door de Projectgroep het besluit genomen om de BSO door Tinteltuin te laten verzorgen. De notulen van de op 18 januari 2013 gehouden vergadering van de Projectgroep, luidde, voor zover hier van belang, als volgt: "ISOB deelt mede dat er besluit is genomen over de BSO. Het is Tinteltuin geworden. De Tinteltuin zal zo spoedig mogelijk uitgenodigd worden om bij de overleggen aan te sluiten en indien mogelijk al op 7 februari bij de architectenselectie. ISOB overlegt dit a.s. maandag met de Tinteltuin. (..)" In de notulen van 20 januari 2014 is nog eens vermeld: "(..) Besproken wordt of het feit dat de schoolbesturen de BSO vorig jaar hebben aanbesteed en hierbij een keuze voor Tinteltuin hebben gemaakt. (..)" In november 2013 trok Kids BV zich terug als aanbieder van de kinderopvang. Tinteltuin is toen door de Stuurgroep benaderd om een offerte uit te brengen voor de kinderopvang. Dit heeft Tinteltuin op 13 januari 2014 ook gedaan. In haar offerte heeft zij tevens verwezen naar het feit dat de schoolbesturen reeds definitief hadden gekozen voor Tinteltuin als aanbieder van de BSO. Een maand later is Tinteltuin echter door ISOB en Flore medegedeeld dat de keuze op Forte Kinderopvang is gevallen voor de BSO. Tinteltuin heeft ISOB en Flore verzocht om hun keuze te heroverwegen. ISOB en Flore bleven echter bij hun besluit naar aanleiding waarvan Tinteltuin een procedure bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) aanhangig heeft gemaakt. Standpunt Tinteltuin In de procedure bij de Rechtbank vordert Tinteltuin een verklaring voor recht dat ISOB, Flore en de Gemeente (hierna gezamenlijk: de Gedaagden) hoofdelijk aansprakelijk zijn voor vergoeding van de schade, die bestaat uit (i) de directe kosten verbonden aan de werkzaamheden van Tinteltuin, groot EUR 3.237,52 (ii) het verlies van de dekking in de algemene (overhead-)kosten van Tinteltuin, die bij een reguliere exploitatie door Tinteltuin van de BSO in de Brede School zou zijn gegenereerd, gedurende een periode van vier jaren, althans een nader te bepalen periode, en (iii) het verlies aan de bijdrage in de winst van Tinteltuin die bij een reguliere exploitatie door Tinteltuin van de BSO in de Brede School zou zijn gegenereerd, gedurende een periode van vier jaren, althans een nader te bepalen periode. Hierbij stelt Tinteltuin zich allereerst op het standpunt dat Gedaagden zijn tekortgeschoten in de nakoming van de BSO overeenkomst. Voor zover geen sprake is van totstandkoming van de BSO overeenkomst stelt Tinteltuin zich op het standpunt dat Gedaagden onrechtmatig jegens Tinteltuin hebben gehandeld door in een vergevorderd stadium de onderhandelingen af te breken. Daarmee hebben Gedaagden volgens Tinteltuin in strijd gehandeld met de precontractuele goede trouw. Tinteltuin is immers van mening dat zij, gelet op de uitlatingen en gedragingen van Gedaagden, gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat een BSO overeenkomst tot stand zou komen. Standpunt ISOB, Flore en de Gemeente Gedaagden, stellen zich, kort gezegd, op het standpunt dat geen sprake is van een overeenkomst tussen partijen. Het is inderdaad juist dat met Kids BV is gesproken over de kinderopvang en met Tinteltuin over het verzorgen van de BSO. Dit zouden echter slechts verkennende gesprekken zijn geweest. Tot definitieve afspraken zou het nooit zijn gekomen. Verder stellen Gedaagden dat in de Stuurgroep en Projectgroep ook niet de personen zaten die Gedaagden rechtsgeldig konden vertegenwoordigen. Van een schending van de precontractuele goede trouw zou ook geen sprake zijn, daar het slechts zou zijn gegaan om verkennende gesprekken met Tinteltuin over het verzorgen van de BSO voor de Brede School. Ook zou aan Tinteltuin zijn aangegeven dat, met het wegvallen van Kids BV, de wens bestond om kinderopvang, BSO en peuterspeelwerk te laten verzorgen door één partner. Beoordeling rechtbank De rechtbank komt op 30 december 2015 tot het oordeel dat er geen overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen omdat er volgens de rechtbank nog geen overeenstemming was bereikt over de essentialia van de BSO overeenkomst. De essentialia betreffen de kern van de prestaties (omschrijving van de door partijen te verrichten belangrijkste werkzaamheden) waarover tussen partijen wilsovereenstemming dient te zijn bereikt wil sprake zijn van (romp)overeenkomst. Evenmin acht de rechtbank het afbreken van onderhandelingen door Gedaagden onaanvaardbaar en onrechtmatig. Hierbij stelt zij het beginsel van contractsvrijheid voorop. Dit beginsel houdt in dat partijen vrij zij om te af te spreken wat en met wie ze willen, zolang deze afspraken niet in strijd zijn met de wet (bijvoorbeeld in strijd met de openbare orde en goede zeden). Aldus worden de vorderingen van Tinteltuin door de rechtbank afgewezen, met uitzondering van haar vordering ter zake kosten die door Tinteltuin zijn gemaakt in het kader van de onderhandelingen van EUR 3.237,52. Beoordeling hof Tinteltuin gaat in hoger beroep bij het hof tegen de uitspraak van de Rechtbank. Allereerst overweegt het hof dat het verweer van de Gemeente slaagt dat zij geen partij was bij de onderhandelingen tussen de ISOB, Flore en Tinteltuin en dat er ook geen contractuele relatie tussen Tinteltuin en de Gemeente is of zou ontstaan. Die relatie zou er alleen met ISOB en Flore ontstaan. Het zijn alleen ISOB en Flore die van de Gemeente de schoolruimten gaan huren, welke schoolruimten in eigendom blijven van de Gemeente. Verder onderschrijft zij het standpunt van de rechtbank dat er geen BSO overeenkomst tot stand is gekomen. De keuze voor Tinteltuin is wel uit de notulen van de vergaderingen gebleken, maar de inhoud van de samenwerkingsovereenkomst was nog niet uitgewerkt. Met andere woorden: de concrete praktische en financiële invulling van de BSO moest nog plaatsvinden. Schadevergoeding bij afbreken onderhandelingen Vervolgens hanteert het hof bij de vraag of Gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld door in een vergevorderd stadium de onderhandelingen af te breken de volgende maatstaf (r.o. 3.9): " Als maatstaf voor de beoordeling van de schadevergoedingsplicht bij afgebroken onderhandelingen heeft te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen – die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen – vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het totstandkomen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn." Hier voegt het hof aan toe dat bij deze beoordeling rekening dient te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij, alsmede met de gerechtvaardigde belangen van de partij die onderhandelingen afbreekt. Het hof komt tot het oordeel dat het afbreken door ISOB en Flore van de onderhandelingen met Tinteltuin onrechtmatig en onaanvaardbaar zijn. De belangrijkste redenen zijn als volgt:
  1. op ondubbelzinnige wijze aan Tinteltuin laten weten dat zij de BSO zou gaan verzorgen. Hierbij verwijst zij naar de hierboven vermelde notulen van 18 januari 2013 en 20 januari 2014;
  2. met dat vooruitzicht ook betrokken bij alle voorbereidende activiteiten rondom de oprichting van de Brede School;
  3. ISOB heeft bevorderd dat Tinteltuin haar toenmalige zelfstandige locatie voor BSO verliet om in te trekken bij de Tweemaster, met als doel de nodige ervaring op te doen in het samen delen van een locatie;
  4. Indien ISOB en Flore groot belang hadden gehecht aan het in een hand komen van BSO en kinderopvang, wat tot op dat moment niet aan de orde was geweest, had het voor de hand gelegen om ten minste aan Tinteltuin deze wens kenbaar te maken;
  5. ISOB en Flore hebben ook geen (andere) feiten en of omstandigheden van voldoende gewicht naar voren gebracht die hun keuze inzichtelijk maken of rechtvaardigen.
Het hof verklaart dan ook voor recht dat ISOB en Flore schadeplichtig zijn jegens Tinteltuin wegens het afbreken van de onderhandelingen met Tinteltuin. De totale schade (waaronder ook begrepen de gederfde winst) is thans niet te begroten, maar zal dienen te worden vastgesteld in een schadestaatprocedure. Aanbeveling Bovengenoemde zaak leert eens te meer dat partijen die met elkaar in onderhandeling treden zich bewust dienen te zijn van hun gedragingen en uitlatingen naar elkaar toe en het in dit kader bij de ander opgewekte vertrouwen. In een eerdere publicatie "van de letter of intent tot het afbreken van onderhandelingen: tips and tricks" heb ik uiteengezet hoe partijen kunnen voorkomen dat de ander partij te snel erop vertrouwt c.q. erop mag vertrouwen dat sprake is van een overeenkomst dan wel een overeenkomst tot stand zal komen. Hierbij valt te denken aan het opnemen van voorbehouden (bijvoorbeeld goedkeuringsvoorbehoud college van bestuur / raad van toezicht / medezeggenschapsraad bij totstandkomen BSO overeenkomst) in de intentieovereenkomst. De bijdrage ““van de letter of intent tot het afbreken van onderhandelingen: tips and tricks”  is door de academie voor de rechtspraktijk genomineerd voor de Magna Charta Bouwrecht publieksprijs “beste blog 2018.” Meer informatie Heeft u vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Sandra Caelers (specialist bouwrecht) van ons team Onderwijs. Maart 2018 [post_title] => Afbreken onderhandelingen: dure les voor schoolbesturen! [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => afbreken-onderhandelingen-dure-les-twee-schoolbesturen [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-05-08 09:27:20 [post_modified_gmt] => 2018-05-08 07:27:20 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=17242 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [10] => WP_Post Object ( [ID] => 17058 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-02-28 09:00:13 [post_date_gmt] => 2018-02-28 08:00:13 [post_content] => De iPadschool is de laatste weken weer volop in het nieuws. Diverse van deze Steve Jobsscholen hebben te weinig leerlingen, liggen in de clinch met de rijksoverheid over ontvangen lumpsums of worden door de inspectie als ‘zeer zwak’ bestempeld. Vorig jaar klaagde een moeder in het AD dat haar zoontje door het iPad onderwijs een ernstige gameverslaving had opgelopen. Kortom, het doorslaande succes dat door grondlegger Maurice de Hond werd voorspeld is niet bepaald uitgekomen. Zelf heeft hij er medio vorig jaar het bijltje bij neergegooid: “Ik ben tot de slotsom gekomen, dat (..) mijn directe betrokkenheid in Nederland bij onderwijsvernieuwing, inmiddels eerder een negatief effect heeft dan een positief effect” aldus De Hond, al wijt hij dit zelf vooral aan de vele negatieve publiciteit, die inderdaad natuurlijk ook niet echt voor een zachte landing van zijn cowboy-achtige initiatief heeft gezorgd. Als iPadonderwijs ook nog gameverslaving in de hand werkt, dan is dat zeker wel een diepgaand onderzoek met publiek geld waard. Zou het ministerie van OCW niet eigenlijk allang een heldere visie op de digitalisering van het onderwijs en  potentiële nadelige effecten ervan voor de gezondheid van leerlingen ontwikkeld moeten hebben? Smartboards en andere digitale leermiddelen winnen al jaren aan terrein. Ze faciliteren ook het ‘gepersonaliseerd leren’ in belangrijke mate. Opgemerkt moet worden dat de Onderwijsraad in een recent rapport wel een paar voorzichtige kritische kanttekeningen plaatst, maar vooral de positieve kanten van digitalisering benadrukt. Scholen hebben natuurlijk een wettelijke zorgplicht voor de fysieke, psychische en sociale veiligheid van hun leerlingen. Daar kan ook een verplichting toe behoren om een door leermiddelen bevorderde dreigende computerverslaving tijdig te signaleren en in te dammen. Onderdeel van deze gecodificeerde norm is dat een school niet alleen een adequaat veiligheidsbeleid heeft, maar daarbij ook een instrument hanteert dat de veiligheid van leerlingen op school representatief en actueel monitort. De vrijheid van onderwijs doet aan die verantwoordelijkheid niets af. En wie ‘verantwoordelijkheid’ zegt, bedoelt daar in juridische zin al gauw ‘aansprakelijkheid’ mee. Hoe zou een rechter oordelen wanneer hem de vraag wordt voorgelegd of een iPadschool aansprakelijk is voor de computerverslaving van een leerling? Net als bij de ongevallen tijdens gymnastiek zal de civiele rechter zich de vraag stellen of de school voldoende en passende voorzorgsmaatregelen heeft getroffen ter voorkoming of beperking van het risico, in dit geval van een intredende gameverslaving, en de gevolgen daarvan. Niet reeds de enkele mogelijkheid van gameverslaving als verwezenlijking van een aan intensief digitaal onderwijs in het algemeen en iPadonderwijs in het bijzonder, inherent gevaar, leidt tot de conclusie dat sprake is van onzorgvuldig handelen, zo zal de rechter bedachtzaam overwegen. Er moet sprake zijn van een concrete, aanwijsbare handeling of nalatigheid van de school die leidt tot gameverslaving. Ook in dit soort zaken zal altijd de vraag rijzen of er voldoende toezicht is gehouden. Heeft de school ingegrepen toen er verontrustende signalen waren, zoals afwijkend gedrag van de leerling of vragen van ouders? Vervolgens zal de rechter beoordelen of de school is tekortgeschoten in haar verplichting tot nazorg. Is de opkomende verslaving voldoende onderkend en is toen adequaat gehandeld? Dit zijn juridisch relevante vragen waarover de rechter zich nog niet heeft uitgesproken. Het is voor iPadscholen te hopen dat dit ook niet in voor hen ongunstige zin nodig zal blijken. [post_title] => Verslaafd aan de iPad(school): een nieuw aansprakelijkheidsrisico? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => verslaafd-aan-ipadschool-nieuw-aansprakelijkheidsrisico [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-02-28 12:50:29 [post_modified_gmt] => 2018-02-28 11:50:29 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=17058 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [11] => WP_Post Object ( [ID] => 16659 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-02-15 09:00:09 [post_date_gmt] => 2018-02-15 08:00:09 [post_content] => Op 25 mei 2018 treedt de Europese Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in werking. Vanaf dat moment zijn organisaties in een aantal gevallen verplicht om een functionaris voor gegevensbescherming (FG) aan te wijzen. Ook schoolbesturen zijn verplicht een FG aan te wijzen, zo concluderen de PO-Raad, VO-Raad en Kennisnet. Wat doet een FG? Een FG houdt intern toezicht op de verwerking van persoonsgegevens binnen een organisatie. Ook adviseert hij het schoolbestuur over privacy, technologie en beveiliging, handelt vragen en klachten over privacy af en ontwikkelt interne regelingen rondom privacy. Ieder schoolbestuur (dus niet school/vestiging) én ieder samenwerkingsverband als zelfstandig verwerkingsverantwoordelijke, dient een FG aan te wijzen en aan te melden bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Waarom een FG in het onderwijs? Op grond van artikel 37 AVG dient een schoolbestuur een FG aan te wijzen, omdat zij is aan te merken of gelijk te stellen met een overheidsorganisatie of -orgaan. Ook is het schoolbestuur hoofdzakelijk belast met het verwerken van persoonsgegevens die vanwege hun aard, omvang en/of doeleinden regelmatige en stelselmatige observatie op grote schaal vereisen. Goed onderwijs zonder het monitoren en observeren van leerlingen is immers niet mogelijk. Gedurende de gehele schoolloopbaan worden dan ook persoonsgegevens van leerlingen verzameld, geregistreerd en uitgewisseld. Scholen beschikken over grote bestanden van gevoelige en bijzondere persoonsgegevens (zoals een leerlingadministratie of leerlingvolgsysteem). Om die reden worden zwaardere eisen gesteld aan de beveiliging en het gebruik van deze gegevens. In- of externe FG? Het is mogelijk om intern een medewerker als FG aan te wijzen. Daarbij is van belang dat de FG als adviseur en (interne) controleur onafhankelijk is. Dit is gewaarborgd in de AVG door de wettelijke ontslagbescherming. Deze onafhankelijke positie maakt dat de functie als FG lastig te verenigingen is met de functie van bestuurder, directeur, IBP-beheerder, of hoofd administratie. Meer geschikt voor deze functie is bijvoorbeeld een instellingsjurist, manager interne controle, compliance of security officer, vertrouwenspersoon of controller. Indien intern een FG wordt aangewezen is het raadzaam om interne regels op te stellen om belangenconflicten te vermijden, of te bepalen welke taken de FG niet mag uitvoeren. Ondersteuning van de FG, door bijvoorbeeld een privacy officer, mag natuurlijk wel. Ook is het mogelijk om een externe FG aan te wijzen. Het is niet noodzakelijk dat een FG in loondienst is bij het schoolbestuur. In dat geval geldt de voorwaarde dat de FG vanuit elke vestiging makkelijk en tijdig te contacteren is. De FG dient betrokken te zijn bij hetgeen er wordt geregeld rondom de privacy van leerlingen, hun ouders en medewerkers binnen het schoolbestuur. Daarnaast regelt de AVG dat schoolbesturen kunnen besluiten om gezamenlijk (intern of extern) een FG aan te wijzen. Aansprakelijkheid Bij niet-naleving van de AVG valt de FG geen persoonlijk verwijt te maken. Het schoolbestuur blijft als werkgever verantwoordelijk en aansprakelijk. Uit artikel 24 AVG volgt dat de verantwoordelijke verplicht is om passende technische en organisatorische maatregelen te treffen om te waarborgen en te kunnen aantonen dat de verwerking van persoonsgegevens in overeenstemming met de AVG wordt uitgevoerd. Indien gebruik wordt gemaakt van een externe FG is het verstandig om aanvullende afspraken te maken over aansprakelijkheid, waaronder het (eventueel) afsluiten van een verzekering. Vragen? Heeft u vragen over privacy in het onderwijs? Neem dan contact op met de advocaten onze teams Privacy en Onderwijs. Februari 2018 [post_title] => De verplichting een "FG" aan te wijzen in het onderwijs [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => verplichting-om-fg-aan-wijzen-onderwijs [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-06-04 13:37:59 [post_modified_gmt] => 2018-06-04 11:37:59 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=16659 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [12] => WP_Post Object ( [ID] => 16291 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-01-19 10:29:43 [post_date_gmt] => 2018-01-19 09:29:43 [post_content] => Uit onderzoek van de Open State Foundation blijkt dat een groot aantal scholen en instellingen in het primair en voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs geen gebruik maakt van een HTTPS-verbinding. Bezoekers van de websites lopen zo onnodig risico's. Wat is HTTPS? Een HTTPS-verbinding zorgt voor de beveiliging van de website. Hierdoor worden gegevens versleuteld uitgewisseld, zodat deze niet worden onderschept door buitenstaanders. Ook controleert HTTPS op de integriteit van de informatie, zodat aanpassing van uitgewisselde gegevens niet mogelijk is. U herkent een HTTPS-verbinding eenvoudig, er staat dan https:// voor de ingevoerde URL en in de balk naast de URL wordt getoond dat sprake is van een beveiligde website. Risico datalek Met het zicht op de inwerkingtreding van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) vanaf 25 mei 2018, is het van belang om te zorgen voor een goede beveiliging van persoonsgegevens. Wij adviseren daarom uw schoolwebsite (minimaal) te beveiligen met een HTTPS-verbinding, dus door middel van een SSL-certificaat. Heeft uw website geen HTTPS-verbinding en maakt u gebruik van een inlog- en/of aanmeldscherm? Dan is de kans groter dat persoonsgegevens onderschept kunnen worden. Er zijn aldus aanzienlijke risico's op een datalek. Adequaat beveiligen Gebruikmaking van een HTTPS-verbinding is niet de enige mogelijkheid om websites van een goede beveiliging te voorzien. Met de komst van de AVG moeten organisaties tevens een privacyverklaring publiceren en moeten zij het cookiebeleid wijzigen. Daarnaast zijn afspraken met leveranciers en een privacyreglement onontbeerlijk voor de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig de privacywet- en regelgeving. Vragen? Heeft u vragen over privacy in het onderwijs? Neem dan contact op met de advocaten onze teams Privacy en Onderwijs. [post_title] => Heeft uw school een goed beveiligde website? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => school-beveiligde-website [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-02-20 09:30:53 [post_modified_gmt] => 2018-02-20 08:30:53 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=16291/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [13] => WP_Post Object ( [ID] => 15300 [post_author] => 21 [post_date] => 2017-10-31 15:15:29 [post_date_gmt] => 2017-10-31 14:15:29 [post_content] => In het onderwijs wordt steeds meer gewerkt met digitale leermiddelen en het digitaal afnemen van toetsen. Het heeft tal van voordelen, maar het brengt ook risico's voor de privacy van onderwijsdeelnemers met zich mee. Om die reden is het Wetsvoorstel pseudonimisering leerlinggegevens geschreven. De Tweede Kamer ging hiermee op 10 oktober 2017 akkoord. Het is de bedoeling dat het wetsvoorstel in werking treedt op 1 augustus 2018 voor alle onderwijssectoren, dus van primair tot hoger onderwijs. Het gebruik van een pseudoniem voor het onderwijs heeft als voornaamste doel te voorkomen dat de privacy van onderwijsdeelnemers via digitale leermiddelen en toetsen onder druk komt te staan. Zo is bijvoorbeeld geconstateerd dat bij het gebruik van digitale leermiddelen onderwijsinstellingen en leveranciers meer persoonsgegevens uitwisselden dan nodig was. Hoewel het ministerie van OCW erkent dat het moeilijk is om het tempo van technologische ontwikkelingen voor te blijven, is het nu zaak niet te ver achter te gaan lopen. Het is belangrijk te weten dat bij gepseudonimiseerde persoonsgegevens het nog steeds gaat om persoonsgegevens. Er heeft immers geen anonimisering plaatsgevonden. De Wet bescherming persoonsgegevens en binnenkort (vanaf 25 mei 2018) de Algemene Verordening Gegevensbescherming blijven dan ook van toepassing op pseudoniemen. Het pseudoniem voor het onderwijs, ook wel het ketenID genoemd, wijzigt niet als van school wordt gewisseld. Het is een unieke identiteit die door elke leverancier kan worden gebruikt, zonder dat deze kan herleiden om welke specifieke onderwijsdeelnemer het gaat. Hoewel de Tweede Kamer heeft ingestemd met het wetsvoorstel, is er nog een aantal punten waarover zij haar zorgen uit. Zo wordt gebruik van het ketenID na invoering van het voorstel zoals het er nu ligt, niet wettelijk verplicht gesteld. Hierdoor bestaat de kans dat het ketenID in de toekomst onvoldoende zal worden toegepast. Heeft u vragen over privacy in het onderwijs, neem dan contact op met Monica Leenders of Nicole Niessen van onze teams Privacy en Onderwijs. oktober 2017   [post_title] => Waarborg privacy in het onderwijs door pseudonimisering [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => waarborg-privacy-onderwijs-pseudonimisering [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-10-31 15:15:29 [post_modified_gmt] => 2017-10-31 14:15:29 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=15300/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [14] => WP_Post Object ( [ID] => 13579 [post_author] => 2 [post_date] => 2017-07-26 11:24:08 [post_date_gmt] => 2017-07-26 09:24:08 [post_content] => Deze week werd bekend dat het Spinoza Lyceum in Amsterdam te maken heeft gehad met een datalek. Door een fout met het verzenden van documenten via Google Documents, zijn gevoelige persoonsgegevens gelekt van zo'n 100 leerlingen. Het betrof informatie over de persoonlijke omstandigheden en over de privésituatie van deze leerlingen. Deze informatie is terecht gekomen bij de leerlingen zelf, de ouders en uiteindelijk ook bij de Telegraaf. Het Spinoza Lyceum was genoodzaakt hiervan melding te maken bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Tevens zijn de ouders op de hoogte gebracht. De Wet bescherming persoonsgegevens hanteert strikte regels rondom het melden van een (vermoeden van een) datalek. Binnen 72 uur moet melding worden gemaakt bij de Autoriteit Persoonsgegevens en in bepaalde gevallen moeten ook de betrokkenen op de hoogte worden gesteld. Aangezien de Autoriteit boetes kan uitdelen tot een bedrag van EUR 820.000,- wanneer niet (tijdig) wordt gemeld, is het van belang alert te zijn op vermoedens van datalekken. Daarnaast kan een datalek gevolgen hebben voor de betrokkenen, alsmede voor de reputatie van de instantie. Heeft u vragen over het melden van een datalek, neemt u dan contact met op met ons team Privacy. Zij zijn u graag van dienst. Door preventief op te treden, bijvoorbeeld door het vergroten van het bewustzijn op dit gebied, kan een organisatie of instelling problemen voor zijn. En voor het geval er toch sprake is van een datalek, is het van belang een up-to-date datalekkenprotocol voorhanden te hebben zodat tijdig melding kan worden gedaan op de juiste manier. Ook hiermee heeft het team een ruime ervaring en zijn ze u graag van dienst. Juli 2017 [post_title] => Datalek leerlinggegevens [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => datalek-leerlinggegevens [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-07-26 11:24:08 [post_modified_gmt] => 2017-07-26 09:24:08 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=13579/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [15] => WP_Post Object ( [ID] => 15272 [post_author] => 2 [post_date] => 2017-10-25 12:14:49 [post_date_gmt] => 2017-10-25 10:14:49 [post_content] => Samenwerkingsverbanden passend onderwijs als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs (hierna: Samenwerkingsverband) worden regelmatig geconfronteerd met informatieverzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob). Het