Skip to main content

Begin 2017 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een nieuwe jurisprudentielijn ingezet ten aanzien van woningensluitingen op grond van artikel 13b Opiumwet. De rechtbank oordeelde dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs in een woning een indicatie vormt dat deze drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Lange tijd was het echter onduidelijk of de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling”) deze ingezette lijn zou volgen. Met de uitspraak van 15 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:738) heeft de Afdeling de door de rechtbank ingezette lijn grotendeels bevestigd en ten dele zelfs aangescherpt.

Aanleiding
De politie heeft in een huurwoning in Tilburg een handelshoeveelheid cocaïne aangetroffen. Naar aanleiding van deze vondst heeft de burgemeester op grond van artikel 13b Opiumwet een last onder bestuursdwang opgelegd, te weten het sluiten van de woning voor de duur van drie maanden.

Cocaïne is opgenomen in bijlage I Opiumwet en wordt op grond daarvan gekwalificeerd als een harddrug. Dit betekent dat op grond van artikel 13b lid 1 Opiumwet het verkopen, afleveren of verstrekken hiervan in of bij woningen, lokalen of bijbehorende erven, kan leiden tot een woningsluiting. Drugs die enkel bestemd zijn voor eigen gebruik vallen niet onder deze bepaling. Een woningsluiting kan dan ook niet worden opgelegd.

De bewoner van de woning (hierna: “appellant”) heeft bezwaar gemaakt tegen dit handhavingsbesluit. Het bezwaar is door de burgemeester ongegrond verklaard. In beroep betoogt appellant onder meer dat de aangetroffen drugs voor eigen gebruik waren. De burgemeester mocht derhalve niet tot woningsluiting overgaan.

Nieuwe jurisprudentielijn rechtbank
In een eerdere blog hebben wij de uitspraak van de rechtbank reeds uiteengezet. Hieronder wordt derhalve alleen stilgestaan bij de belangrijkste overwegingen.

De rechtbank stelt voorop dat de burgemeester alleen op grond van artikel 13b Opiumwet een woning mag sluiten als uit de feiten volgt dat aannemelijk is dat in woningen of lokalen drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt. De enkele aanwezigheid van een hoeveelheid drugs kan hiervoor in beginsel voldoende indicatie opleveren, mits de aangetroffen hoeveelheid dusdanig groot is dat eigen gebruik vrijwel is uitgesloten. In dat geval hoeft de burgemeester evenmin aanvullende feiten en omstandigheden aan te dragen waaruit blijkt dat de drugs niet voor eigen gebruik bestemd zijn. Met andere woorden: het is aan de rechthebbende, veelal de bewoner, om dan het tegendeel aannemelijk te maken.

Van dit uitgangspunt moet worden afgeweken bij een geringe overschrijding van de handelshoeveelheid. De burgemeester zal dan aanvullende feiten en omstandigheden moeten aandragen voordat tot het opleggen van een last mag worden overgegaan. Bijkomende omstandigheden zijn volgens de rechtbank dan noodzakelijk om een woningsluiting te rechtvaardigen.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de handelshoeveelheid aansluiting gezocht bij de “Beleidsregels Artikel 13b Opiumwet in de B5-gemeenten” (hierna: “de Beleidsregels”). Op grond van de Beleidsregels wordt als handelshoeveelheid aangemerkt een voorraad van 0,5 gram harddrugs (of vijf gram softdrugs). Een eerste overtreding resulteert in een sluiting van drie maanden; bij een tweede overtreding volgt een sluiting voor zes maanden en bij een derde overtreding een sluiting voor onbepaalde tijd. Indien meer dan 1000 gram of 2000 pillen worden aangetroffen, dan kan onmiddellijk tot een sluiting van zes maanden worden overgegaan.

Appellant heeft onvoldoende aannemelijk kunnen maken dat de aangetroffen drugs voor eigen gebruik zijn bestemd. De rechtbank oordeelt dan ook dat de burgemeester de woning mocht sluiten.

