Skip to main content

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:984 (Rabobank/Ten Berge q.q.) geoordeeld dat een onoverdraagbaarheidsbeding met goederenrechtelijke werking naast onoverdraagbaarheid, ook leidt tot onverpandbaarheid.

In deze blog wordt dit oordeel van de Hoge Raad behandeld en wordt ingegaan op de achtergrond van het geschil, het verloop van de procedure en de gevolgen voor de (financierings)praktijk.

Achtergrond geschil

Het geschil dat aan dit oordeel ten grondslag ligt, begint bij het faillissement van een vennootschap onder firma (de VOF) en zijn vennoten. De VOF is lid van een coöperatie (de Coöperatie), welke Coöperatie mede wordt gefinancierd door haar leden in de vorm van een ledenlening en een participatiereserve. De statuten van de Coöperatie bevatten een regeling voor rechtsopvolging van de ledenlening en de participatiereserve en bepalen dat buiten deze regeling, de participatiereserve niet vatbaar is voor overdracht of overgang.

De bank die de VOF en zijn vennoten heeft gefinancierd, heeft ter zekerheid van de financiering een pandrecht verkregen op al hun huidige en toekomstige vorderingen. Op enig moment gaat de bank over tot mededeling van het pandrecht aan de Coöperatie en maakt de bank aanspraak op de ledenlening en de participatiereserve. Anders dan de bank is de curator van oordeel dat er door het onoverdraagbaarheidsbeding in de statuten van de Coöperatie geen verpanding heeft plaatsgevonden en stapt naar de rechter.

Verloop procedure

In eerste instantie oordeelt de rechtbank dat de ledenlening wel verpandbaar is, maar dat de participatiereserve onverpandbaar is. In hoger beroep bekrachtigt het hof het vonnis van de rechtbank, maar overweegt – anders dan de rechtbank – dat een onoverdraagbaarheidsbeding met goederenrechtelijke werking, niet automatisch leidt tot onverpandbaarheid.

Tegen het oordeel van het hof stelt de curator incidenteel beroep in en stelt zich op het standpunt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat een onoverdraagbaarheidsbeding met goederenrechtelijke werking niet automatisch leidt tot onverpandbaarheid.

De Hoge Raad gaat mee in dit standpunt van de curator en overweegt met een verwijzing naar het arrest Coface/Intergamma en artikel 3:228 BW dat alleen op overdraagbare goederen een pandrecht kan worden gevestigd. Indien de overdraagbaarheid van een vordering goederenrechtelijk is uitgesloten, zoals het geval is ten aanzien van de participatiereserve, kan er dus ook geen verpanding van die vordering plaatsvinden.

Gevolgen voor de praktijk

Het oordeel van de Hoge Raad borduurt verder op het arrest Coface/Intergamma, waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de verbintenisrechtelijke uitleg van een onoverdraagbaarheidsbeding voorop staat, tenzij uitdrukkelijk is bepaald dat goederenrechtelijke werking is beoogd.

Het strekt echter verder dan het arrest Coface/Intergamma, doordat wordt geoordeeld dat een onoverdraagbaarheidsbeding met goederenrechtelijke werking niet alleen leidt tot onoverdraagbaarheid, maar ook tot onverpandbaarheid van de vordering.

Dit heeft belangrijke gevolgen voor de financieringspraktijk. Zoals deze casus illustreert, vist een bank achter het net bij de verpanding van vorderingen, indien in de verhouding tussen de schuldenaar en derden gebruik is gemaakt van een onoverdraagbaarheidsbeding met goederenrechtelijke werking. Geldverstrekkers die een onderneming willen financieren met de debiteurenportefeuille als onderpand, doen er daarom verstandig aan om vooraf onderzoek te doen naar de contractuele voorwaarden van de geldnemer met haar belangrijkste debiteuren. Geldnemers hebben er op hun beurt vanwege de financierbaarheid van hun onderneming belang bij om bij het contracteren kritisch na te denken over nut en noodzaak van een onoverdraagbaarheidsbeding.

Mogelijk kan het wetsvoorstel opheffing verpandingsverboden hier in de toekomst nog verandering in brengen. Dit wetsvoorstel heeft namelijk tot doel bepaalde contractuele verboden en beperkingen van de overdracht of verpanding van geldvorderingen op naam, indien verkregen in de uitoefening van beroep of bedrijf, op te heffen. Het wetsvoorstel is op moment van schrijven in behandeling bij de Tweede Kamer. Als het wetsvoorstel in werking treedt en een onoverdraagbaarheidsbeding met of zonder goederenrechtelijke werking onder de strekking ervan valt, is het beding nietig en kan verpanding toch plaatsvinden.

Heeft u vragen of wilt u meer informatie?
Neem dan contact op met Michiel Peeters of een van onze andere leden van het team Insolventie & Herstructurering van Boels Zanders Advocaten.