Bij medische en/of psychologische behandeling (ggz) heeft iedere cliënt een eigen dossier. Dit is ook het geval als méér gezinsleden in de praktijk van één en dezelfde zorgaanbieder staan ingeschreven. Er bestaat over en weer, voor de gezinsleden onderling, geen recht op inzage of afschrift van dossiers die niet hun eigen behandeling betreffen. Een uitzondering geldt voor ouders of voogden van cliënten jonger dan 16 jaar. Zij mogen, tenzij goed hulpverlenerschap zich daartegen verzet, wel het dossier van hun kinderen inzien en daarvan een afschrift ontvangen.

De vraag rijst hoe de dossiervorming moet plaatsvinden als cliënten samen in behandeling zijn, bij dezelfde zorgverlener. In dat geval kan ook kan de vraag opkomen welke rechten cliënten dan hebben met betrekking tot het dossier. Heeft elk van hen een recht op inzage in de gegevens die over de behandeling zijn vastgelegd en mag ook ieder, op zijn of haar verzoek, een afschrift verkrijgen? Discussies en conflicten over dit onderwerp komen in de praktijk regelmatig voor en kunnen zowel financieel als, vooral ook, emotioneel uitmonden in belastende procedures. Een situatie waarin sprake is van een gezamenlijke behandeling van cliënten is die waarin (partner)relatietherapie plaatsvindt, bijvoorbeeld omdat er huwelijks- of andere relatieproblemen zijn.

In twee tuchtrechtelijke uitspraken, één van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) uit januari 2018 (ECLI:NL:TGZCTG:2018:29) en één van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) Amsterdam uit maart 2019 (ECLI:NL:TGZRAMS:2019:40), wordt meer duidelijkheid gegeven over de rechten en plichten met betrekking tot het dossier in geval van relatietherapie.

In de door het CTG beoordeelde casus was sprake van gedeelde dossiervoering: de zorgverlener (psychotherapeut) had tijdens de partnerrelatietherapie één dossier bijgehouden. Eén van de beide cliënten, de vrouw, was ook nog individueel bij de zorgverlener in behandeling. In het gemeenschappelijke dossier waren door de zorgverlener ook de op deze individuele behandelrelatie betrekking hebbende gegevens opgenomen. De vrouw diende een klacht tegen de zorgverlener in, onder andere omdat de zorgverlener haar geen kopieën van het dossier had willen geven voor zover het de verslaglegging van de gezamenlijk gevolgde therapie betrof.

Het CTG overwoog dat er geen vaste regels zijn voor de omvang en de inrichting van een dossier in het kader van relatietherapie. De zorgverlener kan daarin een eigen beleid bepalen. Er bestaat geen verplichting om per cliënt een apart dossier bij te houden. Met betrekking tot het recht op inzage en afschrift stelde het CTG vast dat de wet geen regel bevat die, specifiek, betrekking heeft op de situatie waarin sprake is van een gemeenschappelijk (partner)dossier. In de wet is echter wél de regel opgenomen dat verstrekking van een afschrift van een dossier achterwege blijft voor zover dat noodzakelijk is voor de bescherming van de privacy van een ander. Hieruit leidde het CTG af dat er geen recht bestaat – in dit geval van de vrouw – op een afschrift van gegevens die zijn opgenomen in een gemeenschappelijk deel van een dossier. Voor de verstrekking van die gegevens is de toestemming van de andere betrokkene nodig, in dit geval dus van de man.