afhandelen van deze verzoeken kan tijdrovend zijn en aanzienlijke kosten met zich meebrengen. Privaatrechtelijke rechtspersoon Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) in zijn uitspraak van 28 juni 2017 hoeft een Samenwerkingsverband, een privaatrechtelijke rechtspersoon, alleen een besluit te nemen op een Wob-verzoek indien en voor zover het kan worden aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Dat de oprichting van het Samenwerkingsverband door de wet is voorgeschreven, betekent niet dat het voor al zijn taken met openbaar gezag is bekleed en onder de werking van de Wob valt. Indien derhalve informatie wordt opgevraagd in een Wob-verzoek dat ziet op taken waarvoor een Samenwerkingsverband niet als bestuursorgaan kan worden aangemerkt, hoeft het Samenwerkingsverband op dat Wob-verzoek geen besluit te nemen. Daarmee degradeert een dergelijk Wob-verzoek tot een eenvoudig informatieverzoek. Voor zover er wel een reactie volgt vanuit het Samenwerkingsverband op dit informatieverzoek, levert dit geen voor bezwaar en beroep vatbaar besluit op. Wob-verzoek In casu betreft het de Stichting Leerlingzorg Primair Onderwijs Almere. Dit is een samenwerkingsverband passend onderwijs als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs (hierna: Wpo). Het Samenwerkingsverband ontvangt van appellanten een tweetal verzoeken om informatie in verband met een voornemen van de Almeerse Scholen Groep tot het beëindigen van passend onderwijs op basisschool De Torteltuin. Daarbij beroepen appellanten zich op de Wob. Zij wensen met toepassing van de Wob onder meer gespreks- en bijeenkomstenverslagen te ontvangen met betrekking tot beslissingen aangaande het passend onderwijs van onder het Samenwerkingsverband vallende basisscholen, zoals De Torteltuin. Het Samenwerkingsverband geeft geen gehoor aan dit informatieverzoek en verklaart het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaart zich vervolgens onbevoegd om van het daartegen ingestelde beroep kennis te nemen. Wanneer bestuursorgaan? Artikel 3 van de Wob kent twee ingangsvoorwaarden: het informatieverzoek moet worden neergelegd bij een bestuursorgaan én de informatie moet een bestuurlijke aangelegenheid betreffen. Wil er derhalve sprake zijn van een Wob-verzoek, dan geldt als voorwaarde dat het Samenwerkingsverband een bestuursorgaan is in de zin van de Awb. Doorslaggevend hiervoor is dat het "met enig openbaar gezag is bekleed" (hierna: ''een b-orgaan"). Hiervoor moet het Samenwerkingsverband beschikken over publiekrechtelijke bevoegdheden tot het eenzijdig bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten. De appellanten in casu betogen dat het Samenwerkingsverband een bestuursorgaan een b-orgaan is. Immers, het beschikt op grond van artikel 18a lid 6 Wpo over publiekrechtelijke bevoegdheden, nu het een ondersteuningsplan moet opstellen op grond waarvan de middelen en voorzieningen tussen de verschillende scholen worden verdeeld. Daarnaast is het Samenwerkingsverband bevoegd tot het beoordelen van de toelaatbaarheid van leerlingen tot het speciaal onderwijs en adviseert het over de ondersteuningsbehoefte van leerlingen. Voorwaarde: appellabel besluit In hoger beroep gaat het dus om de vraag of het Samenwerkingsverband al dan niet kan worden gekwalificeerd als een bestuursorgaan. De Afdeling stelt voorop dat hoewel op grond van artikel 18a Wpo de oprichting van het Samenwerkingsverband is voorgeschreven, dit evenwel niet met zich meebrengt dat het Samenwerkingsverband ten aanzien van al zijn taken met openbaar gezag is bekleed. De Afdeling constateert dat enkel de bevoegdheid van het Samenwerkingsverband om te beslissen over de toelaatbaarheid van leerlingen tot het speciaal (basis)onderwijs een taak is die wél met openbaar gezag is bekleed. Doorslaggevend hiervoor is dat deze beslissingen op grond van artikel 18a lid 12 Wpo voor bezwaar en beroep vatbare besluiten zijn. Voor de uitoefening van deze taak kan het Samenwerkingsverband derhalve worden aangemerkt als bestuursorgaan. Voor het overige is het Samenwerkingsverband een privaatrechtelijke rechtspersoon. Nu het informatieverzoek van appellanten niet is gericht op de bevoegdheid van het Samenwerkingsverband om te beslissen over de toelaatbaarheid van leerlingen, is het informatieverzoek niet gericht tot een bestuursorgaan. Dit betekent dat het Samenwerkingsverband ook niet gehouden is te beslissen op het informatieverzoek, nu de Wob niet van toepassing is op dit informatieverzoek. Opmerkingen Deze uitspraak is niet alleen van belang voor de praktijk van samenwerkingsverbanden passend onderwijs maar ook die van bijzondere onderwijsinstellingen en andere privaatrechtelijke organisaties die slechts voor een gedeelte van hun taken kunnen worden aangemerkt als bestuursorgaan. Samengevat maakt bovenstaande uitspraak duidelijk dat privaatrechtelijke instellingen werkzaam in het publieke domein lang niet in alle gevallen verplicht zijn om informatie te verstrekken. Het is derhalve aan te raden om bij ieder informatieverzoek goed te bezien op welke taakuitoefening de opgevraagde informatie zich richt en of de betreffende instelling voor die specifieke taakuitoefening bestuursorgaan is. Heeft u vragen over de Wet openbaarheid van bestuur of privacy gerelateerde onderwerpen in de sectoren onderwijs en/of (semi)publiek, neem dan contact op met Roel Metsemakers of één van zijn collega's van de teams Privacy en Onderwijs. november 2017 [post_title] => Moet een samenwerkingsverband passend onderwijs altijd op een Wob-verzoek beslissen? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => moet-samenwerkingsverband-passend-onderwijs-altijd-op-wob-verzoek-beslissen [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-11-28 10:21:43 [post_modified_gmt] => 2017-11-28 09:21:43 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=15272/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [16] => WP_Post Object ( [ID] => 9712 [post_author] => 21 [post_date] => 2017-03-20 14:58:02 [post_date_gmt] => 2017-03-20 13:58:02 [post_content] => Op 21 februari 2017 heeft een ruime meerderheid van de Tweede Kamer ingestemd met het wetsvoorstel Kwaliteitsborging voor het Bouwen (hierna: “wetsvoorstel WKB). Het wetsvoorstel WKB is vervolgens ter goedkeuring naar de Eerste Kamer gestuurd. Naar verwachting treedt de wet per 1 januari 2018 in werking. Verruiming bescherming álle opdrachtgevers Het wetsvoorstel WKB beoogt opdrachtgevers,  zowel consumenten als professionele opdrachtgevers, beter te beschermen ten opzichte van aannemers. Vlak voor de goedkeuring van de Tweede Kamer heeft het CDA nog een wijziging van het wetsvoorstel WKB voorgesteld, daar zij van mening is dat professionele opdrachtgevers deze bescherming niet nodig zouden hebben. De PO-raad stuurde samen met onder andere de VO-raad een brief aan de Tweede Kamer om dit voorstel van het CDA niet te steunen. Schoolbesturen vreesden dat het voorstel van het CDA uiteindelijk ten koste zal gaan van de kwaliteit van de schoolgebouwen.  Zij zijn weliswaar een professionele opdrachtgever maar niet deskundig op het gebied van bouwen, waardoor ook zij deze bescherming zouden moeten verdienen.  Het CDA  voorstel is in de Tweede Kamer verworpen en de oorspronkelijke tekst van het wetsvoorstel WKB is dus op dit punt gehandhaafd. Over welke bescherming van de opdrachtgever op basis van het wetsvoorstel WKB gaat het nu precies? Hier zal ik kort bij stilstaan in dit artikel. Verruiming aansprakelijkheid aannemer voor gebreken na oplevering Een belangrijke toekomstige wijziging is de verruiming van de aansprakelijkheid van de aannemer in artikel 7:758 lid 4 BW (nieuw) voor gebreken na oplevering in geval van aanneming van bouwwerken. Op basis van de huidige wetgeving is de aannemer na oplevering slechts aansprakelijk voor 'verborgen gebreken': niet zichtbare gebreken die de opdrachtgever redelijkerwijs ten tijde van de oplevering niet had behoeven te ontdekken. De aannemer wordt op basis van het wetsvoorstel WKB aansprakelijk voor gebreken die bij de oplevering van het bouwwerk niet door de opdrachtgever zijn ontdekt, tenzij deze gebreken niet aan de aannemer zijn toe te rekenen. Hier gaat het dus ook om zichtbare gebreken die door de opdrachtgever tijdens de oplevering niet zijn ontdekt, maar redelijkerwijs wel door de opdrachtgever hadden kunnen worden ontdekt. Ook hiervoor is de aannemer aansprakelijk. De aannemer zal dus moeten bewijzen dat de gebreken hem niet zijn toe te rekenen, bijvoorbeeld ingeval van onvoldoende onderhoud en/of onoordeelkundig gebruik door de opdrachtgever. De nieuwe regeling zou eraan moeten bijdragen dat de aannemer (meer dan voorheen) ernaar streeft om kwalitatief hoogwaardig werk af te leveren. Een dergelijke regeling brengt ook mee dat het voor de aannemer noodzakelijk wordt om  foto’s van de staat van het bouwwerk bij het proces-verbaal van oplevering te voegen om zo achteraf discussies met zijn opdrachtgever te voorkomen. Afwijken van de wet ten nadele van professionele opdrachtgever Als de consument opdrachtgever is mag van artikel 7:758 lid 4 BW niet worden afgeweken. Voor de volledigheid: de consument is een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Ten nadele van de  professionele opdrachtgever - hieronder begrepen de onderwijsinstellingen - kan wel van de nieuwe regeling worden afgeweken, mits dit uitdrukkelijk in de aannemingsovereenkomst is opgenomen.  Het afwijken van het wettelijke aansprakelijkheidsregime van artikel 7:758 lid 4 BW mag dan ook niet bij (verwijzing naar) algemene voorwaarden. Aanscherping waarschuwingsplicht aannemer Het wetsvoorstel WKB regelt in artikel 7:754 lid 2 BW (nieuw) de verplichting van de aannemer om de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht, bijvoorbeeld het door de opdrachtgever aangeleverde ontwerp, en de nadelige gevolgen ervan indien het bouwwerk wordt gerealiseerd. Waarschuwt de aannemer niet voor deze gebreken en de mogelijke nadelige consequenties voor (de uitvoering van) het bouwwerk, dan is de aannemer aansprakelijk voor de schade die erdoor ontstaat. In de relatie aannemer-consument geldt deze waarschuwingsplicht onverkort. De aannemer mag hiervan ten nadele van de professionele opdrachtgever afwijken in de aannemingsovereenkomst. Onderwijsinstelling wettelijk beschermd, tenzij… Op basis van het wetsvoorstel WKB is het uitgangspunt dat (ook) de professionele opdrachtgever wordt beschermd door een verruiming van de aansprakelijkheid en waarschuwingsplicht van de aannemer. De aannemer heeft echter de mogelijkheid om van het wettelijk aansprakelijkheidsregime ten nadele van de professionele opdrachtgever af te wijken. Dit kan door het uitsluiten van het wettelijk aansprakelijkheidsregime in de aannemingsovereenkomst. Hier dienen onderwijsinstellingen als professionele opdrachtgevers op bedacht te zijn wanneer zij met een aannemer contracteren voor een eventuele verbouw en/of nieuwbouw van het schoolgebouw. Vraag hierbij deskundig juridisch advies. Meer informatie Heeft u nog vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Sandra Caelers of een van de andere advocaten van team onderwijs. Zij zijn u graag van dienst. Maart 2017 [post_title] => Wetsvoorstel Kwaliteitsborging voor het Bouwen & onderwijsinstelling als opdrachtgever [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => wetsvoorstel-kwaliteitsborging-voor-het-bouwen-onderwijsinstelling-als-opdrachtgever [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-03-23 14:20:41 [post_modified_gmt] => 2017-03-23 13:20:41 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=9712 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [17] => WP_Post Object ( [ID] => 10095 [post_author] => 2 [post_date] => 2017-03-23 11:27:20 [post_date_gmt] => 2017-03-23 10:27:20 [post_content] => Een school heeft de zorgplicht om leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben passend onderwijs te bieden. Scholen hebben regionale samenwerkingsverbanden gevormd om te zorgen dat de leerlingen ook daadwerkelijk een passende plek krijgen. De uitwerking van passend onderwijs is voor zowel scholen als samenwerkingsverbanden in de praktijk lastig. Wij belichten twee recente adviezen van de Geschillencommissie passend onderwijs en de Landelijke Bezwaaradviescommissie Toelaatbaarheidsverklaring over de toelaatbaarheidsverklaring ("tlv") voor het speciaal basisonderwijs of speciaal onderwijs. Onderzoek ná of vóór de tlv? Het samenwerkingsverband passend onderwijs ("samenwerkingsverband") beslist op de aanvraag van het schoolbestuur voor de toelaatbaarheid van een leerling tot het speciaal basisonderwijs of speciaal onderwijs. De ouders, het schoolbestuur en andere belanghebbenden kunnen tegen dat besluit bezwaar maken bij het samenwerkingsverband. De Landelijke Bezwaaradviescommissie Toelaatbaarheidsverklaring ("bezwaaradviescommissie") brengt daarover advies uit aan het samenwerkingsverband. Uit het advies van de bezwaaradviescommissie van 6 februari 2017 met zaaknummer 107496 volgt dat een tlv niet is bedoeld om te onderzoeken welk type school voor een leerling passend is. Dergelijk onderzoek moet vóór de afgifte van een tlv gebeuren. In deze zaak gaat het om een leerling die bekend is met pdd-nos en al ruim anderhalf jaar thuis zit. De school vraagt een tlv aan en het samenwerkingsverband heeft de tlv voor voortgezet speciaal onderwijs afgegeven. Volgens het samenwerkingsverband heeft zij dit gedaan om onderzoek te laten plaatsvinden naar welke vorm van onderwijs passend is voor de leerling. De Plaatsing Advies Commissie ("PAC") van het samenwerkingsverband heeft de tlv aanvraag inhoudelijk beoordeeld. Het samenwerkingsverband heeft echter niet geverifieerd of de PAC bestaat uit deskundigen zoals genoemd in artikel 17a lid 12 van de Wet op het voortgezet onderwijs. Ook ter zitting kan niet worden vastgesteld of de deskundigen voldoen aan de wettelijke vereisten. Bovendien blijkt dat de PAC uitsluitend is uitgegaan van informatie die de school heeft aangeleverd, maar die dateerde van voor 1 april 2015. Daarna is de leerling niet meer naar school geweest. Ook heeft de PAC haar advies gebaseerd op sterk verouderde onderzoeken, uit 2010 en 2012. Het samenwerkingsverband heeft aldus niet gecontroleerd of het advies van de PAC is gebaseerd op voldoende deugdelijke informatie en zorgvuldig tot stand is gekomen. Dit had het samenwerkingsverband wel moeten doen. Hoewel de wet niet vereist dat er een ontwikkelingsperspectief ("opp") is voor de beoordeling van de aanvraag om afgifte van een tlv, had het volgens de bezwaaradviescommissie in dit geval wel op de weg van de PAC gelegen om, juist nu er geen actueel opp is en de onderzoeken zeer verouderd zijn, eigen onderzoek te (laten) verrichten. De bezwaaradviescommissie oordeelt dat de tlv niet in stand kan blijven. Het is op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen en niet voorzien van een motivering waaruit blijkt dat de leerling op basis van zijn ondersteuningsbehoefte toelaatbaar is tot het voortgezet speciaal onderwijs. Het is niet de bedoeling dat eerst een tlv wordt verstrekt en daarna onderzoek wordt verricht naar de vraag welke vorm van onderwijs passend is. Deze volgorde verdraagt zich niet met het systeem van passend onderwijs. Als het samenwerkingsverband alleen onderzoek wil faciliteren, kan het met een arrangement volstaan. Geschillencommissie kan schoolbestuur niet verplichten tot tlv aanvraag De Geschillencommissie passend onderwijs ("Geschillencommissie") adviseert onder meer in geschillen over de vaststelling en bijstelling van het ontwikkelingsperspectief ("opp") voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. Op 13 februari 2017 heeft de Geschillencommissie advies uitgebracht in zaaknummer 107500: hoewel ouders en school het erover eens zijn dat de leerling vastloopt op school en de school niet kan voldoen aan haar ondersteuningsbehoefte, verschillen zij van mening over de vraag of de leerling is aangewezen op speciaal onderwijs ("so") of speciaal basisonderwijs ("sbo"). Een onderdeel van het verzoekschrift van de ouders is erop gericht de school ertoe te verplichten een tlv-sbo aan te vragen. Het antwoord daarop is nee. De geschillencommissie kan een schoolbestuur nergens toe verplichten, zij kan enkel advies uitbrengen. Het verzoek van de ouders ziet ook op het opp. Zij willen dat de school het opp zodanig bijstelt dat daaruit blijkt dat plaatsing op een school voor sbo passend is. Maar volgens de geschillencommissie loopt de weg waarlangs kan worden bepaald of het sbo passend is niet via de bijstelling van het opp. Het opp is een instrument dat in een cyclisch proces van werken ondersteunend is voor en richtinggevend aan de ontwikkeling van de leerling op de school van inschrijving. Het is geen (exit)document dat op het laatste moment moet worden geactualiseerd om daarmee aan te tonen dat de huidige school de leerling niet meer kan begeleiden. Ook verlangt de wet niet voor het aanvragen van een tlv dat daaraan een (geactualiseerd) opp ten grondslag ligt. Daarom faalt ook dit onderdeel van het verzoekschrift. De geschillencommissie vindt wel dat de inhoud van het opp tekortschiet. Ten eerste ontbreekt de uitstroombestemming en het uitstroomniveau, terwijl die op basis van de beschikbare informatie wel kunnen worden bepaald. Daarnaast zijn belemmerende en bevorderende factoren opgenomen in het groeidocument, in plaats van in het opp. Ook is het onduidelijk wanneer met de ouders over het opp op overeenstemming gericht overleg is gevoerd. Hierdoor voldoet het opp niet aan de door de wet gestelde eisen. Dit onderdeel van het verzoekschrift is dus gegrond. Conclusies De besproken zaken laten zien, zoals ook de Geschillencommissie passend onderwijs aangeeft in haar Jaarverslag over augustus 2015 tot en met december 2016, dat de inhoudelijke uitwerking van passend onderwijs soms nog hoofdbrekens veroorzaakt bij ouders, scholen en samenwerkingsverbanden. Heeft u vragen over passend onderwijs en de toepassing daarvan? Neem dan contact op met de advocaten van het team onderwijs. Maart 2017 [post_title] => Uitwerking passend onderwijs nog altijd lastig [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => uitwerking-passend-onderwijs-nog-altijd-lastig [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-03-23 11:27:49 [post_modified_gmt] => 2017-03-23 10:27:49 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=10095 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [18] => WP_Post Object ( [ID] => 10112 [post_author] => 2 [post_date] => 2017-03-23 11:32:16 [post_date_gmt] => 2017-03-23 10:32:16 [post_content] => Al enige tijd is er een wetsvoorstel in de maak met een oplossing tegen het gevaar van digitale lekken bij het gebruik van online lespakketten. Deze oplossing wordt gezocht in pseudonimisering. Onze IT-recht specialist Rens Jan Kramer schreef een artikel hierover, dit artikel is gepubliceerd in Like to Share magazine. [post_title] => Like to Share magazine: Pseudonimisering leerlinggegevens: pseudo-veiligheid? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => like-to-share-magazine-pseudonimisering-leerlinggegevens-pseudo-veiligheid-2 [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-03-23 16:29:31 [post_modified_gmt] => 2017-03-23 15:29:31 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=10112 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [19] => WP_Post Object ( [ID] => 10070 [post_author] => 2 [post_date] => 2017-03-23 11:20:31 [post_date_gmt] => 2017-03-23 10:20:31 [post_content] => In de Kamerbrief van 17 oktober 2016 zetten de minister en staatssecretaris van OCW hun nieuwe beleid omtrent de fusietoets uiteen. Het behelst een aanmerkelijke versoepeling van de huidige wet- en regelgeving, met name voor scholen- en besturenfusies in gebieden met leerlingendaling. Zo wordt gefaciliteerd dat binnen een breder bestuurlijk verband kleine scholen onder de opheffingsnorm open kunnen blijven door gebruik te maken van de gemiddelde schoolgrootte. Achtergrond Er is al lange tijd veel kritiek op de huidige fusietoets. Deze draagt niet altijd bij aan het behoud van (kleinschalig) onderwijs en vormt een belangrijk obstakel voor het aangaan van (noodzakelijke) fusies in gebieden met leerlingendaling. Om de fusietoets te ontwijken zijn alternatieve samenwerkingsvormen ontstaan. Ik verwijs naar ons artikel over bestuurlijke samenwerkingsvormen in het funderend onderwijs in deze nieuwsbrief. Soms kan worden gesproken van pseudo-fusies die mogelijk niet gewenst zijn vanuit de optiek van leerlingen/studenten, ouders en leerkrachten/docenten. Een fusie van scholen of besturen is soms de enige manier om een kwalitatief, bereikbaar en gevarieerd onderwijsaanbod voor leerlingen te behouden. Nu wordt nagenoeg iedere fusieaanvraag onderworpen aan dezelfde zware inhoudelijke procedure. Dat is onnodig en inefficiënt. Zorgplicht voor de menselijke maat Er komt een algemene zorgplicht voor de menselijke maat in het onderwijs. Dit wordt een inspanningsverplichting voor het bevoegd gezag om ervoor te zorgen dat de school, locatie of opleiding een plek is waar je je thuis kunt voelen. Het onderwijs moet voor de leerling/student herkenbaar, toegankelijk en overzichtelijk zijn ingericht. Het aanbod van onderwijs in de regio moet dekkend, voldoende gevarieerd en toegankelijk zijn. De wijze waarop de menselijke maat wordt ingevuld wordt verantwoord in het schoolplan (po en vo) en geïntegreerd jaardocument (mbo), waarbij de medezeggenschap een adviesbevoegdheid krijgt. De menselijke maat wordt expliciet onderdeel van de fusie-effectrapportage ("fer") ten aanzien waarvan de medezeggenschap instemmingsrecht heeft. Lichte en zware toets In het voorstel van OCW komen fusies met een beperkte omvang in aanmerking voor een lichte toets door DUO. Dit goedkeuringstraject kan in vier weken worden afgerond. In het fusietraject wordt het zwaartepunt verlegd naar de instemming van de medezeggenschap, de raadpleging van ouders en lokaal draagvlak. Alleen fusies die gezien hun omvang een groter risico vormen voor de menselijke maat, legitimiteit en keuzevrijheid ondergaan een zware inhoudelijke toets door een onafhankelijke adviescommissie. De bestaande Commissie Fusietoets Onderwijs ("CFTO") wordt niet genoemd en reageert dat zij met deze adviescommissie wel zal zijn bedoeld. Voor het mbo kan dat eventueel de Commissie macrodoelmatigheid mbo zijn, stelt de Kamerbrief van 17 oktober 2016. Voor de zware inhoudelijke toets worden kwantitatieve grenzen gesteld. Voorbeeld: bestuurlijke fusies waarbij meer dan 30 scholen voor po of meer dan 10 scholen voor vo betrokken zijn worden door de adviescommissie beoordeeld. Dit geldt overigens ook voor álle bestuurlijke fusies in het mbo. Er wordt een uitzondering gemaakt voor bestuurlijke fusies in het po en vo waarbij een bestuur met slechts één school zich aansluit bij een groter bestuur of waarbij het marktaandeel na fusie <5% hoger is dan het marktaandeel van het grootste bestuur. Ook hiervoor geldt in beginsel de lichte DUO-toets. De fer zal als hoeksteen van het fusieproces verplicht blijven voor alle fusies in het onderwijs. Aanpassing wet- en regelgeving De zorgplicht voor de menselijke maat in het onderwijs vereist een wetswijziging. Maar het merendeel van de voorstellen kan snel worden doorgevoerd door aanpassing van de beleidsregel Fusietoets in het onderwijs. Het algemeen overleg met de Tweede Kamer hierover stond gepland voor 18 januari 2017, maar is verplaatst naar een nog onbekend tijdstip. Bij fusievoornemens is het niettemin van belang om wel al rekening te houden met de nieuwe voorstellen. Vragen? Heeft u vragen over de fusietoets onderwijs en de toepassing daarvan gezien de Kamerbrief van 17 oktober 2016? Neem dan contact op met de advocaten van het team onderwijs. Maart 2017 [post_title] => Versoepeling fusietoets [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => versoepeling-fusietoets [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-03-23 14:15:46 [post_modified_gmt] => 2017-03-23 13:15:46 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=10070 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [20] => WP_Post Object ( [ID] => 10037 [post_author] => 2 [post_date] => 2017-03-22 14:53:02 [post_date_gmt] => 2017-03-22 13:53:02 [post_content] => Door dalende leerlingenaantallen staat het onderwijsaanbod onder druk. De krimp vraagt om oplossingen zoals een fusie tussen scholen, een besturenfusie of samenwerking met een andere organisatie voor onderwijs, kinderopvang of zorg. De Kamerbrief van 11 november 2016 zet de mogelijkheden en risico's van bestuurlijke samenwerkingsvormen op een rij. Bestuurlijke samenwerking Schoolbesturen gaan steeds intensiever samenwerken met andere schoolbesturen, maar ook met organisaties voor kinderopvang of zorg. De motieven om samen te werken zijn onder meer schaalvoordeel, een inclusief aanbod of een bepaalde vorm van doorzettingsmacht. Kernboodschap van de Kamerbrief van 11 november 2016 is dat de verantwoordelijkheid in de eerste plaats ligt bij de schoolbesturen om een verantwoorde en professionele afweging te maken welke samenwerkingsvorm het beste past bij het beoogde doel van de bestuurlijke samenwerking en om daarbij de positie en verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag en de mogelijke risico's scherp in de gaten te houden. (G)een nieuwe juridische entiteit? Binnen de wettelijke kaders zijn er (grofweg) vier samenwerkingsvormen toegestaan. De holding, federatie en de coöperatie zijn samenwerkingsvormen waarbij de deelnemende (school)besturen gezamenlijk een nieuwe rechtspersoon oprichten om de samenwerking vorm te geven. Daarnaast kan de samenwerking worden vorm gegeven door een