Publicaties

Publicaties
Array
(
    [0] => WP_Post Object
        (
            [ID] => 21963
            [post_author] => 14
            [post_date] => 2018-12-13 12:15:22
            [post_date_gmt] => 2018-12-13 11:15:22
            [post_content] => De Algemene verordening gegevensverwerking (AVG) bevat een aantal verplichtingen voor organisaties die op grote schaal bijzondere persoonsgegevens verwerken en dit als kerntaak hebben. Deze organisaties zijn onder meer verplicht een functionaris voor de gegevensbescherming aan te stellen en moeten in bepaalde gevallen een zogenaamde DPIA doen. Maar hoe zit dit nu voor uw eigen zorginstelling?

In de zorg hebben organisaties vrijwel altijd als kerntaak het verwerken van bijzondere persoonsgegevens omdat zij medische gegevens verwerken. Maar verwerkt uw organisatie deze gegevens ook op grote schaal?

De AP maakte al eerder bekend dat de verwerking van bijzondere persoonsgegevens door ziekenhuizen, huisartsenposten en zorggroepen altijd grootschalig is, ongeacht het aantal patiënten. Voor alle overige zorgaanbieders heeft de AP op 11 december jl. op haar website verduidelijkt dat de verwerking ook als grootschalig wordt beschouwd als:
  • een praktijk of instelling meer dan 10.000 patiënten heeft ingeschreven óf als een organisatie gemiddeld meer dan 10.000 patiënten per jaar behandelt;
  • én de gegevens van deze patiënten in één informatiesysteem staan.
De definitie grootschaligheid is daarmee voor (vrijwel) hele zorgsector gelijk. Daarnaast heeft de AP in het verlengde hiervan tevens haar eerdere standpunt ten aanzien van de gegevensverwerking door apothekers genuanceerd. Zo geeft de AP aan dat wanneer er minder dan 10.000 betrokkenen in het systeem van een apotheek zijn ingeschreven, de AP dat – net als bij andere zorgaanbieders – niet ziet als grootschalig. Meer informatie? Heeft u vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Sharinne Ibrahim of een van de andere advocaten van Team Privacy. Zij zijn u graag van dienst. December, 2018 [post_title] => Definitie grootschaligheid voor (vrijwel) hele zorgsector gelijk [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => definitie-grootschaligheid-vrijwel-hele-zorgsector-gelijk [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-12-13 12:16:47 [post_modified_gmt] => 2018-12-13 11:16:47 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=21963 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [1] => WP_Post Object ( [ID] => 21948 [post_author] => 28 [post_date] => 2018-12-11 13:45:41 [post_date_gmt] => 2018-12-11 12:45:41 [post_content] => Op de website van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) valt sinds gisteren te lezen dat de AP bij 53 organisaties het privacybeleid heeft opgevraagd. Het gaat onder meer om bloedbanken, IVF-klinieken en gemeentelijke politieke partijen. De AP zal vervolgens controleren of het beleid van deze organisaties voldoet aan de eisen die in de AVG aan een privacybeleid worden gesteld. Zo moet bijvoorbeeld helder zijn welke categorieën persoonsgegevens worden verwerkt, met welk doel, hoe de gegevens worden beveiligd, welke rechten betrokkenen hebben en hoe zij die rechten kunnen uitoefenen. Hebben de organisaties geen beleid dat voldoet aan de gestelde eisen, dan overtreden zij de wet. Op de website geeft de AP aan dat zij zo nodig zal handhaven bij overtredingen. Gelet op deze actieve controle van de AP adviseren wij u om voor uw eigen organisatie na te gaan of uw organisatie reeds beschikt over een AVG proof privacybeleid. Oftewel een gegevensbeschermingsbeleid waarin is vastgelegd met welk doel persoonsgegevens worden verwerkt, hoelang de gegevens worden bewaard en hoe de gegevens worden beveiligd. Een privacybeleid is overigens iets anders dan een privacyverklaring. Alle organisaties die persoonsgegevens verwerken, moeten mensen heldere informatie geven over de persoonsgegevens die zij verwerken en voor welk(e) doel(en) zij deze gegevens verwerken. De meest aangewezen manier hiervoor is het opstellen van een online privacyverklaring. Meer informatie? Heeft uw organisatie nog geen privacybeleid of privacyverklaring? Neem dan contact op met team Privacy of team Zorg. Wij zijn u graag behulpzaam bij het opstellen van deze voor uw organisatie belangrijke documenten. [post_title] => De AP controleert actief het privacybeleid bij zorginstellingen [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => ap-controleert-actief-privacybeleid-zorginstellingen-en-politieke-partijen [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-12-11 14:08:06 [post_modified_gmt] => 2018-12-11 13:08:06 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=21948 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [2] => WP_Post Object ( [ID] => 19155 [post_author] => 17 [post_date] => 2018-08-01 12:18:55 [post_date_gmt] => 2018-08-01 10:18:55 [post_content] => Het is ruim een jaar geleden dat voetballer Nouri tijdens een oefenduel in het Oostenrijkse Hippach getroffen werd door hartritmestoornissen. Vijf dagen na deze gebeurtenis, op 13 juli 2017, werd bekend dat Nouri aan het voorval ernstige en blijvende hersenschade had opgelopen. De aandacht richtte zich daarna al spoedig op de vraag of er bij zijn behandeling op het voetbalveld wel adequaat te werk was gegaan. In kringen van artsen was de mening te horen dat te laat was begonnen met reanimatie. De Volkskrant haalde in een artikel van 2 december j.l. ('Waken bij Abdelhak') vijf medisch specialisten aan die onafhankelijk van elkaar hun twijfels uitspraken over de wijze van hulpverlening. Zij wensten, waarschijnlijk wegens de gevoeligheid van de kwestie en de daarbij spelende publiciteit, overigens meestal anoniem te blijven. Begin januari 2018 verscheen het bericht in de krant (NRC Handelsblad, 'Familie Nouri neemt letselschadeadvocaat in de arm') dat in april 2014, tijdens een medische keuring, bij Nouri een hartafwijking was geconstateerd. Het krantenartikel vermeldde eveneens dat geen extern onderzoek had plaatsgevonden naar de zorg die Ajax, in het bijzonder diens clubarts, op het veld aan Nouri had verleend. Een reden van het uitblijven van onderzoek was dat Ajax bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg geen melding had gemaakt van een 'calamiteit'. De regel is dat er na een dergelijke melding op verzoek van de Inspectie een onderzoek plaatsvindt naar de oorzaak/oorzaken van de gebeurtenis door de zorgaanbieder (melder), of door de Inspectie zelf. Doel hiervan is om de oorzaak, dan wel oorzaken, van de calamiteit, op te sporen, om maatregelen te kunnen nemen om de kwaliteit van de zorg te verbeteren en herhaling zoveel mogelijk te voorkomen. Het artikel in NRC Handelsblad haalde hierbij een hoogleraar cardiologie aan (hoofd afdeling cardiologie Leids Universitair Medisch Centrum) die het belang van transparantie onderstreepte: "Een professionele club als Ajax zou dit incident moeten laten onderzoeken en openheid moeten geven over de uitkomsten. Zo kan de club er zelf van leren, net als andere medische professionals." Het is, af te leiden uit de media, vooral een gebrek aan transparantie van de zijde van Ajax geweest, óók jegens de familie van Nouri, dat Nouri’s familie heeft doen besluiten de zaak juridisch te laten uitzoeken met hulp van een advocaat. Het resultaat is inmiddels bekend: Ajax heeft eind juni jl. aansprakelijkheid erkend, nadat het bij twee artsen een 'third opinion' had gevraagd over de handelswijze bij het incident en van dezen te horen had gekregen dat er wel degelijk fouten waren gemaakt. Bijzonder om te vermelden is dat één van de beide geraadpleegde artsen de hiervoor genoemde Leidse cardioloog is. Uit zijn eerdere woorden tegenover NRC Handelsblad (zie het aangehaalde citaat) was mogelijk al enige twijfel af te leiden over de vraag of de behandeling van Nouri wel goed was verlopen, en daarmee - impliciet - ook over de juistheid van het door Ajax en zijn medische adviseurs ingenomen standpunt (o.a. in het kader van een 'second opinion') dat Nouri goed was behandeld. In een eerdere bespreking van de zaak Nouri gingen wij al in op de verschillende vragen die deze casus vanuit juridisch oogpunt doet oproepen. Eén daarvan was of Ajax inderdaad niet, als een 'zorgaanbieder' in de zin van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), een calamiteitenmelding bij de Inspectie had moeten doen. Er leek, gelet op het doel van de Wkkgz (kwaliteitswaarborging en -verbetering), veel voor te zeggen om het begrip 'zorgaanbieder' in deze wet zodanig (ruim) te interpreteren dat ook Ajax daaronder zou zijn te begrijpen. De club heeft immers sportartsen in dienst, en maakt wellicht ook gebruik van de diensten van andere, ‘ingehuurde’ artsen voor bijvoorbeeld medische keuringen. Verzoek tot calamiteitenonderzoek Inmiddels heeft de Inspectie, op 29 juni jl., Ajax verzocht om een calamiteitenonderzoek te doen naar de behandeling van Nouri op het Oostenrijkse voetbalveld. Hieruit is af te leiden dat de Inspectie Ajax als een 'zorgaanbieder' beschouwt. Hiermee rijst overigens ook de vraag of Ajax nog een bestuurlijke boete van de Inspectie kan verwachten wegens het niet melden van de calamiteit, ook al vond deze in Oostenrijk plaats. Eerdere - tuchtrechtelijke - jurisprudentie duidt erop dat de Nederlandse (kwaliteits)wetgeving Nederlandse zorgverleners die zich in het buitenland bevinden in beginsel ‘op de voet volgt’ (uitspraak van het Centraal Tuchtcollege inzake een Nederlandse arts op wandelvakantie in Nepal die weigerde hulp te bieden aan een gevallen landgenote). WKKGZ en Gedragscode Openheid