Publicaties

Publicaties
Array
(
    [0] => WP_Post Object
        (
            [ID] => 22840
            [post_author] => 2
            [post_date] => 2019-01-17 13:00:19
            [post_date_gmt] => 2019-01-17 12:00:19
            [post_content] => Het is de Britse premier Therese May afgelopen dinsdag 15 januari 2019 niet gelukt overeenstemming te bereiken met het Britse parlement over een Brexit-deal. Met een grote meerderheid is de door May voorgestelde Brexit-deal door het Britse parlement afgewezen. May zal in de komende dagen haar uiterste best gaan doen om de Brexit-deal aan te passen zodat dat het parlement alsnog instemt met de deal.

'Harde' Brexit
De harde deadline voor een eventuele Brexit-deal met de Europese Unie (EU) is gesteld op 29 maart 2019. Als er voor die tijd geen overeenstemming is bereikt zal het Verenigd Koninkrijk zonder afspraken de Europese Unie verlaten en dit heeft directe gevolgen voor het vrij verkeer van goederen, diensten en personen binnen de EU en het VK. Als het VK voor 29 maart 2019 kan instemmen met een Brexit akkoord, komt er tot 1 januari 2021 een overgangsperiode, waarin verder kan worden onderhandeld.

Komt er geen Brexit-deal dat betekent dit dat alle verdragen en afspraken zoals tot dusver gelden komen te vervallen en alle handel tussen het VK en de EU vanaf dat moment vallen onder de regels van de Wereld Handelsorganisatie (WTO). Dit leidt tot douaneprocedures, importtarieven en overige handelsbelemmeringen.

Impact Nederlandse Food & Agri sector
Nederland is een van de belangrijkste leveranciers van voedsel- en landbouwproducten aan het Verenigd Koninkrijk, dat slechts voor 60% zelfvoorzienend is qua voedsel. De impact van de Brexit op Nederlandse producenten en handelaren van voedsel- en landbouwproducten zal dan ook groot zijn.

Voor producten zoals groente, vis, vlees, zuivel en eieren geldt dat zonder deal het vrije verkeer van goederen niet langer mogelijk is. Dit leidt direct tot een verstoring van de handel van voedsel- en landbouwproducten en daarmee tot veel onzekerheid. Denkbaar is dat voor bepaalde producten nieuwe registraties moeten volgen, dat etiketten moeten worden gewijzigd of dat product- en kwaliteitseisen variëren. De onzekerheid over de verschillende procedures, inspecties en invoertarieven aan de grens zullen ongetwijfeld zorgen voor hogere kosten voor zowel importeurs als exporteurs.

Wat te doen?
Vooralsnog is onduidelijk op welke wijze het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie zal treden. Wat kunt u als ondernemer in de Food & Agri sector, afhankelijk van de import en export met het Verenigd Koninkrijk, doen om zoveel mogelijk voorbereid te zijn op de Brexit?

Voor Nederlandse bedrijven die importeren naar het Verenigd Koninkrijk is het aan te raden alvast de extra douaneformaliteiten in kaart te brengen. Dit om er zeker van te zijn dat de goederen ook na 29 maart 2019 de grens over kunnen. Daarnaast heeft elk bedrijf een EORI-nummer nodig. Dit identificatienummer is nodig om zaken te doen met een land buiten de Europese Unie. Meer praktische informatie over douaneformaliteiten na de Brexit is hier te vinden.

Vragen?
Wij volgen de ontwikkelingen rondom de Brexit voor u als ondernemer op de voet. Mocht u hierover vragen hebben of van gedachten willen wisselen, neem dan contact op met Merel Lentjes of een van onze advocaten van het team Food & Agri.

Januari 2019
            [post_title] => Geen akkoord Brexit-deal: wat betekent dit voor de Nederlandse bedrijven in de Food & Agri sector?
            [post_excerpt] => 
            [post_status] => publish
            [comment_status] => closed
            [ping_status] => closed
            [post_password] => 
            [post_name] => geen-akkoord-brexit-deal-wat-betekent-dit-voor-de-nederlandse-bedrijven-in-de-food-agri-sector
            [to_ping] => 
            [pinged] => 
            [post_modified] => 2019-01-17 13:27:31
            [post_modified_gmt] => 2019-01-17 12:27:31
            [post_content_filtered] => 
            [post_parent] => 0
            [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=22840
            [menu_order] => 0
            [post_type] => publication
            [post_mime_type] => 
            [comment_count] => 0
            [filter] => raw
        )

    [1] => WP_Post Object
        (
            [ID] => 22075
            [post_author] => 28
            [post_date] => 2018-12-27 13:53:41
            [post_date_gmt] => 2018-12-27 12:53:41
            [post_content] => In juni 2017 besloot het Europees Octrooi Bureau (EOB) dat er geen patenten meer verleend konden worden op klassiek veredelde planten. Eigenschappen van bijvoorbeeld groenten en fruit die via biologische processen worden 'verbeterd' waren niet langer patenteerbaar.

In lijn met dit besluit heeft EOB op 30 oktober jl. ook het patent van Monsanto op de broccoli met een lange steel verworpen. Deze broccoli, die door zijn lange steel machinaal geoogst kan worden, zou het resultaat van 'pure klassieke veredeling' zijn en daarom niet langer patenteerbaar. Dit was, voor zover bekend, het eerste patent op een natuurlijke eigenschap dat sinds de in 2017 gewijzigde patentwetgeving herroepen is.

Op 5 december jl. lijkt de Kamer van Beroep van het Europees Octrooi Bureau (EOB) echter een streep te zetten door de in 2017 gewijzigde patentwetgeving en de beslissing van het EOB om geen patenten meer te verlenen op natuurlijke eigenschappen van planten. Het oordeel van de Kamer van Beroep werd uitgesproken in de zaak van Syngenta Participations AG tegen het EOB. Een zaak waarin de Examining Division een eerder octrooiaanvraag van Syngenta voor een nieuw ras van paprikaplanten op basis van de gewijzigde patentwetgeving had geweigerd. Ten onrechte, volgens de Kamer van Beroep.

Het mondelinge besluit van de Kamer van Beroep was vooral gebaseerd op artikel 164(2) van het Octrooiverdrag, dat bepaalt dat in zaken – waarbij uitvoeringsregels in strijd zijn met een verdragsartikel – het artikel zelf altijd voorrang heeft. Volgens de Kamer was de gewijzigde patentwetgeving kortom gebaseerd op een gebrekkige wettelijke grondslag waardoor deze als nietig wordt beschouwd en derhalve niet hoeft te worden nageleefd.

Of het daardoor toch weer mogelijk is om octrooien aan te vragen op groente- en fruitsoorten die via veredeling zijn ontstaan, is nog niet geheel duidelijk. De Kamer sprak zich begin december mondeling uit, en een schriftelijke bevestiging mét uitleg moet nog volgen. Dan zal ook pas duidelijk worden wat de Kamer precies vindt en wat de reikwijdte van de uitspraak zal zijn. Vervolgens is het aan het EOB om te bepalen wat zij met de uitspraak gaat doen.

Zodra de schriftelijke beslissing beschikbaar is, zullen wij u hieromtrent nader kunnen informeren.

Meer informatie

Heeft u al vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie omtrent de bescherming van Intellectueel Eigendom? Neem dan contact op met een van onze IE-specialisten of een van onze advocaten van team Food & Agri. Zij zijn u graag van dienst.
            [post_title] => Nog geen einde aan patenten op ons voedsel
            [post_excerpt] => 
            [post_status] => publish
            [comment_status] => closed
            [ping_status] => closed
            [post_password] => 
            [post_name] => nog-geen-einde-aan-patenten-op-voedsel
            [to_ping] => 
            [pinged] => 
            [post_modified] => 2018-12-27 13:53:41
            [post_modified_gmt] => 2018-12-27 12:53:41
            [post_content_filtered] => 
            [post_parent] => 0
            [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=22075
            [menu_order] => 0
            [post_type] => publication
            [post_mime_type] => 
            [comment_count] => 0
            [filter] => raw
        )

    [2] => WP_Post Object
        (
            [ID] => 21559
            [post_author] => 28
            [post_date] => 2018-11-20 11:09:38
            [post_date_gmt] => 2018-11-20 10:09:38
            [post_content] => Claims op etiketten van voedingsmiddelen mogen niet misleidend zijn voor consumenten. Informatie op een etiket dat bepaalde kenmerken, effecten of eigenschappen aan het product toeschrijft die het product niet bezit, kunnen de consument op het verkeerde been zetten en zijn daarom niet toegestaan.

Rapport BEUC

The European Consumer Organisation ("BEUC") is een belangenorganisatie die opkomt voor de belangen van de Europese consumenten. In een rapport dat in juni 2018 is verschenen, verzoekt het BEUC om duidelijkere regels omtrent etikettering van voedsel- en drankproducten en effectievere handhaving. Het BEUC stelt onder andere dat er duidelijkere regels moeten komen voor het gebruik van termen als "traditioneel", "ambachtelijk" of "natuurlijk". Ook is het BEUC van mening dat er onterecht gebruik wordt gemaakt van foto's met fruit op producten waar vrijwel geen fruit in zit. Daarnaast wil zij dat er een wettelijk minimum wordt vastgesteld voor de hoeveelheid volkorengranen in een product.

Hoe zit dit dan precies?

Bij levensmiddelen kun je drie hoofdcategorieën van claims onderscheiden die aangeven dat een product een bepaalde eigenschap heeft. Voedingsclaims gaan over de samenstelling van een product, bijvoorbeeld "vezelrijk" of "zoutarm". Gezondheidsclaims gaan over het effect dat een product heeft (zie het eerder verschenen artikel op onze website). De laatste categorie betreft medische claims die het voorkomen, behandelen of genezen van een ziekte beweren. Dit is verboden.

Op dit moment is de Verordening (EU) nr. 1169/2011 van kracht. Deze verordening bevat de regels over de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten. Artikel 7 van de Verordening bepaalt dat claims misleidend zijn, indien er kenmerken, effecten of eigenschappen aan het product worden toegeschreven die het niet bezit. Ook zijn presentatie, beschrijvingen of afbeeldingen die de aanwezigheid van bepaalde ingrediënten suggereren terwijl deze niet of nauwelijks aanwezig zijn, misleidend.

De Eurocommissaris heeft namens de Europese Commissie laten weten dat zij vindt dat de consument met de huidige wetgeving adequaat geïnformeerd en voldoende beschermd wordt tegen misleiding. Het is aan de lidstaten zelf om deze wetten te handhaven. Ondanks het rapport van de BEUC zal er dus geen wijziging in de huidige voedingsmiddelen wetgeving worden doorgevoerd.

Toezicht op misleidende etiketten

Voedings- en gezondheidsclaims zijn dus toegestaan als ze voldoen aan de Verordening en zijn goedgekeurd door de Europese Unie. Een product "vezelrijk" noemen mag alleen als dat product minimaal 6 g/100 g vezels bevat. Op de website van de Europese Commissie is een lijst gepubliceerd van toegestane voedingsclaims en de voorwaarden voor het gebruik van deze claims. In Nederland controleert de Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) of etiketten op levensmiddelen de juiste informatie bevatten.

Constateert u een overtreding van de Verordening door een producent dan kan melding worden gedaan bij de NVWA. De NVWA beoordeelt de ernst van de melding en het eventuele risico voor de volksgezondheid. Indien de NVWA een overtreding constateert kan zij handhavend optreden door bijvoorbeeld het geven van een waarschuwing of het opleggen van een boete.

Meer informatie

Bent u als producent geconfronteerd met een dergelijke melding of wilt u melding maken van een overtreding en bent u op zoek naar meer informatie? Neem dan contact op met Merel Lentjes of een van onze advocaten van het team Food & Agri.

 

November 2018
            [post_title] => Zijn claims op voedingsmiddelen zoals "ambachtelijk bereid" en "bereid naar traditioneel recept" straks nog toegestaan?
            [post_excerpt] => 
            [post_status] => publish
            [comment_status] => closed
            [ping_status] => closed
            [post_password] => 
            [post_name] => claims-op-voedingsmiddelen-zoals-ambachtelijk-bereid-en-bereid-naar-traditioneel-recept-straks-nog-toegestaan
            [to_ping] => 
            [pinged] => 
            [post_modified] => 2018-11-20 11:09:38
            [post_modified_gmt] => 2018-11-20 10:09:38
            [post_content_filtered] => 
            [post_parent] => 0
            [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=21559
            [menu_order] => 0
            [post_type] => publication
            [post_mime_type] => 
            [comment_count] => 0
            [filter] => raw
        )

    [3] => WP_Post Object
        (
            [ID] => 21442
            [post_author] => 2
            [post_date] => 2018-11-07 17:29:42
            [post_date_gmt] => 2018-11-07 16:29:42
            [post_content] => Het Hof van Justitie (hierna: "Hof") heeft vandaag uitspraak gedaan naar aanleiding van de prejudiciële vragen van de Raad van State over het Programma Aanpak Stikstof (hierna: "PAS"). De prejudiciële vragen hebben betrekking op de houdbaarheid van het PAS in algemene zin en op de uitzondering op de vergunningplicht voor de activiteiten beweiden en bemesten. Het Hof is kritisch: er moet aan strikte voorwaarden worden voldaan. Naar verwachting dient het PAS in de huidig vorm aangepast of nader onderbouwd te worden.

Beweiden en bemesten
Op dit moment bestaat de mogelijkheid om in provinciale verordeningen een uitzondering op de vergunningplicht voor de activiteiten beweiden en bemesten op te nemen. Om te beoordelen of deze uitzondering verenigbaar is met artikel 6 van de Habitatrichtlijn beantwoordt het Hof eerst de vraag of de activiteiten beweiden en bemesten moeten worden aangemerkt als een project in de zin van de Habitatrichtlijn. Deze vraag is gesteld omdat discutabel werd geacht of sprake is van een project in de zin van de MER-richtlijn, vanwege het vermeende ontbreken van een fysieke ingreep in het natuurlijk milieu.