personele unie te realiseren. Bij een personele unie bestaat de verbinding tussen organisaties er uit dat zij worden bestuurd door dezelfde personen. In de praktijk komen personele unies, federaties en coöperaties regelmatig voor. De holding wordt steeds meer overwogen, maar vormt nog een uitzondering. Gradaties van samenwerking Het label van een samenwerkingsconstruct, zoals 'holding', zegt nog weinig over de intensiteit van de samenwerking. Volgens de staatssecretaris is doorslaggevend in hoeverre verantwoordelijkheden van de deelnemende besturen zijn overgedragen aan een centrale entiteit alsook of, en in hoeverre, de deelnemende besturen nog in staat zijn om hun eigen bestuurlijke verantwoordelijkheid autonoom in te vullen. Het gaat niet alleen om hoe de samenwerking er op papier uitziet, maar tevens hoe deze in de praktijk functioneert. De risico's Wanneer een schoolbestuur deel uitmaakt van een bestuurlijke samenwerkingsvorm gelden nog steeds alle wettelijke bepalingen over de inrichting van de eigen organisatie. In de Kamerbrief van 11 november 2016 wijst de staatssecretaris op de volgende risico's. - autonomie schoolbestuur Ten eerste dient het schoolbestuur zijn autonomie tebewaken. Een samenwerkingsvorm waarbij de deelnemende schoolbesturen per definitie zijn gebonden aan de besluiten van een koepelstichting is niet toegestaan. - intern toezicht en medezeggenschap Er moet bij het schoolbestuur een scheiding zijn tussen het bestuur en het intern toezicht. Het is niet toegestaan om het intern toezicht te vervangen voor een orgaan op het niveau van de bestuurlijke samenwerkingsvorm. Ook de verplichting om een eigen medezeggenschapsorgaan te hebben en de advies- en instemmingsrechten van dat orgaan blijven van kracht. Het is en blijft de taak van het schoolbestuur om zorg te dragen voor een goed functionerende medezeggenschap, zodat leraren, ouders en leerlingen in de praktijk niet buitenspel komen te staan bij belangrijke beslissingen. - transparantie Samenwerking met andere (school)besturen kan onduidelijkheid opleveren over de (bestuurs)structuur van de organisatie. Het moet volgens de staatssecretaris voor alle betrokkenen binnen en buiten de organisatie volkomen transparant zijn wie binnen de samenwerkingsvorm welke verantwoordelijkheid heeft. De staatssecretaris geeft aan dat hier aandacht aan kan worden besteed in de schoolgids en dat er in het jaarverslag over gerapporteerd kan worden. - continuïteit van het onderwijs Specifiek voor de bestuurlijke samenwerking van een schoolbestuur met een organisatie voor kinderopvang of zorg geldt dat aandacht moet worden besteed aan het financiële risico. Samenwerking biedt geen garantie dat de onderwijsactiviteiten niet geraakt zullen worden wanneer de kinderopvang of zorg in financieel zwaar weer komt. Bij een faillissement is het niet zeker dat de verschillende rechtspersonen ook daadwerkelijk als verschillende organisaties worden beschouwd. - belangenverstrengeling Verder wijst de staatssecretaris op eventuele (schijn van) belangenverstrengeling. Dit geldt met name voor de bestuurders van personele unies. Een bestuurder moet altijd handelen in het belang van de rechtspersoon. Dit zal lastig zijn wanneer hij meerdere rechtspersonen bestuurt (in hetzelfde voedingsgebied), aangezien de belangen daarvan kunnen botsen. Tenslotte De staatssecretaris wijst erop dat het bevoegd gezag te allen tijde zijn bevoegdheden en verantwoordelijkheden in volle omvang moet kunnen waarmaken en geen onverantwoorde risico's moet aangaan. Zijn zorg is dat schoolbesturen zich bij het vormgeven van een samenwerking niet altijd volledig bewust zijn van de risico's. Een goede juridische en financiële structuur is daarom van essentieel belang om een samenwerking vorm te geven dusdanig dat partijen elk aan hun eigen verantwoordingsverplichtingen kunnen blijven voldoen. Meer informatie Heeft u nog vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Nicole Niessen of Judith Wintgens. Zij zijn u graag van dienst. Maart 2017 [post_title] => Bestuurlijke samenwerkingsvormen in het funderend onderwijs [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => bestuurlijke-samenwerkingsvormen-in-het-funderend-onderwijs-2 [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-03-06 10:50:51 [post_modified_gmt] => 2018-03-06 09:50:51 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=10037 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [21] => WP_Post Object ( [ID] => 5906 [post_author] => 21 [post_date] => 2016-12-12 16:41:27 [post_date_gmt] => 2016-12-12 15:41:27 [post_content] => Een onderwijsstichting kan niet voldoen aan de vereisten voor de bekostiging (subsidie) van een nieuwe school. Volgens de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State (hierna: de Afdeling) neemt de staatssecretaris terecht het standpunt in dat de stichting niet ondubbelzinnig tot uitdrukking heeft gebracht van welke richting het onderwijs uitgaat. Gelet hierop heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de staatssecretaris) de berekening van het leerlingenpotentieel uitsluitend op het belangstellingspercentage voor de islamitische richting mogen  baseren. De Afdeling heeft op 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2542, de afwijzing bekrachtigd van een bekostigingsverzoek (subsidieverzoek) voor een nieuwe school. Afwijzing subsidieverzoek De staatssecretaris heeft bij besluit van 28 mei 2015 het verzoek van Stichting Islamitisch Onderwijs Amsterdam en omstreken (hierna: SIO) om een scholengemeenschap voor mavo, havo en vwo op islamitische en hindoeïstische grondslag voor bekostiging in aanmerking te brengen, afgewezen. De wet De staatssecretaris moet op grond van artikel 21 en 65 van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: Wvo) afwegen of de bekostiging van SIO met ingang van 1 augustus 2017 moet worden vastgesteld en verstrekt. Op grond van artikel 21, tweede lid, van de Wvo moet het bevoegd gezag in het maatschappelijk verkeer ondubbelzinnig tot uitdrukking brengen van welke richting(en) het onderwijs uitgaat en welk onderwijs leerlingen kunnen gaan volgen. De richting(en) van een school moet(en) zijn vastgelegd in de statuten van de rechtspersoon die de school in stand houdt. Daarnaast moet de school met een leerling-prognose aantonen dat de gewenste school naar verwachting zal worden bezocht door een voldoende aantal leerlingen van de beoogde richting(en). Zij moet dus redelijkerwijs aannemelijk maken dat zij voldoet aan de stichtingsnorm van artikel 65 Wvo. Redenen afwijzing SIO heeft op het prognoseformulier bij de richting van de gevraagde scholen islamitisch en hindoeïstisch ingevuld. De staatssecretaris wijst het verzoek af en legt hieraan ten grondslag dat de hindoeïstische richting niet bij het verzoek om bekostiging in aanmerking wordt genomen, omdat SIO in haar statuten niet ondubbelzinnig tot uitdrukking heeft gebracht van welke richting (naast de islamitische richting) het onderwijs uitgaat. De staatssecretaris voegt hieraan toe dat ook in de naam van SIO niet tot uitdrukking komt dat zij ook scholen van een andere richting dan de islamitische wil beheren. Daarnaast volgt uit de artikelen 4 en 5 van haar statuten dat de bestuursleden van SIO belijdend moslim moeten zijn. Gelet hierop heeft de staatssecretaris de berekening van het leerlingenpotentieel uitsluitend op het belangstellingspercentage voor de richting islamitisch onderwijs gebaseerd. Uitgaande van alleen die richting wordt voor geen van de gevraagde schoolsoorten (mavo, havo, vwo) aan de stichtingsnorm voldaan. Overwegingen van de Afdeling Voor beantwoording van de vraag wat de richting van een bijzondere school is, kijkt de Afdeling in de eerste plaats naar de statuten van de aanvragende stichting en de eventuele toelichting daarop. Volgens de doelstelling van SIO, zoals die is opgenomen in de statuten, stelt zij zich tot doel: "het scheppen van mogelijkheden tot onderwijs op islamitische grondslag en/of op grondslag van andere geloofsovertuigingen". Hierbij worden onder andere de Protestants-Christelijke grondslag, de Rooms-Katholieke grondslag, de interconfessionele grondslag, en de Hindoeïstische grondslag genoemd. Vervolgens neemt de Afdeling ook in aanmerking dat volgens haar statuten de bestuursleden van SIO belijdend moslim moeten zijn. Dit vereiste is volgens de Afdeling in tegenspraak met de statutaire doelstellingen, namelijk dat SIO naast onderwijs op islamitische grondslag, ook onderwijs op grondslag van andere richtingen (waaronder de hindoeïstische) wil aanbieden. Volgens de Afdeling heeft de staatssecretaris bij zijn beoordeling van het verzoek om bekostiging terecht de statuten in hun geheel beoordeeld. Mede door haar naam afficheert SIO zich als een school die uitsluitend uitgaat van de islamitische richting, terwijl het verzoek om bekostiging ziet op onderwijs uitgaande van de islamitische en hindoeïstische richtingen. Conclusies Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat in een bekostigingsverzoek op grond van de Wvo alle onderwijsrichtingen van de nieuwe school vermeld moeten worden. Ik verwijs hiervoor naar een eerder door ons becommentarieerde uitspraak in de zaak van Stichting Tjalling Koopmans College. In de uitspraak ten aanzien van SIO maakt de Afdeling duidelijk dat de voorgenomen richting(en) bovendien ondubbelzinnig tot uitdrukking dienen te komen in de statuten en naam van de aanvragende onderwijsstichting. Vragen? Wilt u meer informatie over dit onderwerp, neem dan contact op met Anique van de Kerkhof. U kunt uiteraard ook contact opnemen met een van de andere advocaten van ons team onderwijs.   [post_title] => Geen subsidie: richting school moet ondubbelzinnig zijn [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => geen-subsidie-richting-school-moet-ondubbelzinnig [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-12-12 16:41:27 [post_modified_gmt] => 2016-12-12 15:41:27 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=5906 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [22] => WP_Post Object ( [ID] => 6028 [post_author] => 21 [post_date] => 2016-12-22 09:30:14 [post_date_gmt] => 2016-12-22 08:30:14 [post_content] => De invoering van de WWZ heeft ertoe geleid dat met name in het primaire onderwijs overeenkomsten met medewerkers met een tijdelijk dienstverband niet meer werden verlengd. Dit zorgt voor problemen bij vervangingen. De werkgevers en werknemers in het onderwijs hebben een verzoek ingediend voor een ministeriële regeling. Deze mogelijkheid wordt in de WWZ geboden. In de cao PO 2016-2017 werden al andere contractvormen ten behoeve van invalkrachten toegevoegd. Nu komt daar voor 2017 en 2018 de mogelijkheid bij dat schoolbesturen tijdens de maanden waarin er een grote kans is op griep (januari, februari en maart) voor ziektevervanging invalleerkrachten mogen inschakelen. Deze tijdelijke contracten tellen niet mee in de ketenregeling. Het aantal contracten voor een vervanger in de 'griepmaanden' is onbeperkt, mits ieder afzonderlijk contract voor maximaal 14 dagen wordt aangegaan. Schoolbesturen krijgen aldus de komende twee jaar extra ruimte om vervangers aan te stellen zonder dat dit zal leiden tot een vaste aanstelling. De ministeriële regeling wordt op korte termijn gepubliceerd. Vervolgens zal de Cao PO hierop worden aangepast. [post_title] => Ruimte voor vervangingen in het primair onderwijs [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => ruimte-voor-vervangingen-in-het-primair-onderwijs [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-04-05 15:43:14 [post_modified_gmt] => 2017-04-05 13:43:14 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=6028 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [23] => WP_Post Object ( [ID] => 5277 [post_author] => 2 [post_date] => 2016-11-08 13:05:48 [post_date_gmt] => 2016-11-08 12:05:48 [post_content] => De voorzieningenrechter te Roermond heeft op 21 oktober 2016 (ECLI:NL:RBLIM:2016:9166) geoordeeld dat het, tegen de wil van moeder, tijdelijk detacheren van een leerling bij een bovenschoolse voorziening onrechtmatig is en gelijk staat aan een verwijdering. Door te kiezen voor detachering, zo stelt de voorzieningenrechter, heeft de school aan moeder de mogelijkheid onthouden om in het kader van een verwijderingsprocedure door de Geschillencommissie passend onderwijs te laten toetsen of haar zoon op deugdelijke gronden niet meer tot het onderwijs op de school van inschrijving wordt toegelaten. Wat is er gebeurd? De leerling is in de periode van juni 2014 tot juni 2015 een aantal malen door de Stichting Citaverde College (hierna: de school) geschorst vanwege pesten, ongeoorloofd verzuim en gebruik van fysiek geweld tegen medeleerlingen. Daarna heeft hij op 5 februari 2016 een medeleerling lichamelijk letsel toegebracht, omdat hij dacht dat deze zijn vriendin probeerde af te pakken. Naar aanleiding van dit voorval is de leerling door de school voor twee dagen geschorst. In een hierop volgend gesprek laat de school aan de leerling en zijn moeder weten dat zij handelingsverlegen is. De school maakt kenbaar dat zij vanwege het incident de veiligheid van de andere leerlingen niet kan waarborgen. Afgesproken wordt dat de leerling zal worden aangemeld bij het Ondersteuningsloket van het Samenwerkingsverband passend onderwijs waartoe de school behoort om de juiste onderwijsbehoefte in beeld te brengen. Het Ondersteuningsloket heeft een rapport opgesteld waarin het de school adviseert extra begeleidingsmogelijkheden te verkennen. In een aanvullend advies wordt voorgesteld om de leerling tijdelijk te plaatsen bij de Bovenschoolse Zorgvoorziening (hierna: BZV). De school doet vervolgens aan moeder het voorstel om de leerling te detacheren bij de BZV waar hij een aangepast lesprogramma kan volgen. Indien de moeder niet meewerkt, zal de school de procedure voor verwijdering starten en de leerling schorsen tot de verwijdering definitief is. Uiteindelijk werkt moeder niet mee aan de plaatsing bij de BZV. Toch wordt de verwijderingsprocedure niet doorgezet. De school bericht moeder dat de leerling tijdelijk wordt geplaatst bij de BZV. De leerling blijft ingeschreven bij de school. Hij zit echter thuis. Wat vindt de rechter hiervan? Moeder vordert in kort geding om de school te veroordelen haar zoon weer toe te laten tot de lessen en andere onderwijsactiviteiten op de school van inschrijving. Nu de leerling al geruime tijd geen onderwijs heeft genoten is er volgens de voorzieningenrechter voldaan aan het vereiste van spoedeisend belang. Volgens de school is het besluit tot plaatsing van de leerling binnen de BZV geen verwijderingsbesluit. De leerling blijft namelijk ingeschreven bij de school en kan onderwijs volgen op de BZV. De ontzegging van de leerling tot de toegang tot de lessen en plaatsing binnen de BZV behoort volgens de school tot de bevoegdheid van de school om het onderwijs naar eigen bevinden in te richten. De voorzieningenrechter volgt de school niet in haar standpunt. Volgens de voorzieningenrechter heeft moeder gekozen voor het onderwijs zoals gegeven op de school. De school heeft tegen de wil van moeder de onderwijsvorm en de plaats waar dit gegeven wordt ingrijpend gewijzigd. Daarmee is de school buiten de normale kaders getreden van haar bevoegdheid om het onderwijs naar eigen inzichten in te richten. Daarbij komt, stelt de voorzieningenrechter, dat de school door zo te handelen aan moeder de mogelijkheid heeft onthouden om door de Geschillencommissie passend onderwijs te laten toetsen of haar zoon op deugdelijke gronden niet meer wordt toegelaten tot het reguliere onderwijs. Voor de voorzieningenrechter heeft de detachering het karakter van een verwijdering, die niet in overeenstemming is met artikel 14 van het Inrichtingsbesluit Wvo. De voorzieningenrechter wijst de vordering van moeder toe, nu het afsluiten van de leerling van het lesprogramma van de school zonder dat van een verwijderingsbesluit sprake is, onrechtmatig is. De leerling zal dus weer toegelaten moeten worden tot het onderwijs op de school. Is de Geschillencommissie passend onderwijs bevoegd? De BZV is geen 'school' waar ouders hun kinderen kunnen aanmelden. De school van herkomst meldt de leerling aan die binnen het reguliere lesprogramma niet goed gedijt. Een plaatsing bij de BZV is tijdelijk, tot maximaal 1 jaar. Dit staat beschreven in het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband passend onderwijs, het schoolondersteuningsprofiel en de schoolgids van de aangesloten scholen. De BZV geldt als een (weliswaar externe) voorziening van de school waar de leerling staat ingeschreven en ook na plaatsing bij de BZV blijft ingeschreven. In de kern is hier sprake van een geschil tussen de school en moeder over de noodzaak van de geboden extra ondersteuning in de vorm van een BZV plaatsing en of die plaatsing tegen de wil van moeder kan worden doorgezet. Alleen al hierom had in onze optiek de detachering wél aan de Geschillencommissie passend onderwijs ter toetsing kunnen worden voorgelegd. Bovendien pleegt de Geschillencommissie het besluit tot overplaatsing onder deze omstandigheden op één lijn te stellen met een (voorgenomen) besluit tot verwijdering. Het gaat immers om een andere locatie, een ander lesaanbod, met andere leerkrachten en andere leerlingen. Dit betekent dat de Geschillencommissie toetst of bij de (tijdelijke) overplaatsing van een leerling met een extra ondersteuningsbehoefte is voldaan aan alle vereisten voor een rechtmatige verwijdering, zoals het horen van de betrokken leraar of leraren, het doen van deugdelijk onderzoek naar het ontwikkelingsperspectief van de leerling en naar de voor de school resterende begeleidingsmogelijkheden. Ook dient een andere 'school' te zijn gevonden die bereid is de leerling toe te laten. Aannemelijk is dus dat het verzoek van moeder óók door de Geschillencommissie passend onderwijs in behandeling zou zijn genomen. Vragen? Heeft u vragen over passend onderwijs en de toelating en verwijdering van leerlingen, dan kunt u contact opnemen met Nicole Niessen en Anique van de Kerkhof van ons team onderwijs. [post_title] => "Detachering" leerling is verwijdering [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => detachering-leerling-is-verwijdering [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-11-08 13:05:48 [post_modified_gmt] => 2016-11-08 12:05:48 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=5277 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [24] => WP_Post Object ( [ID] => 4086 [post_author] => 21 [post_date] => 2016-07-20 13:36:41 [post_date_gmt] => 2016-07-20 13:36:41 [post_content] => Het wetsvoorstel Versterking bestuurskracht onderwijsinstellingen is op 14 juni jongstleden aangenomen in de Eerste Kamer en treedt naar verwachting op 1 augustus 2016 in werking. Daarnaast is het wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen 8 juni 2016 ingediend bij de Tweede Kamer. Tot slot heeft de minister een voorontwerp ter consultatie neergelegd voor een wetsvoorstel voor de invoering van een instemmingsrecht van de medezeggenschap in het funderend onderwijs op de hoofdlijnen van de begroting. Hierna komende de verschillende voorstellen aan bod. Wetsvoorstel versterking bestuurskracht onderwijsinstellingen Voor de belangrijkste punten van dit wetsvoorstel inzake bestuur en toezicht verwijs ik naar onze nieuwsbrief van februari dit jaar. Hier zal ik enkel nog ingaan op een enkele latere aanpassingen van het wetsvoorstel die door de wetgever zijn aangenomen. Aanvankelijk wilde het wetsvoorstel een meldingsplicht opleggen aan de raden van toezicht om de Inspectie tijdig te informeren over (mogelijke) risicovolle ontwikkelingen. Daartegen was dermate veel verzet dat een amendement is ingediend om deze meldplicht te schrappen. Dit is gelukt en de meldplicht is uit het wetsvoorstel verwijderd. Ten aanzien van het adviesrecht van de medezeggenschapsraad bij benoeming en ontslag van bestuurders heb ik eerder al aangegeven dat in mijn optiek onwenselijk is dat een negatief advies van de medezeggenschap leidt tot een opschorting van zes weken van het besluit tot benoeming, zoals opgenomen in het wetsvoorstel. Dit is helaas niet gewijzigd, zodat hiermee rekening moet worden gehouden bij de benoeming en het ontslag van bestuurders. De opschorting geldt overigens niet indien de medezeggenschapsraad tegen de onmiddellijke uitvoering van het besluit geen bedenkingen heeft. Een negatief advies zal echter in beginsel leiden tot opschorting. Als de medezeggenschapsraad desondanks geen bedenkingen heeft tegen de voorgenomen benoeming of het voorgenomen ontslag, dan zal dit derhalve expliciet uit het advies moeten blijken. Ingeval van een onenigheid tussen raad van toezicht en de medezeggenschap over de benoeming ligt het echter niet voor de hand dat de medezeggenschapsraad hiermee in zou stemmen. Wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen Daarnaast is in de nieuwsbrief van februari 2016 ook kort aandacht besteed aan het Wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen dat toen nog moest worden ingediend. Dit is op 8 juni jongstleden geschied. Met dit wetsvoorstel wordt een algemene regeling gegeven voor de instelling van bestuur en toezicht bij alle rechtspersonen en de aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders (in het wetsvoorstel commissarissen genoemd). Het Wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen is, afgezet tegen het consultatiedocument van ruim 2 jaar geleden, in belangrijke mate aangevuld. Zo geeft het thans naast een algemene regeling voor een raad van commissarissen bij alle rechtspersonen, en daarmee dus tevens bij verenigingen en stichtingen, ook een algemene regeling voor een monistisch bestuursmodel voor alle rechtspersonen. In een monistisch bestuursmodel zitten uitvoerende en niet-uitvoerende (derhalve toezichthoudende) bestuurders samen in de raad van bestuur (voor onderwijs: het college van bestuur). De taakverdeling moet statutair zijn vastgelegd. Het in het onderwijs voorkomend model van een raad van beheer met een algemeen en een dagelijks bestuur zal niet per definitie voldoen aan het monistisch model als opgenomen in dit wetsvoorstel. Dit is afhankelijk van de inhoud van statuten en reglementen van de instelling. Verder regelt dit wetsvoorstel de aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen voor alle rechtspersonen. Hiermee wordt ook voor commissarissen bij stichtingen en verenigingen een wettelijke basis gegeven voor aansprakelijkheid wegens onbehoorlijke taakvervulling. Tot slot wordt de ontslagmogelijkheid van bestuurders en commissarissen bij stichtingen door de rechter aanzienlijk uitgebreid. Voor een uitgebreidere toelichting op het Wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen verwijs ik naar de betreffende publicatie op onze site Instemmingsrecht medezeggenschap hoofdlijnen begroting Tot slot vestig ik graag kort de aandacht op het voorontwerp inzake de instemmingsbevoegdheid van de medezeggenschapsraad in het PO en VO op de hoofdlijnen van de jaarlijkse begroting. De consultatie van dit voorontwerp is op 6 juni jongstleden gesloten. De bedoeling van het voorontwerp is onder meer de regelgeving op dit punt te harmoniseren met het beroepsonderwijs en het hoger onderwijs. In het hoger onderwijs is het instemmingsrecht vorig jaar ingevoerd met de Wet studievoorschot hoger onderwijs waarmee het sociaal leenstelsel is ingevoerd. De opbrengst van het studievoorschot van studenten is bedoeld voor kwaliteitsverbetering van het onderwijs en om die reden moesten studenten invloed krijgen op de besteding van onderwijsgelden. Het instemmingsrecht ziet enkel op de hoofdlijnen van de begroting en niet op de invulling van concrete begrotingsposten. Onder de hoofdlijnen verstaat de wetgever: de door het bestuur beoogde verdeling van de middelen voor het begrotingsjaar op basis van de verdeelprincipes ten aanzien van de beleidsterreinen: onderwijs, onderzoek, huisvesting en beheer, investeringen en personeel. Bij de behandeling van het wetsvoorstel versterking bestuurskracht is verzocht om het instemmingsrecht op de hoofdlijnen van de begroting ook voor de andere onderwijssectoren in te voeren. Na veel discussie in de Tweede Kamer is het resultaat dat met het wetsvoorstel bedoeld instemmingsrecht enkel voor het beroepsonderwijs zal worden ingevoerd, maar (nog) niet voor het funderend onderwijs. Thans ligt er alsnog een voorontwerp om ook voor het funderend onderwijs het instemmingsrecht in te voeren. Van de 51 reacties op het voorontwerp was het merendeel negatief. Het blijft vooralsnog dus afwachten of de minister het wetsvoorstel al dan niet in gewijzigde vorm zal indienen. Wij houden u op de hoogte. Meer weten? Voor vragen over de bestuurlijke (her)inrichting van uw onderwijsinstelling en/of samenwerkingsverband kunt u contact opnemen met Judith Wintgens of het team Onderwijs. Publicatie uit nieuwsbrief onderwijs juli 2016. Klik hier voor de nieuwsbrief. [post_title] => Bestuur, toezicht en medezeggenschap: update wetsvoorstellen [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => bestuur-toezicht-en-medezeggenschap-update-wetsvoorstellen [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-07-21 10:13:15 [post_modified_gmt] => 2016-07-21 10:13:15 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=4086 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [25] => WP_Post Object ( [ID] => 4003 [post_author] => 21 [post_date] => 2016-07-19 11:19:46 [post_date_gmt] => 2016-07-19 11:19:46 [post_content] => Vijf studenten die de nieuwe Bachelorstudie Medische Hulpverlening (BMH) volgen of volgden aan de Hogeschool Utrecht (HU) vorderen van de onderwijsinstelling schadevergoeding, omdat