Op 22 april 2021 oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) dat Kroatië onvoldoende heeft gedaan om een leerling (hierna: klager) tegen beledigingen van zijn docent te beschermen, waardoor artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is geschonden.(EHRM 22 april 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0422JUD002955513).

 

De kwestie

Op 19 september 2011 kwam klager samen met andere leerlingen te laat aan bij de wiskundeles. Toen ze binnenkwamen begon de docent te schreeuwen en noemde hij klager onder meer een idioot, stommeling, domkop en boer. De klager meldde dit incident bij de directeur, maar hij werd hierna nog tweemaal uitgescholden voor idioot door de docent. Klager heeft in verband daarmee een psychologische behandeling ondergaan en is gediagnosticeerd met PTSS en een angststoornis. De vader van klager meldde de incidenten bij het bestuur van de school, de kinderombudsman, de onderwijsinspectie, de politie en de officier van justitie en vroeg om bescherming van zijn zoon.

De schoolpsycholoog sprak met de docent en klager en een onderwijsagentschap onderzocht het conflict. De docent kreeg een reprimande van de schoolpsycholoog, maar verder waren er geen consequenties voor hem. Ook het bevoegd ministerie heeft geen actie ondernomen. Uiteindelijk wendt klager zich tot het EHRM. Hij stelt dat artikel 3, 8 en 13 EVRM zijn geschonden en eist onder meer EUR 15.000,- aan immateriële schade.

 

Artikel 8 EVRM: recht op privéleven

Artikel 8 EVRM omvat het recht op privéleven. Het EHRM benadrukt in deze uitspraak dat het recht op privéleven een breed begrip is en zich niet leent voor een uitputtende definitie. Het betreft de lichamelijke en psychische integriteit, maar heeft ook betrekking op welzijn, waardigheid, persoonlijke ontwikkeling en relaties ten opzichte van anderen.

Om te kunnen spreken van een inbreuk op het recht op privéleven, moet de inbreuk een zekere mate van ernst hebben op het effectieve genot van iemands privéleven. Bij deze beoordeling kan het bijvoorbeeld een rol spelen dat het slachtoffer minderjarig is of onderdeel is van een kwetsbare groep.

 

Beledigingen docent  vallen binnen reikwijdte artikel 8 EVRM

Anders dan de Kroatische overheid, oordeelt het EHRM dat artikel 8 EVRM in deze zaak van toepassing is. De beledigingen van de docent hebben gezorgd voor een emotionele verstoring bij klager en dit heeft invloed gehad op zijn welzijn, waardigheid en integriteit, aldus het EHRM. Het EHRM acht het daarbij van belang dat deze beledigingen plaatsvonden door een docent in een machtspositie en in een klaslokaal met andere leerlingen, en klager daardoor ten aanzien van zijn klasgenoten werd vernederd.

Het EHRM merkt op dat er in de loop van de tijd een evolutie is geweest waar het gaat om de sociale attitude met betrekking tot het disciplineren van leerlingen, waarbij wordt aangenomen dat leerlingen moeten worden behoed voor geweld en misbruik. De eerste belediging kan gezien worden als disciplineren, maar de andere twee incidenten zijn niets anders dan verbaal geweld. Het EHRM erkent dat er geen sprake is van systematische intimidatie, maar de docent had als leraar moeten inzien dat beledigingen een groot effect kunnen hebben op leerlingen en dat verbaal geweld van milde aard tegen leerlingen niet acceptabel is.

 

Schending artikel 8 door de overheid

Artikel 8 EVRM beschermt burgers van oudsher tegen een inbreuk door de overheid op hun privéleven. Dit is de zogeheten negatieve verplichting. Het EHRM leest sinds tientallen jaren in hun bepalingen ook een positieve verplichting. Staten hebben een positieve verplichting om burgers te beschermen tegen een inbreuk door andere burgers op hun privéleven.

Klager stelt dat de Kroatische overheid onvoldoende zorgvuldig heeft gereageerd op de aantijgingen over intimidatie op school en deze positieve verplichting dus onvoldoende heeft vervuld. Het EHRM overweegt dat de school geen actie ondernam toen klager het eerste incident meldde. De school ondernam pas actie toen de vader brieven stuurde naar de school en overheidsinstanties. Hierna werd alleen gepoogd om de leerling en docent te verzoenen. Er waren geen consequenties voor de leraar.

Het EHRM oordeelt dat de verschillende instanties tekort zijn geschoten door alleen verzoeningsgesprekken te organiseren. De instanties hadden moeten inzien dat de docent aangesproken had moeten worden op zijn verbaal geweld tegen klager en anderen. Daarnaast reageerden de instanties niet op de wens om klager in een andere klas of bij een andere leraar te plaatsen. De reactie van de overheid voldeed daarmee niet aan de vereisten van artikel 8 EVRM. Het EHRM beslist dat Kroatië klager EUR 7.500,- moet betalen aan immateriële schade.

 

Dissenting opinions

Het oordeel van het EHRM was niet unaniem. Vier rechters stemden vóór, drie tegen. Rechters Wojtyczek, Paczolay en Ktistakis stemden tegen. Wojtyczek en Paczolay oordeelden dat er geen sprake was van intensief verbaal geweld. Er is volgens deze rechters geen bewijs dat de beledigingen een langetermijneffect hebben gehad op de ontwikkeling en het welzijn van klager.

Daarnaast betwijfelen zij dat er sprake is van een causaal verband tussen de beledigingen en de angststoornis en PTSS. In hun optiek is er dus geen sprake van een schending van artikel 8 EVRM. Rechter Ktistakis is het met zijn twee collega’s eens en vult aan dat klager bijna volwassen was. Dat klager minderjarig was had dus geen rol mogen spelen. Deze ‘dissenting opinions’ laten zien dat een sommige rechters een ander oordeel hadden over deze zaak.

Deze uitspraak toont aan dat het voor onderwijsinstellingen en de overheid van groot belang is om adequaat op te treden tegen verbaal geweld van een docent tegen een leerling.

Meer informatie

Heeft u hierover vragen of wilt u meer informatie? Dan kunt u daarover contact opnemen met de advocaten van team Onderwijs.

 

Juni 2021