Medische Incidenten (GOMA) Een belangrijk aspect is hiernaast vooral de manier waarop Ajax met de gebeurtenis is omgegaan. Naar derden toe dienen de regels inzake geheimhouding van medische gegevens te worden gerespecteerd, wat bij de berichtgeving tot beperkingen noopt. Tegenover de direct betrokkenen - de familie van Nouri, met name Nouri's vertegenwoordiger; later ook de advocaat van de familie – is er daarentegen ruimte, en tegelijkertijd een plicht, om na een incident op een open manier te communiceren. De Wkkgz bevat de regel dat de patiënt/cliënt, diens vertegenwoordiger of nabestaanden over een incident moeten worden geïnformeerd, en dat in het medisch dossier de aard en toedracht van het incident moeten worden gedocumenteerd, evenals het tijdstip ervan en de erbij betrokken zorgverleners. Soortgelijke verplichtingen zijn opgenomen in de GOMA en in richtlijnen van de medische beroepsgroep (KNMG). Wat betreft het aanbieden van excuses, het erkennen van fouten, het erkennen van aansprakelijkheid (goed te onderscheiden van het erkennen van fouten) en het bevorderen van een voortvarende claimbehandeling (door de aansprakelijkheidsverzekeraar) laat een uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 8 maart 2018 op duidelijke wijze zien wat van de zorgaanbieder/de zorgverlener kan worden verlangd. Onderdeel van de transparantieplicht is eveneens dat aan de patiënt/cliënt of andere daartoe bevoegden, zoals een (gemachtigde) advocaat van de patiënt/cliënt, inzage wordt verleend in de beschikbare medische gegevens, zoals de gegevens die zijn opgenomen in het medisch dossier, zij het met uitzondering van gegevens die de privacy van een derde zouden kunnen schenden (denk bijvoorbeeld aan gegevens over een familielid van de patiënt/cliënt). Het is niet mogelijk om, zonder uit de eerste hand over alle feiten geïnformeerd te zijn, voor de casus Nouri te beoordelen of de hiervoor geschetste (gedrags)regels door Ajax wel steeds zijn gevolgd. De berichtgeving in de media geeft wel enige aanleiding tot twijfel. Het is in ieder geval van belang dat van incidenten als het onderhavige wordt geleerd. Ook van belang is om te weten dat de regels in de Wkkgz inzake incidenten (inclusief de ernstige vorm daarvan, de calamiteiten) een ruim toepassingsbereik hebben. Ook sportverenigingen zoals Ajax die medische zorg (doen) verlenen vallen er in beginsel onder. Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel, neemt u dan contact op met Team Zorg.   [post_title] => De zaak Nouri: juridische aspecten 2 [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => zaak-nouri-juridische-aspecten-2 [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-08-01 12:27:07 [post_modified_gmt] => 2018-08-01 10:27:07 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=19155 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [3] => WP_Post Object ( [ID] => 16206 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-01-15 14:02:51 [post_date_gmt] => 2018-01-15 13:02:51 [post_content] => Er is afgelopen jaar veel geschreven over het lot dat Nouri heeft getroffen. De jonge, talentvolle en alom geliefde voetballer van Ajax, die tijdens een oefenduel op 8 juli 2017 in het Oostenrijkse Hippach een hartstilstand kreeg. Direct verband Recent kwam de zaak wederom in het nieuws. Op 5 januari jl. meldde het NRC Handelsblad dat in 2014 en 2016, tijdens een medische controle, bij Nouri een hartafwijking was geconstateerd. Deze afwijking werd door de medische staf van de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB), naar verluid na verkregen advies van een medisch specialist (Het Parool, 8 januari 2018), als ongevaarlijk beoordeeld, maar doet in het licht van wat is gebeurd vanzelfsprekend vragen rijzen. De meest prangende is die of Nouri, en mogelijk ook zijn familie, destijds over de bevinding is geïnformeerd. Volgens de KNVB is dit gebeurd, de familie van Nouri weerspreekt dit. In het geval dat de zienswijze van de familie zou komen vast te staan, dringt zich meteen een vervolgvraag op: zou het op 8 juli dan anders zijn gelopen? Zou de hartstilstand, ervan uitgaande dat Nouri zijn voetbalcarrière zou hebben vervolgd en op het veld zou hebben gestaan, zich dan niet hebben voorgedaan? Ook is er de vraag of er een direct verband is tussen de hartstilstand van afgelopen zomer en de eerder vastgestelde hartafwijking. Namens de familie van Nouri heeft een advocaat laten weten dat wanneer de familie eerder kennis zou hebben gehad van een hartafwijking, zij direct had aangedrongen op diepgaand vervolgonderzoek, een second opinion en regelmatig terugkerende tests. De familie zou dan vervolgens hebben kunnen beoordelen wat de risico's van de afwijking zijn in combinatie met intensieve sportbeoefening. Daarnaast krijgt ook de hulpverlening aan Nouri op 8 juli verdere aandacht: is wel tijdig met de reanimatie begonnen? Een aantal medisch specialisten heeft hierover twijfels geuit, zij het met – gepaste - terughoudendheid nu zij niet voldoende op de hoogte zijn van alle feiten. Recht op inzage Beide partijen, zowel de familie als voetbalclub Ajax, hebben ter juridische ondersteuning een letselschadeadvocaat in de arm genomen nu hun zienswijzen, zeker na de recente berichtgeving in de media, duidelijk tegenover elkaar zijn komen te staan. Hierbij heeft, zo is uit verschillende publicaties af te leiden, aan de zijde van de familie een rol gespeeld dat zij door Ajax niet volledig werden geïnformeerd. Er is bijvoorbeeld pas inzage in Nouri’s (sport)medisch dossier gegeven nadat de advocaat van de familie daarom heeft verzocht. Het inzagerecht komt, vanaf het moment dat Nouri niet meer bij kennis is en juridisch gezien als wilsonbekwaam is aan te merken, toe aan zijn ouders als zijn vertegenwoordiger(s). Het betreffende recht op inzage kent vrijwel geen uitzonderingen, zolang door inzage de privacy van derden niet wordt geschaad. Het is dan ook de vraag waarom Ajax zo terughoudend is geweest en aanvankelijk niet aan inzage door de familie heeft meegewerkt. Redengevend zal juridisch gezien, niet kunnen zijn geweest dat het om verplichte keuringen ging en niet om een - door Nouri vrijwillig gesloten - geneeskundige behandelingsovereenkomst. De bepalingen in de wettelijke regeling van de geneeskundige behandelingsovereenkomst (‘WGBO’) die het inzagerecht regelen, zijn bij keuringen overeenkomstig van toepassing. Vragen Er zijn nog meer vragen en gezichtspunten, die bij het nadere juridische onderzoek dat de advocaten van beide partijen nu verrichten en ook daarna, bij een mogelijk gerechtelijke vervolg van de zaak, van belang zijn. Sommige vragen zijn relatief eenvoudig van aard, andere zijn lastiger en meer complex. Hier volgt een - niet uitputtend - overzicht om een beeld te  geven:
  1. Moesten, behalve Nouri zelf, gezien zijn jonge(re) leeftijd ook zijn ouders in 2014 en 2016 over de hartwijking worden geïnformeerd door de KNVB-artsen? Hiervan kan alvast worden gezegd dat dit, gezien Nouri’s leeftijd ten tijde van de keuringen (17, resp. 19 jaar, en dus de 15 jaar en 12 maanden gepasseerd) niet standaard het geval was.
  2. Welke informatie biedt het (sport)medisch dossier, waarin het keuringsverslag en –resultaat zullen zijn opgenomen? Behalve de medische gegevens met betrekking tot de hartafwijking zou daarin moeten zijn aangetekend dat en welke informatie aan Nouri en diens werkgever Ajax is gegeven.
  3. Mochten/moesten de KNVB-artsen Nouri’s werkgever Ajax, informatie verstrekken over de precieze medische aard (inclusief details) van de geconstateerde afwijking, zonder daarvoor eerst aan Nouri toestemming te vragen, dan wel bij door Nouri daartegen geuite bezwaren?
  4. Is door de keuringsartsen aan Nouri aangeraden om zijn huisarts van de hartafwijking in kennis te stellen en/of zelf nader medisch onderzoek te laten doen? Bevat het dossier aantekeningen hierover? Nu de afwijking door de medisch staf van de KNVB als ‘ongevaarlijk’ is bestempeld, is het mogelijk dat deze advisering achterwege is gebleven.
  5. Is de hulpverlening op het veld aan Nouri aan te merken als medische behandeling in het kader van een met Nouri tot stand gekomen geneeskundige behandelingsovereenkomst? Of betreft het – wellicht – zaakwaarneming? Ook in het laatste geval komen de wettelijke bepalingen inzake de geneeskundige behandelingsovereenkomst (informatieplicht, dossierplicht etc.) overigens voor toepassing in aanmerking op overeenkomstige wijze.
  6. Is bij de hulpverlening, in het bijzonder de reanimatie, gehandeld conform de medisch-professionele standaard? Hierbij is van belang of is gewerkt volgens voor dit soort (nood)situaties bestaande standaarden, richtlijnen of bijvoorbeeld protocollen, of dat daarvan mogelijk is afgeweken. In het laatste geval zou dat (naar omstandigheden) zoveel mogelijk bewust en weloverwogen, in het belang van Nouri, moeten zijn gebeurd. De gemaakte afwegingen zouden dan ook in het verslag dat van de hulpverlening is gemaakt moeten zijn genoteerd. Volgens Ajax is toepassing gegeven aan de ATLS-criteria (Advanced Trauma Life Support) die opgenomen zijn in het Football Doctor Education Programme van de UEFA. Voor competities onder auspiciën van de UEFA, waar de oefenwedstrijd in Oostenrijk niet onder viel, kent de UEFA overigens de UEFA Medical Regulations (laatstelijk: editie 2017), met een afzonderlijke bepaling over Special cardiological examinations, inhoudende dat ‘a standard 12-lead ECG’ jaarlijks moet worden gemaakt, met aantekening van het resultaat daarvan in het medisch dossier van de speler, en dat een echocardiografie elke twee jaar moet plaatsvinden, eveneens met vermelding van het resultaat in het dossier. De eerste medische verrichting is voor alle spelers die aan UEFA-competities meedoen verplicht, de tweede is ‘strongly recommanded for all players participating in UEFA competitions’ en is in bepaalde gevallen verplicht, onder andere voor spelers die meedoen aan de UEFA Champions League of de UEFA Europa League (zie: http://www.uefa.com/insideuefa/protecting-the-game/medical/doctor-education/index.html). Ook de FIFA kent medische procedures, met uitgebreide standaard Medical Assessment-lijsten en bijvoorbeeld een First Aid Manual met een uitgebreide beschrijving hoe te handelen bij acute hartproblemen (http://www.fifa.com/development/medical/index.html).