zij vertraging hebben opgelopen bij het doorlopen van hun studie en bij het vinden van een baan in hun werkveld. De studenten stellen dat deze vertraging het gevolg is van het ontbreken van een BIG-registratie voor de functies waarvoor wordt opgeleid, en dat de HU hiervan een verwijt treft. De HU had volgens de studenten bij de start van de opleiding, in 2010-2011, kunnen weten dat het ontbreken van een BIG-registratie tot deze vertraging zou leiden. Een BIG-registratie betekent dat iemand functioneel bevoegd is om bepaalde voorbehouden handelingen zelfstandig te verrichten. Met de start van de BMH is een nieuw beroep – de MH-er – in het medisch werkveld geïntroduceerd waarvoor die functionele bevoegdheid nog niet geldt. Destijds is de HU door de Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs gewezen op de wenselijkheid het traject van BIG-registratie in te zetten. Door de HU is in de procedure naar voren gebracht dat een BIG-registratie niet of slechts zeer beperkt noodzakelijk is voor het kunnen uitvoeren van een stage en het vinden van een passende baan. Volgens de HU hoefde zij er bovendien niet op bedacht te zijn dat het medische werkveld zich terughoudend zou opstellen tegenover het aanbieden van stageplaatsen aan bachelor medische hulpverleningsstudenten. Volgens de HU zou die terughoudende opstelling vooral terug te voeren zijn op de uitgebleven krapte op de arbeidsmarkt en de kosten die voor de instellingen aan stage zijn verbonden. De rechtbank oordeelt echter dat de studenten inderdaad studievertraging hebben opgelopen door onder meer het tekort aan stageplaatsen. Naar het oordeel van de rechtbank is in de procedure ook voldoende vast komen te staan dat het ontbreken van een BIG-registratie voor de studenten een belangrijke oorzaak was voor het tekort aan stageplaatsen. Het kan zijn dat ook andere factoren een rol speelden in de omstandigheid dat er onvoldoende stageplaatsen worden aangeboden, zoals bijvoorbeeld de krapte op de arbeidsmarkt. Maar dit neemt volgens de rechtbank niet weg dat uit de stellingen van partijen volgt dat "het (vooralsnog) ontbreken van een specifieke juridische inbedding" door de medische instellingen als een belangrijk argument wordt gebruikt voor het niet of in beperkte mate aanbieden van stageplaatsen. Volgens de rechtbank staat daarmee het causaal verband tussen het verwijt dat de studenten aan de HU maken en de studievertraging als gevolg van het ontbreken van de BIG-registratie in voldoende mate vast. De studenten krijgen op dit punt dan ook volledig gelijk. Waarbij de rechtbank expliciet overweegt dat één van de hoofdverplichtingen van de onderwijsovereenkomst is het in staat stellen van studenten om zonder noemenswaardige studievertraging de studie te kunnen afronden en in beginsel in aanmerking te komen voor de functies waarvoor de studie opleidt. Het tekort aan stageplaatsen in de beginfase van BMH zou inmiddels verholpen moeten zijn, nu op verzoek van de HU de Minister van VWS bij besluit van 6 augustus 2014 heeft besloten om bij wijze van experiment aan de MH-er tijdelijk bepaalde zelfstandige bevoegdheden toe te kennen als zijnde BIG-geregistreerd. Heeft u vragen over deze uitspraak of over het aansprakelijkheidsrecht in zijn algemeenheid, dan kunt u contact opnemen met ons team onderwijs of het team proces & aansprakelijkheid. Publicatie uit nieuwsbrief onderwijs juli 2016. Klik hier voor de nieuwsbrief. [post_title] => Hogeschool aansprakelijk voor studievertraging door tekort stageplaatsen [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => hogeschool-aansprakelijk-voor-studievertraging-door-tekort-stageplaatsen [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-07-19 13:22:10 [post_modified_gmt] => 2016-07-19 13:22:10 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=4003 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [26] => WP_Post Object ( [ID] => 3989 [post_author] => 21 [post_date] => 2016-07-19 07:50:27 [post_date_gmt] => 2016-07-19 07:50:27 [post_content] => Op 23 mei 2016 heeft de Geschillencommissie passend onderwijs (hierna: de Commissie) geadviseerd over het verzoek om een tijdelijke terugplaatsing van een leerling na het speciaal onderwijs na een mislukte proefplaatsing op een school voor regulier onderwijs. De leerling is bekend met een autisme spectrum stoornis alsmede een lees- en rekenstoornis. Hij volgde onderwijs op een school voor voortgezet speciaal onderwijs (hierna: vso), cluster 4 (voor kinderen met ernstige gedragsstoornissen en psychiatrische problematiek). Door diverse omstandigheden kwam hij niet tot leren en wilde regulier onderwijs gaan volgen. Hiervoor zou hij gedurende zes weken op basis van een proefplaatsing naar een school voor regulier onderwijs gaan. De leerling bleef echter ingeschreven staan bij de vso cluster 4-school. Kort na de start van de proefplaatsing ging het mis en heeft de leerling zich ziek gemeld, om vervolgens niet meer naar school te gaan. Hierna hebben de ouders aan de school van herkomst verzocht om de leerling weer toe te laten, aangezien de proefplaatsing mislukt was. Dit zou een tijdelijke toelating zijn, aangezien de leerling kort daarna zou starten op een school voor speciaal onderwijs, cluster 2 (voor dove en slechthorende kinderen en kinderen met een communicatieve beperking). De oude school liet de leerling niet toe, maar voorzag wel in onderwijs op afstand. De school stelt zich op het standpunt dat zij zich heeft ingespannen om, overeenkomstig de wens van de leerling en zijn ouders, voor de leerling een plek binnen het regulier onderwijs of weinig later op een cluster 2-school te realiseren. Ook heeft zij er na de mislukte proefplaatsing voor gezorgd dat de leerling thuis onderwijs kreeg, hetgeen in haar optiek het beste was voor de leerling. Overwegingen Commissie De Commissie beoordeelt de vraag of de school mocht weigeren de leerling toe te laten na de mislukte proefperiode. De Commissie stelt dat de school van herkomst waar de leerling staat ingeschreven, gedurende een proefplaatsing verantwoordelijk blijft voor haar leerling. Uitgangspunt na een mislukte proefplaatsing is derhalve dat de school van herkomst voor de betreffende leerling het onderwijs weer verzorgt. De Commissie acht in deze zaak relevant dat de ouders de school van herkomst voor hun zoon al langere tijd niet geschikt vonden en hem daar weg wilden hebben. In dat kader is voor hun zoon regulier onderwijs geprobeerd in de wetenschap dat al snel ook de weg naar cluster 2 onderwijs kon worden ingeslagen. De vraag of de leerling na zijn afscheid van de school nog kon terugkeren, heeft de school laten beoordelen door deskundigen van het samenwerkingsverband passend onderwijs. Het advies was dat de leerling niet geheel of gedeeltelijk terug moest keren naar de oude school. Dit zou zich niet verdragen met zijn ondersteuningsbehoefte en zou een contraproductief effect kunnen hebben op zijn ontwikkeling. De Commissie acht de beslissing van de school redelijk omdat gebleken is dat de school verschillende relevante aspecten heeft afgewogen, waaronder het feit dat het om een overbruggingsperiode ging. Bovendien stond vast dat de ouders van de leerling geen permanente terugkeer nastreefden. De Commissie oordeelt dat de school aan haar zorgplicht heeft voldaan en verklaart het verzoek dan ook ongegrond. Vragen? Heeft u vragen over de toelating en verwijdering van leerlingen? Neem dan contact op met Nicole Niessen en Anique van de Kerkhof van het team onderwijs. Publicatie uit nieuwsbrief onderwijs juli 2016. Klik hier voor de nieuwsbrief. [post_title] => Na proefplaatsing niet terug naar oude school [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => na-proefplaatsing-niet-terug-naar-oude-school [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-07-20 09:29:24 [post_modified_gmt] => 2016-07-20 09:29:24 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=3989 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [27] => WP_Post Object ( [ID] => 3988 [post_author] => 21 [post_date] => 2016-07-19 07:43:19 [post_date_gmt] => 2016-07-19 07:43:19 [post_content] => Medio juni zag het onderhandelaarsakkoord voor een nieuwe cao mbo het licht. Op 29 juni 2016 heeft de sectorraad middelbaar beroepsonderwijs van de Algemene Onderwijsbond ingestemd met dat akkoord. De cao mbo 2016-2017 (hierna: cao mbo) is daarmee een feit en gaat in op 1 juli 2016 en loopt tot 1 oktober 2017. De meest opmerkelijke wijzigingen vanuit arbeidsrechtelijk perspectief worden in deze bijdrage op een rij gezet. Keten tijdelijke arbeidsovereenkomsten De ketenregeling in de Wet Werk en Zekerheid (artikel 7:668a BW) is onder de cao mbo onverkort van toepassing. Dat betekent dat maximaal drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd mogen worden afgesloten met een maximale gezamenlijke looptijd van in totaal 24 maanden, waarbij tussenpozen tot maximaal zes maanden worden inbegrepen. Enkel voor de Leraar in Opleiding (LIO) en de docent die nog niet volledig voldoet aan bekwaamheidseisen op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs gelden uitzonderingen. De LIO is werkzaam op basis van een leerarbeidsovereenkomst (niet: arbeidsovereenkomst). De arbeidsovereenkomst met de (zij-instromende) docent in opleiding, traject Pedagogisch Didactisch Getuigschrift of verkorte lerarenopleiding, kan onder strikte voorwaarden tot maximaal tweemaal één jaar worden verlengd. Ontslag via UWV of kantonrechter Onder de oude cao was de Commissie van Beroep bevoegd om kennis te nemen en te adviseren over ontslagkwesties. Onder de cao mbo is het reguliere ontslagrecht van toepassing. Dit houdt in dat de werkgever zich tot het UWV dient te wenden in geval van een ontslag wegens bedrijfseconomische redenen (a-grond) of langdurige arbeidsongeschiktheid (b-grond). De kantonrechter is bevoegd bij persoonlijke ontslagmotieven zoals disfunctioneren (d-grond) of een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond). De Commissie van Beroep blijft wel bevoegd om kennis te nemen van besluiten die zien op maatregelen die niet direct een ontslag tot gevolg hebben, zoals een disciplinaire maatregel of het (in)direct onthouden van bevordering. Reorganisaties in het mbo De nieuwe cao mbo definieert de term reorganisatie en geeft daarmee de ondernemingsraad een grotere rol dan onder de oude cao. In de oude cao was wel al het zogeheten reorganisatieoverleg geregeld: de werkgever was verplicht om met de vakbonden in overleg te treden indien er een voornemen voor reorganisatie, fusie of splitsing bestond. In de nieuwe cao kan de werkgever geen ontslagen effectueren op grond van bedrijfseconomische redenen indien er geen reorganisatieoverleg heeft plaatsgevonden. Voor de definitie van "reorganisatie" wordt tot op zekere hoogte aansluiting gezocht bij artikel 25 van de Wet op de Ondernemingsraden. Er is sprake van een reorganisatie indien er – kort samengevat – sprake is van een beëindiging van de werkzaamheden, een belangrijke krimp of uitbreiding, of als er sprake is van wijziging van de werkzaamheden, de locatie, de organisatie of onderlinge bevoegdheden binnen de instelling. Daarnaast is er sprake van een reorganisatie indien er een einde komt aan duurzame samenwerkingsverbanden met andere instellingen. Indien er belangrijke technologische voorzieningen wijzigen is er tot slot ook sprake van een reorganisatie indien dat directe gevolgen heeft voor de personele bezetting. Sociale zekerheid De cao mbo corrigeert de versobering van de WW-uitkering in opbouw en duur. In totaal heeft de werknemer in ieder geval recht op maximaal 72 maanden WW. Dit WW-recht kan voor oudere werknemers nog langer doorlopen. De WW voor het mbo is opgedeeld in vier elementen: publiek, privaat, aansluitend en extra aansluitend. De eerste 24 WW-maanden zijn een publieke WW-uitkering. Onder de cao mbo blijft de werknemer recht houden op maximaal 38 maanden WW volgens de oude regels van opbouw (1 maand per arbeidsjaar). Dit derde WW-jaar is de private WW-uitkering. Daarnaast wordt de WW aangevuld tot maximaal 75% van het laatst verdiende loon gedurende de eerste zes maanden van werkloosheid. Vervolgens bestaat gedurende maximaal 18 maanden recht op een aanvulling tot 70% van het laatst verdiende loon. Voor het derde WW jaar geldt een maximering van de aanvulling tot 70% van het laatst verdiende loon, met als bovengrens einde schaal 12 (LD). Na afloop van de WW bestaat een aansluitende uitkering ter hoogte van 70% van het laatst verdiende loon met als bovengrens einde schaal 11 (LC). De opbouw komt neer op één maand per gewerkt jaar in het onderwijs, met een maximum van 34 maanden. De aansluitende uitkering is van toepassing op werknemers die meer dan vijf jaar in het onderwijs hebben gewerkt. Indien de werknemer in de periode vanaf 10 jaar voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd na afloop van de aansluitende uitkering nog niet de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, bestaat er een recht op een extra aansluitende uitkering tot de AOW-gerechtigde leeftijd. De werknemer moet ten minste 15 jaar in het onderwijs hebben gewerkt. De hoogte van de uitkering is 70% van het laatst verdiende loon, gemaximeerd tot 130% van het wettelijk minimumloon. Nieuwe baan WW-gerechtigde De werknemer die de private WW-uitkering of de aansluitende uitkering ontvangt en die een nieuwe dienstbetrekking aangaat voor een lager loon dan het laatstverdiende loon, heeft recht op loonsuppletie. De loonsuppletie is gelijk aan het verschil tussen oud en nieuw loon. De loonsuppletie eindigt wanneer de werknemer geen recht meer heeft op de (verlengde) WW-uitkering. Geen bindingstoelage meer De werknemer die benoemd is in een functie met carrièrepatroon LB, LC, LD en LE en die vanaf 1 januari 2009 gedurende vijf jaar bezoldigd werd volgens het maximumsalaris van zijn functie of hoger, had onder de oude cao recht op een bindingstoelage, tenzij uit een beoordeling zou blijken dat er sprake was van onvoldoende functioneren. Doelstelling hiervan was om de werknemer duurzaam te verbinden aan de mbo-instelling. Al uit de considerans van de vorige cao kon worden afgeleid dat de bindingstoelage een tijdelijk karakter had, omdat de beschikbare middelen uit het Convenant Leerkracht van Nederland niet duurzaam dekkend zouden zijn. Uit het onderhandelaarsakkoord voor de nieuwe cao mbo volgt dat de bindingstoelage niet meer zal worden toegepast op nieuwe instromers per 1 augustus 2016. Werknemers die al onder de bindingstoelage vielen, behouden hun rechten. Naast bovenvermelde wijzigingen vinden er ook loonsverhogingen plaats waarbij eenmalige uitkeringen worden verstrekt. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de nodige overgangsregelingen in het kader van de sociale zekerheid en zullen er nadere eisen worden gesteld aan de re-integratie van zieke werknemers. De cao mbo zal tot slot specifiek aandacht besteden aan de zogeheten participatiebanen. Vragen? Voor vragen over de cao's en voor juridische ondersteuning bij het vormgeven van een personeelsbeleid passend bij uw organisatie, kunt u contact opnemen met Andries Houtakkers en Gilles Raaijmakers. Publicatie uit nieuwsbrief onderwijs juli 2016. Klik hier voor de nieuwsbrief. [post_title] => De nieuwe cao mbo [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => de-nieuwe-cao-mbo [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-07-19 13:21:52 [post_modified_gmt] => 2016-07-19 13:21:52 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=3988 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [28] => WP_Post Object ( [ID] => 3987 [post_author] => 21 [post_date] => 2016-07-19 07:27:15 [post_date_gmt] => 2016-07-19 07:27:15 [post_content] => Om het vrij verkeer van personen tussen de lidstaten eenvoudiger te maken, heeft de Europese Unie (EU) regelingen getroffen rondom het erkennen van diploma's. Per 1 januari 2016 zijn deze gewijzigd. Aanvankelijk gold voor de erkenning van bepaalde gekwalificeerde beroepen EU richtlijn 2005/36. Per 2016 is in navolging daarvan de EU richtlijn 2013/55 geïmplementeerd in de nationale wetgeving. De nieuwe richtlijn beoogt de werking van zijn voorganger te verbeteren, waardoor het makkelijker zou moeten worden bepaalde gekwalificeerde beroepen in een andere EU-lidstaten uit te oefenen. Een gekwalificeerd beroep houdt in dat degene die dit beroep uitoefent zijn kwalificatie hiertoe kan staven door een opleidingstitel, een bekwaamheidsattest of beroepservaring. Aangezien opleidingen tussen EU-lidstaten verschillen, verschillen ook de daaraan verbonden opleidingstitels. Nu een belangrijke doestelling van de EU het vrij verkeer van personen en diensten is, is van belang dat er geen hinderpalen zijn die dit vrije verkeer belemmeren. Personen moeten de mogelijkheid hebben om als zelfstandige of werknemer een beroep uit te oefenen in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificaties werden verworven. Om die reden zijn specifieke regels noodzakelijk om de uitoefening van beroepswerkzaamheden op grond van de oorspronkelijke beroepstitel op ruimere schaal mogelijk te maken. De richtlijn ziet op deze wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties in de verschillende EU-lidstaten. In de praktijk blijken beroepsbeoefenaren geregeld problemen te ervaren bij de erkenning van beroepskwalificaties in een andere EU-lidstaat, bijvoorbeeld omdat er onduidelijkheid bestaat over welke documenten verlangd worden of over de inhoud daarvan. Met de nieuwe richtlijn zouden de huidige procedures voor het verkrijgen van een erkenning van beroepskwalificaties in een andere EU-lidstaat vereenvoudigd moeten worden. Een van de wijzigingen is de invoering van de Europese beroepskaart (European Professional Card, EPC). Het betreft geen echte kaart, maar een elektronisch bewijs dat de administratieve controles zijn uitgevoerd en dat de beroepskwalificaties zijn erkend door het land waar de werkzaamheden worden verricht. Na het succesvol doorlopen van de elektronische procedure, verkrijgt de betrokkene een zogenaamd EPC-certificaat met een referentienummer. De toekomstige werkgever kan dit referentienummer gebruiken om online na te gaan of de betreffende beroepskaart geldig is. Op dit moment is de beroepskaartprocedure alleen nog maar beschikbaar voor bepaalde beroepsgroepen. Het gaat om het beroep van algemeen verpleegkundige, apotheker, fysiotherapeut, berggids en onroerend goedmakelaar. Het voornemen is dat de EPC-procedure in de toekomst wordt uitgebreid naar andere gekwalificeerde beroepen. Deze procedure zou gemakkelijker, sneller en transparanter moeten zijn dan de traditionele erkenningsprocedures. Ook nieuw is dat als de overheid van het gastland niet binnen de wettelijke termijn beslist, de kwalificaties stilzwijgend worden erkend. Hoe lang deze termijn is, is afhankelijk van het beroep waar erkenning voor aangevraagd wordt en de erkenningsprocedure waar dat beroep onder valt. De periode verschilt van één maand tot enkele maanden. De betrokkene kan na het verstrijken van de toepasselijke termijn het EPC-certificaat aanmaken. Onze ervaring met de traditionele erkenningsprocedure is inderdaad dat beroepsbeoefenaren flinke hinder kunnen ondervinden bij hun registratie in de ontvangende lidstaat en dat termijnen vaak niet gehaald worden. De EPC-procedure kan hier mogelijk een positieve bijdrage aan leveren. Vanwege de eventuele risico’s die aan vereenvoudigde procedures zijn verbonden, wordt in richtlijn 2013/55 meer aandacht besteed aan de bescherming van de belangen van kwetsbare groepen, bijvoorbeeld patiënten en minderjarigen. Zo geldt er een waarschuwingsmechanisme bij een beroepsverbod dat is opgelegd aan - onder andere - beroepsbeoefenaren die werkzaam zijn in de zorgsector en kinderopvang. Hoe de informatie over beroepsbeoefenaren die disfunctioneren zal worden verspreid, dient zich nog verder uit te kristalliseren. Daarnaast komt er een separaat waarschuwingsmechanisme voor de situatie waarbij valse beroepskwalificaties worden gebruikt. Wilt u meer weten over deze nieuwe Europese regels of heeft u andere vragen over de erkenning van beroepskwalificaties over de grens? Neem dan contact op met Gilles Raaijmakers of Josanne Cox-Brinkman. Publicatie uit nieuwsbrief onderwijs juli 2016. Klik hier voor de nieuwsbrief. [post_title] => EU: nieuwe regels voor erkenning beroepskwalificaties [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => eu-nieuwe-regels-voor-erkenning-beroepskwalificaties [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-07-19 13:21:45 [post_modified_gmt] => 2016-07-19 13:21:45 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=3987 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [29] => WP_Post Object ( [ID] => 3469 [post_author] => 21 [post_date] => 2016-07-14 11:34:36 [post_date_gmt] => 2016-07-14 11:34:36 [post_content] => Op 27 april 2016 zag een onderhandelaarsakkoord voor een nieuwe cao voor het PO het licht. Op dit moment wordt de laatste hand gelegd aan de cao tekst. De cao PO 2016/2017 wordt op 1 juli 2016 van kracht. Wat omvat het akkoord? In het oog springen:
  • Voor het bijzonder onderwijs kunnen tijdelijke uitbreidingen, min-maxcontracten en bindingscontracten onderdeel uitmaken van het vervangingsbeleid. Bij het opstellen van het vervangingsbeleid wordt gewerkt in de volgorde van vast, vast/flexibel naar flexibel.
De min-maxcontracten worden opgenomen in de cao PO. Deze contracten zijn uitsluitend voor vervanging en kunnen worden aangegaan voor een verhouding van maximaal 1:2.5 (bijvoorbeeld 8-20 uur). In de cao PO wordt het bindingscontract (ten minste 1 uur contract) als nieuwe vorm opgenomen. Tijdelijke uitbreidingen van deze contractvorm worden uitsluitend ingezet voor onvoorziene en onplanbare vervanging. Een bindingscontract kan niet meer worden aangegaan na 30 september 2017. Bindingsuren worden tijd- en plaats-onafhankelijk ingevuld, niet aan lestaken gekoppeld en worden ingezet voor professionalisering/duurzame inzetbaarheid/teamactiviteiten. Het contract kent niet de verplichting gehoor te geven aan een oproep.
  • Er zal een herzien stelsel van bovenwettelijke uitkeringen (WOPO) worden afgesproken: "herstel 3e WW-jaar tot maximaal 38 maanden".
De aanvullende uitkering heeft een totale duur die gelijk is aan de herstelde WW. Gedurende de eerste zes maanden wordt de WW aangevuld tot 75% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag, daarna voor de resterende duur van de herstelde WW tot 70% van de ongemaximeerde grondslag. Voor ieder jaar onderwijsdiensttijd zoals beschreven in de Werkloosheidsregeling onderwijspersoneel (WOPO) wordt één maand aansluitende uitkering opgebouwd met een maximum van 38 maanden. De hoogte van de aansluitende uitkering is 70% van de gemaximeerde berekeningsgrondslag. Er is voorzien in een vangnet. De uitkeringsgerechtigde die op het moment van ontslag 10 jaar of minder voor zijn AOW-gerechtigde leeftijd  staat meteen onderwijsdiensttijd van minimaal 12 jaar, heeft na afloop van de aansluitende uitkering het recht op een extra aansluitende uitkering van 65% van de gemaximeerde berekeningsgrondslag tot aan de voor de persoon geldende AOW-gerechtigde leeftijd. Er is voorzien in een overgangsregeling WOPO bijzonder onderwijs. Voor het openbaar onderwijs zal de huidige WOPO-regeling met ingang van 1 juli 2016 op een aantal punten worden gewijzigd:
  • de WW wordt in duur en opbouw hersteld naar de oude situatie van maximaal 38 maanden;
  • de aanvullende uitkering wordt aangepast zoals in de WOPO-regeling geldend voor het bijzonder onderwijs in de nieuwe CAO, en
  • de aansluitende uitkering wordt niet meer begrensd op de leeftijd van 65 jaar, maar wordt aangepast aan de AOW-gerechtigde leeftijd. Voor deze groep geldt dat de hoogte van het vangnet tussen 65 jaar en het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd na afloop van de aansluitende uitkering 65% van de gemaximeerde berekeningsgrondslag betreft. De leeftijdscohorten uit bijlage XVI, artikel 7 verschuiven conform de wijzigingen AOW-gerechtigde leeftijd.
  • Voor de keten is in het bijzonder onderwijs een verruiming van 3 naar 6 contracten en van 24 naar 36 maanden overeengekomen.
De cao-partijen hebben deze verruiming van de wettelijke ketenregeling afgesproken voor werknemers die worden ingezet als vervanger van werknemers met lesgevende taken of met lesgebonden en/of behandeltaken die afwezig zijn. Voor het openbaar onderwijs geldt dat de ketenbepaling uit de huidige cao PO van kracht blijft. Onbeperkt korte tijdelijke vervangingen binnen drie jaar blijven mogelijk. Er is geen transitievergoeding bij ontslag verschuldigd.
  • Het openbaar onderwijs wordt via de cao PO niet aan de WWZ gebonden.
In het voorjaar van 2017 vindt een evaluatie plaats waarin de invulling van het vervangingsbeleid in de sector wordt onderzocht inclusief de verruiming van de nieuwe ketenbepaling en de effecten van het nieuwe WWZ-beleid.
  • Structurele salarisverhoging
De structurele salarisverhoging bedraagt 3,8%. Vragen? Voor vragen over de nieuwe onderwijscao's en voor juridische ondersteuning bij het vormgeven van een personeelsbeleid passend bij uw organisatie, kunt u contact opnemen met Andries Houtakkers. [post_title] => Nieuwe cao PO [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => nieuwe-cao-po [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-07-18 08:15:30 [post_modified_gmt] => 2016-07-18 08:15:30 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://31.3.97.74/~boelzander/?post_type=publicatie&p=3469 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [30] => WP_Post Object ( [ID] => 3264 [post_author] => 21 [post_date] => 2016-07-08 08:06:04 [post_date_gmt] => 2016-07-08 08:06:04 [post_content] =>

