Skip to main content

Dat oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vorige week naar aanleiding van het hoger beroep dat door het bevoegd gezag van het Cornelius Haga Lyceum was ingediend. In 2019 droeg toenmalig minister van onderwijs Arie Slob het bestuur van de islamitische middelbare school op te vertrekken na een kritisch rapport van de Inspectie van het Onderwijs.

In een conceptrapport van oktober 2018 is de Inspectie van het onderwijs (Inspectie) nog overwegend positief over de school, die valt onder het bevoegd gezag van de Stichting Islamitisch Onderwijs (hierna: SIO), en haar bestuur. Op signalen van de AIVD besluit de Inspectie tot nader onderzoek wat leidt tot het eindrapport van 29 mei 2019 waarin de Inspectie geen vertrouwen meer blijkt te hebben dat het huidige bestuur de herstelopdrachten zal voltooien. Enkele tekortkomingen die in het conceptrapport nog enkel tot aanbevelingen leidden, rechtvaardigen volgens de Inspectie thans de conclusie van ongerechtvaardigde verrijking door het bestuur en financieel wanbeheer.

Wanbeheer

Bij besluit van 16 september 2019 heeft de minister zich naar aanleiding van het Inspectierapport op het standpunt gesteld dat het bevoegd gezag van het Haga Lyceum zodanig ernstig bestuurlijk is tekortgeschoten dat er sprake is van wanbeheer in de zin van artikel 103g van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: Wvo). Volgens de minister is er sprake van structureel onrechtmatig handelen, ongerechtvaardigde verrijking en financieel wanbeleid als bedoeld in de Wvo. De minister geeft daarop aan het bevoegd gezag de aanwijzing dat het gehele bestuur zijnde de directeur-bestuurder en het algemeen bestuur, dient te worden vervangen.

SIO heeft het besluit van de minister aangevochten bij de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat er weliswaar sprake is van wanbeheer, maar dat de minister niet bevoegd was om een aanwijzing te geven. Naar het oordeel van de rechtbank staat de aanwijzing, gericht op het doen vervangen van het gehele bestuur, namelijk niet in verhouding tot het wanbeheer. De rechtbank vernietigt bij uitspraak van 20 januari 2020 het besluit van de minister.

Hoger beroep

Desondanks gaat SIO in hoger beroep, zij wil ook het oordeel van tafel dat er sprake is van wanbeheer. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste bestuursrechter in Nederland (hierna: RvS), oordeelt nu dat hoewel er door SIO fouten zijn gemaakt, er geen sprake is van wanbeheer.

Aan de directeur-bestuurder is door SIO een bedrag van bijna EUR 25.000,- betaald uit de reguliere Rijksbekostiging ten behoeve van het Haga Lyceum voor het jaar 2017. SIO heeft toegelicht dat dit bedrag grotendeels betrekking had op uitgaven die de directeur-bestuurder in de periode 2012-2014 had voorgeschoten voor verleende juridische ondersteuning tegen de gemeente Amsterdam om de start van de school af te dwingen. De RvS oordeelt dat SIO de Rijksbekostiging voor het jaar 2017 hiervoor niet had mogen aanwenden, omdat de reguliere bekostiging moet worden besteed aan de kosten van personeel en voorzieningen in de exploitatie in het kalenderjaar waarvoor zij is verstrekt. Voor de aanloopkosten in 2012-2024 had SIO zo mogelijk een startbekostiging kunnen aanvragen, stelt de RvS. Dit onrechtmatig handelen kwalificeert de RvS echter niet als wanbeheer, aangezien daarmee door de directeur-bestuurder geen financieel voordeel is behaald. In hoger beroep heeft SIO namelijk kunnen aantonen dat het bedrag van bijna EUR 25.000,- daadwerkelijk betrekking had op terugbetaling van eerder door de directeur-bestuurder voorgeschoten kosten ten behoeve van het Haga Lyceum. Daarmee kan er volgens de RvS ook geen sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking en dus van wanbeheer.

In hoger beroep is niet in geschil dat SIO ook onrechtmatig heeft gehandeld door het overschrijden van de WNT-norm voor de directeur-bestuurder in 2017 en 2018, het uitkeren van vacatiegelden met terugwerkende kracht over 2017 aan het algemeen bestuur en het uitbetalen van een vergoeding voor overwerk aan een beleidsmedewerker. Er is aldus de RvS is ook in dit geval geen sprake van  ongerechtvaardigde verrijking, omdat hetgeen waarvan achteraf bleek dat het niet was toegestaan, door SIO is teruggevorderd. De RvS is van oordeel dat ook aan deze uitgaven niet de conclusie wanbeheer kan worden verbonden, zoals de minister heeft gedaan. Volgens de RvS is er namelijk geen sprake van een doelbewust patroon van onrechtmatige uitgaven waarbij de grenzen van het financieel toelaatbare zijn opgezocht.

Benieuwd naar deze uitspraak van 19 oktober 2022? Lees hier de volledige uitspraak.

In het civiele recht en meer specifiek het enquêterecht is het begrip wanbeheer uitgekristalliseerd in de rechtspraak van de Ondernemingskamer van het Hof Amsterdam (OK). In dat licht is de uitspraak van de RvS zeer begrijpelijk. Het zou in onze optiek wenselijk zijn als de minister bij de hantering van het begrip  wanbeheer in de zin van de WPO en breder de onderwijswet- en regelgeving, aansluiting zoekt bij deze jurisprudentie van de OK. Dit zou de eenheid van onze wetssystematiek en de rechtszekerheid ten goede komen. 

Neem bij vragen over dit onderwerp gerust contact op met een van onze advocaten van Team Onderwijs.