  7. Hoe zijn met betrekking tot de noodhulpverlening de verantwoordelijkheden verdeeld tussen de clubarts van Ajax, de paramedicus van Ajax (denk vooral aan de fysiotherapeut) en de hulpverleners van de ontvangende voetbal- en locale organisatie (gemeente Hippach), waaronder de Notarzt? Gelden ter zake mogelijk bijzondere, plaatselijke regels?
  8. Had Ajax, als 'zorgaanbieder' (medische staf), het gebeuren rond Nouri als 'calamiteit' moeten aanmerken en op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) moeten melden bij de Nederlandse Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)? Dit is niet ondenkbaar en betekent gezien het bepaalde in de Wkkgz tegelijkertijd óók dat het voorval aan de ouders van Nouri (als zijn vertegenwoordigers nadat hij wilsonbekwaam was geworden) had moeten worden medegedeeld, met vermelding van de aard en toedracht ervan. Ook zou het in Nouri’s (sport)medisch dossier moeten zijn aangetekend, met vermelding van - eveneens - de aard en toedracht, alsook van het tijdstip waarop de calamiteit plaatsvond en van de namen van de erbij betrokken personen.
  9. Wat zijn, in verband met het voorgaande punt, de toezichts- en handhavingsbevoegdheden van de IGJ? Kan zij, als daar grond voor is, Ajax bijvoorbeeld een bestuurlijke boete opleggen? En kan zij op grond van de Wet BIG een tuchtrechtelijke procedure starten tegen één of meer van de bij de hulpverlening betrokken beroepsbeoefenaren, zoals de clubarts van Ajax? Het grensoverschrijdende, internationale aspect maakt dit wat ingewikkeld. De bevoegdheden van de IGJ strekken zich namelijk uit tot de Nederlandse gezondheidszorg. Een tuchtrechtelijk precedent op het terrein van de bergwandelsport (hulpverlening door een Nederlandse arts aan een Nederlandse vrouw, gevallen in Nepal tijdens een wandeltocht) kan hier echter behulpzaam bieden.(https://www.medischcontact.nl/nieuws/laatste-nieuws/artikel/bent-u-in-nepal-ook-dokter.htm).
  10. Indien de hulpverlening niet voldoende adequaat is geweest: wie kan/kunnen daarvoor dan civielrechtelijk aansprakelijk worden gesteld, op welke juridische grond(en), en: zal een claim (volledig) kunnen worden toegewezen? Er dienen zich hier vooral (zeer) complexe causaliteitsproblemen aan. Mogelijk dat deze met inschakeling van medisch deskundigen en gebruikmaking van daarvoor ontwikkelde juridische instrumenten, zoals een proportionele berekening van de te vergoeden schade, zijn te 'tackelen', maar eenvoudig zal het op dit punt juridisch gezien niet zijn. Niet ondenkbaar is, voor Ajax mede om publicitaire reden, dat partijen zullen proberen er buiten de rechter om uit te komen, via een onderlinge schikking (vaststellingsovereenkomst).
Het is nu wachten op de uitkomst van het onderzoek van de door de advocaat van de familie Nouri ingeschakelde letselschadeadvocaat. Afhankelijk van wat naar voren (en naar buiten) komt, zal er mogelijk iets meer kunnen worden gezegd over het juridische vervolg en, daarbij, over de rechtspositie van de familie van Nouri en van Ajax (en van de andere betrokkenen zoals de KNVB, de medisch specialist die de KNVB-keuringsartsen mogelijk adviseerde en de Oostenrijkse Notarzt). Voorzorgsmaatregelen bij sportbeoefening Verder zal ook mogelijk de, ook eerder al gevoerde, discussie gaan herleven over de vereiste voorzorgsmaatregelen bij sportbeoefening om medische problemen zoals die zich bij Nouri hebben voorgedaan zoveel mogelijk te beperken. Zou screening van (KNVB-)voetballers of van sporters in het algemeen (bijvoorbeeld met gebruikmaking van het ‘Lausanne-protocol’ voor wedstrijdsporters, door de KNVB toegepast bij sporters van 12 tot 35 jaar), bijvoorbeeld niet verplicht moeten zijn, zoals dat het geval is bij parachutespringen, de motor- en autosport, de duiksport en wielrennen? De Gezondheidsraad heeft in 2006 op basis van een baten/ kostenonderzoek en andere, met name ethische argumenten in negatieve zin geadviseerd over een (bij wet opgelegde) verplichting. De KNVB heeft in 2012 besloten om voor jeugdspelers geen verplichte sportkeuring in te voeren, haar Belgische zusterorganisatie (KBVB) voert daarentegen een ander beleid, volgens éen van haar sportartsen onder meer om gevallen van plotseling hartfalen te voorkomen (http://www.voetbalcentraal.nl/nieuws/71501/knvb-we-gaan-geen-verplichte-sportkeuring-invoeren). Tot zover onze vragen en gezichtspunten. Wij blijven de ontwikkelingen in deze volgen. Januari 2018 [post_title] => De zaak Nouri: juridische aspecten [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => zaak-nouri-juridische-aspecten [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-01-15 14:05:11 [post_modified_gmt] => 2018-01-15 13:05:11 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=16206/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [4] => WP_Post Object ( [ID] => 15741 [post_author] => 2 [post_date] => 2017-11-27 11:21:43 [post_date_gmt] => 2017-11-27 10:21:43 [post_content] => Op 17 november 2017 heeft de Hoge Raad een belangrijke uitspraak gedaan over het ontstaansmoment van vorderingen in de gezondheidszorg. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat indien in het kader van een geneeskundige behandeling meerdere, identificeerbare en op geld waardeerbare deelprestaties kunnen worden aangewezen, er na verrichting van elk van die deelprestaties een daarmee corresponderende vordering ontstaat, tenzij partijen anders zijn overeengekomen. Als gevolg hiervan behoort het onderhanden werk van de zorgaanbieder in beginsel tot een van de vermogensbestanddelen die tot zekerheid voor een financiering rechtsgeldig kunnen worden verpand. De uitspraak wijkt af van de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 29 maart 2016, waarin werd geoordeeld dat voor het ontstaan van de vordering van de zorgaanbieder op de zorgverzekeraar niet beslissend is het moment waarop de zorgaanbieder een geneeskundige behandelingsovereenkomst heeft gesloten met een verzekerde cliënt of ter uitvoering daarvan geneeskundige werkzaamheden ten behoeve van de cliënt heeft verricht of gaat verrichten, maar het moment waarop de zorgaanbieder heeft voldaan aan de voorwaarden voor het kunnen declareren van een DBC-tarief (Diagnose Behandel Combinatie). In een eerdere bijdrage hebben wij de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam reeds besproken. Hierbij is eveneens kort ingegaan op de werking van een pandrecht op vorderingsrechten. Deze publicatie kunt u hier teruglezen. De volledige uitspraak van de Hoge Raad kunt u hier vinden. Wilt u meer weten over het verpanden van een vorderingsrecht, het ontstaansmoment van een vorderingsrecht, de werking van het DBC-systeem, of heeft u vragen over deze uitspraak? Neem dan contact op met Marc Leclair. November 2017 [post_title] => Pandrecht op onderhanden werk: update 17 november 2017! [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => pandrecht-op-onderhanden-werk-update-17-november-2017 [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-12-04 16:19:49 [post_modified_gmt] => 2017-12-04 15:19:49 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=15741/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [5] => WP_Post Object ( [ID] => 13512 [post_author] => 21 [post_date] => 2017-07-24 12:51:28 [post_date_gmt] => 2017-07-24 10:51:28 [post_content] => In geval van mogelijk disfunctioneren van een medisch  specialist dient op een zorgvuldige wijze te worden nagegaan of de betrokken specialist inderdaad (ernstig) tekortschiet in zijn wijze van handelen. De Federatie Medisch Specialisten (FMS) heeft in 2008 een 'Model reglement mogelijk disfunctionerend medisch specialist' gepubliceerd waarin de te volgen procedure wordt beschreven. Eind juni j.l. is dit reglement vervangen door  het 'Modelreglement Functioneringsvraag'. Dit modelreglement kan lokaal, in de eigen zorginstelling, worden overgenomen. Indien nodig of gewenst, kan het op onderdelen worden aangepast aan de eigen, lokale situatie. Indien bij mogelijk disfunctioneren de procedure wordt gevolgd die in het nieuwe reglement wordt beschreven, zal aan de zorgaanbieder en andere betrokkenen (bijvoorbeeld: Medisch Specialistisch Bedrijf, medische staf, stafbestuur) niet spoedig het verwijt kunnen worden gemaakt onvoldoende zorgvuldig te hebben gehandeld  bij vermoedens van ernstig tekortschietend functioneren. Dit is in het bijzonder van belang als het tot een non-actiefstelling, een beëindiging van de arbeids- of de dienstverleningsovereenkomst en een melding bij de Inspectie  voor de Gezondheidszorg (IGZ) van ontslag wegens disfunctioneren mocht komen. In onze nieuwsbrief van juli 2017 berichtten wij over het belang dat de rechter hecht aan het volgen, door de  zorgaanbieder, van het principe van hoor- en wederhoor. Een melding bij de IGZ (volgens de daarvoor recent aangescherpte procedure, zie eveneens