Op 18 mei 2016 is het concept wetsvoorstel pseudonimiseren van leerlinggegevens ten behoeve van de toegang tot en het gebruik van digitale leermiddelen gepubliceerd voor internetconsultatie.

Achtergrond De achtergrond hiervan is dat wanneer leerlingen digitale leermiddelen gebruiken, wat steeds meer voorkomt in het onderwijs, er persoonsgegevens worden  uitgewisseld tussen de onderwijsinstelling en de leverancier van leermiddelen. De regering stelt voor om bij deze uitwisseling voortaan gebruik te maken van een pseudoniem voor leerlingen. Het gebruik van een pseudoniem zou de privacy van leerlingen beschermen alsmede de toegang tot en het gebruik van digitale leermiddelen versimpelen.

Doel Het doel van het wetsvoorstel is het creëren van een pseudoniem voor leerlingen, gebaseerd op het persoonsgebonden nummer (PGN), dat gebruikt wordt in de uitwisseling tussen de onderwijsinstelling en de leveranciers, zodat de leerlingen toegang hebben tot de juiste digitale leermiddelen en deze ook kunnen gebruiken. Om het pseudoniem te kunnen baseren op het PGN, is het noodzakelijk deze doelbepaling voor het gebruik van het PGN wettelijk te verankeren. Er is sprake van één pseudoniem per leerling voor verschillende toepassingen van de onderwijsinstelling en haar leveranciers.