Beoordeling door de Afdeling
Tegen deze uitspraak zijn zowel appellant als de burgemeester in hoger beroep gegaan. Appellant betoogt dat de burgemeester niet bevoegd was over te gaan tot sluiting van de woning op grond van artikel 13b Opiumwet, nu er onvoldoende aanwijzingen voor drugshandel waren. Ook had de toepassing van de Beleidsregels volgens appellant achterwege moeten blijven en heeft de burgemeester een inconsistent handhavingsbeleid gevoerd. De burgemeester betoogt daarentegen dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid wel voldoende grond oplevert voor het opleggen van een last onder bestuursdwang. Volgens hem is een duidelijke grens nodig en zijn de belangen van drugsgebruikers bij eigen gebruik voldoende gewaarborgd. De nieuwe jurisprudentielijn ondermijnt op dit punt effectief optreden tegen drugsoverlast en stelt het bevoegde gezag voor een onmogelijke bewijsopgave, aldus de burgemeester.

De Afdeling stelt voorop dat artikel 13b Opiumwet alleen van toepassing is indien de aangetroffen drugs niet (louter) voor eigen gebruik zijn bestemd. Er moet sprake zijn van een dusdanige hoeveelheid drugs dat deze drugs kennelijk bestemd zijn om te verhandelen. Bij het bepalen van deze handelshoeveelheid dient te worden uitgegaan van een hoeveelheid van 0,5 gram voor harddrugs. In dat geval is het aan de bewoner om aannemelijk te maken dat de drugs wel voor eigen gebruik bestemd zijn. De Afdeling erkent dat dit een arbitraire grens is, maar acht aansluiting vanuit het oogpunt van rechtszekerheid en hanteerbaarheid niet onredelijk.

Vervolgens rijst de vraag of een geringe overschrijding van de handelshoeveelheidsgrens verandering brengt in dit uitgangspunt. In tegenstelling tot de rechtbank oordeelt de Afdeling dat ook bij een dergelijke overschrijding de aangetroffen drugs in beginsel niet voor eigen gebruik zijn bestemd. Bij een geringe overschrijding zijn dus evenmin bijkomende omstandigheden nodig die een sluiting rechtvaardigen. De Afdeling is van mening dat er geen noodzaak bestaat om de jurisprudentie op dit punt aan te passen. Bovendien is het voor een bewoner ook bij een geringe overschrijding mogelijk om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien de bewoner hierin slaagt, dan zal alsnog afgezien moeten worden van het opleggen van de last onder bestuursdwang.

De Afdeling volgt daarmee het betoog van de burgemeester. Wat betreft het betoog van appellant stelt de Afdeling dat diens enkele bewering onvoldoende is om aannemelijk te maken dat er geen sprake was van drugshandel. Ten aanzien van het al dan niet toepassen van de Beleidsregels oordeelt de Afdeling dat de burgemeester alle omstandigheden van het geval dient te betrekken in zijn beoordeling. Vervolgens moet worden gekeken of deze omstandigheden een of meerdere bijzondere omstandigheden ex artikel 4:84 Awb opleveren op grond waarvan van de Beleidsregels kan worden afgeweken. Hoewel een woningsluiting met ingrijpende gevolgen gepaard kan gaan, was de maatregel in dit geval niet onevenredig. De Afdeling baseert dit standpunt op de hoeveelheid aangetroffen drugs en diverse bijkomende omstandigheden die de burgemeester aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd.

Al met al wordt het hoger beroep van de burgemeester gegrond verklaard en het hoger beroep van appellant ongegrond. De uitspraak wordt bevestigd en diens gronden deels aangevuld.

Conclusie
Met deze uitspraak bevestigt de Afdeling dat het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs in beginsel voldoende kan zijn voor het sluiten van een woning. De Afdeling scherpt bovendien de uitspraak van de rechtbank aan door te bepalen dat ook bij een geringe overschrijding in beginsel geen bijkomende omstandigheden nodig zijn om een sluiting te rechtvaardigen. Wel blijft er voor de bewoner de mogelijkheid bestaan om tegenbewijs te leveren. Hiermee schept de Afdeling voor burgemeesters een duidelijk en uniform toetsingskader dat goed aansluit bij de reeds bestaande praktijk.

Meer informatie
Wilt u meer informatie over dit onderwerp of heeft u vragen, neem dan contact op met Nina Rijsterborgh. U kunt uiteraard ook contact opnemen met één van de andere advocaten van ons team Bestuursrecht.

April 2018