Het Hof overweegt hierover het volgende:
  • Het begrip 'project' in de zin van de Habitatrichtlijn is niet identiek aan het begrip 'project' in de zin van de MER-richtlijn. Om te bepalen of sprake is van een project waarvoor een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming moet worden verkregen, is daarom niet enkel van belang of sprake is van een project in de zin van de MER-richtlijn.
  • Indien de activiteit niet als een project in de zin van de MER-richtlijn kan worden aangemerkt, kan dit toch wel een project zijn in de zin van artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn. Doorslaggevend is of de activiteiten verenigbaar zijn met de instandhoudingsdoelstellingen van beschermde gebieden dan wel of ze hiervoor significante gevolgen kunnen hebben. In het verlengde hiervan staat aldus ook vast dat er projecten kunnen zijn die geen project zijn in de zin van de Habitatrichtlijn, maar die dat wel zijn in de zin van de MER-richtlijn.
  • Niet is uitgesloten dat beweiding en bemesting toch als projecten zijn in de zin van MER-richtlijn kunnen worden aangemerkt, aangezien de materiële toestand van de plaats van beweiding en bemesting erdoor verandert. De Raad van State dient dit volgens het Hof na te gaan.
Vervolgens gaat het Hof in op de volgende vraag: als het beweiden of bemesten als project kan worden aangemerkt en dit rechtmatig plaatsvond voordat artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn van toepassing werd voor een Natura 2000-gebied en dat nu nog plaatsvindt, moet dan worden geoordeeld dat sprake is van één en hetzelfde project? Het Hof overweegt hierover het volgende:
  • Het periodiek bemesten van agrarische gronden heeft als enig gemeenschappelijk doel het verbouwen van gewassen in het kader van een agrarisch bedrijf. Om die reden is sprake van één verrichting door die activiteit continu op dezelfde plaatsen en onder dezelfde voorwaarden uit te voeren. Dit betekent dat als voor die activiteit al toestemming was verleend voordat artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn van kracht werd, het voor de toepassing van Habitatrichtlijn gaat om één en hetzelfde project, zodat geen nieuwe toestemmingsprocedure behoeft te worden doorlopen. Dit neemt niet weg dat de periodieke activiteit altijd moet voldoen aan het verslechteringsverbod uit artikel 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn.
  • Als de periodieke activiteit niet voldoet aan de eisen van continuïteit en volledige overeenstemming, met name voor wat betreft plaatsen waar en voorwaarden waaronder, dan is er geen sprake is van één en dezelfde activiteit. Dit gelet op het voorzorgsbeginsel. In dat geval kan het dus gaan om een nieuw project waarvoor een nieuwe toestemmingsprocedure dient te worden doorlopen.
  • Een feit dat de stikstofdepositie door bemesting en beweiding niet over het geheel genomen is toegenomen, is niet van belang voor de vraag of een nieuw project significante gevolgen kan hebben.
Ook beantwoordt het Hof de vraag of artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn toestaat dat op grond van het PAS uitvoering wordt gegeven aan een bepaalde categorie van projecten, zoals beweiding en bemesting, zonder dat sprake is van een vergunningplicht en daarmee van een individuele passende beoordeling van de gevolgen van die projecten voor de betrokken gebieden. Het Hof overweegt hierover het volgende:
  • Artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn staat niet toe dat op grond van een nationale regeling als het PAS uitvoering wordt gegeven aan een bepaalde categorie van projecten, zoals beweiding en bemesting, zonder dat sprake is van een vergunningplicht en daarmee van een individuele passende beoordeling van de gevolgen van die projecten voor de betrokken gebieden. Dit is slechts dan anders als de nationale rechter beoordeelt dat op grond van objectieve omstandigheden met zekerheid kan worden uitgesloten dat die projecten afzonderlijk of in combinatie met andere projecten significante gevolgen kunnen hebben voor die gebieden. Het algemeen uitsluiten van een bepaalde categorie projecten van een verplichte beoordeling is dus in beginsel niet toegestaan.
  • Het Hof laat doorschemeren dat de passende beoordeling van het PAS waarschijnlijk niet alle wetenschappelijke twijfel wegneemt door de gemaakte keuze om bij die passende beoordeling uit te gaan van de verwachte omvang en intensiteit van de betrokkende agrarische activiteiten en dat de uitkomst is dat – op de schaal waarop zij ten tijde van die beoordeling werden uitgevoerd – uitgesloten is dat dergelijke activiteiten significante gevolgen hebben, en dat gemiddeld genomen een stijging van stikstofdepositie door deze activiteiten kan worden uitgesloten, terwijl deze activiteiten vervolgens wel bij categorale uitzondering zijn toegestaan ongeacht waar deze plaatsvinden en ongeacht de depositie die daardoor veroorzaakt wordt. Concreet zal de Raad van State moeten bepalen of de vrijstelling voor beweiden en bemesten, als categorieën aangewezen krachtens artikel 2.9 lid 3 van de Wet natuurbescherming, is toegekend zonder dat er nog enige redelijke wetenschappelijke twijfel ten aanzien van deze categoraal uitgezonderde projecten resteert. Het Hof laat – net als de advocaat-generaal – doorschemeren dat dit niet buiten redelijke wetenschappelijke twijfel staat. Een gemiddelde waarde kan immers in beginsel niet garanderen dat bemesting of beweiding voor geen enkel beschermd gebied significante gevolgen zal hebben, aangezien dergelijke gevolgen met name lijken af te hangen van de omvang en mogelijke intensiteit van die activiteiten, de eventuele omstandigheid dat de plaats waar de activiteiten worden verricht zich in de nabijheid van het betrokken beschermde gebied bevindt en bijzondere omstandigheden waardoor dat gebied zich mogelijk kenmerkt, bijvoorbeeld de omstandigheid dat sprake is van de combinatie met andere stikstofbronnen.
Monitoring en toezicht Vervolgens gaat het Hof in op de vraag of voldaan wordt aan artikel 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn door middel van de in het PAS opgenomen monitoring en toezicht ter zake agrarische bedrijven, welke kunnen leiden tot het opleggen van sancties. Deze vraag beantwoordt het Hof naar enigszins cryptisch. Het Hof overweegt dat een nationale regeling die slechts reactief optreden mogelijk maakt en niet tevens preventief, strijdig is met artikel 6 lid 2 Habitatrichtlijn. Vervolgens overweegt het Hof dat de maatregelen in het PAS, waaronder procedures voor monitoring van en toezicht op agrarische bedrijven waarvan de activiteiten stikstofdepositie veroorzaken en de mogelijkheid tot het opleggen van sancties, waarbij zelfs sprake kan zijn van sluiting van die bedrijven, echter wel voldoende zijn om te voldoen aan artikel 6, lid 2 Habitatrichtlijn. Passende beoordeling Aan het PAS ligt een passende beoordeling ten grondslag die wordt gebruikt om voor individuele projecten een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming te verlenen. De Raad van State heeft aan het Hof gevraagd of artikel 6 leden 2 en 3 van de Habitatrichtlijn in de weg staan aan deze passende beoordeling voor het PAS. Het Hof overweegt hierover het volgende:
  • Artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn voorziet in een beoordelingsprocedure die is bedoeld om door middel van voorafgaande controle te garanderen dat voor een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het beschermde gebied, maar dat significante gevolgen kan hebben, alleen toestemming wordt verleend voor zover de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet worden aangetast. Plannen en projecten dienen in beginsel individueel te worden beoordeeld. Echter, de passende beoordeling van gevolgen houdt ook in dat alle aspecten van het betrokken plan of project die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen brengen, moeten worden geïnventariseerd. Hierbij sluit aan een in een eerder stadium uitgevoerde integrale effectbeoordeling, zoals de effectbeoordeling die bij de vaststelling van het PAS is uitgevoerd, aangezien op die wijze naar eventuele cumulatieve gevolgen van de deposities van stikstof kan worden gekeken. Dit betekent echter niet zonder meer dat een nationale regeling als het PAS daarmee noodzakelijkerwijs voldoet aan alle eisen uit artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn. De verrichte beoordelingen mogen namelijk geen leemten vertonen en moeten volledige, nauwkeurige en definitieve constateringen en conclusies bevatten die elke wetenschappelijke twijfel wegnemen. Dit is volgens het Hof ook van belang gelet op de eis in artikel 6 lid 3 dat de tweede fase van de habitatrichtlijn-toestemming vereist dat een project eerst dan is toegelaten als het de natuurlijke kenmerken niet aantast. Ook hierin ligt het voorzorgbeginsel besloten. De nationale rechter dient een grondige en volledige toetsing van de wetenschappelijke deugdelijkheid van de passende beoordeling te verrichten, waaronder met name het gebruik van software (AERIUS). Hierbij geeft het Hof als leidraad aan de nationale rechter mee dat mogelijkheden om vergunning te verlenen in een later stadium op basis van een eerder verrichte passende beoordeling, noodzakelijkerwijs gering zijn als de staat van instandhouding van een natuurlijk habitat ongunstig is.
  • Samenvattend is een nationale regeling als het PAS, op basis waarvan in een later stadium vergunningverlening voor projecten mogelijk is op basis van een eerder verrichte passende beoordeling (waarbij een bepaalde totale hoeveelheid stikstofdepositie verenigbaar wordt geacht met de betrokken instandhoudingsdoelstellingen), verenigbaar met artikel 6 lid 3 Habitatrichtlijn, indien na een grondige en volledige toetsing van de wetenschappelijke deugdelijkheid van die beoordeling kan worden gegarandeerd dat er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat geen van de plannen of projecten schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied, hetgeen door de nationale rechter moet worden nagegaan.
Het Hof beantwoordt verder de vraag of in een passende beoordeling ook voorgesorteerd mag worden op maatregelen, zoals bijvoorbeeld maatregelen als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Habitatrichtlijn (instandhoudingsmaatregelen) en lid 2 (preventieve maatregelen), die nog niet zijn getroffen en die dus nog geen resultaat hebben gehad. Het Hof overweegt hierover het volgende:
  • Volgens het Hof zou het voorsorteren op dergelijke maatregelen in strijd zijn met de nuttige werking van artikel 6 lid 1 en 2 van de Habitatrichtlijn, tenzij de verwachte voordelen van de maatregelen daadwerkelijk vaststaan. Naar het positieve effect van de maatregelen die nog nodig zijn krachtens deze artikelleden kan dan ook in beginsel niet reeds worden verwezen ten tijde van vergunningverlening aan projecten die nadelige gevolgen kunnen hebben. In dit verband wijst het Hof ook nogmaals (want dat is ook al gebeurd in eerdere rechtspraak) op het onderscheid tussen mitigerende maatregelen (lid 3) en compenserende maatregelen (lid 4). Een mitigerende maatregel is alleen dan toegestaan als maatregel die bij de passende beoordeling in aanmerking kan worden genomen, wanneer er voldoende zekerheid is dat een maatregel daadwerkelijk zal bijdragen aan het voorkomen van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied en de garantie behelst dat er geen redelijke twijfel bestaat dat het in geding zijnde plan of project de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet zal aantasten.
  • Resumerend is het Hof van oordeel dat toekomstige maatregelen nog geen resultaat hebben gehad, zodat de effecten niet vaststaan. Hiermee mag volgens het Hof in het PAS geen rekening worden gehouden, hetgeen niet anders wordt door – zoals het PAS doet – te voorzien in een monitoringsmechanisme. Het wordt daarentegen wel anders wanneer de verwachte voordelen van maatregelen ten tijde van de passende beoordeling reeds vaststaan.
Uitzondering vergunningplicht voor projecten onder bepaalde depositiewaarde In het PAS is een uitzondering op de vergunningplicht ingevolge de Wet natuurbescherming opgenomen voor projecten die een stikstofdepositie veroorzaken die lager is dan 0,05 mol N/ha/jaar. Daarnaast is de keuze gemaakt om slechts een melding te verlangen voor projecten die een stikstofdepositie veroorzaken van minimaal 0,05 mol N/ha/jaar en maximaal 1 mol N/ha/jaar. De Raad van State heeft aan het Hof gevraagd of dit in strijd is met artikel 6 lid 2 en 3 van de Habitatrichtlijn. Het Hof overweegt hierover het volgende:
  • De uitzondering op de vergunningplicht is niet in strijd met artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn, indien en voor zover de eerder uitgevoerde passende beoordeling voor het PAS voldoet aan het criterium dat er geen redelijke wetenschappelijke twijfel bestaat dat die plannen of projecten geen schadelijke gevolgen hebben voor de natuurlijke kenmerken van de betrokken gebieden.
Conclusie Gezien het voorgaande is er een aantal gebreken aan de huidige PAS-systematiek. Met name de categorische uitzonderingen waarin het PAS voorziet, kunnen niet zonder meer door de beugel. De reden daarvoor is dat er waarschijnlijk nog enige wetenschappelijke twijfel blijft bestaan, hetgeen niet is toegestaan. Ook toekomstige maatregelen die nog geen resultaten hebben, mogen in beginsel niet meetellen, tenzij de verwachte voordelen al vaststaan ten tijde van de passende beoordeling. Hoe gaat het nu verder? Nu het Hof arrest heeft gewezen en de prejudiciële vragen van de Raad van State heeft beantwoord, is het aan de Raad van State om aan de hand van het arrest uitspraak te doen in de verschillende PAS-zaken. De Raad van State heeft vandaag aangekondigd dat ernaar wordt gestreefd om in het eerste kwartaal van 2019 een zitting te houden in de zaken waarin de vragen zijn gesteld. Andere zaken die zijn aangehouden in verband met deze vragen, zullen daarna worden afgedaan. Meer informatie Heeft u vragen naar aanleiding van dit blog? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Xander Wynands, hij is u graag van dienst. November 2018 [post_title] => Het Hof van Justitie doet uitspraak: het PAS in de huidige vorm zal naar verwachting moeten worden aangepast of nader onderbouwd [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => hof-justitie-doet-uitspraak-huidige-vorm-zal-naar-verwachting-moeten-worden-aangepast-nader-onderbouwd [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-11-07 17:29:42 [post_modified_gmt] => 2018-11-07 16:29:42 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=21442 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [4] => WP_Post Object ( [ID] => 20740 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-09-26 09:06:32 [post_date_gmt] => 2018-09-26 07:06:32 [post_content] => Inleiding Het hof Den Haag heeft op 11 september 2018 een aantal arresten gewezen over het fosfaatreductieplan 2017. Het hof sluit aan bij zijn eerdere arresten hierover en oordeelt dat de Regeling fosfaatreductieplan 2017 ("de Regeling") geen ongeoorloofde inmenging vormt in het eigendom van de melkveehouders die door de Regeling hun onderneming hebben moeten inkrimpen. In dit artikel worden de arresten en de uitspraken die daaraan voorafgingen besproken en komt aan de orde wat de getroffen melkveehouders nu nog tegen de Regeling kunnen ondernemen. Fosfaatreductieplan Om de fosfaatproductie terug te dringen is door het kabinet in overleg met de zuivelsector een fosfaatreductieplan opgesteld. Onderdeel van dit fosfaatreductieplan is de Regeling fosfaatreductieplan 2017. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en liep tot en met 31 december 2017. De Regeling bepaalt kort gezegd dat melkveehouders hun aantal vrouwelijke runderen stapsgewijs moeten reduceren tot de omvang die bestond op 2 juli 2015. Doen zij dit niet, dan moeten zij een heffing betalen. Aanleiding voor de Regeling is het feit dat aanhoudende overschrijding door Nederland van het fosfaatproductieplafond uit de Nitraatrichtlijn, in Nederland met name geïmplementeerd in de Meststoffenwet, aanleiding kan vormen voor de Europese Commissie om een eind te maken aan de uitzonderingspositie (de derogatie) die met betrekking tot deze richtlijn voor Nederland geldt. In dat geval zou de Nederlandse (melk)veestapel nog (veel) verder moeten inkrimpen. Saillant is in dat verband dat de thans geldende derogatie door de Europese Commissie voor nog geen twee jaar is afgegeven, daar waar eerst afgifte voor een periode van vier jaar gebruikelijk was. Vonnissen rechtbank Den Haag 4 mei 2017 In een aantal vonnissen van 4 mei 2017 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag geoordeeld dat de Regeling in strijd is met het recht op eigendom van de melkveehouders die de Staat in kort geding hadden betrokken. Deze melkveehouders hadden juist (grote) investeringen gepleegd vanwege het feit dat het stelsel van melkquota per 1 april 2015 werd afgeschaft. Volgens de rechtbank was de Regeling voor de melkveehouders niet te voorzien, ondanks de wettelijke grondslag daarvoor in de Landbouwwet, gelet op het specifieke karakter van hun onderneming en de aard van de door hen gedane (onomkeerbare) investeringen. Omdat de Regeling voor de melkveehouders ook geen enkele compensatie biedt en een onevenredige last op hen legt, oordeelt de voorzieningenrechter dat sprake van schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europese verdrag voor de rechten van de mens, waarin het recht op eigendom is neergelegd. De Regeling wordt voor de melkveehouders buiten werking gesteld. Arresten gerechtshof Den Haag 31 oktober 2017 De Staat heeft tegen de vonnissen hoger beroep ingesteld. Het hof Den Haag heeft de vonnissen van de rechtbank vernietigd. Het hof overweegt dat de Regeling middels de reductie van fosfaat ten doel heeft om de derogatie te behouden die voor Nederland geldt. Dit is juist in het belang van de meeste individuele melkveehouders, die zonder de derogatie aanzienlijk zouden moeten inkrimpen. Het hof oordeelt dat de Regeling bij wet is voorzien (Landbouwwet), dat daarmee een gerechtvaardigd algemeen belang wordt gediend en dat de inmenging in het eigendom van de melkveehouders proportioneel is. Bovendien had het volgens het hof voor professionele (melk)veehouders die (onomkeerbare) investeringen wensen te doen, duidelijk moeten zijn dat een ongeremde groei van hun bedrijf niet mogelijk is – ook niet na afschaffing van de melkquota – gelet op het bestaande fosfaatproductieplafond en de (voorwaarden verbonden aan de) derogatie. Het hof beslist dat van schending van artikel 1 van het Eerste Protocol van het mensenrechtenverdrag daarom geen sprake is. De vorderingen van de melkveehouders worden afgewezen. Arresten gerechtshof Den Haag 11 september 2018 Op 11 september 2018 heeft het hof Den Haag een viertal arresten gewezen, waarin wederom wordt geoordeeld dat de Regeling geen ongerechtvaardigde inmenging in het eigendomsrecht van de melkveehouders oplevert. Het hof verwijst naar zijn arresten van 31 oktober 2017 en houdt aan deze oordelen vast. Artikel 1 van het Eerste Protocol van het mensenrechtenverdrag wordt door de Regeling niet geschonden, omdat inmenging voldoende voorzienbaar, gerechtvaardigd en proportioneel is. Het hof overweegt daarbij nog dat bij het onderzoek naar de vraag of er sprake is van een individuele en disproportionele last, mede van belang is of de betrokkene ten opzichte van degenen die zich in een met hem vergelijkbare situatie bevinden, disproportioneel wordt getroffen. Alleen als een individuele melkveehouder die onomkeerbare investeringen heeft gedaan, in relatie tot andere melkveehouders die dat eveneens hebben gedaan, buitensporig wordt getroffen, is er voor die individuele melkveehouder dus nog ruimte om (de gevolgen van) de Regeling aan te vechten. Die individuele toets wordt, in een voorkomend geval, door de bestuursrechter uitgevoerd. Conclusies en aanbevelingen Melkveehouders die in hun bedrijfsvoering worden getroffen door de Regeling fosfaatreductieplan 2017, waardoor zij hun onderneming moe(s)ten inkrimpen, zullen in hun protest daartegen bij de rechter naar alle waarschijnlijkheid geen gehoor vinden. Er is inmiddels sprake van bestendige jurisprudentie, op basis waarvan geconcludeerd moet worden dat deze inmenging in de bedrijfsvoering van de melkveehouders niet onrechtmatig is. Alleen de individuele melkveehouder die door de Regeling buitensporig getroffen wordt, lijkt bij de bestuursrechter nog te kunnen ontkomen aan de gevolgen van de Regeling. Die lat ligt echter hoog. Heeft u vragen over de toepasselijkheid van fosfaatregulering op uw onderneming, of heeft u andere vragen op het gebied van (Europese) milieuwetgeving? Neem dan contact op met één van de advocaten van ons team Food & Agri. Wij zijn u graag behulpzaam. [post_title] => Inbreuk op eigendomsrecht melkveehouders door fosfaatreductieplan? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => inbreuk-op-eigendomsrecht-melkveehouders-fosfaatreductieplan [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-09-26 13:05:32 [post_modified_gmt] => 2018-09-26 11:05:32 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=20740 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [5] => WP_Post Object ( [ID] => 19885 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-08-17 10:22:48 [post_date_gmt] => 2018-08-17 08:22:48 [post_content] => De minister van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid (LNV) heeft op 7 juli het hoofdlijnenakkoord gepresenteerd, waarin de contouren worden geschetst voor een vrijwillige saneringsregeling van varkenshouderijen. Daarin is ook een vitaliseringsprogramma voor varkenshouderijen aangekondigd. Hoofdlijnenakkoord In bepaalde delen van Nederland is sprake van een intensieve veehouderij, wat veel geuroverlast met zich brengt. Dit leidt tot maatschappelijke onrust en een negatieve waardering van de varkenshouderijen, aldus de Minister van LNV. In een eerdere bijdrage publiceerde we over de voorgenomen beleidsdoelstellingen voor de agrarische sector van kabinet Rutte III in het Regeerakkoord. Een van de beleidsvoornemens van het kabinet was een 'warme' sanering van de varkenshouderij, om daarmee de gezondheids- en leefomgevingsrisico's te beperken. Het Minsterie van LNV is samen met de verbrede coalitie Vitalisering Varkenshouderij, bestaande uit de Producenten Organisatie Varkenshouderij (POV), de Rabobank, VION, ForFarmers, Agrifirm en Topigs Norsvin en de provincies Noord-Brabant, Limburg, Gelderland, Overijssel en Utrecht in overleg getreden. Dit om de uitgangspunten uit het Actieplan Vitale Varkenshouderij uit 2016 opnieuw te herijken. Partijen zijn het met elkaar eens over de volgende hoofdlijnen:
  • Uitgangspunt van het beleid is een gecombineerde aanpak, namelijk het saneren en beëindigen van varkenshouderijen en het innoveren en verduurzamen daarvan; uitgangspunt is dit te bereiken door middel van (vrijwillige) en bedrijfsbeëindigingsregelingen voor varkensbedrijven die geuroverlast veroorzaken. Dit zal gaan middels een marktconforme vergoeding voor de varkensrechten en nader vast te stellen beëindigingsvergoeding. Openstelling van de regeling wordt voorzien in twee tranches en in overleg met de Europese Commissie wordt verkend wat de mogelijkheden zijn voor sanering van deze locaties;
  • Het kabinet heeft EUR 120 miljoen gereserveerd voor de beëindiging en sanering en EUR 60 miljoen voor innovatie en verduurzaming;
  • De middelen voor sanering worden ingezet om geuroverlast van de varkensbedrijven substantieel te verminderen van voor omwonenden. Dit zal gebeuren door (vrijwillig) beëindigen van de locaties van varkensbedrijven met grote geurimpact en de opkoop en het doorhalen van varkensrechten;
  • Er wordt een samenhangend maatregelpakket ontwikkeld dat is gericht op de verbetering van ruimtelijke kwaliteit en het tegengaan van de verrommeling van het platteland.
  • Er wordt geïnvesteerd in het versnellen van de ontwikkelingen van brongerichte emissie reducerende stalmaatregelen in de varkens- pluimvee- en melkgeitenhouderij. Hiervoor wordt 60 miljoen beschikbaar gesteld, waaronder 40 miljoen voor de varkenshouderij. De coalitie Vitalisering Varkenshouderij neemt daartoe het initiatief en heeft een meerjarig innovatie- en versnellingsprogramma voor brongerichte verduurzaming.
  • Tot slot komt er een projectorganisatie die partijen ondersteunt om het maatregelenpakket nader uit te werken en daar een concrete invulling aan te geven.
De partijen betrokken bij het sluiten van het hoofdlijnenakkoord zullen zich maximaal in gaan spannen om te komen tot een concreet maatregelenpakket. Meer informatie Wij volgen de juridische ontwikkelingen in de varkenshouderij op de voet en zodra meer bekend is over concrete maatregelen, zullen wij hierover berichten. Wilt u weten wat de voorgenomen plannen van de Ministerie voor u betekenen en wat voor (juridische) consequenties dit heeft? Neem dan contact op met Merel Lentjes of een van de andere advocaten van het team Food & Agri. Zij kunnen u meer vertellen over de juridische ontwikkelingen op dit gebied en over de ontwikkelingen in de voedingsmiddelenindustrie in meer algemene zin. Augustus 2018 [post_title] => Kabinet reserveert 120 miljoen euro voor de warme sanering varkenshouderij [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => kabinet-reserveert-120-miljoen-euro-warme-sanering-varkenshouderij [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-08-17 10:22:48 [post_modified_gmt] => 2018-08-17 08:22:48 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=19885 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [6] => WP_Post Object ( [ID] => 18264 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-07-02 10:32:46 [post_date_gmt] => 2018-07-02 08:32:46 [post_content] => Als de pachter zijn werkzaamheden in het agrarisch bedrijf gaat afbouwen en in toenemende mate overlaat aan zijn kind of kleinkind, kan de pachter daardoor in de problemen komen met zijn verpachter. Op de pachter rust namelijk de verplichting om de gepachte grond persoonlijk te gebruiken. Hoewel de pachter natuurlijk anderen mag inschakelen bij de exploitatie van zijn agrarisch bedrijf dient hij wel de dagelijkse leiding te behouden. Een schending van deze verplichting kan ertoe leiden dat de verpachter de pachtrelatie kan beëindigen. De pachter kan dit voorkomen door een vordering tot indeplaatsstelling of medepacht bij de rechtbank in te stellen. Indeplaatsstelling Bij een indeplaatsstelling zet het kind of kleinkind de pachtovereenkomst van de huidige pachter als nieuwe contractspartij voort. Er wordt zodoende stuivertje gewisseld tussen beide generaties. Als de verpachter instemt met de voortzetting van de pachtrelatie door het kind of kleinkind dienen partijen een schriftelijke pachtwijzigingsovereenkomst op te stellen. Deze pachtwijzigingsovereenkomst dient vervolgens ter goedkeuring aan de grondkamer te worden voorgelegd. Laten partijen na om de afspraken op papier te zetten dan heeft de indeplaatsstelling geen werking. Dit betekent echter niet dat partijen zich eenzijdig kunnen terugtrekken van de gemaakte afspraken. De partij die daar het meeste belang bij heeft kan de rechter verzoeken om de afspraken alsnog schriftelijk vast te leggen. In veel gevallen zal de verpachter echter niet staan te springen om een indeplaatsstelling omdat dit de verpachter de mogelijkheid kan bieden om de pachtrelatie te beëindigen. Kunnen partijen het niet eens worden over een indeplaatsstelling dan kan de pachter de rechtbank verzoeken om dit alsnog te bewerkstellingen. Medepacht De pachter kan ook verzoeken om het kind of kleinkind naast hem op de pachtovereenkomst te plaatsen. Anders dan een indeplaatsstelling komen de verplichtingen die voortvloeien uit de pachtovereenkomst zowel op de huidige pachter als het kind of kleinkind te rusten. Medepacht wordt nogal eens verzocht als de huidige pachter zijn werkzaamheden in het bedrijf meer geleidelijk wenst af te bouwen maar wel nog in voldoende mate betrokken is bij het agrarisch bedrijf. Weten partijen geen overeenstemming te bereiken, dan geldt ook hier dat de pachter een vordering bij de rechtbank kan instellen. Toets De rechter zal een eis van de pachter tot indeplaatsstelling of medepacht niet zondermeer toewijzen. De rechtbank zal naar billijkheid beslissen en dat betekent dat de rechter alle omstandigheden van het geval kan laten meewegen. De belangen van de voorgestelde pachter en de verpachter kan de rechter meenemen in het eindoordeel. Tijdens een procedure doet de verpachter er goed aan om zowel zijn belang als het belang van de voorgestelde pachter te schetsten zodat de rechter tot een afgewogen beslissing kan komen. De rechter zal de vordering van de pachter in ieder geval afwijzen als de voorgestelde pachter onvoldoende waarborgen biedt voor een behoorlijke bedrijfsvoering. De voorgestelde pachter dient voldoende theoretische en praktische scholing te hebben genoten. De vraag of aan dit vereiste is voldaan is mede afhankelijk van het soort agrarisch bedrijf. Bij een rundveebedrijf worden in het algemeen zwaardere eisen gesteld dan bij een akkerbouwbedrijf. Let op - tijdens de procedure is het aan de verpachter om te stellen en te motiveren dat de voorgestelde pachter onvoldoende waarborgen voor een behoorlijke bedrijfsvoering biedt. Als verpachter kunt u daarnaast de rechter verzoeken om voorwaarden te verbinden bij een eventuele toewijzing van de vordering van de pachter. Denk bijvoorbeeld aan de voorwaarde dat de voorgestelde pachter zijn of haar baan in loondienst elders opgeeft om zodoende te borgen dat de exploitatie op een correcte wijze wordt voortgezet. Laat u als verpachter daarom niet te snel uit het veld slaan bij een vordering van de pachter tot indeplaatsstelling of medepacht. Het betreft hier immers een afgewogen gerechtelijke toets met volop kansen voor de verpachter om ook zijn belangen naar voren te brengen. Wordt u geconfronteerd met een vordering tot indeplaatsstelling of medepacht? Neem dan gerust eens vrijblijvend contact op met Luc Golsteijn van het team Food & Agri. Juli 2018 [post_title] => Indeplaatsstelling en medepacht geen vanzelfsprekendheid [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => indeplaatsstelling-en-medepacht-geen-vanzelfsprekendheid [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-07-02 11:16:57 [post_modified_gmt] => 2018-07-02 09:16:57 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=18264 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [7] => WP_Post Object ( [ID] => 17923 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-05-15 09:15:00 [post_date_gmt] => 2018-05-15 07:15:00 [post_content] => Welk onderdeel behoort wél en welk onderdeel niet bij een machine? Op het eerste gezicht een merkwaardige vraag. Een recente uitspraak van de rechtbank Amsterdam toont echter aan dat het antwoord vergaande financiële gevolgen kan hebben. Bijvoorbeeld voor de omvang van een verzekeringsuitkering. Een orchideeënkweker gebruikte voor de productie van zijn orchideeën een machine die de planten voorziet van water. Om algen- en bacteriegroei in de leidingen van de machine (en uiteindelijk in de planten) tegen te gaan, werden chemicaliën aan het water toegevoegd. Een doseerpomp zorgde voor de juiste verhoudingen. De doseerpomp bleek defect waardoor een onjuiste verhouding chemicaliën in het water terecht kwam. Daardoor bleef de groei van de orchideeën achter en werd een deel van de planten onverkoopbaar. De ondernemer was (kort gezegd) verzekerd voor het risico van schade veroorzaakt door een defect aan deze machine. De relevante vraag was of de doseerpomp behoorde tot de machine. De rechtbank oordeelde dat de doseerpomp géén onderdeel uitmaakt van de machine. Volgens de rechtbank:
  • is de ondernemer een professionele partij die bovendien was geadviseerd door een assurantietussenpersoon. Daarom moet volgens de rechtbank veel waarde worden gehecht aan de bewoordingen van de polis (beperkte uitleg). De polis vermeldde de doseerpomp niet als verzekerd onderdeel;
  • maakt de doseerpomp fysiek geen onlosmakelijk deel uit van de machine, dat wil zeggen dat de doseerpomp zonder schade van de machine kon worden ontkoppeld;
  • had de ondernemer ten aanzien van de doseerpomp ook niet alle in de polisvoorwaarden opgenomen verplichtingen ter zake veiligheid en controle nageleefd.
Indien u schade als gevolg van een gebrek aan een te gebruiken machine wilt verzekeren, leert deze enigszins strenge uitspraak dat u er goed aan doet om vooraf te bedenken welke zaken het grootste risico op schade opleveren en of deze zaken eigenlijk wel onderdeel zijn van de verzekerde machine. Alleen dán heeft een verzekeringspolis daadwerkelijk toegevoegde waarde. Meer informatie Heeft u vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Jair Stokmans of een van de andere advocaten van team Food & Agri. Zij zijn u graag van dienst. Mei 2018 [post_title] => Verzekeren van machines: een lastig onderdeel [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => verzekeren-machines-lastig-onderdeel [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-05-09 14:27:26 [post_modified_gmt] => 2018-05-09 12:27:26 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=17923 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [8] => WP_Post Object ( [ID] => 17771 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-05-02 09:00:15 [post_date_gmt] => 2018-05-02 07:00:15 [post_content] => Het Nitraatcomité heeft een positief advies gegeven aan de Europese Commissie over een derogatie aan Nederland. Dit volgt uit de brief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de Tweede Kamer van 4 april 2018. Derogatie betekent dat toestemming wordt verleend om af te mogen wijken van vastgestelde gebruiksnormen. Het derogatievoorstel houdt in dat boeren die vooral grasland in gebruik hebben (minimaal 80%) met een hogere gebruiksnorm voor stikstof uit graasdierenmest mogen rekenen als ze voldoen aan alle voorwaarden. Dit betekent dat er meer mest mag worden uitgereden. De Europese Commissie moet de derogatie nog conform het advies vaststellen. Na verwachting zal over een aantal weken de definitieve derogatiebeschikking door Europese Commissie worden afgegeven. Betekenis van het derogatievoorstel Het derogatievoorstel houdt in dat bedrijven met minimaal 80% grasland tot 230 of 250 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare per jaar mogen uitrijden. Dit geldt voor een periode van twee jaren (2018 en 2019). Mogelijk zal er nog een verlenging van de derogatie worden aangevraagd. Hiervoor is de versterkte handhavingsstrategie tegen mestfraude relevant. De hoeveelheid kilogram stikstof uit dierlijke mest is afhankelijk van de plaats waar de mest wordt gebruikt. In het centrale en zuidelijke zandgebied of lössgebied mag tot 230 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare worden gebruikt, in andere delen van Nederland tot 250 kilogram. De gebruiksnorm die gold voor boeren die gebruik maakte van de derogatie die gold tot en met 31 december 2017 is daarmee ongewijzigd gebleven. Op een aantal specifieke punten is het derogatievoorstel echter gewijzigd ten opzichte van de derogatiebeschikking die gold voor de vorige periode 2014 – 2017. Het gaat hierbij om de volgende wijzigingen:
  • Er dient voor de nieuwe periode vanaf 2018 een derogatieaanvraag te worden ingediend, waarin verklaard dient te worden dat de aanvraag aan diverse voorwaarden voldoet om in aanmerking te komen voor een vergunning. Vervolgens besluit de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland of een vergunning wordt verleend. Voor de vergunning zal een (beperkte) vergoeding worden gevraagd.