Leerresultaten zijn gevoelige persoonsgegevens De Autoriteit Persoonsgegevens ("AP") beschouwt leerresultaten van kinderen als gevoelige gegevens waaraan bovendien conclusies worden verbonden voor het latere maatschappelijke leven. Deze gegevens mogen niet zomaar met derden worden gedeeld. Het is bovendien belangrijk dat scholen zeggenschap houden over de gegevens van hun leerlingen en weten wat daarmee gebeurt. Scholen moeten weloverwogen keuzes maken voor specifieke gegevensverwerkingen, zodat zij ouders daarover kunnen informeren. Voor sommige verwerkingen is zelfs de toestemming van ouders vereist.

Pseunoniem is persoonsgegeven Volgens het conceptwetsvoorstel is een pseudoniem een unieke identiteit voor leerlingen die door elke leverancier kan worden gebruikt, zonder dat deze direct herleidbaar is tot specifieke leerlingen.

Alleen de onderwijsinstelling weet om welke leerling het gaat en niet de leverancier. Het risico van een koppeling tussen het pseudoniem en de betreffende leerling wordt daarmee geminimaliseerd, maar niet volledig weggenomen. Bij anonimisering van leerlinggegevens is die koppeling uitgesloten, maar het nadeel hiervan is dat leervorderingen niet kunnen worden bijgehouden. Het volgen van de leerling heeft voor zowel de leerling, de onderwijsinstelling als de leverancier belangrijke voordelen. Denk aan gerichte interventies om de leerling te ondersteunen en/of de verbetering van digitale leermaterialen.

Met de keuze voor een pseudoniem blijft er dus sprake van een persoonsgegeven en is de Wet bescherming persoonsgegevens van toepassing. De onderwijsinstelling zal daarom aan alle verplichtingen van de Wet bescherming persoonsgegevens moeten voldoen en de gegevens in ieder geval zorgvuldig moeten verwerken. Het betekent ook dat de meldplicht datalekken van toepassing is.

Meer weten? In de praktijk is er veel verwarring over het onderscheid tussen anonimiseren en pseudonimiseren. Dit geeft makkelijk vergissingen waardoor geheel onbedoeld een datalek kan ontstaan. Wij adviseren u daarom tijdig na te gaan of de keuze voor een bepaalde versleuteling van leerlinggegevens valt onder pseudonimiseren of anonimiseren, en hoe daarmee om te gaan in de verhouding onderwijsinstelling, leverancier en leerling/ouder. Voor vragen kunt u contact opnemen met Nicole Niessen.