de nieuwsbrief van juli 2017) die achteraf ongegrond blijkt te zijn doordat de IGZ  bij haar onderzoek geen ernstig disfunctioneren kan vaststellen,  brengt het risico van een schadevergoedingsactie zijdens de medisch specialist mee (denk aan reputatieverlies e.d.). Het nieuwe reglement beoogt, door de wijze waarop het is ingericht, vroegtijdig ingrijpen bij signalen van mogelijk disfunctioneren. Er kan dan tijdig onderzoek worden gedaan en, zo(veel) mogelijk, een effectief verbetertraject met de medisch specialist worden gevolgd. Dit traject kan verschillende doelen hebben, nu het begrip ‘disfunctioneren’ een ruime inhoud heeft. Het ziet, door een koppeling met de zgn. CanMeds-competenties, niet alleen op (veelal structureel) tekortschietend medisch-technisch handelen, maar ook op tekortkomingen bij communicatie, samenwerking, kennis en wetenschap, maatschappelijk handelen, organisatie en professionaliteit. In beginsel dient  aan toepassing van het reglement, met de daarin beschreven  procedure  van vooronderzoek - onderzoek - verbetertraject – aanbevelingen, een (poging tot) een interne cyclus gericht op verbetering van het functioneren vooraf te gaan. Als dan serieuze aanwijzingen voor een (veelal) structurele situatie van disfunctioneren worden verkregen, dient een schriftelijke, gemotiveerde melding te worden gedaan bij het in het lokale reglement daarvoor aangewezen gremium, bijvoorbeeld de voorzitter (van de  comissie kwaliteit) van de medische staf. Het vervolg van de procedure verloopt via een door dit gremium in te stellen commissie van (voor)onderzoek. Het nieuwe reglement bevat, in vergelijking met het voorgaande,  extra waarborgen voor onafhankelijkheid en transparantie bij het (voor)onderzoek dat naar aanleiding van een melding van mogelijk disfunctioneren plaatsvindt. Een overzicht van de wijzigingen ten opzichte van het reglement uit 2008 is beschikbaar via de volgende link.   [post_title] => Procedure bij mogelijk disfunctioneren medisch specialist [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => procedure-mogelijk-disfunctioneren-medisch-specialist [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-07-24 12:51:28 [post_modified_gmt] => 2017-07-24 10:51:28 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=13512/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [6] => WP_Post Object ( [ID] => 5447 [post_author] => 2 [post_date] => 2016-11-24 10:40:08 [post_date_gmt] => 2016-11-24 09:40:08 [post_content] => Op ons seminar van 27 september j.l. hebben wij verschillende aspecten van de Wkkgz nader belicht in vervolg op ons eerdere seminar van eind vorig jaar. Bijzondere aandacht kreeg de toepassing van nieuwe wettelijke regels in de praktijk. In het onderstaande staan wij stil bij recente ontwikkelingen rond de Wkkgz, toegespitst op de klachten- en geschillenbehandeling. Ook komen de vormgeving van de geschilleninstantie en de functievervulling door de klachtenfunctionaris (kwaliteitsaspect) aan de orde, met aan het slot een enkele opmerking over de klachtenbehandeling bij gedwongen zorg (Wet BOPZ) en een verwijzing naar een recente informatiebrochure over de Wkkgz. Op 1 januari aanstaande moeten de nieuwe wettelijke regels uit de Wkkgz inzake klachten- en geschillenbehandeling geïmplementeerd zijn. Dat betekent: zorgaanbieders (zorginstellingen, vrijgevestigde zorgverleners) hebben zich aangesloten bij een door de minister van VWS erkende geschilleninstantie en zij beschikken over een klachtenregeling en -functionaris voor de interne opvang en behandeling van klachten van cliënten. Geschilleninstanties Een aantal geschilleninstanties is inmiddels erkend. Op de lijst van erkende instanties staan half november: de Stichting Geschilleninstantie Register Chiropractoren, de Geschillencommissie Openbare Apotheken, de Stichting Klachtenregeling Huisartsenzorg Zuid-Nederland (doelgroep: huisartsen Zuid-Holland), de Geschilleninstantie DOKh (doelgroep: huisartsen) en de Geschillencommissie Complementaire en Alternatieve Geneeswijzen. Om voor erkenning in aanmerking te komen, dient het reglement van de geschilleninstantie te voldoen aan de eisen, opgenomen in de 'Reglementseisen geschilleninstanties zorg' (november 2016) van het CIBG, een onderdeel van het ministerie van VWS. Dit document zet de verschillende uit de wet voortvloeiende voorwaarden op een rij. Eerder dit jaar stelde een aantal partijen in de zorg al een kaderstellend Programma van eisen op voor de inrichting van Wkkgz-geschilleninstanties. Het doel van dit programma is te bevorderen dat geschillen door geschilleninstanties landelijk op uniforme wijze worden behandeld. Verder beoogt het de kwaliteit van de afdoening van de geschillen te waarborgen en bij te dragen aan de voorzienbaarheid en betaalbaarheid van de kosten van de geschillenbehandeling. De vraag is wie deel gaan uitmaken van de nieuwe geschilleninstanties. Zijn daarvoor voldoende gekwalificeerde personen te vinden? Het Uitvoeringsbesluit Wkkgz regelt slechts dat de voorzitter een jurist dient te zijn. Het Programma van eisen gaat uit van een jurist met kennis en ervaring op het gebied van geschilbeslechting en gezondheidsrecht. Gelet op de bevoegdheid van de geschilleninstantie om schadevergoeding toe te kennen tot EUR 25.000,-, ligt het voor de hand dat – in ieder geval - de voorzitter ook goed ingewijd is in het civiele aansprakelijkheidsrecht. In het bijzonder de beoordeling van de causaliteitsvraag (oorzakelijk verband tussen de schadeoorzaak en de schade) verlangt de nodige specifieke deskundigheid. Klachtenfunctionaris Het is de bedoeling dat klachten zoveel mogelijk tot een oplossing komen in de fase van opvang en behandeling daarvan door de zorgaanbieder. Er wordt in dit verband nogal wat verwacht van de klachtenfunctionaris. Hij/zij dient volgens de Wkkgz zijn/haar taken onafhankelijk te kunnen vervullen; verdere (kwaliteits)eisen stelt de Wkkgz echter niet. De minister denkt, blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de wet, aan een klachtenfunctionaris die voldoet aan het profiel van de VKIG (Vereniging van klachtenfunctionarissen in de gezondheidszorg) en de bijbehorende opleidingseisen. Communicatieve vaardigheid en oplossingsgerichtheid zijn in ieder geval belangrijk, evenals kennis van het functioneren van de zorg en van de wetgeving (Wkkgz en andere relevante wettelijke regelingen). Kleinere zorgaanbieders kunnen ervoor kiezen niet zelf een klachtenfunctionaris aan te stellen, maar dit samen met anderen in de regio te doen. Mogelijk biedt ook een externe instantie, zoals de eigen brancheorganisatie, hier een faciliteit. Een voorbeeld vormt de Stichting DOKh. Zij biedt de mogelijkheid om gebruik te maken van een aan haar verbonden klachtenfunctionaris. Aan inschakeling van een externe klachtenfunctionaris zijn naast voordelen (geen eigen voorziening nodig, onafhankelijkheid, mogelijk het kostenaspect) ook nadelen verbonden. Het meest in het oog springende is de wellicht beperkte(re) inbedding in de eigen organisatie. Klachten- en geschillenbehandeling bij gedwongen zorg (Wet BOPZ) Zorgaanbieders die (ook) gedwongen zorg verlenen op grond van de Wet BOPZ hebben wat betreft de klachten- en geschillenbehandeling zowel met de Wkkgz als met de Wet BOPZ te maken. In het stelsel van de Wet BOPZ is er een vertrouwenspersoon om de patiënt terzijde staan. Verder is er een klachtencommissie voor de behandeling van klachten van de patiënt over bepaalde ten aanzien van hem genomen beslissingen. Voor klachten van andere aard, zoals inzake bejegening, is de patiënt aangewezen op de door de Wkkgz geboden mogelijkheden en dient derhalve ook een klachtenfunctionaris beschikbaar te zijn. Hoe dient de zorgaanbieder dit ‘duale’ systeem vorm te geven? Een combinatie van de functie van patiëntenvertrouwenspersoon en Wkkgz-klachtenfunctionaris is niet wenselijk gelet op de verschillende rollen van beide functionarissen. Ook aan andere mogelijke combinaties, die van BOPZ-klachtencommissie en Wkkgz-klachtenfunctionaris en die van Wkkgz-geschilleninstantie (denk aan speciale afdeling/kamer daarbinnen voor BOPZ-klachten) en van BOPZ-klachtencommissie kleven bezwaren. Er wordt daarom wel gepleit voor een verruiming van de regeling in Wet BOPZ, opdat patiënten zich met al hun (soorten) klachten tot de BOPZ-klachtencommissie zullen kunnen wenden. Zo ver is het echter nog niet; de vraag is of de betreffende suggestie navolging zal krijgen. Vooralsnog verdient het de voorkeur de procedure voor de klachten- en geschillenbehandeling op grond van de Wkkgz afzonderlijk in te richten en dus gescheiden te houden van de klachtenbehandeling op grond van de Wet BOPZ. Dit neemt niet weg dat waar mogelijk of zinvol samenwerking en taakafstemming kan plaatsvinden. Veel gestelde vragen en antwoorden De Wkkgz doet in de praktijk ook buiten de specifieke terreinen waarvoor zij van belang is, zoals de gedwongen zorg, de nodige vragen rijzen. Wij attenderen u graag op de recent door het ministerie van VWS uitgebrachte brochure ‘Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg - Meestgestelde vragen door zorgprofessionals’ (https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2016/09/28/wet-kwaliteit-klachten-en-geschillen-zorg-meestgestelde-vragen-zorgprofessionals). In deze uitgave komen behalve het klachtrecht ook andere door de Wkkgz geregelde onderwerpen aan de orde. Meer informatie Heeft u vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Rankie ten Hoopen of het team zorg. Zij zijn u graag van dienst. [post_title] => Geschilleninstanties en klachtenfunctionaris: stand van zaken [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => geschilleninstanties-en-klachtenfunctionaris-stand-van-zaken [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-11-24 10:44:05 [post_modified_gmt] => 2016-11-24 09:44:05 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=5447 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [7] => WP_Post Object ( [ID] => 4013 [post_author] => 2 [post_date] => 2016-07-20 08:17:54 [post_date_gmt] => 2016-07-20 08:17:54 [post_content] => Toezichtkader IGZ en NZa Deze maand publiceerden de IGZ en de NZa het gezamenlijk kader "Toezicht op goed bestuur ". Dit kader vervangt het toezichtkader bestuurlijke verantwoordelijkheid en veiligheid van IGZ uit 2011. In navolging van de brief van de minister van VWS "Goede zorg vraagt om goed bestuur" van januari van dit jaar leggen de IGZ en de NZa in dit kader de verbinding tussen de 'veldnormen' van de Zorgbrede Governancecode, beleidskader en wet- en regelgeving. In genoemde brief gaf de minister aan geen heil te zien in meer wet en regelgeving voor bestuur en toezicht mede gelet op het komende Wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen waarover hierna meer. De minister wilde liever in overleg met de sector komen tot een aanscherping van veldnormen als de Zorgbrede Governancecode 2010 alsmede tot een mogelijk accreditatiestelsel voor bestuurders en toezichthouders in de zorg. Over de nieuwe Zorgbrede Governancecode volgt ook hierna meer. Eerst kort nog enkele woorden over het toezichtkader. De samenwerking van beide toezichthouders is gericht op verlaging van de administratieve druk bij zorgaanbieders en efficiënter toezicht waarbij de IGZ toeziet op kwaliteit en veiligheid van de zorg terwijl de NZa waakt over de betaalbaarheid en toegankelijkheid van de zorg. Dit gezamenlijk kader brengt wellicht geen hele nieuwe gezichtspunten, wel geeft het de focus van het toezicht aan. Hierbij valt de sterke nadruk op wenselijk gedrag, een open houding en het creëren van een zelfkritische massa op. Ook dit bevreemdt niet na de vele incidenten in de zorg en de Maevita uitspraak. Het kader vraagt van bestuur en toezicht om kritisch het eigen functioneren tegen het licht te houden en waar nodig intern kaders te scheppen ter verbetering. Hierbij kan men bijvoorbeeld denken aan het inplannen van een structureel overleg tussen bestuur, toezicht, ondernemingsraad en cliëntenraad. Zorgbrede Governancecode 2017 Op 23 mei 2016 is de consultatieversie van de nieuwe Zorgbrede Governancecode 2017 (Code) verschenen. De Code is geheel vernieuwd en de code voor universitaire medische centra is er in opgenomen. De nieuwe Code is niet meer rule based zoals de huidige code maar principle based. De Code moet uitnodigen tot dialoog in plaats van fungeren als afvinklijstje. Zo ontbreekt thans een lijst met bestuursbesluiten die goedkeuring behoeven van de raad van toezicht. Per principe volgt telkens eerst een korte toelichting waarna de principes worden uitgewerkt in een aantal verplichtingen dan wel aanbevelingen. Thans is expliciet door middel van symbolen opgenomen welke bepalingen van de Code verplicht zijn (pas toe) en van welke men, mits gemotiveerd, mag afwijken (pas toe of leg uit). Naast de geheel andere insteek van de Code zijn ook een aantal maatschappelijk relevante zaken toegevoegd. Nieuwe onderwerpen in de code zijn:
  • de maatschappelijke doelstelling is expliciet gemaakt en de centrale positie van de cliënt van de zorgorganisatie heeft een duidelijke plaats gekregen;
  • waarden en normen, cultuur en gedrag worden in een apart principe geadresseerd;
  • de medezeggenschap is benoemd en is onderscheiden van de omgang met andere belanghebbenden;
  • de omgang met in- en externe belanghebbenden is uitgewerkt en verder geconcretiseerd;
  • de integriteit en professionalisering van bestuurders en toezichthouders zijn als aparte onderwerpen benoemd;
  • de werkgeversrol van de raad van toezicht is explicieter beschreven, waaraan onder andere de verantwoording over declaraties is toegevoegd;
  • de governance van zorgconcerns en samenwerkingsverbanden is opgenomen;
  • er wordt aandacht gegeven aan de keuze voor de geschikte rechtspersoon;
  • ook organisaties met een directeur/ aandeelhouder, kleine organisaties en winstuitkeringen zijn opgenomen.
De Code zal in dit najaar na afronding van de consultatiefase aan de ledenvergaderingen van de brancheorganisatiester goedkeuring worden voorgelegd. Over de definitieve versie zullen wij u informeren. Wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen Tot slot is het langverwachte Wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen ingediend op 8 juni jongstleden. Het Wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen is afgezet tegen het consultatiedocument van ruim 2 jaar geleden in belangrijke mate aangevuld. Zo geeft het Wetsvoorstel thans naast een algemene regeling voor een raad van commissarissen bij alle rechtspersonen en dus ook verenigingen en stichtingen, ook een algemene regeling voor een monistisch bestuursmodel voor alle rechtspersonen. In een monistisch bestuursmodel zitten uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders samen in de raad van bestuur. De taakverdeling moet statutair zijn vastgelegd. Ook regelt het Wetsvoorstel de aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen voor alle rechtspersonen en wordt de ontslagmogelijkheid van bestuurders bij stichtingen door de rechter aanzienlijk uitgebreid. Voor een uitgebreide toelichting op Wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen verwijs ik u naar de publicatie hierover op onze website. Meer weten? Wilt u meer weten? Neemt u dan contact op met Judith Wintgens. Publicatie uit de nieuwsbrief zorg juli 2016. Klik hier voor de nieuwsbrief. [post_title] => Ontwikkelingen op het gebied van governance [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => ontwikkelingen-op-het-gebied-van-governance [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-08-08 13:59:04 [post_modified_gmt] => 2016-08-08 13:59:04 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=4013 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [8] => WP_Post Object ( [ID] => 4037 [post_author] => 2 [post_date] => 2016-07-20 08:27:26 [post_date_gmt] => 2016-07-20 08:27:26 [post_content] => De Wkkgz verplicht zorgaanbieders om zich in het kader van de klachtenregeling aan te sluiten bij een onafhankelijke geschilleninstantie. Op 1 januari 2017, een jaar na de inwerkingtreding van de Wkkgz, moet aan deze verplichting zijn voldaan. Gelet op de ingrijpendheid en de omvang van het hiertoe af te leggen traject (naast de implementatie van het nieuwe interne klachtsysteem, met als spil de klachtenfunctionaris), is het nodig om tijdig de nodige stappen te zetten en keuzes te maken. Inmiddels heeft een aantal brancheorganisaties in de zorg een initiatief genomen en zijn de contouren van enkele geschilleninstanties zichtbaar geworden. De Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) heeft besloten om samen met de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU) en vertegenwoordigers van de patiëntenorganisaties (Patiëntenfederatie Nederland), cliëntenraden (LSR) en aansprakelijkheidsverzekeraars een geschilleninstantie (GI) voor alle ziekenhuizen in te stellen. Naast ziekenhuizen kunnen ook andere leden van de NVZ die medisch-specialistische zorg aanbieden zich bij deze geschilleninstantie aansluiten, zoals revalidatie-instellingen en epilepsie- en audiologische centra. De Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) en InEen (een verband van huisartsenposten, gezondheidscentra, eerstelijns diagnostische centra en zorggroepen) hebben de grootste gezamenlijke klachtencommissie van huisartsen in ons land, de Stichting Klachtenregeling Huisartsenzorg Zuid-Nederland (SKHZN), gevraagd zich om te vormen tot Stichting Geschilleninstantie Huisartsenzorg. De huisartsen zouden dan, evenals de ziekenhuizen, één landelijke geschilleninstantie krijgen. Het is de bedoeling dat onder deze centrale instantie drie regionale geschilleninstanties komen te ressorteren. Er zijn besprekingen gaande om te bezien of de betreffende instantie kan worden uitgebreid met afzonderlijke commissies voor apothekers en fysiotherapeuten. De keuze voor één landelijke commissie wordt door de LHV en InEen, evenals door andere brancheorganisaties, gemotiveerd met het belang van landelijke uniformiteit: ter waarborging van de kwaliteit van de geschilbeslechting en ten behoeve van de duidelijkheid en gelijkheid voor cliënten (uniforme klachtafhandeling, zowel procedureel als inhoudelijk). Er wordt veel gewicht toegekend aan een deskundige invulling van de voorzittersrol, waarschijnlijk te vervullen door een rechter. Dit dient mede ten goede te komen aan het vertrouwen van aansprakelijkheidsverzekeraars in de kwaliteit van de geschillenbeslechting. De Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) heeft besloten tot het instellen van een Geschilleninstantie Gehandicaptenzorg. De leden van de VGN zijn vrij om zich al dan niet bij deze instantie aan te sluiten; zij kunnen er ook voor kiezen een andere (bijvoorbeeld regionale) weg te bewandelen. Nu er speciaal voor de eigen sector een geschilleninstantie wordt ingesteld, valt evenwel te verwachten dat de gedachten van veel zorgaanbieders al spoedig in de richting van aansluiting bij deze eigen instantie zullen gaan. Ook GGZ Nederland heeft te kennen gegeven voorkeur te hebben voor één geschilleninstantie, specifiek voor de GGZ, waarbij haar leden zich kunnen aansluiten (als lidmaatschapsverplichting), mits een goede regionale bereikbaarheid, deskundigheid en een acceptabel kostenniveau zijn verzekerd. Onlangs is door een aantal brancheorganisaties, waaronder de hiervoor genoemde, een kaderstellend 'Programma van eisen inrichting Wkkgz-geschilleninstanties'  opgesteld, dan wel onderschreven, dat tot doel heeft om de beoogde landelijke uniformiteit en kwaliteit van geschillenbeslechting op basis van de Wkkgz te bevorderen. Het programma bevat eisen ten aanzien van de behandeling van geschillen door geschilleninstanties, de inrichting van geschilleninstanties en de kosten van geschilbeslechting. Het gaat hierbij om minimum-standaarden die een goede toegang tot de geschilleninstanties moeten verzekeren, evenals een goede beoordeling van de aanhangig gemaakte geschillen. Tot de eisen die betrekking hebben op de inrichting van geschilleninstanties behoort onder meer de eis dat een geschilleninstantie in haar reglement waarborgt dat zij zitting kan houden op locaties die redelijkerwijs bereikbaar en toegankelijk zijn voor de indiener van een te beoordelen klacht. Een zekere regionale gerichtheid is dus ook bij een branchegerichte benadering een punt van aandacht. Met het ‘Programma van Eisen’ is een duidelijke basis voor de verdere totstandkoming en inrichting van geschilleninstanties gelegd. Er moet echter er nog veel geregeld worden voordat de nieuwe instanties gereed zijn en een aanvraag tot erkenning ervan bij het CIBG (agentschap van het ministerie van VWS) kan worden ingediend, om te worden getoetst aan de eisen die de Wkkgz en de Uitvoeringsregeling Wkkgz stelt. Hierbij is van belang dat voor het CIBG een nogal ruime beslistermijn geldt (binnen acht weken met een verlengingsmogelijkheid tot maximaal zestien weken). Dit betekent dat ook de verdere werkzaamheden voor de vormgeving van de geschilleninstanties door (de brancheorganisaties van) de zorgaanbieders met voortvarendheid zullen moeten worden verricht. Op 29 september 2016  zullen wij u in een seminar over de Wkkgz verder informeren over de meest recente ontwikkelingen over onder meer de geschilleninstanties en tevens enkele praktische tools meegeven ter verzekering van de compliance van uw zorgorganisatie aan de Wkkgz. Meer weten? Wilt u nu reeds meer weten? Neemt u dan contact op met Rankie ten Hoopen. Publicatie uit de nieuwsbrief zorg juli 2016. Klik hier voor de nieuwsbrief. [post_title] => Update Wkkgz: de totstandkoming van geschilleninstanties [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => update-wkkgz-de-totstandkoming-van-geschilleninstanties [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-08-08 13:59:34 [post_modified_gmt] => 2016-08-08 13:59:34 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=4037 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [9] => WP_Post Object ( [ID] => 4041 [post_author] => 2 [post_date] => 2016-07-20 08:39:12 [post_date_gmt] => 2016-07-20 08:39:12 [post_content] => De contractering van zorg onder de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg verloopt niet zelden uiterst stroef. Zorgaanbieders voelen zich geregeld met de rug tegen de muur geplaatst vanwege de vrijwel niet onderhandelbare eisen en voorwaarden van zorgverzekeraars en zorgkantoren. Om de kwaliteit van het contracteerproces bij de inkoop van zorg te bevorderen hebben circa 25 branche- en beroepsorganisaties een convenant ondertekend op basis waarvan per 2 juni 2016 de Onafhankelijke Geschilleninstantie Zorgcontractering ("Geschilleninstantie") is ingesteld. De Geschilleninstantie ressorteert onder het Nederlands Arbitrage Instituut en is bevoegd om kennis te nemen van klachten van zorgverzekeraars, zorgaanbieders en beroeps- en brancheorganisaties die betrekking hebben op de inkoop van zorg ingevolge de Zorgverzekeringswet. Vanaf 1 april 2017 kunnen ook geschillen over de inkoop van zorg ingevolge de Wet langdurige zorg aan de Geschilleninstantie worden voorgelegd. Mediation, arbitrage of bindend advies Geschilbeslechting door de Geschilleninstantie geschiedt in de vorm van mediation, bindend advies of arbitrage en vormt zodoende een snel, laagdrempelig en effectief alternatief voor geschilbeslechting door de burgerlijke rechter. Hoe effectief dit alternatief zal zijn, zal nog moeten blijken. De insteek van de Geschilleninstantie stemt echter hoopvol. Mede van belang in dit verband is dat de hiervoor genoemde vormen van geschilbeslechting de nodige ruimte laten om aandacht te besteden aan herstel respectievelijk behoud van een goede onderlinge verstandhouding tussen de betrokken zorgverzekeraar(s) (dan wel het betrokken zorgkantoor) en de betrokken zorgaanbieder(s). Kosten De kosten van geschilbeslechting door de Geschilleninstantie komen ingeval van bindend advies en arbitrage voor rekening van de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij. Treffen partijen een schikking, staken zij tussentijds de bij de Geschilleninstantie aanhangig gemaakte procedure of vindt geschilbeslechting door middel van mediation plaats, dan dragen partijen voor gelijke delen bij in de kosten. Daarbij dient echter te worden aangetekend dat voor kleine zorgaanbieders (jaaromzet tot EUR 325.000,-) een tegemoetkomingsregeling geldt, zodat de door de Geschilleninstantie in rekening te brengen kosten voor hen geen drempel behoeft te vormen om voor geschilbeslechting door de Geschilleninstantie te kiezen. Meer weten? Wilt u meer informatie of overweegt u een geschil voor te leggen aan de Onafhankelijke Geschilleninstantie Zorgcontractering, neemt u dan contact met Ward van Loo. Publicatie uit de nieuwsbrief zorg juli 2016. Klik hier voor de nieuwsbrief. [post_title] => De Geschilleninstantie Zorgcontractering [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => de-geschillencommissie-zorgcontractering [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-08-08 13:59:47 [post_modified_gmt] => 2016-08-08 13:59:47 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=4041 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [10] => WP_Post Object ( [ID] => 4047 [post_author] => 2 [post_date] => 2016-07-20 08:49:05 [post_date_gmt] => 2016-07-20 08:49:05 [post_content] => Afgelopen maand is het manifest 'In goed vertrouwen. De privacy van de jeugd geborgd' ondertekend. Daarmee hebben branche- en beroepsorganisaties, gemeenten en jeugdhulp- en zorgaanbieders nadere afspraken vastgelegd over de zorgvuldige omgang met persoonsgegevens in het jeugddomein. Sinds de invoering van de Jeugdwet per 1 januari 2015 is er veel aandacht uitgegaan naar de vraag of de wet voldoende privacybescherming aan de jeugdige en zijn ouders/verzorgers bood. Volgens - onder meer - de Autoriteit Persoonsgegevens was dit onvoldoende het geval. De wet en aanverwante regelgeving zijn daarop door reparatiewetgeving op enkele punten aangepast. De vervolgvraag is of het wettelijk kader wel op de juiste wijze vertaald wordt naar de praktijk. In de praktijk blijkt dat gemeenten en zorgaanbieders hier op verschillende wijze uitvoering aan geven. Zij hanteren bijvoorbeeld diverse privacy protocollen, die niet altijd voldoende op elkaar aansluiten. In het manifest hebben de voornoemde partijen afgesproken zorgvuldig om te gaan met persoonsgegevens en het privacy-bewustzijn in het veld te bevorderen. Deze afspraken zijn gemaakt tussen de koepelorganisaties van de betrokken partijen en worden onderschreven door cliëntenorganisaties en ouderplatforms. Het manifest is ondertekend door onder meer de VNG, GGZ Nederland en het Nederlands Jeugdinstituut. In aanvulling op het manifest zijn tien privacy-vuistregels ontwikkeld, die de professionals moeten helpen in situaties waarin zich dilemma’s rondom privacy in het jeugddomein kunnen voordoen. Deze vuistregels vormen een aanvulling op de bestaande wetgeving en beroeps- en meldcodes. Het manifest en de vuistregels beogen de jeugdigen en hun ouders/verzorgers meer duidelijkheid te geven over de privacybescherming en over hoe professionals daar in de praktijk mee omgaan. De vuistregels zijn online gepubliceerd en zullen ook in een app worden opgenomen, zodat zowel professionals als ouders en jeugdigen deze kunnen raadplegen. De vuistregels zijn in algemene zin geformuleerd. Zo luidt de eerste vuistregel: "Wij respecteren de rechten van de jeugdige, zijn ouders of verzorgers." En ook: "Wij vragen nooit méér persoonsgegevens dan strikt noodzakelijk." Tevens wordt het vertrouwen in professionals onderling uitgesproken: "Wij hebben vertrouwen in de andere professional, dat deze de afweging om wel of geen gegevens te vragen of te verstrekken zorgvuldig heeft gemaakt." Bij iedere vuistregel staat een korte toelichting. Ondanks de vrij algemene bewoordingen, leiden de vuistregels er hopelijk toe dat de bewustwording op het gebied van privacy in het jeugddomein verder zal toenemen. Meer weten? Heeft u vragen over privacy al dan niet in relatie tot de Jeugdwet? Neem dan contact op met Josanne Cox-Brinkman. Publicatie uit de nieuwsbrief zorg juli 2016. Klik hier voor de nieuwsbrief. [post_title] => Betere privacybescherming in het jeugddomein [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => betere-privacybescherming-in-het-jeugddomein [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-08-08 14:00:35 [post_modified_gmt] => 2016-08-08 14:00:35 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=4047 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [11] => WP_Post Object ( [ID] => 3267 [post_author] => 21 [post_date] => 2016-07-08 08:20:45 [post_date_gmt] => 2016-07-08 08:20:45 [post_content] =>