  • De derogatiebedrijven dienen hun mineralenadministratie aan te leveren voor 31 maart van het volgende jaar, zodat nagegaan kan worden of aan alle voorschriften is voldaan.
  • Bij het overtreden van de derogatievoorschriften kunnen - naast de reguliere boetes die volgens uit de Nederlandse wetgeving – boeren worden uitgesloten van een derogatie in het volgend kalenderjaar.
Daarnaast heeft het voorstel een aantal voorwaarden die gelden voor het scheuren van grasland. Het derogatievoorstel is hiervoor aangepast aan hetgeen in het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn is beschreven. Deze voorwaarden houden het volgende in:
  • Grasland mag in 2018 en 2019 ook in de periode tussen 31 mei en 1 september worden gescheurd op zand- en lössgrond.
  • Als er in de periode 31 mei – 1 september wordt gescheurd voor graslandvernieuwing op zand- of lössgrond is er geen stikstofbemonsteringsplicht na het scheuren van het grasland, maar geldt een korting op de stikstofgebruiksnorm van 50 kilogram per hectare. Op basis van het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn geldt deze wijziging vanaf 2019 niet meer alleen voor derogatiebedrijven, maar voor alle bedrijven.
  • Als gras wordt gescheurd voor maïs op zand- of lössgrond vervalt de stikstofbemonsteringplicht ook en geldt een korting op de stikstofgebruiksnorm van 65 kilogram per hectare. Op basis van het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn geldt deze wijziging vanaf 2021 niet meer alleen voor derogatiebedrijven, maar voor alle bedrijven.
De voornoemde wijzigingen zullen volgens de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit binnenkort in een ministeriële regeling worden opgenomen en gepubliceerd in de Staatscourant. Hierin zullen dus de definitieve voorwaarden worden opgenomen, zoals deze uit derogatiebeschikking van de Europese Commissie volgen. We kijken hier met belangstelling naar uit. Meer informatie Heeft u vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Silvie Joosten of een van de andere advocaten van team Food & Agri. Zij zijn u graag van dienst. Mei 2018 [post_title] => Boeren die vooral grasland in gebruik hebben mogen in 2018 en 2019 meer mest uitrijden dan op basis van de 'standaardregels' is toegestaan [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => boeren-vooral-grasland-gebruik-mogen-2018-en-2019-meer-mest-uitrijden-dan-op-basis-standaardregels-is-toegestaan [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-05-02 13:14:43 [post_modified_gmt] => 2018-05-02 11:14:43 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=17771 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [9] => WP_Post Object ( [ID] => 17474 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-04-05 09:15:50 [post_date_gmt] => 2018-04-05 07:15:50 [post_content] => Met ingang van 1 mei 2015 verpacht de Staat der Nederlanden 53.04.44 hectaren grond aan een Maatschap. In de pachtovereenkomst is in artikel 18 opgenomen dat er betalingsrechten rusten op de verpachte gronden. Op de pachter rust de plicht om de betalingsrechten aan te vragen. De aanvraag voor betalingsrechten door de pachter wordt (in eerste instantie) slechts gedeeltelijk door het RVO toegewezen. Levert een afwijzing van betalingsrechten een gebrek op aan het verpachte? Betalingsrechten Een landbouwer kan bij de Gecombineerde opgave verzoeken om uitbetaling van betalingsrechten. Om aanspraak te kunnen maken op betalingsrechten dient aan een tweetal hoofdvoorwaarden te worden voldaan. Allereerst dient u een actieve landbouwer te zijn. Aan deze voorwaarde voldoet u in ieder geval als een landbouwactiviteit als hoofdactiviteit van uw bedrijf staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. De tweede voorwaarde is dat de gronden subsidiabel zijn. Niet alle type gronden komen namelijk in aanmerking voor een uitbetaling van betalingsrechten. In het verleden toetste het RVO deze voorwaarde aan de hand van de typeringen van de gronden op de provinciale natuurbeheerkaarten. Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven heeft echter op 11 juli 2017 besloten dat de typering zoals die blijkt uit de provinciale natuurbeheerkaarten niet leidend mogen zijn. Sindsdien hanteert het RVO een nieuwe werkwijze waarbij alle percelen die voor 11 juli 2017 op grond van natuurbeheerkaarten van de provincies zijn uitgesloten als subsidiabele landbouwgrond opnieuw worden beoordeeld. Mocht alsnog blijken dat de gronden voldoen aan de Europese definitie van landbouwgrond dan wordt dit aangepast in het perceelsregister. Het RVO heeft aangegeven dat deze aanpassing gereed zal zijn voor de openstelling van de Gecombineerde opgave over 2018. Als u in aanmerking kunt komen voor betalingsrechten kunt u wellicht tevens aanspraak maken op een vergroeningsbetaling. U dient dan wel te voldoen aan extra vergroeningseisen. Gebrek Wanneer is nu sprake van een gebrek aan het verpachte? De wet definieert een gebrek aan het verpachte als 'een staat of eigenschap van de verpachte zaak of een ander niet aan de pachter toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de pachter niet het genot kan verschaffen dat een pachter bij het aangaan van een goed onderhouden zaak van de soort waarop de overeenkomst betrekking heeft' ( artikel 337 boek 7 Burgerlijk Wetboek). De rechtscolleges hebben eerder al bepaald dat ook sprake kan zijn van een gebrek als de oorzaak van de beperking niet is gelegen in de verpachte zaak zelf. Het ontbreken van een vergunning kan zodoende ook een gebrek aan het verpachte opleveren. In lijn met deze eerdere uitspraken heeft de pachtkamer van de Rechtbank Den Haag in de bovenvermelde kwestie tussen de Staat en de maatschap op 16 januari 2018 geoordeeld dat het afwijzen van een aanvraag van betalingsrechten ook een gebrek aan de verpachte zaak kan opleveren. Als sprake is van een gebrek kan de pachter evenredige vermindering van de pachtprijs en mogelijk schadevergoeding van de verpachter vorderen. Meer informatie Heeft u te maken met een prangende pachtkwestie? Neem dan contact op met Luc Golsteijn van team Food en Agri. April 2018 [post_title] => Een gebrek aan verpachte landbouwgrond: betalingsrechten [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => gebrek-aan-verpachte-landbouwgrond-betalingsrechten [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-04-04 11:53:15 [post_modified_gmt] => 2018-04-04 09:53:15 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=17474 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [10] => WP_Post Object ( [ID] => 17178 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-03-13 08:45:00 [post_date_gmt] => 2018-03-13 07:45:00 [post_content] => Bij de presentatie van het regeerakkoord van het kabinet-Rutte III op 10 oktober 2017 zijn de plannen van het kabinet voor de agro-foodsector bekend geworden. De sleutelwoorden daarbij bleken innovatie, ondernemerschap, duurzaamheid, voedselzekerheid en voedselveiligheid te zijn. Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit werd heropgericht om de plannen uit te voeren. Aanpassen Mededingingswet Eén van de plannen uit het regeerakkoord is het aanpassen van de Mededingingswet, zodat samenwerking in de land- en tuinbouw expliciet wordt toegestaan. Op die manier wil het kabinet de ongelijke machtsverhoudingen in de keten compenseren. Op de agro-foodmarkt begeven zich in Europa namelijk ongeveer tien miljoen boeren, die hun producten op de Europese markt hoofdzakelijk moeten slijten aan een klein aantal grote inkoopcombinaties van supermarkten. De afhankelijkheid die daardoor ontstaat geeft de inkoopcombinaties momenteel veel ruimte om zelf de – vaak ongebalanceerde – spelregels te bepalen, zo is de klacht uit de agrarische sector. Europese kartelverbod Een complicerende factor voor het kabinet bij het aanpassen van de Nederlandse Mededingingswet is echter dat de Nederlandse mededingingsregels voor een aanzienlijk deel van Europese oorsprong zijn. Nederland heeft zich namelijk aan Europese regelgeving verbonden betreffende misbruik van machtspositie, staatssteun en kartelvorming. Juist het Europese kartelverbod verbiedt alle samenwerking tussen ondernemingen als die samenwerking de mededinging op de interne Europese markt vervalst en van invloed is op de handel tussen de lidstaten. Hoewel voor de landbouwsector een specifiek regime met speciale vrijstellingsmogelijkheden geldt, is het uitgangspunt dat het kartelverbod ook van toepassing is op deze sector. De Europese Commissie (EC) is bevoegd om op elk moment te onderzoeken of inbreuk wordt gemaakt op het kartelverbod, als daartoe een vermoeden bestaat, en kan inbreuken sanctioneren. Het is daarom de vraag hoeveel ruimte het kabinet-Rutte III heeft om de Mededingingswet op dit vlak te versoepelen. Een begin van het antwoord op die vraag werd op 12 december 2017 door het Europees Parlement (EP) gegeven. Het EP stemde toen in met een pakket voor vereenvoudiging van het landbouwbeleid per 1 januari 2018. Tot dit pakket behoren versoepelde mededingingsregels die de onderhandelingspositie van boeren beogen te versterken. De regels stellen alle erkende landbouworganisaties in staat om de productie te plannen en namens hun leden leveringscontracten te sluiten, zonder dat het kartelverbod daardoor wordt overtreden. Europese afzetbevordering Ook langs andere wegen proberen de EC en het EP de positie van boeren ten opzichte van hun afnemers te versterken. In 2014 is mede daartoe een EU-verordening voor voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten vervangen. Deze verordening beoogt onder andere om de mededinging op de interne markt eerlijker te maken. Tot 2020 zal financiering voor de afzetbevordering bovendien verhoogd worden tot 200 miljoen euro. In 2018 bedraagt het budget 169 miljoen euro (tegen 142 miljoen in 2017). Op 12 januari 2018 heeft de Europese Commissie marktpartijen opgeroepen tot het indienen voorstellen voor te financieren programma's voor afzetbevordering. Twee derde van de beschikbare financiering is bestemd voor de bevordering van de afzet van EU-voedingsproducten in non-EU-landen. De voorstellen moeten uiterlijk op 12 april 2018 worden ingediend. Kansen Het is nog wachten op aangepaste wetgeving van het kabinet-Rutte III die de toets aan de Europese mededingingsregels kan doorstaan. De plannen van het kabinet lijken evenwel parallel te lopen aan de vereenvoudiging van het Europese landbouwbeleid per 1 januari 2018. Bovendien kan een breed scala van organisaties uit de agro-foodsector op dit moment al gebruikmaken van Europese financiering ter bevordering van de afzet. Het is daarbij vooral interessant dat de meeste financiering juist is bestemd voor de afzet buiten de EU. In het streven naar een eerlijker marktevenwicht biedt dit voor de Nederlandse agrarische sector alvast concrete kansen. Met de EU-financiering kunnen Nederlandse boeren makkelijker hun uitvoer naar non-EU-landen verhogen en door de vereenvoudigde regelgeving kunnen zij een grotere vuist maken bij het overeenkomen van gunstigere contractvoorwaarden met hun afnemers. Meer informatie Heeft u nog vragen over dit onderwerp? Of wilt u weten wat het team Food & Agri voor uw onderneming kan betekenen? Neem dan contact op met een van onze advocaten van team Food & Agri. Zij zijn u graag van dienst! Maart 2018 [post_title] => Eerlijke mededinging in de landbouw: Europese obstakels of Europese ondersteuning? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => eerlijke-mededinging-landbouw-europese-obstakels-europese-ondersteuning [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-03-12 09:30:05 [post_modified_gmt] => 2018-03-12 08:30:05 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=17178 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [11] => WP_Post Object ( [ID] => 16934 [post_author] => 2 [post_date] => 2018-02-19 10:49:23 [post_date_gmt] => 2018-02-19 09:49:23 [post_content] => Novel Foods: nieuw ontwikkelde voedingsmiddelen, voedingsmiddelen die zijn geproduceerd met nieuwe technologieën en exotische producten, waaronder insecten, die alleen van buiten de Europese Unie worden geïmporteerd. Tot 10 jaar geleden werden deze voedingsmiddelen n Nederland nog niet verkocht. De consumptie van zogenoemde Novel Foods, waaronder diverse insectensoorten als krekels, meelwormen en sprinkhanen, neemt onder consumenten in populariteit toe. Vandaag de dag is het dan ook niet vreemd dat in supermarkten steeds vaker producten te verkrijgen zijn waarin insecten zijn verwerkt. Insecten bevatten veel voedzame ingrediënten en de productie van deze voedselbronnen is, in vergelijking met vlees, duurzaam en daardoor minder schadelijk voor het milieu. Dit maakt dat de consumptie en productie van insecten en andere Novel Foods in opkomst is en daarmee interessant wordt om in te investeren. Is het telen van insecten toegestaan? Ondanks het feit dat de markt voor het kweken van insecten op papier heel interessant is, blijft het voor telers onduidelijk waar zij aan toe zijn. De teelt en verkoop van insecten voor de consumptie in Nederland en de Europese Unie is namelijk niet zonder meer toegestaan. Dit heeft te maken met het feit dat producten bestemd voor de consumptie moeten voldoen aan strikte gezondheidseisen. Voordat een product als voedingsmiddel op de Europese markt mag worden verkocht, moet dit zijn goedgekeurd. Over de vraag of teelt van insecten op Europees niveau mogelijk moet zijn en onder welke voorwaarden, is nog geen definitief standpunt ingenomen. Europese regelgeving Sinds 1997 is de Verordening (EG) 258/97 van kracht betreffende het goedkeuren van de verkoop van nieuwe voedingsmiddelen (Novel Foods) binnen de Europese Unie. Het doel van deze Verordening is consumenten te beschermen tegen het consumeren van onveilige voedingsmiddelen. Onder deze Verordening is onduidelijk of insecten als nieuw voedingsmiddel moeten worden aangemerkt en onder de werking van de Verordening vallen. Dit heeft ertoe geleid dat voor de teelt van insecten geen concrete wetgeving toepasselijk is. Aangezien de technologieën in de voedingsmiddelenindustrie dusdanig zijn gevorderd, is de Verordening aangepast: per 1 januari 2018 is de Verordening (EU) 2015/2283 betreffende nieuwe voedingsmiddelen in werking getreden. De verwachting is dat onder de nieuwe Verordening de aanvraag en goedkeuring van nieuwe voedingsmiddelen sneller en efficiënter wordt behandeld. Door deze nieuwe wetgeving worden insecten als Novel Foods beschouwd waardoor ze vallen onder de werking van de Verordening. De Europese Commissie heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) gevraagd de veiligheid van insecten te bestuderen en hier een opinie over uit te brengen. De opinie werd op 8 oktober 2017 gepubliceerd. De strekking van deze opinie is dat insecten een duurzame en voedzame bron van eiwitten zijn. De EFSA staat dan ook positief tegenover het gebruik van insecten als voedingsmiddel. Het onderzoek naar de risico's voor de consumptie wordt daarom voortgezet. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek zal bekeken worden of insecten als voedingsmiddel onder de Verordening worden goedgekeurd. Insectenteelt in Nederland Nederland is, samen met België en Frankrijk, vooruitstrevend op het gebied van insectenteelt. Vooruitlopend op eventuele goedkeuring op Europees niveau, heeft Nederland al in 2014 een onderzoek laten uitvoeren naar het gebruik van insecten als voedingsmiddel. Het onderzoek is uitgevoerd door de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (NVWA) en beschrijft de gezondheidsrisico's bij de consumptie van gekweekte insecten. De NVWA heeft voorwaarden geformuleerd op basis waarvan de teelt en consumptie van insecten geen gezondheidsrisico's opleveren. In Nederland wordt de verkoop van insecten voor consumptie toegestaan, mits voorafgaand toestemming is verleend door de NVWA en een uitgebreide controle heeft plaatsgevonden. Wat betekent dit concreet voor insectentelers? Insecten als voedingsmiddel zijn op Europees niveau nog niet officieel goedgekeurd. Naar alle waarschijnlijkheid zal een definitief standpunt over het al dan niet goedkeuren van dit voedingsmiddel worden ingenomen, nadat het onderzoek onder leiding van de Europese Commissie is afgerond. Tot die tijd is het telen in Nederland onder voorwaarden van de NVWA toegestaan. Houdt er in dat geval rekening mee dat aanvragen bij de NVWA tijd in beslag nemen en per individuele teler worden beoordeeld. Daarnaast is het goed om erop bedacht te zijn dat een goedkeuring voor de teelt en verkoop in Nederland er niet voor zorgt dat export naar andere (Europese) landen zonder meer tot de mogelijkheden behoort. Per lidstaat gelden nu namelijk andere voorschriften en telen van insecten voor menselijke consumptie. Niet in elke Europese lidstaat is dit toegestaan. Kortom: op dit moment is de markt voor het telen en verkopen van insecten nog niet volledig open. Gezien de recente ontwikkelingen op Europees niveau lijkt dit niet ver weg te zijn. Wij zullen u op de hoogte houden van de juridische ontwikkelingen op dit gebied. Februari 2018 [post_title] => Het telen en verkopen van insecten om te eten: kan en mag dat zomaar? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => telen-en-verkopen-insecten-om-eten-en-mag-zomaar [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-02-19 11:03:56 [post_modified_gmt] => 2018-02-19 10:03:56 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=16934 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [12] => WP_Post Object ( [ID] => 16903 [post_author] => 17 [post_date] => 2018-02-16 10:29:34 [post_date_gmt] => 2018-02-16 09:29:34 [post_content] => Per 1 januari 2018 zijn er een drietal belangrijke wijzigingen doorgevoerd in het Nederlandse mestbeleid. Allereerst is voor de periode 2018-2021 een nieuw actieprogramma vastgesteld voor het verminderen van waterverontreiniging, veroorzaakt uit agrarische bronnen. Daarnaast is de Wet grondgebonden groei melkveehouderij opgenomen in de Meststoffenwet, waarmee verdere groei van de melkveehouderij wordt ingeperkt. Tot slot is het stelsel van fosfaatrechten voor melkveebedrijven in werking getreden, waarmee nieuwe fosfaatproductie blijvend wordt beperkt. In deze blog zullen we achtereenvolgens stilstaan bij deze maatregelen en de gevolgen hiervan voor diverse agrarische sectoren. Nieuw actieprogramma nitraatverontreiniging Nederland is als Europese lidstaat gebonden aan de zogenaamde "Nitraatrichtlijn". Deze richtlijn is erop gericht de waterkwaliteit in Europa te beschermen door nitraatverontreiniging uit agrarische bronnen te verminderen en goede landbouwpraktijk te stimuleren. Op grond van artikel 5 van de Nitraat is elke lidstaat gehouden een actieprogramma op te stellen om deze doelstellingen te bereiken. Dit heeft geleid tot het opstellen van het inmiddels zesde Nederlandse actieprogramma. Het nieuwe actieprogramma richt zich meer dan tevoren op een maatwerkaanpak. Er wordt ingezoomd op problemen die specifiek zijn voor bepaalde regio's, grondsoorten, percelen en toegepaste landbouwpraktijken. Een ander belangrijk gegeven is dat de fosfaatgebruikersnormen niet verder worden aangescherpt. Verder van belang is dat per januari 2020 een herziening van het fosfaatklassenstelsel plaatsvindt. De huidige klasse "neutraal" wordt opgesplitst in een klasse "neutraal" en een klasse "ruim voldoende", om zo een meer toegesneden fosfaatbemesting mogelijk te maken. Andere veranderingen zijn de invoer van een nieuwe indicator om de fosfaattoestand te bepalen, evenals het verplaatsen van de uitrijperiode op bouwland van 15 februari tot en met 15 september. Naast algemene maatregelen worden er ook verschillende wijzigingen geïntroduceerd die vooral specifieke branches treffen. Zo is voor de melkveehouderij relevant dat vanaf 2021 dierlijke mest als rijbemesting moet worden toegediend. Andere veranderingen zijn het opheffen van het scheurverbod voor grasland vanaf 2019 en een wijziging van de uitrijperiode voor vaste strorijke mest. Voor de intensieve veehouderij is van belang dat het fosfaatplafond van 173 miljoen kg en de reeds vastgestelde dierenrechten worden gehandhaafd. Tot slot zullen akkerbouwers rekening moeten houden met een beperking van de stikstofbemesting van groenbemesters voor plantaardige teelten op zand- en lössgronden, tot maximaal 50% van de gebruikersnorm. Ook wordt de extra toegestane bemesting over de gehele linie verlaagd en de inzaai van wintergaan als vang- of hoofdgewas na aardappelen voor uiterlijk 31 oktober verplicht. Wet grondgebonden groei melkveehouderij Vanaf 1 januari 2015 is het stelsel verantwoorde groei melkveehouderij in werking getreden. Met de invoering van dit stelsel wordt een verantwoorde groei beoogd van bedrijven met melkvee, te weten dieren uit categorie 100, 101 en 102. Aanleiding voor het ingevoerde stelsel is de substantiële groei van de melkveehouderij door schrapen van het melkquotum. Met de introductie van de Algemene Maatregel van Bestuur verantwoorde groei melkveehouderij is het niet langer mogelijk om extra fosfaatproductie alleen te verwerken. Deze AMvB is per 1 januari 2018 opgenomen in de Meststoffenwet. Centraal binnen de nieuwe wetgeving staat de verwerking van het melkveefosfaatoverschot (MFO). Dit is de fosfaatproductie van melkvee verminderd met de beschikbare fosfaatruimte en de Melkveefosfaatreferentie 2013. Indien op grond van deze berekening een MFO bestaat, dan is extra plaatsingsruimte of fosfaatverwerking noodzakelijk. De wet grondgebonden groei melkveehouderij biedt melkveehouders die over 2014 minder fosfaat hebben verwerkt verschillende voorzieningen. Dit wordt de zogenaamde "knelgevallenregeling" genoemd. Voor een beroep op deze regeling is een verlaging van het MFO van minimaal 5% vereist door bijzondere omstandigheden. Dit zijn onder meer (dieren)ziekte, ernstige gezondheidsproblemen of overlijden, vernieling of de realisatie van een natuurgebied of aanleg of onderhoud van publieke infrastructuur. Om in aanmerking te komen voor dergelijke voorzieningen dienen melkveehouders zich uiterlijk 15 februari 2018 bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: "de RVO") te melden. Vanaf 2018 geldt tevens de zogenaamde "vrijstellingsregeling". Deze regeling is gebaseerd op artikel 38 Meststoffenwet ziet op de gevallen wanneer het MFO hoger uitvalt door het tijdelijk minder grond in gebruik hebben of door de aanleg of onderhoud van publieke infrastructuur. Dit bemoeilijkt de uitvoering van werkzaamheden. Melkveehouders mogen daarom op diens verzoek de betreffende grond alsnog meetellen voor de berekening van het MFO. Een dergelijk verzoek dient uiterlijk 15 mei 2018 te moeten worden ingediend bij de RVO, samen met de Gecombineerde Opgave. Introductie stelsel van fosfaatrechten Nederland mag op grond van Europese afspraken niet meer dan 172,9 miljoen kilogram fosfaat produceren. Deze harde limiet wordt ook wel het fosfaatplatform genoemd. Wordt deze limiet overschreden, dan verliezen melkveehouders de mogelijkheid om meer dierlijke mest uit te rijden dan is toegestaan volgens de Nitraatrichtlijn. Vanwege de grote financiële belangen die hiermee gemoeid zijn is het noodzakelijk om de uitstoot van fosfaat terug te dringen. Het doel van het nieuwe fosfaatrechtenstelsel is dan ook dat de Nederlandse fosfaatuitstoot onder het fosfaatplatform komt en blijft. Centraal binnen dit nieuwe stelsel staan de uit te geven fosfaatrechten. Het aantal geregistreerde fosfaatrechten geeft aan hoeveel dierlijke mest geproduceerd mag worden over één kalenderjaar. Eén fosfaatrecht staat daarbij gelijk aan één kilogram fosfaat. Fosfaatrechten zijn vereist voor alle dieren die vallen binnen de categorieën 100, 101 of 102. De fosfaatproductie wordt vastgesteld aan de hand van de in tabel 4 en 6 van het Mestbeleid geformuleerde normen. Voor het vaststellen van de fosfaatruimte moet de geregistreerde oppervlakte landbouwgrond in 2015 worden vermenigvuldigd met de fosfaatgebruiksnorm 2015, vermeerderd de geregistreerde oppervlakte natuurterrein in 2015 vermenigvuldigd met de maximale toegestane hoeveelheid fosfaat op natuurterrein. Deze maximale hoeveelheid fosfaat bedraagt 70 kilogram voor grasland en 20 kilogram voor overig natuurterrein. Naast deze maatregelen wordt vanaf 2018 ook een generieke korting toegepast om te zorgen dat de fosfaatproductie onder het fosfaatplatform blijft. Dit kortingspercentage is afhankelijk van de vraag of een bedrijf al niet grondgebonden is. Enkel niet grondgebonden bedrijven komen in aanmerking voor een generieke korting; de maximale korting op het aantal fosfaatrechten is 8,3%. Voor bedrijven met een relatief klein verschil tussen het aantal fosfaatrechten en de beschikbare fosfaatruimte geldt een gedeelte vrijstelling van deze kortingsregeling; zij worden enkel overeenkomstig dit verschil op hun fosfaatrechten gekort. Vooralsnog lijkt de nieuwe aanpak zijn vruchten af te werpen. Zo bleek onlangs uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek dat de Nederlandse fosfaatuitstoot in 2017 voor het eerst in drie jaar tijd weer onder het fosfaatplatform is uitgekomen. Toch blijft het voor melkveehouders van belang dat zij hun fosfaatbeschikking goed controleren. Gedurende zes weken na ontvangst is het mogelijk om bezwaar te maken tegen een mogelijk onjuiste beschikking. Tot slot De nieuwe wet- en regelgeving die per 1 januari 2018 van kracht is geworden kan ingrijpende gevolgen met zich meebrengen voor diverse agrarische bedrijven. Melkveehouders in het bijzonder dienen zich dan ook goed op de hoogte te zijn van de recent in werking getreden veranderingen in het Mestbeleid. Door tijdig over te gaan tot het indienen van een verzoek bij de RVO of bezwaar te maken tegen een fosfaatbeschikking kunnen aanvullende vergoedingen worden aangevraagd en onnodige kosten worden voorkomen. Meer informatie Heeft u vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met een van de advocaten van het team Food & Agri. Zij zijn u graag van dienst. [post_title] => Belangrijke wijzigingen Nederlandse mestbeleid per 1 januari 2018 [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => belangrijke-wijzigingen-nederlandse-mestbeleid-per-1-januari-2018 [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-02-16 10:40:58 [post_modified_gmt] => 2018-02-16 09:40:58 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=16903 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [13] => WP_Post Object ( [ID] => 15947 [post_author] => 2 [post_date] => 2017-12-19 10:38:07 [post_date_gmt] => 2017-12-19 09:38:07 [post_content] => In de sector Food & Agri is de inzet van een zzp'er niet ongebruikelijk. Zoals eerder bericht zijn in het regeerakkoord wijzigingen opgenomen voor het werken met zzp'ers. Bij de inzet van zzp'ers bestaat vaak discussie over de vraag of daadwerkelijk sprake is van zzp-schap (ondernemerschap) of dat er niet in feite sprake is van een (verkapte) arbeidsrelatie oftewel schijnzelfstandigheid. Om duidelijkheid te scheppen over de samenwerkingsrelatie tussen een opdrachtgever en zzp'er, heeft de wetgever in 2016 de Wet DBA in het leven geroepen. De invoering van deze wet had echter een averechts affect. In plaats van het creëren van duidelijkheid ontstond er juist meer onrust op de arbeidsmarkt. Het kabinet wil daar wat aan doen door de Wet DBA te vervangen voor een nieuwe wet. Wat wil het kabinet bewerkstelligen met invoering van de nieuwe wet? Uitgangspunt is in ieder geval dat enerzijds de opdrachtgever (van zzp'ers) zekerheid wordt geboden dat er geen sprake is van een arbeidsrelatie en anderzijds dat schijnzelfstandigheid wordt voorkomen. Tevens is het de bedoeling om de administratieve lasten te verlagen. In het regeerakkoord zijn de volgende maatregelen genoemd die het kabinet wil gaan realiseren:
  • Het de bedoeling om voor zzp'ers een opdrachtgeversverklaring in te voeren. Hiermee wordt bij de inzet van zelfstandigen vooraf aan opdrachtgevers duidelijkheid en zekerheid geboden. Deze verklaring kan worden verkregen door het invullen van een online webmodule. In deze webmodule worden een aantal vragen gesteld over de aard van de werkzaamheden. Momenteel bestaat er nog veel onduidelijkheid over het begrip 'gezagsverhouding'. Ten behoeve van de vragen zal het begrip nader worden verduidelijkt. Bij het verkrijgen van een opdrachtgeversverklaring (indien deze naar waarheid is ingevuld), krijgt een opdrachtgever vooraf vrijwaring van loonbelasting en premies werknemersverzekeringen;
  • Voor zzp'ers met een laag tarief in combinatie met een lange duur van de overeenkomst (meer dan 3 maanden) wordt bepaald dat er altijd sprake is van een arbeidsovereenkomst. Indien sprake is van een laag tarief in combinatie met het verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten is ook altijd sprake van een arbeidsovereenkomst. Onder een laagtarief wordt verstaan loonkosten tot 125% van het wettelijk minimumloon of laagste loonschalen van een cao. Het is de bedoeling om één tarief te realiseren die de gehele markt aan de onderkant afbakent;
  • De mogelijkheid voor de zzp'er om te kiezen voor een 'opt-out' voor de loonbelasting en de werknemersverzekeringen. Dat kan in het geval dat sprake is van een hoog tarief (hoger dan EUR 75 euro) in combinatie met een kortere duur van de overeenkomst (korter dan 1 jaar) of een hoog tarief in combinatie met het niet verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten. Hierdoor kan worden gerealiseerd dat opdrachtgevers geen risico lopen op naheffingsaanslagen van de belastingdienst bij inzet van dure zzp'ers.
Om deze maatregelen te kunnen realiseren, zullen de wetsvoorstellen aangenomen moeten worden. Het is dan ook niet uitgesloten dat op bovenstaande maatregelen nog (kleine) wijzigingen zullen plaatsvinden. Bij de totstandkoming zullen sociale partners worden betrokken. De markt zal de tijd krijgen om te wennen aan de veranderende wet- en regelgeving. In het regeerakkoord is opgemerkt dat de huidige wijze van handhaving – na invoering van bovenstaande maatregelen – gefaseerd wordt afgebouwd. Tevens wordt vanaf het moment dat de wetgeving daadwerkelijk is ingevoerd, maximaal één jaar een terughoudend handhavingsbeleid ingevoerd. Dat betekent concreet dat onder andere geen boetes na de eerste controle worden opgelegd. Het kabinet heeft ambitieuze plannen om het werken met zelfstandigen te veranderen. Daarbij zal de Wet DBA worden afgeschaft. Wij zullen u uiteraard op de hoogte stellen wanneer er verder ontwikkelingen op dit onderwerp zijn te melden. Meer informatie Heeft u vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met een van de advocaten van het team Food & Agri. Zij zijn u graag van dienst. December 2017 [post_title] => Wat zegt het regeerakkoord over het inzetten van de zzp'er? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => zegt-regeerakkoord-inzetten-zzper [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-12-19 10:39:49 [post_modified_gmt] => 2017-12-19 09:39:49 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=15947/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [14] => WP_Post Object ( [ID] => 15923 [post_author] => 17 [post_date] => 2017-12-13 14:05:18 [post_date_gmt] => 2017-12-13 13:05:18 [post_content] => Op het moment dat een agrarisch bedrijf wordt overgedragen aan een volgende generatie heeft dat nogal wat voeten in de aarde. In veel gevallen wordt er een maatschap opgericht waarbij de zoon of dochter toetreedt tot het familiebedrijf. Op deze wijze vindt er een geleidelijke overgang van de onderneming plaats. De nieuwe generatie zal de bedrijfsvoering langzamerhand overnemen waarbij vader en moeder stilaan op de achtergrond treden. Bij een wisseling van de wacht is het van belang om ook aandacht te besteden aan de lopende pachtovereenkomsten. Doet men dat niet, dan kan dit zomaar een einde van de pachtovereenkomst met zich brengen. Persoonlijk gebruik van het gepachte De pachter dient het gepachte zelf te gebruiken. Dit betekent dat de pachter de dagelijkse leiding over het bedrijf moet hebben. Daarbij is niet doorslaggevend of de pachter al dan niet zelf de koeien melkt of de gewassen van het veld haalt. Van belang is dat de pachter betrokken is bij de dagelijkse bedrijfsvoering en zelf een beslissende stem heeft. Welke mate van betrokkenheid vereist is kan per geval verschillen. Hierbij is mede bepalend wat partijen voor ogen hebben gehad bij het aangaan van de pachtovereenkomst. Ook de concrete omstandigheden van het geval spelen daarbij een rol. Er wordt bijvoorbeeld gekeken naar wat in de betreffende sector gangbaar is. De pachter kan het gepachte niet zonder meer in een maatschap inbrengen. Dit kan namelijk in strijd zijn met de verplichting het gepachte zelf te gebruiken. Hierbij is bepalend in hoeverre de pachter zijn zeggenschap heeft afgestaan aan zijn medevennoten. Een goede maatschapsovereenkomst is daarom van essentieel belang. Indeplaatsstelling Bij een pachtovereenkomst is het wel mogelijk dat de pachter zijn zoon of dochter in de plaats laat stellen. De nieuwe generatie neemt dan de pachtovereenkomst van de pachter over. De pachtrelatie wordt met de nieuwe generatie als contractspartij voortgezet. Een indeplaatsstelling kan met instemming van de verpachter worden geregeld door middel van een pachtwijzigingsovereenkomst. Als de verpachter niet instemt kan de pachter een vordering tot indeplaatsstelling bij de rechtbank instellen. De rechter beslist dan naar billijkheid, maar zal de vordering van de pachter afwijzen als de voorgestelde nieuwe pachter onvoldoende waarborgen voor een behoorlijke bedrijfsvoering biedt. Ontbinding pachtovereenkomst Besteed de pachter te weinig aandacht aan de pachtovereenkomsten dan kan dit verregaande consequenties met zich brengen. Op het moment dat de pachter het gepachte zelf niet meer gebruikt kan de verpachter de pachtovereenkomst wegens deze tekortkoming laten ontbinden. De bedrijfsopvolging kan daardoor in gevaar komen. De kwestie Een recente uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 oktober 2017 is hier een pijnlijk voorbeeld van. Een pachter heeft, in het kader van een bedrijfsoverdracht, de gepachte gronden in een maatschap ingebracht. Het bedrijfsrisico komt grotendeels ten laste van de andere medevennoten. In deze zaak heeft de pachter inmiddels de respectabele leeftijd van 79 jaar bereikt. Hoewel de pachter nog wel betrokken is bij de bedrijfsvoering heeft hij slechts een adviserende rol, de dagelijkse bedrijfsvoering is sinds enige tijd in handen van de kleinzoon van de pachter. De zoon van de pachter is wegens ziekte niet in staat om het bedrijf van zijn vader te leiden. De verpachter vordert een ontbinding van de pachtovereenkomst vanwege het feit dat de pachter het gepachte niet zelf gebruikt. Uit de feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de pachter het gebruik van de gronden, zo al niet juridisch, in ieder geval feitelijk heeft afgestaan en niet meer in persoonlijk gebruik heeft. Overweging gerechtshof De pachter verweert zich door alsnog een vordering tot indeplaatsstelling in te stellen. De beoogde opvolger is de kleinzoon van de pachter. De omstandigheid dat een vordering tot indeplaatsstelling voorligt, kan volgens het hof meewegen bij de vraag of de tekortkoming van de pachter vanwege bijzondere aard of geringe betekenis een ontbinding van de pachtovereenkomst niet rechtvaardigt. De kleinzoon is 20 jaar oud en heeft naast een vmbo-diploma dierverzorging ook een eendaagse