Skip to main content

Recent hebben wij reeds bericht over het wetsvoorstel Uitfasering Pensioen Eigen Beheer (PEB). Dat moet ertoe leiden dat het pensioen in eigen beheer voor de directeur-groot aandeelhouder (op termijn) verdwijnt. Er kan een aantal keuzes worden gemaakt. De opgebouwde voorziening kan worden afgekocht, tegen een gunstig belastingtarief. Het opgebouwde pensioen kan ook worden omgezet in een spaarvariant, de “oudedagsverplichting”, een soort bancaire lijfrente is. Ongeacht de keuze, de rechten van de (gewezen) partner worden daardoor beïnvloed, zodat schriftelijke toestemming van de partner vereist wordt (zie artikel 38n lid 4 van het wetsvoorstel). De Belastingdienst stelt daarvoor een model-document beschikbaar. Uit het concept van dat formulier blijkt dat een aantal vragen (simpelweg) met “ja” of “nee” moeten worden beantwoord. Nu de rechten van de partner in het geding zijn, staat buiten kijf dat gewaarborgd moet worden dat de partner, als gevolg van het maken van bepaalde keuzes ten aanzien van de pensioenopbouw, niet met lege handen komt te staan.

Na de publicatie van het wetsvoorstel op Prinsjesdag is er de nodige commotie ontstaan, onder andere en met name over het instemmingsvereiste en de daaraan gekoppelde informatieplicht. En wat te doen als instemming (al dan niet op goede gronden) wordt onthouden?

Zijn deze zorgen over de vraag hoe invulling te geven aan de informatieverstrekking aan respectievelijk advisering van de partner, terecht ?

Immers, ook vóór publicatie van dit wetsvoorstel konden er reeds beslissingen worden genomen door de DGA die (direct) invloed hebben op de positie van de partner. Pensioenbrieven en wijzigingen daarvan moeten meestal worden mede-ondertekend door de partner. In de praktijk wordt dat nog wel eens “vergeten”.Of wordt er “blind” getekend.

De opdracht naar aanleiding van het wetsvoorstel Uitfasering PEB luidt dat er op adequate wijze inzicht wordt gegeven in de beider posities m.b.t. pensioen, de financiële uitwerking van de vooruitzichten, de verschillen in de te maken keuzes m.b.t. afkoop, omzetting in een OVP of het continueren van het PEB zonder verdere waarde-opbouw, en de consequenties daarvan voor beide partners.

Dat is een hele klus, maar niet onoverkomelijk.

In een recente casus die werd voorgelegd aan het Hof Amsterdam en die leidde tot de beslissing van 26 januari 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:191) was ook in geschil of de partner bewuste keuzes had gemaakt met betrekking tot het pensioen.

In die zaak hadden partijen onder begeleiding van een mediator in een convenant afspraken gemaakt over de financiële consequenties van hun echtscheiding. Onderdeel van die afspraken was dat ieder van partijen de tijdens huwelijk opgebouwde eigen aanspraken op pensioen behield. Toepasselijkheid van de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding werd uitgesloten. De vrouw deed dus (samengevat) afstand van haar aandeel in de door de man tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioenaanspraken. Zelf had zij minimaal pensioen opgebouwd. De opgebouwde pensioenrechten van de man waren aanzienlijk. Er was dus een grote discrepantie tussen de door ieder van partijen opgebouwde pensioenrechten. De vrouw werd daarvoor ook niet op andere wijze  gecompenseerd. Voorts was niet aangetoond dat er door partijen expliciet was gesproken over de omvang van de pensioenrechten, respectievelijk het deel waarop de vrouw normaal gezien recht zou hebben gehad. De vrouw had dus kennelijk de gevolgen van haar keuze niet goed kunnen overzien.

De vrouw wilde dan ook terugkomen op de afspraken, en het Hof Amsterdam volgde haar daarin. Nu zij niet concreet en nauwkeurig voor ogen had wat zij prijs gaf en niet anderszins werd gecompenseerd, vond het Hof dat uitsluiting van de pensioenverevening in die omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Met toepassing van artikel 6:248 lid 2 BW bepaalde  het Hof daarom dat de afspraak in het convenant met betrekking tot de uitsluiting van pensioenverevening niet van toepassing was, zodat de vrouw alsnog op grond van artikel 2 lid 1 WVPS recht kreeg op verevening van het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen.

Of het nu gaat om het invullen van een standaard-formulier in het kader van de uitfasering PEB, of om het vastleggen van afspraken over pensioen in een echtscheidingsconvenant, in alle gevallen loopt men het risico dat de andere partij later terugkomt op gemaakte keuzes of afspraken, op grond van het feit dat hij/zij niet voldoende geïnformeerd en voorgelicht is danwel de gevolgen van de keuzes of beslissingen niet goed heeft kunnen overzien. Het is de taak van alle betrokkenen (partijen en adviseurs) om ervoor te waken dat afspraken/keuzes worden gemaakt op basis van “informed consent”. Als dat vervolgens (goed gedocumenteerd) wordt vastgelegd, zal het niet zo gemakkelijk zijn voor partijen om daar later toch nog op terug te komen. Hoedanook is het devies : beter een geïnformeerde partner die geen toestemming verleent dan een niet-geïnformeerde partner die de toestemming later weer intrekt.