Op 29 maart jl. heeft het gerechtshof Amsterdam een belangrijke uitspraak gedaan over het ontstaansmoment van vorderingen in de gezondheidszorg.

Anders dan de rechtbank, is het gerechtshof van oordeel dat voor het ontstaan van de vordering van de zorgverlener op de zorgverzekeraar niet beslissend is het moment waarop de zorgverlener een geneeskundige behandelingsovereenkomst heeft gesloten met een verzekerde cliënt of ter uitvoering daarvan geneeskundige werkzaamheden ten behoeve van de cliënt heeft verricht of gaat verrichten, maar het moment waarop de zorgverlener heeft voldaan aan de voorwaarden voor het kunnen declareren van een DBC-tarief (Diagnose Behandel Combinatie).

De uitspraak is van belang voor de financieringspraktijk. Het ontstaansmoment van een vorderingsrecht bepaalt immers in hoeverre een vordering in het geval van een faillissement toekomt aan de pandhouder dan wel de failliete boedel.

Voor een goed begrip van de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam zullen wij eerst kort ingaan op de werking van een pandrecht, meer concreet een pandrecht op vorderingsrechten. Vervolgens zullen wij de onderliggende casus behandelen.

Inleiding Het pandrecht is een verhaalsrecht. Het pandrecht strekt ter zekerheidstelling van een vordering tot voldoening van een geldsom. Het is de pandgever die ten gunste van de pandhouder een pandrecht op een tot haar vermogen behorend actief laat vestigen, zoals op een vordering van de pandgever op een derde (debiteur).

Pandrecht in het algemeen Met een pandrecht krijgt de pandhouder een bevoorrechte positie ten opzichte van andere (concurrente) schuldeisers van de pandgever. Een pandhouder kan zich met voorrang boven andere schuldeisers van de pandgever op het onderpand verhalen. Bovendien heeft de pandhouder het recht van parate executie; wanneer pandgever jegens hem in verzuim is geraakt, krijgt de pandhouder, zonder dat hij conservatoir beslag hoeft te leggen en een executoriale titel nodig heeft, de bevoegdheid om door middel van verkoop (in beginsel openbaar) en levering van het verpande goed of inning van de verpande vordering zijn vordering te verhalen. Deze rechten blijven, anders dan bij beslag, tijdens het faillissement van de pandgever overeind; de pandhouder kan zijn rechten uitoefenen alsof er geen faillissement is.

Vuistpand / bezitloos (stil) pandrecht Vuistpand is een pandrecht waarbij het te verpanden goed of recht in de macht van de pandhouder of van een derde komt. Bij vuistpand wordt het verpande goed door de pandgever overgedragen aan de pandhouder of aan een derde. In de praktijk is dit moeilijk bruikbaar, omdat de pandgever dan niet meer over haar goed of recht kan beschikken.

Bij bezitloos (stil) pandrecht wordt het verpande goed niet overgedragen aan de pandhouder, maar wordt in een authentieke of geregistreerde akte opgemaakt dat er een pandrecht is gevestigd op een bepaald goed of recht.

Pandrecht op vorderingsrechten Een stil pandrecht op een vorderingsrecht kan slechts worden gevestigd mits dit vorderingsrecht op het tijdstip van de vestiging van het pandrecht reeds bestaat of rechtstreeks zal worden verkregen uit een dan reeds bestaande rechtsverhouding.

Als gevolg hiervan kan een pandgever slechts haar ten tijde van het ondertekenen van de akte van verpanding bestaande en relatief toekomstige vorderingen (vorderingen uit hoofde van een reeds bestaande rechtsverhouding) verpanden, en aldus niet haar absoluut toekomstige vorderingen (vorderingen uit hoofde van een nog niet bestaande rechtsverhouding).