De beslissing van het RTG Amsterdam betreft een door een zorgverlener (psychiater) verleende partnerrelatietherapie die werd afgerond toen de beide partners besloten van elkaar te gaan scheiden. De man, degene die later de tuchtrechtelijke procedure startte, had zich in de periode van echtscheiding weer tot deze zorgverlener gewend voor behandeling. Zijn ex-echtgenote onderging in die periode ook individuele therapie van betrokkene. Bij die behandeling was, als medebehandelaar, ook een maatschappelijk werker betrokken. De zorgverlener had informatie over de man in het (individuele) dossier van de vrouw opgenomen. Daardoor was het voor de maatschappelijk werker mogelijk geworden om van die informatie kennis te nemen. Via een medewerker van Veilig Thuis en Bureau Jeugdzorg, dat bij het gezin van de (ex-)echtgenoten betrokken was geraakt, was de man te weten gekomen dat de maatschappelijk werker vertrouwelijke informatie over hem aan Veilig Thuis en Bureau Jeugdzorg had verstrekt. De klacht van de man hield in dat de zorgverlener hem ‘solo’ in behandeling had genomen, terwijl zij hem en zijn ex-echtgenote eerder samen had begeleid in het kader van de relatietherapie. Daarnaast was het verwijt dat de zorgverlener (in dezelfde periode) tevens de ex-echtgenote ‘solo’ als cliënt had aangenomen, dat zij diagnostische informatie over klager in het dossier van zijn ex-echtgenote had gezet en omgekeerd (informatie over de ex-echtgenote in het dossier van klager) en dat via de maatschappelijk werker privacygevoelige informatie met Veilig Thuis en Bureau Jeugdzorg was gedeeld.

Het RTG oordeelde dat de Beroepscode voor Psychiaters niet verbiedt dat na een relatietherapie de beide (ex-)partners individueel in behandeling gaan/blijven. Het tuchtcollege acht dit echter niet verstandig. Bij voorkeur dient geen meervoudige rol te worden aangenomen, zij het dat de zorgverlener op basis van weloverwogen argumenten tot een andere afweging kan komen. In het onderhavige geval achtte het tuchtcollege de onderbouwing van de zorgverlener onvoldoende; de meerwaarde van de systeemtherapie en de individuele behandelingen, afgezet tegen de risico’s, was niet duidelijk geworden. De zorgverlener had onvoldoende professionele afstand gehouden. Zij had haar beslissing om tot individuele behandeling van de beide cliënten over te gaan ook niet (intern) laten toetsen. Het RTG refereerde daarbij aan de Beroepscode, die tot uitdrukking brengt dat de zorgverlener (psychiater) zich bewust moet zijn van de moeilijkheden die uit het vervullen van verschillende professionele rollen kunnen ontstaan. Het ontstaan van meervoudige rollen dient volgens de Beroepscode – dan ook – bij voorkeur te worden vermijden.

Met betrekking tot de dossiervorming laat de uitspraak zien dat het niet juist is om diagnostische informatie over de ene cliënt (ex-partner) op te nemen in het dossier van de andere cliënt (ex-partner). Dat informatie over de man via de maatschappelijk werker bij Bureau Jeugdzorg en Veilig Thuis terecht was gekomen, werd de zorgverlener níet tuchtrechtelijk verweten. Dat zij als (regie)behandelaar onvoldoende de regie had gevoerd, kon in het onderhavige geval niet uit het enkele feit van de privacyschending worden afgeleid.

De beide uitspraken illustreren bij relatietherapie extra weloverwogen te werk moet worden gegaan, zowel bij de vraag of na afloop van deze therapie tot individuele behandeling van de ex-partner(s) kan worden overgegaan als bij de vraag hoe het dossier, respectievelijk de dossiers moet(en) worden ingericht. Er dienen geen gegevens die betrekking hebben op de behandeling van de ene partner in het dossier van de andere partner te worden opgenomen.

Hoewel dat bij het CTG indertijd kennelijk geen punt van discussie was, was ook de inrichting van het dossier in díe casus niet optimaal. Het verdient namelijk geen aanbeveling om gegevens over de individuele behandeling van één van de beide partners op te nemen in hetzelfde dossier als dat waarin de (tegelijkertijd plaatsvindende) relatietherapie wordt gedocumenteerd, ook al worden de verschillende onderdelen van het dossier van elkaar gescheiden gehouden. De kans op privacyschending, al dan niet in het kader van verzoeken van één van de partners of van hen beiden tot inzage of afschrift, is dan groot. Iedere individuele behandelrelatie verdient een afzonderlijk dossier, alléén aan relatietherapie is inherent dat in de regel een gezamenlijk dossier wordt bijgehouden.

Meer informatie?

Neem dan contact op met team Zorg. Zij zijn u graag van dienst.

Mei 2019

Leave a Reply