BBL opleiding afgerond. Bedrijfseconomisch en beleidsmatig heeft hij echter nauwelijks opleiding of ervaring. Hoewel de kleinzoon tijdens de mondelinge behandeling een kundige indruk maakte wat betreft de melkvee en de actuele ontwikkelingen, was dit in de ogen van het hof onvoldoende. De kleinzoon bood onvoldoende waarborgen voor een behoorlijke bedrijfsvoering en de vordering tot indeplaatsstelling werd daarom afgewezen. Nu vast kwam te staan dat de pachter het gepachte niet meer zelf gebruikte was de ontbindingsgrond daarmee een gegeven. Het gerechtshof bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank. Aan de pachtrelatie kwam definitief een einde. Meer informatie Wilt u weten wat het team Food en Agri bij een bedrijfsoverdracht voor uw onderneming kan betekenen? Neem dan contact op met Luc Golsteijn of een van de andere advocaten van team Food en Agri. [post_title] => Voortzetting van de pachtovereenkomst bij bedrijfsopvolging [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => voortzetting-pachtovereenkomst-bedrijfsopvolging [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-07-02 11:06:05 [post_modified_gmt] => 2018-07-02 09:06:05 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=15923/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [15] => WP_Post Object ( [ID] => 15811 [post_author] => 2 [post_date] => 2017-11-30 14:09:39 [post_date_gmt] => 2017-11-30 13:09:39 [post_content] => Het nieuwe kabinet Rutte III is inmiddels beëdigd en kan aan de slag met de voorgenomen beleidsdoelstellingen. Begin oktober 2017 presenteerde de regeringspartijen bestaande uit VVD, D66, CDA en ChristenUnie de plannen voor de komende vier jaar in het regeerakkoord 2017-2021, met specifiek aandacht voor de duurzaamheid in Nederland. Het akkoord heeft de titel 'Vertrouwen in de toekomst' en de focus ligt onder meer op onderwijs, zorg, cultuur, de arbeidsmarkt en de verdere groei van de Nederlandse economie. Food & Agri sector op de beleidsagenda Een paragraaf in het akkoord is toegelegd op de duurzaamheid. De focus ligt met name op klimaat, mobiliteit, gaswinning, leefomgeving en landbouw, voedsel, natuur en dierenwelzijn. Vooral in de Food & Agri sector is het nieuwe kabinet voornemens te blijven investeren en innovatie en ontwikkelingen in deze sector te bevorderen en te verbeteren. Het kabinet wilt het potentieel in de sector benutten en daarbij de focus leggen op ondernemerschap, innovatie, continuïteit van familiebedrijven, duurzaamheid, voedselzekerheid en voedselveiligheid. De sector zal daardoor de komende jaren veel in ontwikkeling zijn. Reden te meer om de belangrijkste beleidsdoelstellingen op een rijtje te zetten. De doelstellingen in de Food & Agri sector zijn onderverdeeld in de volgende punten: Nationaal beleid, Inzet in de Europese Unie, Dierenwelzijn en Leefomgeving. In dit artikel worden de belangrijkste voorgenomen beleidswijzigingen kort samengevat. Nationaal beleid Het nationaal beleid erop gericht om zo efficiënt mogelijk aan de Europese eisen te voldoen. Het bewerkstelligen van een efficiënte inkleding leidt er immers toe dat het speelveld tussen producenten in de verschillende EU-landen zo min mogelijk verschilt. Belangrijkste speerpunten zijn:
  • Voorkomen dat het niet tijdig voldoen aan EU-normen direct leidt tot hard ingrijpen. Voornemen is een gezamenlijk actieplan op te stellen voor de sector.
  • Het Zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn wordt uitgevoerd. Dit programma bevat maatregelen voor duurzaam en doelmatig gebruik van stikstof en fosfaat in de Nederlandse landbouw.
  • Ook gaat het kabinet investeren in een bedrijfsovernamefonds voor jonge boeren, waarmee zij ondersteund kunnen worden bij de overname van het familiebedrijf.
  • Om het dierenwelzijn en de voedselveiligheid te bevorderen wordt er 20 miljoen geïnvesteerd in de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit om de organisatie te versterken.
  • De Mededingingswet wordt aangepast, waardoor samenwerking in de land- en tuinbouw expliciet wordt toegestaan.
  • Autoriteit Consument en Markt gaat erop toezien dat boeren en tuinders hogere prijzen ontvangen van afnemers die bovenwettelijke eisen stellen.
Inzet in de Europese Unie Het kabinet zet in op de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). De focus zal na hervorming liggen op innovatie, duurzaamheid, voedselzekerheid en voedselveiligheid. Daarnaast uit het kabinet het voornemen zich op Europees niveau sterk te maken voor de visserijbelangen. Dierenwelzijn Het belangrijkste aandachtspunt is het verminderen van het aantal stalbranden. Hiertoe gaat het kabinet in samenwerking met verzekeringsmaatschappijen en ketenkwaliteitssystemen afspraken maken over mogelijkheden tot voorkoming daarvan. Leefomgeving De kwaliteit van de leefomgeving heeft prioriteit, het traject van de Omgevingswet wordt voortgezet. Vooruitlopend op de invoeringswet komt het kabinet met een eerste Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Hierin worden de kaders uiteen gezet voor de bescherming van de nationale belangen. Tot slot zal de focus worden toegespitst op de kwaliteit van het oppervlakte- en drinkwater en bescherming van de open ruimtes zoals het Groene Hart, de Waddenzee en de Veluwe. De genoemde beleidsvoornemens zijn nog niet definitief. Wij volgen de ontwikkelingen in de sector op de voet en zodra meer bekend wordt, zullen wij hier nader over informeren. Meer informatie Heeft u nog vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Merel Lentjes of een van de andere advocaten van team Food & Agri. Zij zijn u graag van dienst. November 2017 [post_title] => Het nieuwe kabinet investeert en innoveert in de Food & Agri sector [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => nieuwe-kabinet-investeert-en-innoveert-food-agri-sector [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-11-30 14:11:40 [post_modified_gmt] => 2017-11-30 13:11:40 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=15811/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [16] => WP_Post Object ( [ID] => 15299 [post_author] => 2 [post_date] => 2017-10-30 13:50:22 [post_date_gmt] => 2017-10-30 12:50:22 [post_content] => In de voedingsmiddelenindustrie maken steeds meer producenten gebruik van het predicaat biologisch. Maar wanneer is er sprake van 'biologisch'? Aan welke eisen moet je als producent voldoen voordat je je producten van dit etiket mag voorzien? Een biologisch product is afkomstig van biologische landbouw. Het keurmerk wordt veelal gebruikt bij producten zoals vlees, brood, eieren, fruit, melk en melkproducten. Het kenmerk dat biologische producten onderscheidt van de niet-biologische producten, is dat zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met milieu- en dierenwelzijn. Doelstellingen en wetgeving Binnen de Europese Unie is veel aandacht voor duurzame productie van voedingsmiddelen en het tegengaan van misleidende reclame voor consumenten door het onjuist gebruiken van etiketten op voedingsmiddelen. Om te voorkomen dat op producten ten onrechte het keurmerk biologisch wordt vermeld, is de Verordening inzake de biologische productie en etikettering van producten (EG) 834/2007 opgesteld. Daarnaast is een meer specifieke Verordening (EG) 889/2008 van kracht, waarin gedetailleerd is uitgewerkt op welke wijze uitvoering moet worden gegeven aan de productie en etikettering van biologische producten. In Nederland is de Europese regelgeving opgenomen in de Landbouwkwaliteitswet en het Landbouwkwaliteitsbesluit. De algemene doelstellingen van de Europese wetgever is het tot stand brengen van een duurzaam beheerssysteem voor landbouw, met verantwoord gebruik van water, bodem en lucht en het produceren van producten met een hoge kwaliteit en een rijke verscheidenheid aan levensmiddelen. Keurmerk biologisch Wanneer een product in de Europese Unie biologisch is geproduceerd, wordt het Europees biologisch keurmerk vermeld. Door vermelding van dit keurmerk wordt duidelijk dat het product voldoet aan alle regelgeving die van toepassing is op de productie van biologische voedingsmiddelen in Europa. in In Nederland worden, naast het Europese keurmerk, nog twee andere keurmerken gebruikt, namelijk Demeter en het EKO-keurmerk. Producten met deze keurmerken voldoen aan dezelfde eisen als producten met het Europees biologische keurmerk. Productievoorschriften Wil een producent het keurmerk biologisch dragen dan moet hij zich houden aan verschillende productievoorschriften. Het gebruik van genetisch gemodificeerde organisme (GGO's) is in het productieproces uitdrukkelijk verboden, evenals het gebruik van producten die zijn geproduceerd met GGO's. Ook is het gebruik van ioniserende bestraling niet toegestaan. De Verordeningen maken een onderscheid tussen de productie van de verschillende levensmiddelen, denk bijvoorbeeld aan plantaardige levensmiddelen en de veehouderij. De Verordening bevat per productieproces en per voedselindustrie een zeer gedetailleerde beschrijving van de daarvoor geldende eisen. Kort samengevat komen deze neer op op een goede kwaliteit van de grond, goede behandeling van de dieren, het voeren van dieren met biologisch voer, het uitsluiten van groeibevorderaars en het beperken van het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen en technische hulpstoffen. Controlesysteem In elke lidstaat is een bevoegde autoriteit aangewezen die verantwoordelijk is voor de controles van de verplichtingen die voortvloeien uit de geldende regelgeving. De bevoegde autoriteit in Nederland is Skal Biocontrole (Skal). Zij zet zich in voor aantoonbare betrouwbaarheid van biologische producten en werkt in opdracht van het ministerie van Economische Zaken. Uit artikel 92 Verordening (EG) 889/2008 volgt dat Skal zelf een catalogus opstelt met een overzicht van wat zij aanmerkt als een inbreuk en welke maatregelen worden opgelegd. De maatregelen variëren afhankelijk van de afwijking die is geconstateerd. Zo kan er een hersteltermijn worden opgelegd en kan besloten worden dat het keurmerk van het product af moet. Bij ernstige overtredingen wordt een tuchtrechtelijke sanctie opgelegd of verliest de producent zijn certificering. Een tuchtrechtelijke sanctie kan bestaan uit een berisping of het opleggen van een geldboete. Tegen de opgelegde sancties kan door de producent bezwaar of beroep worden ingesteld. Overgaan op biologische productie Denkt u er als landbouwproducent over na om over te stappen op biologische productie? In dat geval moet je je aanmelden bij de bevoegde autoriteit Skal. Zij zullen overgaan tot de beoordeling of het bedrijfsproces in overeenstemming is met de daarvoor geldende voorschriften. Wanneer de onderzoeksresultaten positief zijn wordt door Skal een certificaat afgegeven op basis waarvan het keurmerk biologisch mag worden gebruikt. Meer informatie Heeft u nog vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Merel Lentjes of een van de andere advocaten van team Food & Agri. Zij zijn u graag van dienst. Oktober 2017 [post_title] => Het keurmerk biologisch: waar moet u als producent aan voldoen? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => keurmerk-biologisch-moet-als-producent-aan-voldoen [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-10-30 13:52:12 [post_modified_gmt] => 2017-10-30 12:52:12 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=15299/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [17] => WP_Post Object ( [ID] => 14997 [post_author] => 2 [post_date] => 2017-10-04 14:06:19 [post_date_gmt] => 2017-10-04 12:06:19 [post_content] => Al eerder verscheen er op onze pagina een artikel over de mogelijkheid smaak auteursrechtelijk te beschermen. Onlangs publiceerde het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een uitspraak  (ECLI:NL:GHARL:2017:6697) waarin de vraag of de smaak van een product auteursrechtelijke bescherming geniet, opnieuw aan de orde kwam. Casus Levola Hengelo is een vennootschap die zich bezighoudt met de productie en verhandeling van verse levensmiddelen. Smilde produceert levensmiddelen die zij onder eigen merk op de markt brengt. Levola heeft in 2011 alle (intellectuele eigendoms-)rechten met betrekking tot de productie van het product Heksenkaas overgenomen van de bedenker. Daarbij is het volledige en exclusieve auteursrecht met betrekking tot receptuur, de bereidingswijze en de smaak zintuigelijke kenmerken, aan Levola overgedragen. Sinds januari 2014 produceert Smilde voor een supermarktketen een product genaamd 'Witte Wievenkaas', met dezelfde kenmerken als de Heksenkaas van Levola. Volgens Levola werd met dit product inbreuk gemaakt op haar auteursrecht. Zij is een een procedure gestart waarin zij heeft aangevoerd dat de smaak van het product Heksenkaas een eigen intellectuele schepping is van Levola en als "werk" in de zin van artikel 1 Auteurswet bescherming geniet. De rechtbank deelde het standpunt van Levola niet en heeft in eerste aanleg de vorderingen van Levola afgewezen. Volgens de rechtbank had Levola onvoldoende gesteld welke elementen of combinatie van elementen van de smaak van Heksenkaas leiden tot het eigen, oorspronkelijk karakter en persoonlijk stempel van de maker. De Heksenkaas bleek te zijn opgebouwd uit onder meer de basis ingrediënten roomkaas, knoflook en peterselie en het is naar de mening van de rechtbank een volstrekt voor de hand liggende keuze om nog andere kruiden toe te voegen. Prejudiciële vragen Levola is tegen dit vonnis van de rechtbank in beroep gegaan bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. In deze procedure is door Smilde onder meer aangevoerd dat binnen het geldende Unierecht een auteursrecht op smaak niet mogelijk zou zijn. Nu hieromtrent bij het Hof onduidelijkheid bestaat, heeft zij het Europese Hof van Justitie hierover prejudiciële vragen gesteld. We zijn thans nog in afwachting van de uitleg van het Hof van Justitie en of  het Unierecht zich ertegen verzet dat de smaak van een voedingsmiddel auteursrechtelijk wordt beschermd. Het auteursrechtelijk beschermen van smaak is dus niet zondermeer mogelijk. Vooralsnog is het afwachten op de uitspraak van het Europese Hof van Justitie, uiteraard houden wij u van de de ontwikkelingen op de hoogte. Meer informatie Heeft u nog vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Merel Lentjes of een van de andere advocaten van team Food & Agri of met een van onze IE-specialisten. Zij zijn u graag van dienst. September 2017 [post_title] => Over smaak valt niet te twisten: mogelijke auteursrechtelijke bescherming op 'smaak' [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => smaak-valt-twisten-mogelijke-auteursrechtelijke-bescherming-op-smaak [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-10-04 14:44:32 [post_modified_gmt] => 2017-10-04 12:44:32 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=14997/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [18] => WP_Post Object ( [ID] => 14686 [post_author] => 2 [post_date] => 2017-09-20 11:19:57 [post_date_gmt] => 2017-09-20 09:19:57 [post_content] => Werkgevers in de agrarische en groene sectoren zijn verplicht deel te nemen aan het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Landbouw (BPL). Het is echter niet altijd duidelijk wanneer de activiteiten van deze werkgevers onder het BPL valt. Een verplichte aansluiting aan een Bedrijfstakpensioenfonds (BPF) volgt uit een verplichtstellingsbesluit waarin wordt vastgelegd welke ondernemingen onder de werkingssfeer van het BPF vallen. Het lijkt derhalve eenvoudig om na te gaan of een onderneming onder een bepaald BPF valt. In de praktijk blijkt dit echter niet altijd het geval. Regelmatig ontstaan dan ook discussies over de uitleg van een verplichtstellingsbepaling. Zo heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch zich op 30 mei 2017 gebogen over de vraag of een werkgever onder het BPL valt. Deelname is verplicht voor een 'dierhouderijonderneming'. BPL meende dat het voor een werkgever die zich bezighoudt met het oogsten en verkopen van kaviaar, verplicht was om deel te nemen aan de pensioenregeling, hetgeen door de werkgever werd tegengesproken. De kantonrechter en het Hof stelden de werkgever in het gelijk. De casus was als volgt. Casus De bedrijfsactiviteit van de werkgever houdt onder andere in dat hij kaviaar oogst en verkoopt. De vissen worden in dat kader levend gehouden ten behoeve van de winning en verkoop van kaviaar. BPL is van oordeel dat deze bedrijfsactiviteit valt onder 'dierhouderonderneming'. BPL heeft derhalve aan de werkgever medegedeeld dat hij verplicht is tot het betalen van achterstallige pensioenpremies over 1 januari 2012 tot 1 juni 2014 (EUR 42.269,-). Vanaf 1 juni 2014 was de werkgever (onder protest) gestart met het betalen van de premienota's. In de door de werkgever aangespannen procedure waarin deze vordering betwist werd, werd verzocht om terugbetaling van de al betaalde pensioenpremies. Nadat de kantonrechter de werkgever in het gelijk had gesteld, kwam BPL tegen deze beslissing in hoger beroep. Het Hof stond voor de vraag of de betreffende onderneming een 'dierhouderijonderneming' in de agrarische en/of groene sector is. Het Hof oordeelde van niet, omdat de verplichtstelling zo uitgelegd moet worden dat het gaat om activiteiten op het land ('droog') en niet in het water ('nat'). Alle opgesomde agrarische activiteiten in het verplichtstellingsbesluit bestonden namelijk uit 'droge' activiteiten. Dat een vis een dier is maakt dit niet anders gelet op de naam van het fonds (landbouw). Volgens het Hof wordt namelijk in normaal spraakverbruik onder 'agrarisch' land- en tuinbouw verstaan. De werkgever werd aldus in het gelijkgesteld en BPL diende EUR 34.050,- terug te betalen. Conclusie Verplichte deelname aan een bedrijfstakpensioenfonds heeft voor een werkgever vergaande gevolgen. Zo is het betalen van pensioenpremies verplicht. Bovendien kan een bedrijfstakpensioenfonds bij een werkgever achterstallige pensioenpremies vorderen. Dat leidt doorgaans al snel tot forse bedragen. Wij adviseren daarom om regelmatig na te gaan of uw onderneming valt onder een verplichtstellingsbepaling van een bedrijfstakpensioenfonds. Meer informatie Vraagt u zich af of uw onderneming onder een verplichtstellingsbepaling van een pensioenfonds valt? Neem dan contact op met een van onze advocaten arbeidsrecht. Zij staan u graag te woord. September 2017 [post_title] => Is een werkgever die vissen houdt, verplicht zijn werknemers aan te melden bij het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Landbouw? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => is-werkgever-vissen-houdt-verplicht-werknemers-aan-melden-bedrijfstakpensioenfonds-landbouw [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-09-20 11:19:57 [post_modified_gmt] => 2017-09-20 09:19:57 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=14686/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [19] => WP_Post Object ( [ID] => 14259 [post_author] => 2 [post_date] => 2017-09-01 09:17:20 [post_date_gmt] => 2017-09-01 07:17:20 [post_content] => Nu duidelijk is dat door de Fipronil-affaire gedupeerde pluimveehouders niet door de Staat zullen worden gecompenseerd, dienen pluimveehouders hun zoektocht naar financiële compensatie voort te zetten. Daarbij wordt het vizier (ook) gericht op de toezichthouder op het gebied van productveiligheid, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De Hoge Raad heeft in een recent arrest meer duidelijkheid gecreëerd over de vraag wanneer een toezichthouder aansprakelijk is voor falend toezicht. Dit arrest geeft gedupeerde pluimveehouders munitie voor een claim richting de NVWA. Beleidsvrijheid Uitganspunt is dat aan toezichthouders zoals de NVWA veel beleids- en beoordelingsvrijheid toekomt in de uitvoering van de aan hen opgedragen taak en het gebruik van de daarbij behorende bevoegdheden. Indien een pluimveehouder de NVWA aansprakelijk houdt voor schade, zal een rechter daarom in beginsel slechts toetsen of de NVWA (alle omstandigheden in acht nemende) in redelijkheid tot haar beleid en handelen heeft kunnen komen. Door deze terughoudende toetsing zal niet snel worden geoordeeld dat de NVWA heeft gefaald in haar toezichttaak en daarom aansprakelijk is voor schade. Falend toezicht Dit wordt anders als een toezichthouder heeft nagelaten om in te grijpen, terwijl daartoe wel concrete aanleiding bestond. De Hoge Raad heeft recent geoordeeld dat een toezichthouder in redelijkheid maatregelen moet nemen als voldoende ernstige en concrete aanwijzingen voor de toezichthouder bestaan om aan te nemen dat regels (mogelijk) worden overtreden en dat daardoor ernstige schade kon ontstaan. Hoewel het in die zaak ging over het onvoldoende houden van toezicht door de Arbeidsinspectie, is de door de Hoge Raad gegeven norm één-op-één toepasselijk op de beoordeling van het toezicht door de NVWA. Voor gedupeerde pluimveehouders betekent dit dat zij – indien ook aan andere vereisten voor aansprakelijkheid is voldaan – een schadeclaim op de NVWA kunnen hebben, indien vast komt te staan dat de NVWA al (ruim) vóórdat zij ingreep concrete aanwijzingen had dat kippenstallen werden schoongemaakt met het verboden Fipronil en dat dit tot schade voor de volksgezondheid en/of pluimveehouders zou kunnen leiden. Dergelijke concrete aanwijzingen lijken voor handen te zijn. Anonieme tip Minister Edith Schippers van Volksgezondheid en de staatssecretaris van economische zaken Martijn van Dam hebben de Tweede Kamer laten weten in november 2016 een anonieme tip te hebben gekregen waarbij het bedrijf Chickfriend bij naam werd genoemd in verband met het gebruik van Fipronil. De vraag is nu of deze tip de NVWA tot handelen had moeten nopen. Volgens de NVWA sprak de tipgever alleen over het gebruik van Fipronil in kippenstallen en niet in eieren. Daarom was de tip volgens inspecteur-generaal Rob van Lint van het NVWA geen aanleiding om aan te nemen dat Fipronil aanwezig was in eieren. Evenmin bestond op dat moment aanleiding om monsters van eieren te nemen. Dit standpunt is twijfelachtig. Allereerst geldt dat de NVWA (door nader onderzoek) weldegelijk meer zicht had kunnen krijgen op het gevaar van Fipronil en de mogelijke besmetting van eieren. Daarnaast geldt dat door de NVWA te treffen maatregelen niet afhankelijk hoefden te zijn van de aanwezigheid van Fipronil in eieren. Zij had ook maatregelen kunnen treffen ter voorkoming van de besmetting van eieren. De NVWA had bijvoorbeeld (eenvoudig) een publiekswaarschuwing kunnen uitvaardigen, althans pluimveehouders – al dan niet via een branchevereniging – kunnen waarschuwen voor het feit dat Chickfriend gebruik maakt van een verboden bestrijdingsmiddel. De NVWA had ook kunnen optreden tegen Chickfriend met als doel haar handelwijze te stoppen. Dergelijk handelen zou de schade, zoals veel pluimveehouders hebben geleden, mogelijk dan wel vermoedelijk hebben voorkomen. Het oordeel van De Kamercommissie voor Economische Zaken was in het debat over de Fipronil-affaire onverbiddelijk: de NVWA had eerder in actie moeten komen, heeft onduidelijk gecommuniceerd en heeft zich te bureaucratisch gedragen. De komende tijd zullen beslist meer feiten boven water komen op basis waarvan kan worden geoordeeld of de NVWA meer en/of eerder maatregelen had moeten treffen om gedupeerden te beschermen. Tenzij de NVWA alsnog met een overtuigend standpunt komt, zal deze vraag daarna ongetwijfeld door een rechter worden beantwoord. Wordt vervolgd… Meer informatie. Heeft u vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Jair Stokmans of een van de andere advocaten van het team Proces & Aansprakelijkheid. Zij zijn u graag van dienst. September 2017 [post_title] => NVWA aansprakelijk in de fipronil-affaire? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => nvwa-aansprakelijk-fipronil-affaire-2 [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-09-01 09:17:20 [post_modified_gmt] => 2017-09-01 07:17:20 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=14259/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [20] => WP_Post Object ( [ID] => 13710 [post_author] => 21 [post_date] => 2017-08-04 10:02:02 [post_date_gmt] => 2017-08-04 08:02:02 [post_content] => De Nederlandse pluimveesector krijgt het de laatste tijd zwaar voor de kiezen. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit ("NVWA") heeft onlangs vastgesteld dat er eieren die voor consumptie zijn bestemd besmet zijn met het bestrijdingsmiddel fipronil. Fipronil kan bij (langdurige) consumptie een gevaar voor kinderen opleveren. Potentieel gevaarlijke eieren worden op dit moment uit de handel gehaald. In de nieuwsbrief van juni schreven wij eerder over product recall in de voedingsmiddelenindustrie. Daaruit bleek dat het terughalen van levensmiddelen vanwege gezondheidsrisico's aanzienlijke kosten met zich meebrengt. Aan de volgende kosten kan worden gedacht:
  • terughalen van de producten;
  • informeren/waarschuwen consumenten;
  • opzetten klantcontactcentrum;
  • vernietiging van de (mogelijk) onveilige producten;
  • gederfde winst, en;
  • reputatieschade.
Hieronder wordt de (on)verzekerbaarheid van deze kosten nader uitgelicht. Aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven In de aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven ("AVB") zijn de financiële gevolgen van aansprakelijkheid voor door derden geleden schade gedekt. Daar valt eveneens productaansprakelijkheid onder. De praktijk leert echter dat het overgrote deel van de kosten die een product recall met zich meebrengt, niet onder deze verzekering valt. Onder de AVB-dekking valt in de regel slechts personen- en zaakschade van derden. Het meest voor de hand liggende gedekte schadegeval is de schade die consumenten hebben opgelopen door consumptie van het product. Vanwege de strenge veiligheidsvoorschriften zal deze schade echter beperkt zijn. Zoals uit de hierboven gegeven opsomming blijkt, bestaan de grootste kosten die een product recall met zich meebrengen uit vermogensschade die door de producent zelf wordt geleden. Deze kosten zijn onder de AVB dus in beginsel niet verzekerd. Bereddingskosten Een uitzondering hierop is de op de verzekerde rustende bereddingsplicht. Dat is de plicht van de verzekerde om zodra hij op de hoogte is van de verwezenlijking van het risico, alle redelijke maatregelen te nemen die tot voorkoming of vermindering van de schade kunnen lijden. Een voorbeeld hiervan is het uit de schappen halen van het product. De verzekeraar is verplicht deze kosten te vergoeden, zelfs indien de verzekerde som daardoor wordt overschreden of als de maatregel achteraf tevergeefs blijkt te zijn genomen. Let wel; slechts bij uitzondering wordt aangenomen dat sprake is van bereddingskosten. De Hoge Raad heeft bepaald dat sprake moet zijn van een onmiddellijk dreigend gevaar dat slechts door het treffen van bijzondere maatregelen kan worden weggenomen. Daarnaast moeten deze kosten redelijk en doelmatig zijn. Het is aan te raden dat de verzekerde vooraf overleg voert met zijn verzekeraar omdat de kosten die op verzoek van de verzekeraar worden gemaakt vergoed dienen te worden. Daarnaast is het een verzekeraar toegestaan om de omvang van de bereddingskosten te beperken, dit is dan ook een breed gedragen praktijk onder verzekeraars. Uitbreiding AVB Sommige verzekeraars bieden de mogelijkheid om de AVB uit te breiden met een recall clausule. Op grond van deze clausule kan onder de AVB ook dekking worden verleend voor vermogensschade die de producent zelf leidt of andere specifiek aan een recall gerelateerde schade. Productcontaminatieverzekering Bedrijven die werkzaam zijn in kwetsbare industrieën zoals de voedsel- of diervoederindustrie doen er goed aan de mogelijkheden van een productcontaminatieverzekering ("PCV") te onderzoeken. Deze verzekering wordt in het algemeen naast de AVB afgesloten. Zoals de naam van de verzekering doet vermoeden, wordt schade vergoed indien sprake is van contaminatie van het verzekerde product. Indien producten worden teruggeroepen zonder dat sprake is van contaminatie, zal de verzekeraar geen dekking verlenen. Beperkingen Verzekeraars zullen de dekkingsomvang van recall gerelateerde schade veelal in de polisvoorwaarden beperken. Daarom zal een uitgebreide en gedetailleerde lijst van (on)verzekerde gebeurtenissen in de polisvoorwaarden worden opgenomen. Daarnaast wordt dekking vaak begrensd in tijd en door eigen risico. Vaak wordt ook een gemaximeerde verzekerde som per gebeurtenis of per jaar opgenomen. Een apart vermeldenswaardige clausule is de 'Governmental recall-clausule'. De verzekeraar keert dan pas uit indien daadwerkelijk een overheidsbevel gegeven, ophanden of redelijkerwijs te verwachten is. Tegelijkertijd hebben producenten de wettelijke verplichting om bij risico's direct actie te ondernemen. Discussies achteraf kunnen worden voorkomen door communicatie met de NVWA, de verzekeraar én juridisch adviseurs. Meer informatie Indien u meer informatie over dit onderwerp wilt of bovenstaande recall problematiek in uw sector (mogelijk) speelt, neem dan contact op met een van onze Food & Agri advocaten. [post_title] => De recallproblematiek in de pluimveesector [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => de-recallproblematiek-in-de-pluimveesector [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-08-07 08:54:27 [post_modified_gmt] => 2017-08-07 06:54:27 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=13710/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [21] => WP_Post Object ( [ID] => 13637 [post_author] => 21 [post_date] => 2017-08-02 15:30:28 [post_date_gmt] => 2017-08-02 13:30:28 [post_content] => Op 1 juli 2017 zijn de nieuwe pachtnormen (de maximale pachtprijzen voor akkerbouw- en grasland, tuinland, agrarische gebouwen en agrarische woningen) van kracht gegaan. De pachtnormen worden jaarlijks conform de uitgangspunten van het Pachtprijzenbesluit door het Wageningen Economic Research (WECR) berekend. Hierbij wordt gekeken naar de gemiddelde bedrijfsresultaten van middelgrote en grote akkerbouw- en melkveebedrijven over de afgelopen vijf jaar. Dit betekent dat de pachtnormen van dit jaar zijn gebaseerd op de periode 2011-2015. Forse daling pachtnormen De pachtnormen zijn in 2017 in alle 14 pachtprijsgebieden voor akkerbouw- en grasland ten opzichte van de pachtnormen 2016 gedaald. Het gemiddelde veranderpercentage over de 14 pachtprijsregio’s is min 14,3% en is daarmee fors. De forse daling komt niet als een verrassing. Bij de vaststelling van de pachtnormen van dit jaar zijn namelijk de slechte resultaten in de melkveehouderij in 2015 meegenomen. Daarnaast is het jaar 2010, wat voor de akkerbouw een bijzonder goed jaar was, weggevallen uit de berekening. Uit de vastgestelde pachtnormen valt op dat vooral het Zuidwestelijk akkerbouwgebied ten opzichte van andere akkerbouwgebieden laag scoort. De reden hiervan is dat dit gebied een met name 'zuiver' akkerbouwgebied is. De jaren 2011 en 2014 waren slechte jaren voor de akkerbouw, maar waren goede jaren voor de melkveehouderij. In meer gemengde gebieden hebben de inkomensfluctuaties in de akkerbouw en melkveehouderij elkaar opgevangen. Wens voor een nieuw pachtsysteem door grote schommelingen Opmerking verdient dat bij het vaststellen van de pachtnormen van vorig jaar hetzelfde proces omgekeerd plaatsvond, met als gevolg een stijging van maximale pachtprijzen in de meeste regio’s. Het gevolg hiervan is volgens de Nederlandse Vereniging van Rentmeesters (NVR) dat partijen niet weten waar zij aan toe zijn, waardoor de continuïteit en duurzaamheid in gevaar komen. Ook de Federatie Particulier Grondbezit (FPG) is niet blij met de grote schommelingen van de veranderpercentages. Beide partijen willen derhalve een nieuw pachtsysteem met meer stabiliteit. Wat betreft de ontwikkeling van dit nieuw pachtsysteem is nog geen nieuws te melden. U vindt de nieuwe pachtnormen hier. Meer informatie Wilt u meer informatie over dit onderwerp? Neem dan contact op met een van onze Food & Agri  advocaten. [post_title] => Nieuwe pachtnormen van kracht [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => nieuwe-pachtnormen-kracht [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-08-02 15:39:46 [post_modified_gmt] => 2017-08-02 13:39:46 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=13637/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [22] => WP_Post Object ( [ID] => 13320 [post_author] => 21 [post_date] => 2017-07-12 10:56:55 [post_date_gmt] => 2017-07-12 08:56:55 [post_content] => Het Europese Hof van Justitie heeft op 14 juni 2017 geoordeeld dat plantaardige producten niet verkocht mogen worden onder de namen van zuivelproducten. Deze namen zijn enkel voorbehouden aan producten waarvan 'melk' een ingrediënt is. Het hof oordeelde dat 'melk' een product is dat afkomstig is van de melkklieren van een dier. Hiermee sluit het Hof zuiver plantaardige producten uit van het gebruik van namen als 'melk', 'boter', 'room' en 'kaas'.  Sojamelk, tofuboter en vega-kaas zijn dus niet meer toegestaan. Het Hof kwam tot deze uitspraak nadat een Duitse rechter een prejudiciële vraag had gesteld. De Duitse rechter moest oordelen in een zaak waarin de benamingen van plantaardige producten ter discussie werden gesteld. Deze zaak was aangespannen tegen TofuTown, een promotor en distributeur van vegetarische en veganistische producten. TofuTown bracht zuiver plantaardige producten op de markt onder namen zoals de 'Soyatoo Tofubutter', 'Pflanzenkäse', 'Veggie-Cheese'. De Duitse vereniging Verband Sozialer Wettbewerb (SVB),  die onder andere als taak heeft om oneerlijke concurrentie te bestrijden, betwijfelde of de namen van deze producten waren toegestaan. Het Hof is van oordeel dat bij een ruime uitleg van het gebruik van zuivelproductnamen, verwarringsgevaar kan ontstaan bij de consument. Het wijzen op de plantaardige oorsprong op het etiket van een product, brengt hier geen verandering in. Vertrouwde namen als kokosmelk, cacaoboter en pindakaas zijn wel nog toegestaan. De benamingen van deze producten zijn door traditioneel gebruik voldoende duidelijk voor de consument of omschrijven enkel een kenmerkend ingrediënt van het product. Dergelijke benamingen zijn reeds uitgezonderd op een aparte lijst van de Europese Commissie. Meer informatie Wilt u meer informatie over dit onderwerp? Neem dan contact op met een van onze IE, IT, Media- & Reclamerecht advocaten.   [post_title] => Zonder 'melk' geen zuivel? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => zonder-melk-geen-zuivel [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-07-12 12:13:21 [post_modified_gmt] => 2017-07-12 10:13:21 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=13320/ [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [23] => WP_Post Object ( [ID] => 6218 [post_author] => 2 [post_date] => 2017-01-12 13:31:44 [post_date_gmt] => 2017-01-12 12:31:44 [post_content] => Begin december 2016 maakten het ministerie van Economische Zaken en het bedrijfsleven bekend ruim 40 miljoen euro beschikbaar te stellen voor innovatieve projecten en startups in de Food & Agri sector. Staatsecretaris Martijn van Dam heeft aangegeven dat Nederland in de toekomst koploper moet blijven in duurzaam geproduceerd voedsel en toonaangevend met kennis en innovatie in de land- en tuinbouw. Staatssecretaris Van Dam: “De Nederlandse landbouw staat internationaal bekend als innovatief en efficiënt. Met de toepassing van de nieuwste innovaties uit de hightech en ICT kunnen we die positie verder versterken. Dat draagt bij aan de wereldwijde opgave om genoeg eten te produceren op een duurzame manier, en biedt ook kansen voor onze export.” Het doel van de Staatssecretaris is voornamelijk jonge en kleine ondernemers te helpen om technologische en creatieve kennis om te zetten in toepasbare producten of diensten. Het ministerie van Economische Zaken stelt 12 miljoen euro beschikbaar in twee SEED Capital fondsen. Hieronder valt het Future Food Fonds voor ondernemers in de Agri-Horti-Food waarbij 24 investeerders zijn aangesloten. Bij het Shift Sheed Fonds zijn onder andere de Rabobank, Menzis, WNF, Topfonds Gelderland, Wageningen Business Generator en TU Delft aangesloten als investeerders. Door te investeren in deze fondsen zal de inleg van het Ministerie ten minste worden verdubbeld, wat uiteindelijk resulteert in 24 miljoen euro voor innovatieve start-ups in de Food & Agri sector. Daarnaast stelt Staatssecretaris van Dam nog eens 500.000 euro beschikbaar voor start-up accelerators. Start-ups krijgen hierbij hulp van bedrijven bij het schrijven van bedrijfsplannen en marketingconcepten om hiermee de innovatie te versnellen. Ook stellen zowel het Ministerie van Economische Zaken als het bedrijfsleven beiden 8 miljoen euro beschikbaar voor innovatieve publiek-private projecten die bedrijven uit de hightech en food & agri met elkaar verbinden. Er zijn acht projecten geselecteerd in de topsectoren Agri & Food, Tuinbouw & Uitgangsmaterialen en High Tech Systemen & Materialen. De projecten zijn zeer innovatief vanwege de automatisering en de technologische vooruitgang. Er wordt met name geïnvesteerd in het verzamelen van big data, robots en geavanceerde sensoren. Deze innovaties zijn vooral interessant omdat ze de concurrentie positie van Nederland verbeteren, de opbrengst van de productie verhogen en de milieubelasting beperken. Er wordt onder andere geïnvesteerd in de volgende projecten: Landbouwrobots Deze robots en autonome landbouwmachines kunnen 24/7 het land bewerken en zijn elektrisch aangedreven. Big-data voor veiliger voedsel Door gebruik te maken van big-data wordt er een waarschuwingssysteem voor bacteriën in vleesverwerking ontwikkeld. Slimme kasmaterialen Deze kasmaterialen passen zich automatisch aan aan het licht, klimaat en gewas in de kassen. Big-data in de koelversketen Door gebruik van big-data wordt de distributieketen voor gekoelde producten geoptimaliseerd. Informatie uit de plant Door gebruik te maken van nieuwe sensoren wordt big-data verzameld over planten. Deze informatie zal worden gebruikt bij het automatiseringsproces in de fruitteelt en ziektebestrijding. Klimaatbestendige kasconstructies Een high-tech rekenmodel zorgt ervoor dat met diverse klimaatomstandigheden rekening wordt gehouden bij het ontwerpen van een kasconstructie. Partende sensoren op akker en wei Sensoren gaan informatie verzamelen over de teelt van bijvoorbeeld aardappelen, granen, gras en mais. Deze informatie wordt vervolgens doorgegeven aan de landbouwmachines. Big data in pluimveevleesketen Deze data zorgt ervoor dat het dierenwelzijn wordt verhoogd, er minder antibiotica wordt gebruikt en een transparantere keten wordt gecreëerd. Meer informatie Heeft u nog vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met onze advocaten van de sectorgroep Food & Agri. Zij zijn u graag van dienst. 12 januari 2017 [post_title] => Ministerie van Economische Zaken en bedrijfsleven investeren ruim 40 miljoen in innovatie food & agri sector [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => ministerie-van-economische-zaken-en-bedrijfsleven-investeren-ruim-40-miljoen-in-innovatie-projecten-en-startups-in-de-food-agri-sector [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-03-27 10:34:45 [post_modified_gmt] => 2017-03-27 08:34:45 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=6218 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [24] => WP_Post Object ( [ID] => 6273 [post_author] => 2 [post_date] => 2017-01-12 13:43:10 [post_date_gmt] => 2017-01-12 12:43:10 [post_content] => Op 2 december 2016 heeft de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Inspectie SZW) het Jaarplan 2017 aan de Tweede Kamer aangeboden. Het Jaarplan bevat de uitgangspunten voor de uit te voeren inspecties in 2017. De inspectie inspecteert risicogericht: er wordt prioriteit gegeven aan inspecties op terreinen waar een verhoogd risico aanwezig is. Deze risicogroepen zijn in het Jaarplan nader gespecificeerd. Specifieke aandacht in het Jaarplan gaat uit naar deelbranches in de food & agri sector, namelijk de agrarische en groene sector en de certificering en productveiligheid. In de agrarische en groene sector zal de Inspectie in 2017 meer gaan toezien op veilig, gezond en eerlijk werk. Hierbij is de focus gericht op het verminderen van blootstelling aan fysieke overbelasting, blootstelling aan gevaarlijke stoffen en het veilig werken. De inspectie zal de deelsectoren agrarisch loonwerk en de paddenstoelenteelt inspecteren. Hierbij zal aandacht zijn voor de pluklorries in de paddenstoelenteelt en de landbouwwerktuigen bij de loonwerkbedrijven. Verder zal de Inspectie gaan toezien op de certificering en productveiligheid in bepaalde risicosectoren. De Inspectie is aangewezen om toezicht te houden op de naleving van Europese productrichtlijnen voor producten die voornamelijk in de professionele werkomgeving worden toegepast. Denk hierbij aan machines, de persoonlijke beschermingsmiddelen, liften, drukapparatuur, drukvaten en explosieveilig materieel. Een aantal van deze productrichtlijnen is van toepassing op deelbranches van de food & agri sector. In het Jaarplan is opgenomen dat er in 2017 meer aandacht zal worden besteed aan markttoezicht op productveiligheid en certificering. De Inspectie gaat ervan uit dat wanneer iemand een machine, gereedschap of persoonlijk beschermingsmiddel koopt, deze erop mag vertrouwen dat het product voldoet aan de Europese veiligheidseisen. Voor 2017 zijn er actieve interventies aangekondigd bij producenten, importeurs en distributeurs. De volgende producten zullen extra aandacht krijgen:
  • stalschermen
  • pluklorries
  • balenpersmachines
  • teeltwisselmachines
  • mobiele transporteurs
  • veiligheidsschoenen
  • bowlingmachines
  • vleesverwerkingsmachines
Wettelijke veiligheidseisen machines Op Europees niveau begint de wetgeving met gestelde eisen aan machines met de Richtlijn betreffende machines (Richtlijn nr. 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2006 betreffende machines en tot wijziging van Richtlijn 95/16/EG), aan te duiden als de Machinerichtlijn. In deze Richtlijn is opgenomen dat de Lidstaten de nodige maatregelen dienen te treffen om ervoor te zorgen dat machines en veiligheidscomponenten enkel in de handel worden gebracht als zij geen gevaar opleveren voor de veiligheid en gezondheid van personen. In Nederland is deze Richtlijn geïmplementeerd in de Warenwet en het Warenwetbesluit machines. Op basis van het Warenwetbesluit machines is de fabrikant verplicht ervoor zorg te dragen dat machines zodanig zijn ontworpen, samengesteld en vervaardigd, zodanige eigenschappen hebben en van zodanige vermeldingen zijn voorzien, dat zij geen gevaar opleveren voor de veiligheid of gezondheid van de mens. De machine dient te voldoen aan de essentiële veiligheids- en gezondheidseisen en dient noodzakelijke informatie te bevatten over het gebruik. De fabrikant dient tijdens het ontwerp de veiligheidseisen in acht te nemen en een risicobeoordeling te maken. Deze beoordeling wordt opgenomen in een technisch constructiedossier. Wanneer het product voldoet aan de gestelde eisen zal de producent een aangewezen keuringsinstantie inschakelen. Na een succesvolle keuring zal de CE-markering op het product worden aangebracht. Europees Markttoezicht Het toezicht van de Inspectie op de gestelde eisen aan productveiligheid vloeit voort uit Europese regelgeving. Er geldt een Europees toezichtkader voor markttoezicht op veilige producten (de Verordening 765/2008/EG en het Besluit 768/2008/EG). Lidstaten zijn op basis van deze regelgeving verplicht een programma voor handhaving en productwetgeving op te stellen en uit te voeren. Op basis van de bovengenoemde wetgeving mogen onveilige producten niet worden gebruikt en verhandeld. Als de Inspectie een product aantreft dat niet voldoet aan de gestelde eisen zal er worden opgetreden tegen de fabrikant, distributeur of importeur. De producenten, importeurs en distributeurs van bepaalde machines die worden gebruikt in de Food & Agri sector zullen in 2017 strenger worden gecontroleerd op productveiligheidseisen en zullen moeten voldoen aan de gelden veiligheidseisen uit het Warenwetbesluit. Meer informatie Heeft u nog vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met onze advocaten van de  sectorgroep Food & Agri. Zij zijn u graag van dienst.   [post_title] => Food & agri in Jaarplan 2017 Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => food-agri-genoemd-in-het-jaarplan-2017-van-de-inspectie-sociale-zaken-en-werkgelegenheid [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-01-16 14:26:13 [post_modified_gmt] => 2017-01-16 13:26:13 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=6273 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [25] => WP_Post Object ( [ID] => 6275 [post_author] => 2 [post_date] => 2017-01-12 13:57:14 [post_date_gmt] => 2017-01-12 12:57:14 [post_content] => Waar etenswaren worden verbouwd en verkocht is het van groot belang dat het transport van deze waren zorgvuldig gebeurt. Het distributienetwerk is een integraal onderdeel van de Food & Agri sector. Voor de wijze waarop organisaties het transport dienen in te richten zijn op nationaal- en Europees niveau diverse normen gesteld. Een van de organisaties die per branche normen ontwikkelt is het Nederlands Normalisatie-instituut (NEN). Diverse belanghebbenden binnen een specifieke bedrijfstak  maken vrijwillig diverse afspraken over een product, dienst of proces. De belanghebbende partijen vormen gezamenlijk de normcommissie, hierin wordt de norm ontwikkeld. NEN begeleidt de normcommissie en heeft daarin een adviserende en faciliterende rol. Het afgelopen jaar heeft de groep internationale belanghebbenden in de Landbouw en Levensmiddelen sector samengewerkt aan een nieuw document voor voedselveiligheid. Dit document is gepubliceerd op 4 januari 2017. Het document (NTA 8059) bevat de hygiëne-eisen in een basisvoorwaardenprogramma voor transport en opslag. Deze normen gelden als aanvulling op de reeds bestaande normen voor transport- en opslagpraktijken (FSSC 22000). Bedrijven die goederen transporteren of opslaan zijn verantwoordelijk voor deze processen en dienen de veiligheid van de producten te kunnen garanderen. Het basisvoorwaardenprogramma is bedoeld om te gebruiken voor het beheer van systemen die zijn ontworpen ter ondersteuning van de normen voor transport en opslag. Het bevat bepalingen omtrent faciliteiten, hygiëne, de uitvoering van het transport en de gebruikte uitrusting. De basisvoorwaarden zijn gratis beschikbaar op www.nen.nl. Meer informatie Heeft u nog vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met onze advocaten van de sectorgroep Food & Agri. Zij zijn u graag van dienst. 12 januari 2017 [post_title] => NTA normen voor voedselveiligheid in transport en opslag gepubliceerd [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => nta-normen-voor-voedselveiligheid-in-transport-en-opslag-gepubliceerd [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-01-16 14:16:37 [post_modified_gmt] => 2017-01-16 13:16:37 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=6275 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [26] => WP_Post Object ( [ID] => 6274 [post_author] => 2 [post_date] => 2017-01-12 13:52:07 [post_date_gmt] => 2017-01-12 12:52:07 [post_content] => Op 26 oktober 2016 heeft de Rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2016:8138) een uitspraak gewezen waarin een oordeel is gegeven over de onderzoeksplicht die rust op de koper bij de aankoop van bederfelijke waren. Feiten Green Food  is een vennootschap die zich bezighoudt met de verkoop van kwaliteitsgroenten en –fruit. Hillfresh importeert groenten, fruit en exoten ten behoeve van supermarkten en groothandels in Nederland en Europa. Tussen Green Food en Hillfresh is een overeenkomst gesloten tot koop en levering van (rode) druiven. Hillfresh heeft zich er toe verplicht aan Green Food tweeëntwintig pallets (rode) druiven te leveren. De druiven worden geleverd onder de leveringsconditie 'ex works' (dit wil zeggen: vanuit het bedrijfspand van Hillfresh aan Green Food). Green Food heeft op haar beurt de partij druiven doorverkocht aan een derde. Op het moment van aflevering van de druiven bij de afnemer van Green Food bleek dat de druiven in dusdanig slechte conditie verkeerden dat de afnemer weigerde tien van de tweeëntwintig pallets in ontvangst te nemen. Vordering Green Food Green Food stelt dat Hillfresh tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, nu de gekochte druiven van slechte kwaliteit waren en Green Food als gevolg hiervan schade leed. Verweer Hillfresh Hillfresh betwist de toerekenbare tekortkoming van de partij druiven. Als argument voert Hillfresh aan dat de partij druiven 'ex works' zijn afgeleverd. Wat er na het moment van aflevering met de druiven gebeurt, is voor rekening en risico van Green Food, aldus Hillfresh. Op Hillfresh rustte niet de verplichting het vervoer van de partijen te regelen. Kortom: Hillfresh stelt zich op het standpunt niet verantwoordelijk te zijn voor het vervoer van de geleverde vracht. Beoordeling Door de rechtbank wordt allereerst de term 'ex works' toegelicht. Gesteld wordt dat op basis van de toelichting op de Incoterms van de International Chamber of Commerce (ICC) volgt dat de leveringsconditie 'ex works' inhoudt dat de verkoper levert wanneer hij de goederen gereed voor transport ter beschikking stelt van de koper in het bedrijfspand van de verkoper of op een andere overeengekomen plaats (bijvoorbeeld werkplaats, fabriek of opslagplaats). De verkoper is niet verplicht het vervoer van de goederen vanaf zijn bedrijfspand te regelen, evenmin de goederen te laden in het voertuig waarmee de goederen door of ten behoeve van de koper worden opgehaald. Dit betekent dat voor aflevering van de goederen voldoende is dat de verkoper de goederen gereed voor transport aan de koper verschaft in zijn bedrijfspand. Bij het verlaten van het bedrijfspand van de verkoper gaat het risico van verlies of beschadiging van de gekochte goederen over op de koper. Partijen hebben dienovereenkomstig de leveringsconditie 'ex works' gehandeld. Green Food regelde immers het transport van de druiven naar zijn afnemer en Hillfresh behoefde enkel de waren gereed te maken in haar bedrijfspand. Green Food zou de waren daar afhalen en door transporteren. Op het moment van terbeschikkingstelling van de waren door Hillfresh gaat het risico voor verlies of beschadiging over naar Green Food. Dit zorgt ervoor dat de partij druiven op risico van Green Food is gereisd naar de afnemer. Uit een deskundigenrapport is gebleken dat de schade niet kan zijn ontstaan tijdens het transport, maar al voor inladen was ontstaan. De rechtbank stelt dat op Green Food als koper van bederfelijke goederen de verplichting rust de afgeleverde partij druiven behoorlijk te controleren. Nu Green Food heeft nagelaten de bederfelijke waren zorgvuldig te controleren, heeft Green Food daarmee het recht verloren om later nog over non-conformiteit wegens gebreken te klagen. Deze gevolgtrekking spoort met artikel 7:23 BW, aldus de rechtbank. Opmerking Op het moment dat bederfelijke worden gekocht, is het raadzaam stil te staan bij de voorwaarden waaronder de waren worden geleverd. Wanneer wordt overeengekomen de waren te leveren onder de leveringsconditie 'ex works', loopt de koper een groter risico op het moment dat de waren niet voldoen aan de gestelde eisen. Om te voorkomen dat de schade op een te laat moment wordt geconstateerd is het raadzaam de afgeleverde waren op het moment dat ze door de verkoper ter beschikking worden gesteld, zorgvuldig te controleren. Meer informatie Heeft u nog vragen over dit onderwerp? Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met onze advocaten van de sectorgroep Food & Agri. Zij zijn u graag van dienst. 12 januari 2017 [post_title] => Onderzoeksplicht bij koop bederfelijke waren [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => closed [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => onderzoeksplicht-bij-koop-bederfelijke-waren [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-01-16 14:12:43 [post_modified_gmt] => 2017-01-16 13:12:43 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://www.boelszanders.nl/?post_type=publication&p=6274 [menu_order] => 0 [post_type] => publication [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) )
< 12 >

Wij gebruiken cookies om u de beste online ervaring te bieden. Door akkoord te gaan, accepteert u het gebruik van cookies in overeenstemming met ons cookiebeleid.

Privacy Settings saved!
Privacy-instellingen

Wanneer u een website bezoekt, kan het informatie in uw browser opslaan of ophalen, meestal in de vorm van cookies. Beheer hier uw persoonlijke Cookie Services.

Deze cookies zijn nodig om de website te laten functioneren en kunnen niet worden uitgeschakeld in onze systemen.

In order to use this website we use the following technically required cookies
  • wordpress_test_cookie
  • wordpress_logged_in_
  • wordpress_sec

Omwille van de prestaties gebruiken we Cloudflare als een CDN-netwerk. Hiermee wordt een cookie "__cfduid" opgeslagen om beveiligingsinstellingen per client toe te passen. Deze cookie is strikt noodzakelijk voor de beveiligingsfuncties van Cloudflare en kan niet worden uitgeschakeld.
  • __cfduid

Geen toestemming
Wel toestemming