Skip to main content

In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘Afdeling’) van 7 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3609) staat de stalderingsregeling van de provincie Noord-Brabant ter discussie. Sinds 2017 stelt de provincie Noord-Brabant extra voorwaarden aan een ontwikkeling van een veehouderij. Wanneer een veehouderij wil uitbreiden, dan moeten er op een andere plek stallen verdwijnen. De Afdeling heeft het salderen rechtmatig geacht.

Volgens appellante deugt de stalderingsregeling niet. In de planregels zijn (nieuwe) beperkingen opgenomen voor uitbreiding van een intensieve veehouderij waarmee zij zich niet kan verenigen.

AVV

De stalderingsregeling is een algemeen verbindend voorschrift (artikel 26.1 van de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant (hierna: ‘Verordening‘)). Hiertegen is geen beroep mogelijk, maar deze bepaling kan wel via de exceptieve toetsing in deze zaak over een bestemmingsplan door de bestuursrechter worden beoordeeld.

Ruimtelijk belang

Volgens appellante is de stalderingsregeling niet noodzakelijk met het oog op een goede ruimtelijke ordening als bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Zo ontbreekt een causaal verband tussen een planontwikkeling enerzijds en de in de stalderingsregeling vereiste sloop of herbestemming van een bestaande stal anderzijds, omdat de sloop of herbestemming op een geheel andere locatie mag plaatsvinden dan de planontwikkeling. Er ligt dus geen ruimtelijk belang ten grondslag aan de stalderingsregeling.

De Afdeling overweegt dat in een provinciale verordening regels mogen worden gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen als provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. Daarbij kan worden bepaald dat een regel slechts geldt voor een daarbij aangegeven gedeelte van het grondgebied van de provincie.

In de toelichting bij de stalderingsregeling in de Verordening is aangegeven waarom die regeling noodzakelijk is, namelijk vanwege het tegengaan van verdere regionale concentratie en het tegengaan van leegstand van stallen. De intensieve veehouderij veroorzaakt overlast voor zowel mens als natuur door de uitstoot van geur, fijnstof, geeft risico’s voor de volksgezondheid, levert gevaarlijke situaties op door het zware vrachtverkeer en geeft visuele hinder. Door een toenemende regionale concentratie van vee nemen ook deze negatieve effecten toe. Voorts zijn er al veel leegstaande stallen. Kansen en mogelijkheden voor hergebruik zijn daarbij beperkt.

De stalderingsregeling dient dus wel een ruimtelijk belang. Voorts is er wel een ruimtelijk verband tussen een voorgenomen ontwikkeling en de vereiste sanering, omdat beide activiteiten volgens artikel 26.1 van de Verordening in hetzelfde stalderingsgebied moeten plaatsvinden, waardoor de oppervlakte van bestaande stallen in dit gebied per saldo niet verder toeneemt.

Noodzaak

Daarnaast is volgens appellante ook de noodzaak van de stalderingsregeling niet onderbouwd, omdat de bestaande sectorale regelgeving voor de intensieve veehouderij afdoende is en staldering daar niets aan toevoegt.

Voorafgaand aan de vaststelling van de stalderingsregeling heeft de provincie onderzoek laten doen naar het doelbereik en de effecten van de regeling, afgezet tegen de economische ontwikkeling. Hieruit blijkt dat het proces van een verlaging van de impact van de veehouderij op de omgeving wordt versneld door meer stallen op te heffen dan erbij komen. Eén van de voorwaarden van de stalderingsregeling is namelijk dat de oppervlakte van de sanering tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen. Zo zal de oppervlakte van bestaande stallen steeds enigszins afnemen. Dus de noodzaak van de stalderingsregeling is voldoende onderbouwd.

Onevenredig bezwarend

Voorts betoogt appellante dat de stalderingsregeling onevenredig bezwarend is, omdat deze een zware financiële wissel trekt op de door haar beoogde ontwikkeling en deze regeling veehouderijen in Noord-Brabant zonder noodzaak bedrijfseconomisch op achterstand zet ten opzichte van andere veehouderijen.

Uit onderzoek van de provincie blijkt dat de kosten voor staldering niet onevenredig zijn in vergelijking met de totale investeringskosten die met de ontwikkeling van stallen zijn gemoeid. Verder wijst de provincie op het groot maatschappelijk belang dat gediend wordt met de stalderingsregeling in de specifieke overbelaste gebieden, welk belang zwaarder weegt dan de extra investering die de ondernemer moet doen. Het is niet onredelijk om bij ontwikkelingen waarvan de opbrengsten ten goede komen aan initiatiefnemers vanuit het algemeen belang een tegenprestatie te vragen die optredende negatieve effecten opheft of beperkt. Volgens de Afdeling is de stalderingsregeling dan ook niet onevenredig bezwarend.

Verder heeft appellante haar stelling dat geen stalderingsmeters beschikbaar zijn niet nader onderbouwd volgens de Afdeling. Uit het provinciale onderzoek blijkt dat in ieder geval vanaf 2020, wanneer de tijdelijke regeling in het Besluit Huisvesting Veehouderij eindigt, voldoende stalderingsmeters beschikbaar zullen zijn.

Stalderingsbewijs als voorwaardelijke verplichting in omgevingsvergunning

Subsidiair stelt appellante voorde stalderingsregeling te koppelen als voorwaardelijke verplichting aan een omgevingsvergunning voor bouwen. Volgens appellante biedt de stalderingsregeling daarvoor de mogelijkheid. Maar volgens de Afdeling biedt de stalderingsregeling hiervoor geen ruimte. Dit komt ook overeen met de Beleidsregel staldering Noord-Brabant.

Tot slot verwacht appellante financieringsproblemen met deze stalderingsregels voordat er een besluit op zijn aanvraag is genomen. De stalderingseis die nu in het bestreden bestemmingsplan is opgenomen, belemmert daardoor iedere ontwikkeling. Echter, de vermeende financieringsproblemen zijn volgens de Afdeling niet aannemelijk gemaakt.

Dus de stalderingsregeling uit de Verordening Ruimte blijft overeind.

Meer informatie
Wilt u meer informatie over dit onderwerp of heeft u vragen, neem dan contact op met één van de advocaten van ons team Bestuursrecht.