Inningsbevoegdheid van vorderingsrechten De vestiging van een stil pandrecht op een vorderingsrecht brengt geen wijziging in de inningsbevoegdheid van de pandgever. Totdat het pandrecht door pandhouder openbaar wordt gemaakt, blijft de pandgever bevoegd de verpande vorderingen te innen en blijft de debiteur bevoegd haar schuld aan de pandgever te voldoen.

Indien de pandgever tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen jegens de pandhouder (of daartoe gegronde vrees bestaat), is de pandhouder bevoegd mededeling te doen van haar pandrecht aan de debiteuren van de pandgever.

Na mededeling van het pandrecht (openbaarmaking) gaat de inningsbevoegdheid over op de pandhouder. De pandhouder is dan bevoegd tot inning van de vorderingen over te gaan. In dat geval kan de debiteur van de pandgever slechts bevrijdend betalen aan de pandhouder.

Vorderingen die ná het faillissement van de pandgever ontstaan en niet voortvloeien uit een op moment van faillietverklaring bestaande rechtsverhouding, komen toe aan de failliete boedel en niet aan de pandhouder. Door het faillissement is de pandgever namelijk niet meer bevoegd tot het verpanden van vorderingen. In dat geval kan de debiteur slechts bevrijdend betalen aan de curator.

Ontstaansmoment van vorderingsrechten Een vordering bestaat in beginsel pas als een bepaalde prestatie kan worden gevorderd.

Bij het ontstaan van vorderingen dient een onderscheid te worden gemaakt tussen vorderingen die voortvloeien uit de wet en vorderingen die voortvloeien uit een overeenkomst.

Ten aanzien van vorderingen uit de wet geldt dat deze pas ontstaan indien aan alle door de wet genoemde vereisten daarvoor is voldaan. Ten aanzien van vorderingen uit een overeenkomst geldt dat partijen in beginsel zelf kunnen bepalen wanneer de uit de overeenkomst voortvloeiende vorderingen ontstaan.

Casus Better Life BV is een aanbieder van geestelijke gezondheidszorg (ggz).

Op 31 mei 2012 heeft Better Life BV een full-factoringovereenkomst gesloten met Fa-Med BV. Op grond van deze overeenkomst factureert en incasseert Fa-Med BV declaraties voor Better Life BV en voorziet zij Better Life BV van voorschotten.

Tot zekerheid voor nakoming van al hetgeen Better Life BV uit hoofde van de full-factoringovereenkomst aan Fa-Med BV is verschuldigd, heeft Better Life BV ten gunste van Fa-Med BV een pandrecht gevestigd op alle bestaande en toekomstige vorderingen die voortvloeien of zullen voortvloeien uit de uitoefening door Better Life BV van haar werkzaamheden als zorgverlener.

Bij vonnis van 12 maart 2013 is Better Life BV in staat van faillissement verklaard. Ten tijde van het intreden van het faillissement had Fa-Med BV een vordering op Better Life BV van EUR 2.383.691,-. Het onderhanden werk vertegenwoordigde een bedrag van EUR 1.265.697,03. Van dit bedrag werd EUR 885.989,- geïncasseerd nadat de door Better Life BV uitgevoerde maar nog niet in rekening gebrachte werkzaamheden administratief werden afgehandeld als diagnosebehandel-combinatie (DBC) en werden gefactureerd aan de zorgverzekeraars.

Diagnosebehandel-combinatie Een DBC komt overeen met een pakket aan activiteiten die nodig zijn om bij een cliënt een bepaalde diagnose te stellen en de cliënt aansluitend te behandelen. Een DBC in de ggz is opgebouwd uit activiteiten, verrichtingen en de daaraan bestede tijd. Aan elk DBC hangt een prijskaartje. Dit wordt gebruikt om de zorg te declareren bij de zorgverzekeraar of de cliënt. Na het afsluiten van het zorgtraject ontvangt de cliënt of de zorgverzekeraar de rekening die gebaseerd is op de DBC.

Op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) ligt de verantwoordelijkheid voor de prestatie- en tariefregulering op het gebied van de zorg bij de Nederlandse zorgautoriteit (Nza). In het verlengde geldt dit ook voor de DBC-systematiek. De Nza stelt op grond van de Wmg regels vast, inhoudende aan wie, door wie, op welke wijze, onder welke voorwaarden of met inachtneming van welke voorschriften of beperkingen een tarief in rekening wordt gebracht. Het betreft een publieke taak.

Oordeel rechtbank De rechtbank heeft tot uitgangspunt genomen dat het publiekrechtelijke DBC-systeem geen zelfstandig recht op betaling in het leven roept voor een prestatie door de zorgverlener.

De rechtbank is van oordeel dat de declaraties en facturering feitelijke handelingen zijn die zelf geen betalingsverplichting in het leven roepen; de vordering op de zorgverzekeraars ontstaat volgens de rechtbank dan ook door het sluiten van een geneeskundige behandelingsovereenkomst tussen de zorgverlener en de cliënt, althans wanneer ter uitvoering van die behandelingsovereenkomst een medische behandeling werd verricht.

Oordeel gerechtshof Met de rechtbank is het gerechtshof van oordeel dat het publiekrechtelijke DBC-systeem zelf geen zelfstandige vorderingen in het leven roept voor de prestaties van een zorgverlener.

Het gerechtshof is echter van mening dat Fa-Med BV onvoldoende concreet aan de hand van de inhoud en strekking van geneeskundige behandelingsovereenkomsten heeft gesteld dat Better Life BV ter zake het onderhanden werk ten tijde van het faillissement iets te vorderen had van de zorgverzekeraars.

Het gerechtshof is van oordeel dat voor het ontstaan van een vordering op een zorgverzekeraar niet beslissend is het moment waarop de zorgverlener een geneeskundige behandelingsovereenkomst heeft gesloten met een verzekerde cliënt of ter uitvoering daarvan geneeskundige werkzaamheden ten behoeve van de cliënt heeft verricht of gaat verrichten, maar het moment waarop de zorgverlener heeft voldaan aan de voorwaarden voor het kunnen declareren van een DBC-tarief. Aanspraak op dit tarief ontstaat pas na afronding van de werkzaamheden en afsluiting van de DBC. Dit doet de vordering ontstaan. Uit niets blijkt dat Better Life BV vóór het moment dat aan deze voorwaarden was voldaan reeds een prestatie van de zorgverzekeraar kon vorderen.

Het gerechtshof heeft dan ook geconcludeerd dat de vorderingen niet aan Fa-Med BV zijn verpand, waardoor de curator van Better Life BV gerechtigd is over te gaan tot het incasseren van de vorderingen op de zorgverzekeraars ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers van Better Life BV.

Conclusie Bij het verpanden van toekomstige vorderingsrechten is het ontstaansmoment van de vorderingsrechten essentieel. Het ontstaansmoment bepaalt immers in hoeverre de vorderingsrechten – in het geval van faillissement – aan de faillissementsboedel of de pandhouder toekomen.

Bij vorderingsrechten die voortvloeien uit een overeenkomst geldt dat pandgever en zijn klanten in beginsel zelf kunnen bepalen wanneer de vorderingsrechten ontstaan. Dit leidt tot onzekerheid voor de pandhouder; op het moment van de vestiging van het pandrecht is hij immers onbekend met de inhoud van de overeenkomsten tussen de pandgever en zijn klanten.

De volledige uitspraak kunt u hier vinden. Wilt u meer weten over het verpanden van vorderingsrechten, het ontstaansmoment van een vorderingsrecht, de werking van het DBC-systeem, of heeft u vragen over deze uitspraak? Neem dan contact op met Josanne Cox-Brinkman of Marc Leclair. [post_title] => Pandrecht op onderhanden werk [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => pandrecht-op-onderhanden-werk [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-07-14 22:04:07 [post_modified_gmt] => 2016-07-14 22:04:07 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://31.3.97.74/~boelzander/?post_type=publicatie&p=3267 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) )
< 12 >

Wij gebruiken cookies om u de beste online ervaring te bieden. Door akkoord te gaan, accepteert u het gebruik van cookies in overeenstemming met ons cookiebeleid.

Privacy Settings saved!
Privacy-instellingen

Wanneer u een website bezoekt, kan het informatie in uw browser opslaan of ophalen, meestal in de vorm van cookies. Beheer hier uw persoonlijke Cookie Services.

Deze cookies zijn nodig om de website te laten functioneren en kunnen niet worden uitgeschakeld in onze systemen.

In order to use this website we use the following technically required cookies
  • wordpress_test_cookie
  • wordpress_logged_in_
  • wordpress_sec

Omwille van de prestaties gebruiken we Cloudflare als een CDN-netwerk. Hiermee wordt een cookie "__cfduid" opgeslagen om beveiligingsinstellingen per client toe te passen. Deze cookie is strikt noodzakelijk voor de beveiligingsfuncties van Cloudflare en kan niet worden uitgeschakeld.
  • __cfduid

Geen toestemming
Wel toestemming