8 juli 2016

[post_title] => Pseudonimiseren van leerlinggegevens [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => pseudonimiseren-van-leerlinggegevens [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-08-08 14:19:31 [post_modified_gmt] => 2017-08-08 12:19:31 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://31.3.97.74/~boelzander/?post_type=publicatie&p=3264 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [31] => WP_Post Object ( [ID] => 3468 [post_author] => 21 [post_date] => 2016-07-14 11:33:05 [post_date_gmt] => 2016-07-14 11:33:05 [post_content] => In zijn arrest van 3 juni 2016 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over de taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bijzondere bestuursrechter ten aanzien van een beslissing over (de hoogte van) het verschuldigde instellingscollegegeld. De Hoge Raad oordeelt dat hiervoor de bestuursrechtelijke procedure dient te worden gevolgd. Er is geen taak voor de burgerlijke rechter weggelegd. Achtergrond Bij wet van 4 februari 2010 (de Wet versterking besturing) is de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW) gewijzigd. Deze wijziging heeft er onder meer toe geleid dat de overheid het bekostigen van volgtijdige studies niet langer tot haar verantwoordelijkheid rekent. Een volgtijdige studie is een tweede studie nadat een eerste gelijkwaardige studie is afgerond. Voor deze studies brengen universiteiten niet het wettelijk collegegeld in rekening, maar het instellingscollegegeld. Het instellingscollegegeld wordt door het bestuur van iedere universiteit afzonderlijk jaarlijks vastgesteld in een vaststellingsbesluit en ligt aanzienlijk hoger dan het wettelijk collegegeld. In het jaar 2012/2013 bedroeg het instellingscollegegeld gemiddeld EUR 11.980,- per jaar, ten opzichte van het wettelijk collegegeld in dat jaar ad EUR 1.771,-. Procedure De Stichting Collectieve Actie Universiteiten (hierna: SCAU) komt volgens haar statutaire doelstellingen op voor de nadelen die(aspirant-)studenten ondervinden van genoemde wijziging van de WHW. De SCAU vordert in dit geding een verklaring voor recht dat de universiteiten het instellingscollegegeld op een te hoog bedrag vaststellen. De rechtbank heeft de SCAU niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen. Daartoe heeft zij overwogen dat SCAU in dit geding uitsluitend opkomt voor de belangen van (aspirant-)studenten. Voor deze studenten staat een met voldoende waarborgen omgeven bestuursrechtelijke rechtsgang open bij het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (hierna: CBHO). Deze rechtsgang volgt uit artikel 7.66 WHW. Dit betekent dat er geen taak voor de burgerlijke rechter resteert. Het hof heeft de SCAU wel ontvankelijk verklaard in haar vorderingen, voor zover zij opkomt voor de belangen van aspirant-studenten. Daartoe overwoog het hof dat door de geautomatiseerde inschrijvingsprocedure die universiteiten hanteren, aspirant-studenten gedwongen zijn eerst een onherroepelijk digitale machtiging tot incasso van het collegegeld af te geven, alvorens zij zich tot het CBHO kunnen wenden. In verband met het risico van het verschuldigd worden van het instellingscollegegeld, is de rechtsbescherming van aspirant-studenten niet toereikend. Het hof heeft tussentijds cassatieberoep opengesteld tegen zijn arrest. In cassatie bij de Hoge Raad staat de taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en bijzondere bestuursrechter ter discussie. Cassatieberoep De SCAU stelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de rechtsgang die voor (aspirant-)studenten openstaat bij het CBHO de gang naar de burgerlijke rechter uitsluit. De Hoge Raad echter overweegt dat de WHW voorziet in een eigen stelsel van rechtsbescherming voor studenten: eerst bezwaar en vervolgens beroep bij het CBHO. Het CBHO is een bij wet ingestelde onafhankelijke bestuursrechter die beslist in een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. Dit geldt voor studenten van openbare én bijzondere instellingen. Dat zijn instellingen die uitgaan van een privaatrechtelijke rechtspersoon, zoals de Vrije Universiteit, Radboud Universiteit en Tilburg University. De regeling van de WHW met betrekking tot inschrijving, toelating, verschuldigd (instellings)collegegeld én rechtsbescherming geldt onverkort voor de bijzondere universiteiten. Zij hebben niet de mogelijkheid van artikel 7.68 WHW benut om een eigen college van beroep bijzonder onderwijs in te stellen dat dezelfde bevoegdheid heeft als het CBHO. De burgerlijke rechter zal degene die bij hem opkomt tegen een beslissing waartegen beroep mogelijk is bij het CBHO, zoals de beslissing op bezwaar met betrekking tot (de mededeling van) het door de betrokken student verschuldigde instellingscollegegeld, niet-ontvankelijk dienen te verklaren oordeelt de Hoge Raad. Daarnaast stelt de SCAU dat de hoogte van het instellingscollegegeld niet naar behoren aan de orde kan worden gesteld bij het CBHO, omdat tegen de vaststelling als zodanig geen bezwaar en beroep openstaat. De Hoge Raad wijst in dit kader op de mogelijkheid om een algemeen verbindend voorschrift, zoals de vaststelling van het instellingscollegegeld, te toetsen indien dit ten grondslag is gelegd aan een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit. Dit is de zogeheten 'exceptieve toetsing', die ook door het CBHO wordt toegepast. Dit is volgens de Hoge Raad niet anders als wordt opgetreden ter behartiging van het algemeen belang van een onbepaalde groep personen, zoals in deze zaak: het belang van toegang van eenieder tot volgtijdig onderwijs. Tenslotte volgt de Hoge Raad niet het oordeel van het hof dat de rechtsbescherming die aspirant-studenten aan de WHW kunnen ontlenen, tekortschiet door de geautomatiseerde inschrijvingsprocedure die de universiteiten hanteren. Volgens de SCAU lopen aspirant-studenten daardoor het risico middels automatische incasso het instellingscollegegeld te moeten betalen nog voordat het CBHO uitspraak heeft gedaan. Maar volgens de Hoge Raad hebben de universiteiten terecht aangevoerd dat een beslissing over het verschuldigde collegegeld ook voorafgaand aan de inschrijvingsprocedure kan worden uitgelokt. Dit kan de aanstaande student doen door, alvorens zich (definitief) in te schrijven, aan het instellingsbestuur te vragen dat voor het desbetreffende studiejaar een ander bedrag verschuldigd zal zijn dan hetgeen als instellingscollegegeld is vastgesteld. Tegen de beslissing op dit verzoek kan de aspirant-student bezwaar en beroep instellen. Conclusie De conclusie luidt dat voor (aspirant-)studenten ten aanzien van beslissingen over (de hoogte van) het verschuldigde instellingscollegegeld, enkel de bestuursrechtelijke procedure van bezwaar en beroep openstaat. De civielrechtelijke weg is hiervoor gesloten. Dit is geen verassende uitkomst en men kan zich afvragen of de SCAU niet op voorhand kon weten dat zij een heilloze weg bewandelde door een civielrechtelijke procedure te starten. Niettemin leert de Hoge Raad ons in deze uitspraak (nogmaals) hoe de taken van de burgerlijke rechter en bestuursrechter zich tot elkaar verhouden: indien er een met voldoende waarborgen omkleden bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat, dient hiervan gebruik te worden gemaakt. De prangende vraag óf de gedagvaarde universiteiten het instellingscollegegeld op een te hoog bedrag vaststellen, zal de burgerlijke rechter dus niet beantwoorden. Wel geldt volgens vaste rechtspraak van het CBHO dat de instelling beleidsvrijheid heeft bij de vaststelling ervan en het instellingscollegegeld niet snel als onredelijk hoog wordt aangemerkt. Een vaak gebezigde formulering is dat er geen aanleiding bestaat te veronderstellen dat de hoogte van het instellingscollegegeld dat in rekening is gebracht op zichzelf genomen de grenzen van een als redelijk aan te merken wederprestatie voor toegang tot het onderwijs te buiten gaat. Meer weten? Voor vragen kunt u contact opnemen met Silvie Joosten en Nicole Niessen. [post_title] => Instellingscollegegeld: welke rechter is bevoegd? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => instellingscollegegeld-welke-rechter-is-bevoegd [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-07-14 11:40:48 [post_modified_gmt] => 2016-07-14 11:40:48 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://31.3.97.74/~boelzander/?post_type=publicatie&p=3468 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [32] => WP_Post Object ( [ID] => 4618 [post_author] => 2 [post_date] => 2016-09-23 06:58:57 [post_date_gmt] => 2016-09-23 04:58:57 [post_content] => In dit artikel, gepubliceerd in School en Wet september 2016, gaan onderwijsspecialist Nicole Niessen en privacyspecialist Floor de Roos dieper in op de meldplicht datalekken. Wanneer is er sprake van een datalek? Wat te doen bij een datalek? Wat kunnen de gevolgen zijn bij het niet juist handelen? En dat allemaal naar aanleiding van het bericht dat op vrijdagavond 15 juli op nu.nl verscheen: "Gegevens scholieren mogelijk op straat na datalek". [post_title] => De meldplicht datalekken in het onderwijs [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => de-meldplicht-datalekken-in-het-onderwijs [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-09-23 07:01:37 [post_modified_gmt] => 2016-09-23 05:01:37 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=4618 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [33] => WP_Post Object ( [ID] => 3028 [post_author] => 21 [post_date] => 2016-07-06 11:35:51 [post_date_gmt] => 2016-07-06 11:35:51 [post_content] =>

Sluit een intermediair die bemiddelt bij het vinden van leerwerkplekken voor leerlingen in het MBO die de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) volgen arbeidsovereenkomsten met de leerlingen die aan stageplaatsen worden geholpen? De Hoge Raad beantwoordt deze vraag in het arrest van 9 oktober 2015 in de zaak Logidex/SNCU.

Logidex/SNCU Partijen in deze zaak zijn Logidex en de SNCU.

Logidex bemiddelt voor leerlingen in het MBO bij het vinden van leerwerkplekken bij bedrijven in de logistieke sector. De leerlingen die Logidex bij bedrijven plaatst, volgen de bbl binnen het MBO, waarbij de leerling één dag in de week naar school gaat en vier dagen per week in een bedrijf werkt. MBO-leerlingen die de beroepsopleidende leerweg (bol) volgen, gaan vier dagen in de week naar school en werken één dag in een bedrijf.

De Stichting Naleving cao voor de Uitzendkrachten (SNCU) ziet toe op de correcte naleving van de cao’s voor de uitzendbranche en kan in dat kader (uitzend)werkgevers verzoeken bepaalde gegevens te verstrekken. Bij weigering kan de stichting de werkgever onder meer verplichten een boete te betalen.

Logidex ontvangt van de leerbedrijven een vergoeding voor door de geplaatste leerling verrichte arbeid en betaalt die leerlingen het minimumloon voor hun werkzaamheden. Daarnaast geeft Logidex leiding aan de leerlingen bij het leerbedrijf. Logidex houdt verder toezicht op de werkzaamheden, waarbij de leerbedrijven toestaan dat Logidex aanwijzingen en instructies geeft aan de leerlingen. Jegens de leerbedrijven bedingt Logidex naleving van de verplichtingen die op grond van de wet op een werknemer (en werkgever) rusten, draagt zorg voor aangifte en afdracht van loonbelasting en sociale premies, en betaalt tot slot ook door bij ziekte.

De plaatsing van de leerling kan worden beëindigd door de MBO-instelling, Logidex of het leerbedrijf zelf met inachtneming van een opzegtermijn.

Is Logidex een uitzendonderneming? De SNCU is van oordeel dat er sprake is van uitzendovereenkomsten tussen de bbl-leerlingen en Logidex, waardoor de Cao uitzendkrachten ABU van toepassing kan zijn tijdens perioden van algemeen verbindend verklaring. Daarom heeft zij Logidex verzocht om bepaalde gegevens te verstrekken waartoe Logidex verplicht kan worden op grond van de cao. Logidex heeft dit geweigerd, omdat zij van oordeel is dat zij niet kan worden beschouwd als een uitzendonderneming die met de leerlingen een arbeidsovereenkomst sluit. De SNCU gaat na aanmaningen over tot het opleggen van een boete ter hoogte van EUR 100.000,- aan Logidex.

In deze procedure vordert Logidex een verklaring voor recht dat zij niet kan worden beschouwd als een uitzendonderneming en dat zij dus niet gebonden is aan de Cao uitzendkrachten ABU. De SNCU heeft op haar beurt als tegenvordering betaling van de opgelegde boete geëist.

De eerste vraag die moet worden beantwoord, is of Logidex met de leerlingen arbeidsovereenkomsten sluit in de zin van artikel 7:610 BW. Als er namelijk geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, kan er op grond van artikel 7:690 BW ook geen sprake zijn van een uitzendovereenkomst. Het antwoord op de vraag of Logidex aan de Cao uitzendkrachten ABU is gebonden, kan alleen bevestigend luiden als er sprake is van een uitzendovereenkomst.

Kantonrechter en hof: arbeidsovereenkomst Volgens de kantonrechter en het hof is er sprake van arbeidsovereenkomsten en – in het verlengde daarvan – van uitzendovereenkomsten.

Het hof heeft in zijn oordeel de nadruk gelegd op de vier elementen die volgens vaste rechtspraak duiden op een arbeidsovereenkomst, namelijk (1) de aanwezigheid van de gezagsrelatie tussen de bbl-leerling en Logidex, (2) het feit dat Logidex loon uitkeerde voor de verrichte (stage)werkzaamheden, (3) het feit dat de bbl-leerling de werkzaamheden persoonlijk moest verrichten en (4) dat er concrete afspraken waren over de duur van de overeenkomst.

In twee instanties is Logidex dus in het ongelijk gesteld.

Hoge Raad: stageovereenkomst Maar de Hoge Raad komt tot een ander oordeel.

Weliswaar kan het hof worden gevolgd in zijn redenering met betrekking tot de vier elementen die duiden op een arbeidsovereenkomst. Echter, indien het verrichten van de werkzaamheden van de stagiair in overwegende mate in het belang van de opleiding is die de stagiair volgt, is er sprake van een stageovereenkomst en is er geen sprake van een arbeidsovereenkomst.

De Hoge Raad concludeert vervolgens dat de bbl-leerling waarvoor Logidex bemiddelt een stageovereenkomst heeft, om die reden kan Logidex niet worden aangemerkt als een uitzendonderneming.

Cruciaal criterium: onderwijsverplichting Bij leerarbeidsovereenkomsten en stageovereenkomsten is niet altijd direct duidelijk of sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW. Het komt er dan op aan of het verrichten van de werkzaamheden van de stagiair in overwegende mate in het belang is van de opleiding die deze volgt.

In de praktijk werken MBO-instellingen in het kader van de bbl veel samen met intermediairs zoals Logidex, of werken zij zelf met leerarbeidsovereenkomsten of stageovereenkomsten. Indien stagiairs zich succesvol op het standpunt kunnen stellen dat zij een arbeidsovereenkomst hebben gesloten met het leerbedrijf waar zij werkzaam zijn, is het arbeidsrecht (onder andere de regels bij ontslag, arbeidsongeschiktheid, pensioen of loon) van toepassing. Leerbedrijven zullen dan minder snel geneigd zijn om stageplekken aan te bieden, waardoor het lastiger wordt om bbl-leerlingen succesvol te plaatsen.

Zoals door Logidex wordt betoogd, hebben diverse onderwijsinstellingen in het algemeen onvoldoende relaties binnen het bedrijfsleven om voor leerwerkplekken te kunnen zorgen. Het is daarom van belang dat voor bedrijven het werken met bbl-leerlingen aantrekkelijk blijft.

Meer weten?

Bij het aangaan (of beoordelen) van een leerarbeids- of stageovereenkomst komt het er dus op aan dat partijen zich ervan vergewissen of de werkzaamheden al dan niet gelden als onderwijsverplichting. Voor vragen hierover kunt u contact opnemen met Gilles Raaijmakers.   Terug [post_title] => Leerwerkplek MBO: stage- of arbeidsovereenkomst? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => leerwerkplek-mbo-stage-of-arbeidsovereenkomst [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-07-14 11:36:50 [post_modified_gmt] => 2016-07-14 11:36:50 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://31.3.97.74/~boelzander/?post_type=publicatie&p=3028 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [34] => WP_Post Object ( [ID] => 5209 [post_author] => 2 [post_date] => 2016-04-13 14:50:36 [post_date_gmt] => 2016-04-13 12:50:36 [post_content] => Op dinsdag 12 april 2016 is het onderhandelaarsakkoord tot stand gekomen voor de cao VO. De nieuwe cao heeft een looptijd van 1 juli 2016 tot 1 oktober 2017. In dat kader is de Werkloosheidsregeling onderwijspersoneel VO (hierna: WOVO) herzien. Als gevolg van de WWZ is ook voor het bijzonder onderwijs de publieke WW- uitkering gemaximeerd tot 24 maanden en is de transitievergoeding geïntroduceerd. Daarnaast is er de wens om bepaalde sociale zekerheidsrechten te behouden. In de nieuwe cao wordt de WOVO vervangen door de volgende regeling. Naast de te ontvangen WW-uitkering wordt zowel de aanvullende- als de aansluitende WW-uitkering gehandhaafd. Deze bovenwettelijke uitkeringen zijn in de nieuwe situatie niet gebaseerd op het maximum dagloon, maar op het laatstverdiende loon. Onder de huidige cao wordt de WW-uitkering gedurende de eerste 12 maanden per dag aangevuld tot 78% en vervolgens voor de resterende duur van de wettelijke periode waarin recht op WW bestond, tot 70% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag. Onder de nieuwe cao wordt de WW- uitkering gedurende de eerste 6 maanden aangevuld tot 75% van het laatstverdiende loon. Na deze periode van 6 maanden heeft de werknemer gedurende een periode van maximaal 18 maanden recht op een aanvulling van de WW-uitkering tot 70% van het laatstverdiende loon. In weerwil van de vermindering van de WW-duur tot maximaal 24 maanden zijn er afspraken gemaakt over betaling (herstel) van het derde WW-jaar, voor werknemers die daarvoor op basis van hun arbeidsverleden in aanmerking komen. Dit betekent dat de werknemer, na de periode van 24 maanden waarin deze wettelijk recht heeft op WW, nog voor een verlenging van deze periode in aanmerking komt van maximaal 14 maanden. Na de periode van aanvullende WW heeft de werknemer die minimaal vijf jaar in het onderwijs heeft gewerkt ook nog recht op een aansluitende WW-uitkering. Voor elk gewerkt jaar in het onderwijs ontstaat een maand recht op aansluitende uitkering. Deze aansluitende uitkering is gemaximeerd tot 34 maanden. De hoogte van de aansluitende WW-uitkering is 70% van het laatstverdiende loon, maar is wel gemaximeerd en wel op 70% van einde schaal 11 (LC). De totale duur van de WW-uitkering bedraagt dan ook maximaal 24 (WW-duur) + 14 (herstel derde WW-jaar) + 34 (aansluitende uitkering)  = 72 maanden. Voor oudere werknemers die ten minste vijftien jaar in het onderwijs hebben gewerkt, geldt een afwijkende/aanvullende regeling. Deze regeling geldt voor de werknemer die wordt ontslagen binnen 10 jaar voorafgaand aan de AOW- gerechtigde leeftijd en aan het einde van de periode van aansluitende WW- uitkering nog niet de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt. Deze werknemer heeft daarna nog eens recht op een aansluitende uitkering tot het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. De hoogte van deze uitkering bedraagt ook 70% van het laatstverdiende loon en is gemaximeerd op 130% van het wettelijk minimumloon. Voor het openbaar voortgezet onderwijs blijft de WOVO van toepassing, met dien verstande dat hierin een aantal wijzigingen wordt aangebracht:
  • herstel van derde WW-jaar;
  • aanpassing huidige aanvullende uitkering zoals in het bijzonder onderwijs;
  • aansluitende uitkering wordt gemaximeerd op de AOW-gerechtigde leeftijd.
Er is bovendien voorzien in overgangsrecht. Een belangrijke bepaling daarin is dat werknemers die op of na 1 juli 2016 worden ontslagen gedurende de periode van vijf jaar kunnen kiezen voor het sociaal zekerheidsstelsel zoals geldend in het openbaar onderwijs. Er zal dan geen transitievergoeding worden verstrekt en het ontslag dient te geschieden middels een vaststellingsovereenkomst. De nieuwe regeling is weliswaar een versobering ten opzichte van de WOVO, maar is nog steeds te beschouwen als een zeer gunstige regeling voor werknemers in het voortgezet onderwijs. Dit vanwege het aanvullende en  aansluitende deel bovenop de reguliere uitkering en het herstel van het derde WW-jaar. Overigens is nog niet helemaal duidelijk of dit derde ziektejaar op de gebruikelijke wijze (een vierde deel door het bevoegd gezag en drie vierde deel collectief) wordt gefinancierd. Zodra hierover duidelijkheid bestaat zullen wij u uiteraard direct informeren. De verwachting is dat op zeer korte termijn een (vergelijkbaar) onderhandelingsakkoord tot stand zal komen voor het primair onderwijs, waarbij ook de WOPO zal worden herzien. Hierover zullen wij u direct na de meivakantie informeren. Voor vragen over de nieuwe cao VO kunt u contact opnemen met ons team onderwijs. [post_title] => Onderhandelaarsakkoord cao VO [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => onderhandelaarsakkoord-cao-vo [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-10-31 14:54:08 [post_modified_gmt] => 2016-10-31 13:54:08 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=5209 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [35] => WP_Post Object ( [ID] => 5210 [post_author] => 2 [post_date] => 2016-01-20 14:57:05 [post_date_gmt] => 2016-01-20 13:57:05 [post_content] => Op de leerplicht geldt een zeer beperkt aantal uitzonderingen. Een daarvan is het medisch oordeel dat een jongere niet geschikt is voor schoolgang. Hoe stel je dat vast? In een procedure waarin Boels Zanders optrad voor de gemeente Sittard-Geleen, bekrachtigde het hof 's-Hertogenbosch op 19 januari 2016 de werkwijze van de gemeente, die zich voor advies tot de GGD-arts had gewend. Vrijstellingsberoep Aan deze procedure in kort geding bij eerst de rechtbank Limburg, die evenals het hof de gemeente in het gelijk had gesteld, ging een lang traject vooraf van diverse schoolwisselingen en veelvuldig schoolverzuim door een 16-jarige, omdat zij naar eigen zeggen en volgens haar moeder voor schoolgang ongeschikt zou zijn. De redenen voor haar ongeschiktheid zouden zijn gelegen in onverwerkte traumatische ervaringen op de basisschool, hoogbegaafdheid en hoogsensitiviteit. In de procedure staat niet ter discussie dat de jongere ernstige belemmeringen ervaart op school en in de omgang met anderen. Voor de verzochte vrijstelling moet op grond van artikel 5 onder a Leerplichtwet vaststaan dat die lichamelijke en/of psychische belemmeringen de jongere ongeschikt maken om tot een school te worden toegelaten. Moeder heeft ter ondersteuning van het vrijstellingsberoep een diagnose met begeleidend schrijven van de behandelend psycholoog ingebracht. Dat is niet voldoende. Ambtsinstructie voor de leerplichtambtenaar Artikel 7 Leerplichtwet vereist dat een door de gemeente aangewezen onafhankelijk arts advies uitbrengt over het vrijstellingsberoep. Deze verplichting wordt nader ingevuld door artikel 10 lid 2 van de Ambtsinstructie voor de leerplichtambtenaar, dat luidt: Indien het vermoeden bestaat dat ouders een beroep willen doen op de grond bedoeld in artikel 5 onder a [Leerplichtwet], draagt de ambtenaar er zorg voor dat de door de burgemeester en wethouders te benoemen onafhankelijk arts, psycholoog of anders academisch gevormde op zo kort mogelijke termijn de jongere onderzoekt en een schriftelijke verklaring omtrent de geschiktheid van de jongere geeft. Verklaring GGD-arts De aangewezen onafhankelijk arts in deze zaak is de GGD-arts. Hij concludeert, in tegenstelling tot de behandelend psycholoog, dat er onvoldoende gegevens zijn om vast te stellen dat de jongere ongeschikt zou zijn voor schoolgang. Hij schrijft in zijn verklaring (geciteerd in rov. 6.1.9 van het arrest): ''De informatie die ik tot nu toe heb kunnen verzamelen is beperkt. (…) De problematiek die de reden is voor de ontheffing van de leerplicht wordt benoemd door psycholoog […]. Er ontbreekt echter een behandelplan voor de problematiek, anders dan niet naar school gaan. Dit behandelplan lijkt me onvoldoende. De informatie van de psycholoog is zeer beperkt in omvang en de onderbouwing hiervan mist. (…) Bij de huidige stand van zaken, waarin geen goede actuele diagnostiek en geen daarop gebaseerd behandelplan voorhanden is, kan er echter geen medische noodzaak voor ontheffing van de leerplicht worden vastgesteld.'' In hoger beroep stelt moeder tevergeefs de onafhankelijkheid, de deskundigheid en het onderzoek van de GGD-arts ter discussie. Onafhankelijkheid Het hof oordeelt dat een GGD-arts als onafhankelijk arts in de zin van de Leerplichtwet en de Ambtsinstructie kan worden beschouwd. Volgens het hof heeft de gemeente er terecht op gewezen dat de ondersteunende, beleidsmatige taak van de GGD moet worden onderscheiden van de advisering op basis van verricht medisch onderzoek ten behoeve van een beslissing van de gemeente in een individueel geval. In het laatste geval treedt de GGD-arts volgens het hof volledig onafhankelijk op. Deskundigheid De GGD-arts schrijft in zijn rapport dat psych(iatr)ische diagnostiek nodig is om tot een onderbouwde uitspraak te komen over de noodzaak voor een ontheffing van de leerplicht. Nu gedegen psych(iatr)ische diagnostiek in dit geval ontbreekt, is er onvoldoende grond om tot ongeschiktheid te concluderen. Het hof verwerpt het standpunt van moeder dat de GGD-arts de opdracht terug had moeten geven omdat hijzelf niet beschikt over specifieke psychiatrische deskundigheid, en dat de leerplichtambtenaar een andere deskundige had moeten benoemen. Naar het oordeel van het hof heeft de GGD-arts een onderbouwd advies gegeven, en heeft hij dat ook kunnen doen. Dat advies is gebaseerd op het door hem verrichte onderzoek en het ontbreken van concrete gegevens of aanknopingspunten die tot het advies ''ongeschikt'' zouden kunnen leiden. Onderzoek Het onderzoek van de GGD-arts bestond uit het zien en spreken van de jongere en haar moeder op het spreekuur, uit het afnemen van een anamnese, uit bestudering van de ter beschikking gestelde (medische) informatie en collegiale toetsing. Dit onderzoek kwalificeert volgens het hof als onderzoek in de zin van de Ambtsinstructie. Volgens het hof miskent moeder dat het op haar weg lag om het vrijstellingsberoep te onderbouwen met informatie van een arts of psycholoog, niet zijnde de behandelaar van haar dochter, waaruit bleek van de gestelde ongeschiktheid om naar school te gaan. Vrijstelling is ultimum remedium Volgens het hof lijkt moeder uit het oog te verliezen dat het systeem van leerplicht en het toezicht daarop, alsmede de gestelde eis dat bij een vrijstellingsberoep een verklaring van een onafhankelijk arts of GZ-psycholoog is gevoegd waaruit van ongeschiktheid voor schoolgang blijkt, in het belang van die scholier bestaan. De moeder heeft haar vrijstellingsberoep niet van zo'n verklaring vergezeld doen gaan en heeft volstaan met verwijzing naar een summiere verklaring van een behandelaar van haar dochter, waarin bovendien een duidelijke en werkbare diagnose ontbreekt. Bij die stand van zaken kan de moeder volgens het hof niet verwachten dat haar vrijstellingsberoep is gehonoreerd, noch dat de gemeente meer onderzoek laat doen dan zij heeft gedaan. Meer weten? Heeft u vragen over de leerplicht? Neem dan contact op met ons team onderwijs. Zij zijn u graag van dienst. [post_title] => Ongeschikt voor schoolgang: wie bepaalt dat? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => ongeschikt-voor-schoolgang-wie-bepaalt-dat [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-10-31 15:00:11 [post_modified_gmt] => 2016-10-31 14:00:11 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=5210 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [36] => WP_Post Object ( [ID] => 5212 [post_author] => 2 [post_date] => 2015-10-08 15:44:59 [post_date_gmt] => 2015-10-08 13:44:59 [post_content] => Ordemaatregel moet proportioneel zijn Op 7 oktober 2015 heeft de Landelijke Klachtencommissie Onderwijs (hierna: de commissie) geoordeeld dat in de gegeven omstandigheden het opleggen van een schoolverbod en het onder dreiging van een verwijderingsprocedure laten tekenen van een overeenkomst over omgangsvormen te zware maatregelen zijn. De feiten C. zit in groep 7 van de basisschool. Haar ouders, klagers in deze zaak, hebben diverse keren bij de school gemeld dat hun dochter werd gepest door een klasgenoot. Vervolgens vond er ook een incident plaats waarbij de klasgenoot lijm in het oog van C. had gespoten. De moeder heeft dezelfde dag een bericht op Facebook geplaatst, waarin ze haar ongenoegen uitte over de klasgenoot en over de directeur van de school. De moeder van C. heeft kort daarna een aanvaring met de moeder van de klasgenoot gehad, waarna het bestuur de ouders van C. allebei uitnodigde voor een hoorzitting. De ouders waren niet in de gelegenheid om te komen. Hierop heeft het bestuur een brief naar de ouders gestuurd waarbij hen de toegang tot de school en het schoolplein werd ontzegd, tot het moment dat met hen afspraken zouden zijn gemaakt over communicatie en omgangsvormen, tenzij klagers door de school uitgenodigd zouden worden op school. Ook heeft het bestuur in de brief aangegeven dat de verwijderingsprocedure van hun dochter zou worden gestart als de school met de ouders niet tot deze afspraken kon komen. Op 30 maart 2015 hebben de ouders in het bijzijn van de directeur en de clusterdirecteur een overeenkomst ondertekend met afspraken over de wijze van onderling communiceren. Als gevolg hiervan heeft het bestuur het toegangsverbod opgeheven. De klacht De ouders klagen erover dat het bestuur hen ten onrechte de toegang tot de school heeft ontzegd. Ook stellen zij dat de directie van de school onvoldoende is opgetreden tegen een onveilige situatie op school en klagers onder druk heeft gezet om een overeenkomst met afspraken over communicatie en persoonlijke omgang te tekenen. Overwegingen van de commissie Ordemaatregel mag niet disproportioneel zijn De commissie overweegt dat het bestuur de bevoegdheid heeft om ordemaatregelen op te leggen. Volgens de commissie is het opleggen van een toegangsverbod een vergaande maatregel, die met name ingezet kan worden als de veiligheid op een school in het geding is. De commissie ziet niet in op welke wijze de vader van C. de veiligheid op school in gevaar heeft gebracht, nu hij bij geen van de incidenten betrokken was. De commissie acht het toegangsverbod jegens de vader disproportioneel. De commissie acht het wel voorstelbaar dat door de voorvallen met de moeder onrust is ontstaan op school, maar voor een vergaande maatregel als een toegangsverbod is onvoldoende grond aanwezig. Dit geldt volgens de commissie temeer nu dergelijke incidenten niet eerder hebben plaatsgevonden met de moeder van C. Afspraken niet afdwingen op straffe van verwijdering Over het opstellen van omgangsvormen overweegt de commissie dat het niet onredelijk is van het bestuur om afspraken te maken over omgangsvormen en onderlinge communicatie. Echter, gegeven de omstandigheid dat het bestuur aan het niet tekenen van de overeenkomst de sanctie heeft verbonden dat C. zou worden verwijderd van school, kan de commissie zich voorstellen dat de ouders zich onder druk gezet voelden en zich beperkt hebben gevoeld in hun mogelijkheden om zich te uiten. De beslissing dat de ouders de overeenkomst moesten tekenen op straffe van verwijdering van C. acht de commissie dan ook disproportioneel. Volgens de commissie had het meer in de rede gelegen om de ouders te waarschuwen dat nieuwe overtredingen van de gedragsregels tot verwijdering van C. zouden kunnen leiden. Inspanningen veilige schoolomgeving zijn voldoende Tot slot stelt de commissie vast dat de directeur de afgelopen jaren maatregelen heeft getroffen en het pestprotocol heeft toegepast, teneinde een veilige schoolomgeving te creëren voor C. Ook naar aanleiding van het lijm-incident heeft de directeur direct maatregelen getroffen. Hierdoor is volgens de commissie niet gebleken dat de directeur onvoldoende is opgetreden tegen een onveilige situatie voor C. Conclusies De Commissie oordeelt dat de klachten die betrekking hebben op het toegangsverbod en het onder druk zetten van het tekenen van de overeenkomst gegrond zijn. De klacht die ziet op het onvoldoende zorgdragen voor een veilige schoolomgeving is ongegrond. Het advies van de commissie illustreert dat voor het opleggen van een ordemaatregel voldoende grond aanwezig moet zijn, en dat de maatregel in verhouding moet staan tot het te dienen doel van die maatregel. Ouders en/of leerlingen mogen niet onevenredig zwaar getroffen worden. Vragen? Voor vragen over de verschillende ordemaatregelen die het bestuur en/of de schooldirectie kan nemen, kunt u contact opnemen met ons team onderwijs. Zij zijn u graag van dienst. [post_title] => Ordemaatregel moet proportioneel zijn [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => ordemaatregel-moet-proportioneel-zijn [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-10-31 15:47:09 [post_modified_gmt] => 2016-10-31 14:47:09 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=5212 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [37] => WP_Post Object ( [ID] => 5213 [post_author] => 2 [post_date] => 2016-02-28 15:48:08 [post_date_gmt] => 2016-02-28 14:48:08 [post_content] => Nieuwe voorbeeldmodellen praktijkovereenkomsten MBO Recent heeft de MBO Raad nieuwe voorbeeldmodellen voor praktijkovereenkomsten in het MBO gepresenteerd in zijn Servicedocument Praktijkovereenkomst. De modellen zijn geschreven voor gebruik vanaf het schooljaar 2016-2017. Achtergrond van de nieuwe modellen is de wijziging die vanaf 1 augustus 2016 plaatsvindt in het middelbaar beroepsonderwijs. Vanaf die datum wordt een herziene kwalificatiestructuur ingevoerd. Studenten krijgen meer ruimte om keuzedelen in te voeren in hun opleiding in de vorm van onderwijs of beroepspraktijkvorming. Dat vraagt om een andere invulling van de praktijkovereenkomst die een MBO onderwijsinstelling (hierna: school) aangaat met studenten en leerbedrijven, en meer mogelijkheden om flexibel met de inhoud daarvan te kunnen omgaan. De MBO Raad heeft in samenspraak met verschillende belanghebbenden in de branche en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW) gezocht naar een manier om keuzedelen en wijzigingen in de opleiding door de keuzes van de student onderdeel te laten uitmaken van de praktijkovereenkomst. Beroepspraktijkvormingsbladen Die oplossing heeft de MBO Raad gevonden door scholen te adviseren om te werken met "beroepspraktijkvormingsbladen". Volgens deze systematiek ondertekenen de school, de student en het leerbedrijf alleen de eerste pagina van de praktijkovereenkomst, waarna wijzigingen in de inhoud ervan kunnen worden doorgevoerd doordat de school nieuwe niet ondertekende bladen toevoegt. Hiermee zou voorkomen moeten worden dat scholen aan de student en het leerbedrijf steeds opnieuw om een handtekening moeten vragen. Wilsovereenstemming? Juridisch is het twijfelachtig of het mogelijk is op deze manier tot overeenstemming te komen over de inhoud van de praktijkovereenkomst. Het uitgangspunt is dat pas sprake is van overeenstemming, en de student en het leerbedrijf aan de afspraken zijn gebonden, wanneer zij blijk hebben gegeven van hun instemming daarmee. Wanneer een school zelfstandig wijzigingen in de praktijkovereenkomst aanbrengt door beroepspraktijkvormingsbladen te veranderen, blijkt niet sluitend van die instemming. Vooraf met wijzigingen instemmen, is in beginsel niet mogelijk omdat een student en/of het leerbedrijf dan nog niet op de hoogte is van de inhoud van de afspraken. De MBO Raad en betrokken partijen hebben dat juridische gat geprobeerd te dichten door verplicht te stellen dat bij ondertekening van de praktijkovereenkomst gebruik wordt gemaakt van algemene voorwaarden waarin een regeling is opgenomen voor het op deze wijze doorvoeren van wijzigingen. Zo mag de school alleen wijzigingen aanbrengen op verzoek van de student. Juridisch voegt dit wel iets toe, maar de constructie is nog steeds niet volledig sluitend. Uiteindelijk is alleen maar relevant of de student en het leerbedrijf instemmen op het moment dat de wijziging plaatsvindt en dat een school die instemming kan aantonen als de student en/of het leerbedrijf dat ontkennen. Advies Indien een school ervoor kiest volgens de nieuwe modellen te werken, is het advies dan ook om zoveel als mogelijk te blijven vastleggen dat de wijziging akkoord is voor de student. Dat kan onder andere door het verzoek tot wijziging van de student te bewaren in het studentendossier. Ook de feitelijke uitvoering van een wijziging door de student is een aanwijzing dat daarover overeenstemming bestond. Ondanks de praktische bezwaren, blijft juridisch nog altijd het meest veilig om de student en het leerbedrijf wel bij iedere wijziging opnieuw tot ondertekening te laten overgaan. Alleen in dat geval is geen discussie mogelijk over welke schriftelijke afspraken leidend zijn voor zowel de school als de student. Vragen? Heeft u vragen over het hanteren van de nieuwe modellen? Neem dan contact op met ons team onderwijs. Zij zijn u graag van dienst. [post_title] => Nieuwe voorbeeldmodellen praktijkovereenkomsten MBO [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => nieuwe-voorbeeldmodellen-praktijkovereenkomsten-mbo [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-10-31 15:51:25 [post_modified_gmt] => 2016-10-31 14:51:25 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=5213 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) )
< 12 >

Wij gebruiken cookies om u de beste online ervaring te bieden. Door akkoord te gaan, accepteert u het gebruik van cookies in overeenstemming met ons cookiebeleid.

Privacy Settings saved!
Privacy-instellingen

Wanneer u een website bezoekt, kan het informatie in uw browser opslaan of ophalen, meestal in de vorm van cookies. Beheer hier uw persoonlijke Cookie Services.

Deze cookies zijn nodig om de website te laten functioneren en kunnen niet worden uitgeschakeld in onze systemen.

In order to use this website we use the following technically required cookies
  • wordpress_test_cookie
  • wordpress_logged_in_
  • wordpress_sec

Omwille van de prestaties gebruiken we Cloudflare als een CDN-netwerk. Hiermee wordt een cookie "__cfduid" opgeslagen om beveiligingsinstellingen per client toe te passen. Deze cookie is strikt noodzakelijk voor de beveiligingsfuncties van Cloudflare en kan niet worden uitgeschakeld.
  • __cfduid

Geen toestemming
Wel toestemming